﻿De vloek van de Almoeder
Patrick Brannigan

Smashwords Edition

Copyright 2011 Patrick Brannigan

Smashwords Edition, License Notes
This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.
~

Tijdens deze maanloze nacht denk ik even niet aan onze jacht op de worg, want Amber is de begeerlijkste vrouw van Grimloos. Het haardvuur belicht haar gouden borsten. Vandaag is ze de mijne geworden. Ik drijf mijn lid zo diep mogelijk in haar lichaam. Ze kreunt en vouwt haar benen om mijn heupen. We zijn zo innig verstrengeld dat we het gekras aan onze deur niet horen.
Ambers geur van muskus en jasmijn moet hem gelokt hebben, bedacht ik me later. Toen het te laat was. Ze hebben een scherpe reuk voor vrouwelijke schoonheid. Ambers geur moet hem hebben laten kwijlen van verlangen. Hij beklom de pallissade en doodde onze wachter. Behoedzaam sloop hij van schaduw naar schaduw, het fakkellicht van de flambouwen vermijdend. Een nachtwaker stierf een stille maar bloederige dood. Een dronken krijger zag alleen een donkere schaduw die hem besprong, voordat zijn ziel naar Almoeder reisde. Dieper en dieper drong hij ons dorp binnen, moordend in dodelijke stilte. Uiteindelijk drong hij het langhuis binnen, want Amber geurde zo krachtig dat de worg alle voorzichtigheid liet varen.
De worg dringt onze kamer binnen. 
Ik zie een harige, donkere gestalte met gele ogen en grote klauwen. Ik verbreek mijn verstrengeling met Amber en spring uit bed. Na enkele hartslagen slaat de worg mij tegen de vloer, waar ik bloedend blijf liggen. Het gillen van Amber alarmeert de andere bewoners van het langhuis, voordat de worg haar smoort en wegsleept. Als de mannen van Grimloos eindelijk met speren en fakkels op het onraad afkomen, krabbel ik overeind. Als we het langhuis uitkammen, ons verspreiden door het dorp en overal lijken vinden, is de worg al verdwenen in het woud. Evenals Amber Avondzang, de bruid die ik verloor. 
Niemand weet waarom de Almoeder de worg begiftigde met hun lust naar bloed en schoonheid. Die lust is een vervloeking. De krijgers van de Windheer noemen de worg daarom de vloek van de Almoeder. Mens en worg zullen elkaar bejagen en doden. Zo zal het zijn. Totdat het hemelvuur alles verzengt.
Ik ben Immir Vuurhart. Dit is het verhaal van mijn smart.

Het onzekere lot van Amber heeft ons de hele nacht opgejaagd, totdat we midden in het woud het spoor van de worg kwijtraken. De ogen van Frandur IJzervuist, krijgsheer van Grimloos, zijn roodomrand en zijn adem stinkt naar brandewijn, maar zijn hand is rotsvast als hij het symbool van de Almoeder in mijn borst kerft. 
‘Aan deze bloedeed ben jij, Immir Vuurhart, gebonden tot de dood. Keer pas terug als ons verlies is gewroken,’ gromt Frandur. De krijgers bevestigen mijn verbanning met een oorlogskreet die door het woud weergalmt. Ze wenden zich af en verdwijnen in westelijke richting. Ik betwijfel of ik mijn krijgsbroeders ooit nog zal weerzien. Toch kan ik alleen maar aan Amber denken.
Frandur is als enige blijven staan. Zijn gezicht wordt verwrongen door tegenstrijdige emoties. Hij grijpt mijn tuniek en schudt me door elkaar. ‘Waarom heb je haar niet beschermd met je leven? Waarom ben jij niet gedood vannacht?’
Ik zwijg en sla mijn ogen neer. De schaamte drukt als een molensteen op mijn schouders. Ik beminde mijn bruid. Ik was ongewapend. Ik had moeten sterven. Was ik maar gestorven. 
‘Wreek ons verlies of sterf.’ Frandur duwt me van zich af. Ik wankel achteruit. Zwarte vlekken vertroebelen mijn zicht. Ik ben een krijger van de Windheer, dus ik verdraag de pijn van mijn wonden. Maar de wonden van de worg eisen eindelijk hun tol. Ik zak in elkaar.
‘Ellendig hondsvot,’ grauwt Frandur. Hij spuwt in mijn gezicht. ‘Jij bent mijn dochter nooit waardig geweest.’ Mijn geest glijdt weg naar de duisternis.

Ik kom vlak voor zonsondergang bij bewustzijn. Ik leg een kampvuur aan om de nachthonden op afstand te houden. De klauwen van de worg hebben mij koorts bezorgd. Nachtenlang lig ik te ijlen. In mijn kampvuur zie ik het gezicht van Amber. Soms herhaalt ze de zoete woorden van onze bruidsnacht, maar vaker kijkt ze me droevig aan. Dan zegt ze dat ze allang dood is. Dat mijn zoektocht zinloos is. Dat ik naar het Avondland moet reizen. Een nieuw leven moet beginnen. 
Ze zou beter moeten weten. Een krijger van de Windheer is geen eedbreker. Ik hoop haar terug te vinden. Tegen beter weten in, want vrouwen die door de worg zijn geroofd, keren nimmer weer.
Ik herstel van mijn wonden. Eindelijk kan ik op zoek naar Amber. Gelukkig is het hoogzomer, dus ik gebruik het lange daglicht om sporen van de worg te zoeken. Ik eet wat ik te pakken krijg. Soms is het hertenbout, soms zijn het bessen of knollen. Vaak vind ik niets. Dan eet ik bladeren of boomschors. Na twee weken kan ik mijn ribben tellen, maar mijn geest is helder. Na drie maanden, als de bladeren verkleuren naar een donker vermiljoen, slaag ik erin één worg op te sporen. Na een jacht van twee dagen drijf ik hem in een kloof waaruit hij niet kan ontsnappen.
Het is een welp die zijn stam is kwijtgeraakt. Ik stoot mijn speer in zijn magere borstkas. De welp piept en sterft. Ik verwacht genoegdoening. Ik voel slechts walging. Is dit de eed waaraan ik gebonden ben? Die nacht zie ik opnieuw het gezicht van Amber in mijn kampvuur. Ze huilt.
Tijdens mijn eerste winter hul ik me in de huiden van beren en vervloek ik de sneeuw die mijn jacht bemoeilijkt. Ik overleef de beet van de honger en de vorst, hoewel ik twee tenen kwijtraak. 
Ik trek steeds dieper het woud in. Ik ontdek de hut van een heks in een afgelegen vallei. In ruil voor wat brandhout gooit ze haar bikkels. Ze voorspelt me bloed en pijn. 
De seizoenen komen en gaan. Mijn jacht blijft vruchteloos. De worg zijn onvindbaar, ondanks mijn gebeden aan de Almoeder. Her en der vind ik hun sporen, maar die leiden nergens heen of verdwijnen op rotsige hellingen. 
De eenzaamheid knaagt. Spoken verschijnen aan mijn kampvuur. Mijn moeder. Mijn krijgsbroeders. Frandur IJzervuist. Hun monden bewegen, maar ik versta niet wat ze zeggen. Ambers gezicht in mijn kampvuur wordt steeds vager. Ze spreekt niet langer tegen mij. 
Na mijn vijfde herfst tel ik de seizoenen niet langer. Ik eet alleen nog het rauwe vlees van dieren. Mijn speer ben ik kwijt, maar ik heb mijn langmes nog. Soms vergeet ik waarom ik door dit woud zwerf. Soms vergeet ik wie ik ben.
Ik kom bij een bergmeer. In het spiegelgladde water bekijk ik mijn eigen reflectie. Waar is de krijger gebleven die ik eens was? Ik zie een gelooid, harig gezicht dat naar me grimast. De ogen zijn verwilderd. Dit is geen krijger van de Windheer die mij aanstaart. Dit is een wild dier. Die nacht antwoordt de stem van de Almoeder eindelijk mijn gebeden. Ik gehoorzaam haar bevel en snijd mijn tong af.

Mijn offer is in dankbaarheid ontvangen. Alles is nu helder. Ik hoor het kreunen van de bomen. Ik voel het leven onder hun bast. Ik ruik de eekhoorns, hoog in de kruinen. Ik zie nu pas de essentie van het woud. 
Ik betreed een vallei die ik al een dozijn keer heb doorkruist. Dit keer vind ik hun spoor bijna onmiddellijk. De volgende dag bespied ik hun kamp vanaf een heuvelrug. Een laag gegrom wringt zich uit mijn keel. Ik merk dat ik kwijl.
Tussen de worg ontwaar ik een menselijke gestalte, die met takenbossen sjouwt. Ik zie haar in de grootste tent verdwijnen, middenin het kamp. Ik wacht tot de duisternis invalt.
De worg wanen zich veilig. Geluidloos maak ik een enkele wachter af. Ik sluip door het kamp en bereik onopgemerkt de grote tent. Ik druk mijn oor tegen de huiden. Ik hoor gegrom en gekreun. Mijn langmes verschaft mij toegang.
De sintels van het haardvuur werpen een oranje gloed op de worg, die de vrouw van achteren schendt. De worg gromt, de vrouw kreunt zinnelijk. 
Ik herken de vrouw niet. Ze zou Amber kunnen zijn, maar dan zonder de schoonheid die ik me vaag herinner. De worg staart me ongelovig aan. Mijn langmes boort zich in zijn keel. Zijn bloed gutst over de vrouw.
Ze gilt. Snel druk ik mijn klauw op haar mond. Nu vervloek ik mijn offer aan de Almoeder, want ik kan slechts ongearticuleerd grommen. Ze rukt zich los en glipt gillend de tent uit. Ik hoor de worg ontwaken en vlucht.
Vanaf de heuvelrug zie ik de vrouw huilend rondrennen, totdat de worg haar aan stukken scheuren. Ze denken dat zij hun stamhoofd heeft gedood. Ik voel spijt over de verspilling van het vrouwenlichaam. Ik voel opwinding bij het aanschouwen van zoveel bloed.

Ik keer terug naar Grimloos. Ik heb mijn eed vervuld, al is dat nu niet belangrijk meer. 
Ik aanschouw het dorp. Jazeker, ik zal terugkeren. Maar niet vreedzaam. Ik zal doden. Ik zal mij een vrouw roven die welpen zal baren. Ik zal een nieuwe stam stichten. 



Over de auteur
Patrick Brannigan (1971) was matroos op de wilde vaart, soldaat der eerste klasse en kelner op het zonnige Lefkas. In 1998 studeerde hij af als historisch letterkundige aan de Universiteit van Amsterdam. Patrick ging daarna lange tijd op safari in Afrika. In 2006 schreef hij een vertaling van de avonturen van een 17e-eeuwse VOC-matroos. Sinds enkele jaren richt hij zich op de genreliteratuur, doet actief mee aan verhalenwedstrijden en zit in de redactie van Pure Fantasy Magazine. In 2011 won hij de NCSF-prijs én de Unleash Award.
Patrick woont vlakbij Amsterdam met zijn vrouw en kinderen. Hij staart af en toe in een kampvuur onder invloed van allerhande hallucinogenen, verliest zich in virtuele werelden en werkt ondertussen stug door aan zijn meesterwerk, dat ongetwijfeld de gehele wereld zal veranderen.


