Alle rechten voorbehouden Dit werk wordt u gratis ter beschikking gesteld voor gebruik in huishoudelijke kring. Gratis betekent niet dat u de intellectuele eigendom verwerft over het werk. U mag het werk noch inhoudelijk noch vormelijk wijzigen zonder toestemming van de auteur. U mag het werk niet ter betaling verder verspreiden. Het werk wordt beschermd door auteursrecht en/of indien relevant door de naburige rechten en/of het sui generis databankenrecht en/of de geldende wetgeving van toepassing zijnde recht. Elk gebruik van het werk dat hier niet uitdrukkelijk wordt toegestaan, is verboden. Smashwords Edition, License Notes Thank you for downloading this free ebook. Although this is a free book, it remains the copyrighted property of the author, and may not be reproduced, copied and distributed for commercial or non-commercial purposes. If you enjoyed this book, please encourage your friends to download their own copy at Smashwords.com. Thank you for your support. De ogen van de wolf copyright 2012 W.M. Caers published by Weyenberg at Smashwords ISBN 9789081859301 NUR 334 www.wmcaers.com Mundus vult decipit Proloog “De Wolven zijn oud,” begon de verteller, “ouder dan de burcht op de rotsen en ouder dan de kroon in de toren. Zij maakten van Wails een machtig land en onder hen verging het ons goed. Maar toen zij verdwenen, verging ook Wails en stierf de ziel van ons land. Eén hartslag door verschillende aders, want de Wolven zijn het land en het land de Wolven... Er is een verhaal over de eerste van het huis, zoals er een verhaal kan worden verteld – maar nooit wordt – over de laatste van de Wolven. Zijn verhaal, het verhaal van ‘de eerste’, is vreemd en onwaarschijnlijk en toch vertellen wij, Welshen, het in de wetenschap dat het waar is. Het is het verhaal van Raul de Vervloekte, de eerste van de Wolven... Het was de tijd van de ridders en de grote toernooien. Wails was toen nog een welvarend land en vrede heerste tot ver buiten de landsgrenzen. Raul was een wijs ridder die leefde op de plaats waar nu het Arendsnest staat. Hij stond bekend als een hartstochtelijk jager en er ging geen week voorbij of hij verkende weer nieuw terrein. Op een dag trok de ridder Raul op jacht in de duistere binnensten van de Wilde Wouden. Hij had een wondermooi wit hert gevolgd in de hoop het te kunnen schieten, maar het hert had hem enkel dieper in het betoverde woud geleid en hem daar uiteindelijk kunnen afschudden. Zo kwam het dat Raul gedurende vele uren verloren ronddoolde door het woud tot het avond werd en hij bij een duistere poel terecht kwam. Raul wilde zijn dorst lessen aan de poel, maar toen hij dichterbij kwam, merkte hij tot zijn ontzetting dat het de badplaats van een fee was. De fee ontdekte hem en brak in woede uit. Raul jammerde om vergiffenis, maar het was reeds te laat. De fee sprak een vervloeking over hem uit en zei dat hij nooit zou kunnen liefhebben. Want elke nacht zou Raul in slaap vallen en veranderen in een wolf. En als wolf zou hij ’s nachts verscheuren wat hij als mens het meest had liefgehad tijdens de dag. En zo gebeurde het. ’s Nachts veranderde Raul in een wolf en jaagde hij in het bos. Pas als de zon weer opkwam, veranderde hij terug in een mens. Bang dat hij verliefd zou worden, sloot hij zich af van alle menselijke gezelschap. Zo leefde Raul jarenlang: half als wolf, half als mens, afgezonderd in zijn kasteel. Hij werd een nors man die elk vriendelijk gebaar afsloeg uit angst voor het kwaad dat hij in zich droeg. En zo zou hij ook de rest van zijn leven hebben geleid als er niet iets was gebeurd. Op een morgen werd hij wakker in het bos en merkte hij dat hij niet alleen was. Een mooie jonkvrouw had zijn metamorfose gezien en vroeg wat hij was. Beschaamd omdat ze zijn ware aard had gezien, wilde Raul haar wegjagen, maar het was al te laat: hij had haar lief gekregen. Hij smeekte de jonkvrouw te vluchten, maar ook zij was verliefd op hem geworden en vroeg hem waarom hij een zuiver ding als de liefde wou ontkennen. In zijn wanhoop vertelde hij haar over de vervloeking en vroeg haar niet te blijven. De jonkvrouw weigerde echter en bleef bij hem tot de zon weer verdween achter de horizon. Op dat moment zonk Raul in een diepe slaap en verscheen de fee met een wolfsvel in haar handen. De jonkvrouw rukte het wolfsvel uit haar handen en gooide het over de fee heen. De fee kwam nu onder haar eigen betovering terecht en kon in de vorm van een beest zich niet langer onttoveren. Het beest rende weg en verdween voor altijd aan de einder. Bevrijd van zijn vloek kon Raul eindelijk toegeven aan zijn liefde. Hij huwde de jonkvrouw en ze kregen een zoon. Het kind werd geboren als half mens, half wolf en droeg het wolvenbloed met trots in zijn aders. Hij werd de eerste van een nobel geslacht en hij noemde zich naar de wolf die zijn vader ooit was geweest. Het bloed maakte hun geslacht sterk en stuk voor stuk waren ze dan ook grote heren. Met hen kwam Wails tot bloei en zij waren het ook die de grote burcht lieten bouwen die men eenvoudigweg ‘de Arendsburcht’ is blijven noemen. Maar uit de oudste tijden van Raul de Vervloekte, stamt ook de voorspelling af dat, mocht het huis van de Wolven vallen, er een einde zou komen aan de goede tijden in Wails.” De verteller zweeg even en dacht na. “Het huis is intussen ook gevallen,” zei hij. “De Wolven zijn verdwenen en de burcht zelf is niet meer wat ze geweest is. Het werd een grimmig bastion, besmeurd met het bloed van het verleden en zij die opkijken naar de eens zo trotse burcht, voelen nog slechts een rilling over hun rug heengaan. De burcht is veranderd, zoals alles is veranderd...” Deel I Hoofdstuk 1 1. Om elf uur ’s avonds wisselde zoals elke avond de wacht van het hertogelijke slot. Twee soldaten kwamen in het gelid de poort door en de overste gaf het bevel voor de wissel. De nieuwe wachters namen de plaats in van de oude en de vorige wacht verdween weer door de poort. Het werd terug stil. Een uil keek toe terwijl achter verschillende ramen de lichten van het slot werden gedoofd. De torens van het slot leken grauw in het licht van de fletse maan. Ze wezen als naalden naar de hemel en af en toe wapperden de vlaggen gewillig in de wind. Het was nacht en behalve het toevallige geruis van de bomen, was er niks om de stilte te doorbreken. De wachters staarden voor zich uit in het donker. Het beloofde een rustige nacht te worden. De nachtuil kroop weg in het gebladerte van de boom. Een snijdende wind kwam even opzetten en wolken schoven over de maan. In de schaduw van de bomen verscheen plots een ruiter. De figuur stond weggedoken tussen de bomen en keek met een donkere blik naar het hertogelijke slot. Hij was gehuld in een zwarte mantel en zat onbeweeglijk op het grote paard. Even leek het er op alsof hij monsterlijk grijnsde maar dan trok hij de kap van zijn mantel over zijn gezicht en gaf hij zijn paard de sporen. De wachters zagen de ruiter op hen afkomen en fronsten de wenkbrauwen. Even dachten ze dat het geen ruiter was die op hen kwam afgestormd, maar iets anders. Iets dat beter geen naam kreeg. De wachters deinsden achteruit. Het paard leek niet te zullen stoppen en kwam recht op hen af. Hele kluiten aarde werden losgeslagen onder de hoeven van het paard. Bijna was het of het los door de poort zou beuken. De wachters zetten zich schrap. Het paard was nog geen drie meters van hen verwijderd, toen de ruiter plots een ruk aan de teugels gaf. Het paard brieste gierend en steigerde. De hoeven klauwden in de lucht naar de wachters en dan kwam het paard terug op zijn vier poten terecht. De ruiter keek honend neer op de twee geschrokken soldaten. Even waren de wachters van slag door de blik in die ogen. Dan hieven de wachters hun pistolen weer op. “Maak uzelf bekend!” De zwarte man sprak niet, maar dat hoefde ook niet. Hij stak een hand uit en liet één van de wachters zijn zegelring zien. De wachter begreep het onmiddellijk en schoof terzijde. Hij kende die ring en hij kende de kwalijke reputatie van de man die hem om had. “Het spijt me, mijn heer,” stamelde de man, “we hadden u niet herkend... Kom binnen...” De poorten werden geopend en nog voordat de wachters goed en wel opzij waren gesprongen, stormde de ruiter al langs hen heen. En zo kwam de geheime meester van Carnières het slot binnen. Intussen hield een dienaar elders in het slot zich bezig met het doven van de lichten. Georges was net als zijn ouders voor hem al in de dienst van de hertogin van Carnières sinds hij had leren lopen. Hij had nooit een leven buiten het hertogelijke slot gekend en alles dat hij deed was in functie van zijn meesteres. Als een lagere kamerdienaar had hij niet veel contact met de hertogin, maar hij was haar met lijf en leden toegewijd. De hertogin was het centrum van zijn leefwereld en zijn reden tot bestaan. De hertogin van Carnières was een van de meest belangrijke personen van het koninkrijk Lenion. Ze heerste over een hertogdom dat ongeveer een derde van Lenion besloeg, maar niet alleen daarom had ze een grote zeg in het bestuur van het land. Ze had een goede verstandhouding met koning de Bethune en naar verluidt waren er maar weinig grote beslissingen die de koning maakte zonder haar instemming. Ze was dan ook een van die mensen die je in Lenion beter te vriend kon houden. De macht van de hertogin boezemde Georges ontzag in. Voor hem was de hertogin een vrouw zoals er weinig andere waren en hij vond het een eer haar te dienen. De kamerdienaar liep de bediendekeuken binnen en schonk zichzelf een warme grog uit. Het was niet alleen buiten koud maar ook binnen, dacht hij, en toch was het nog lang geen winter. De kamerdienaar keek na of alle luiken gesloten waren en zette zich dan aan de keukentafel. Met genoegen dronk hij van zijn warme kop. Hij was de enige die deze avond nachtdienst had en zonder gezelschap om de tijd te passeren, kon de nacht nog lang duren. Het was bijna twaalf uur toen een bel ging in het bediendevertrek. De kamerdienaar keek op en zag dat het de bel van het hertogelijke salon was. Hij vroeg zich af wie daar nog kon zijn en realiseerde zich dan dat het de hertogin zelf was. Zo snel als hij kon repte Georges zich naar het hertogelijke salon. Hij was net niet buiten adem toen hij voor de deur stond en haalde even diep adem vooraleer de deur rustig open te doen. De hertogin stond voor het haardvuur. Ze tuurde in de vlammen en keek pas op toen de kamerdienaar kuchte. Ze was een statige vrouw, maar ouderdom en plichten, hadden haar gezondheid al lang geleden verwoest. Er werd gezegd dat ze ooit een mooie vrouw was geweest, maar daar viel nu nog weinig van te merken. Ze was corpulent geworden en had haar mooie trekken moeten opofferen aan de tijd. Ze maakte nog altijd wel een verzorgde indruk, maar op momenten als deze, als het al laat was, drukte de vermoeidheid een stempel op haar gezicht. Nochtans lag er macht in haar houding en waardigheid. De hertogin nam de kamerdienaar van kop tot teen op. Het was duidelijk dat de hertogin hem herkende en ze knikte tevreden. “Jij bent de jongste van de Simenons.” De jonge man boog. “Ja, mevrouw. Tot uw dienst.” De hertogin knikte opnieuw en keek terug in het haardvuur. “Ik heb je laten komen om iets met je te bespreken,” zei ze dan en Georges keek verwonderd op. “Vanaf vandaag zal je een andere functie bekleden. Je zult nog steeds voor mij werken, maar ik zal je diensten zelf niet meer gebruiken. Ik wijs je toe aan een van mijn medewerkers en het spreekt voor zich dat je hem met dezelfde toewijding dient als zou je mij dienen.” “Jazeker mevrouw.” De hertogin keek hem strak aan. “Ik hoor dat je een knaap bent die weinig praat, Georges. Is dat zo?” De kamerdienaar was even verrast. “Ja...,” antwoordde hij. “Dat is goed,” zei de hertogin, “want je stilzwijgen is wat ik in de eerste plaats nodig heb van je. Bij je nieuwe meester zal je dingen zien die niemand anders ooit heeft gezien en dingen horen die niemand anders ooit zal horen. Dus wee jou als je je mond durft voorbij te praten. Want je nieuwe meester zal je opjagen en afmaken als hij er achter komt. Laat ik achteraf niet horen dat ik je niet heb gewaarschuwd.” De kamerdienaar staarde de hertogin even aan en begon iets te vermoeden over de identiteit van zijn nieuwe meester. “Kan ik u vragen wie mijn nieuwe meester wordt?” vroeg hij ongemakkelijk. De hertogin keek nors van hem weg en antwoordde kort: “Nee. Als het hem zint zal hij dat zelf wel vertellen. Ik raad je ook aan er niet naar te vragen tenzij hij er zelf over begint en er zeker niet over te speculeren met andere mensen. Niemand mag weten wie je dient.” Georges knipperde met de ogen. “Laat ik je een raad geven, Georges. Wees voorzichtig met die man. Hij tolereert geen fouten en dat heeft je voorganger geweten. Voor sommige mensen is een leven van geen tel...” “Mevrouw de hertogin...,” stamelde Georges, maar de hertogin schudde het hoofd. “Ik heb iemand nodig voor deze taak en je bent de enige van al mijn personeel die aan de eisen van deze functie voldoet.” Georges voelde zich allerminst gevleid. Het deed meer aan alsof hij het verdict van zijn eigen proces had gehoord. “Het komt wel in orde met je,” zei de hertogin toen ze zijn ontzetting zag, maar Georges was niet echt overtuigd. Niettemin durfde hij geen bezwaar te maken. “Kom nu mee,” zei de hertogin dan, “dan stel ik je aan hem voor. Neem die kandelaar mee, wil je. Het is donker daar...” En de hertogin verliet het salon voor Georges het goed en wel begrepen had. Haastig greep hij een kandelaar vast en liep haar achterna. De hertogin doorkruiste het hele slot van oost naar west, de kamerdienaar in haar zog. Waarheen ze gingen was Georges niet helemaal duidelijk, maar de hertogin wist blijkbaar goed waar ze heen moesten want nergens aarzelde ze of vertraagde ze haar pas. Toen kwamen ze de vroegere westvleugel binnen. Die vleugel lag er verlaten bij sinds de dood van de hertog. Alles was overdekt met lakens en de luiken waren voor altijd dichtgemaakt. De kamerdienaar voelde zich benauwd door de stilte om hen heen en probeerde niet te kijken naar het grillige schaduwspel van de kandelaar in zijn hand. Ze liepen door de vleugel alsof er nooit een einde zou komen aan de gangen. Toen hield de hertogin plots halt en duwde ze een deur rechts van hen open. De kamerdienaar had er geen flauw idee van waar ze nu waren aanbeland en verwachtte dan ook geen bewoonde vertrekken aan te treffen in deze desolate plek. De hertogin ging binnen en de dienaar volgde haar nieuwsgierig. Verstomd bleef Georges staan in een sober, goed onderhouden vertrek. Even vergaapte hij zich aan het intense interieur van de kamer en dan pas besefte hij dat dit een bureau was. De hertogin keerde zich bruusk om naar hem en zei dan: “Kan je onthouden hoe we hierheen zijn gekomen?” De dienaar aarzelde even en knikte dan. “Goed,” zei de hertogin, “want ik veronderstel dat ‘hij’ het je niet opnieuw zal tonen. Ga nu wat dekens halen want het is hier koud. ‘Hij’ zal hier straks wel aankomen.” De dienaar knikte en bleef even verward staan. Dan merkte hij de indringende blik van de hertogin weer op en herinnerde hij zich haar bevel. Zodra hij weg was, nam de hertogin het bureau in zich op. Ze was hier al ontelbare keren eerder geweest, maar zelden alleen. En nu zelfs de bewoner ervan afwezig bleek te zijn, viel het haar pas op hoe onheilspellend de kamer er uit zag. De zoldering leek op je af te komen en er was nauwelijks licht om de dreigende duisternis te verjagen. Elk meubel was met mathematische precisie in het decor ingepast en het was verwonderlijk dat iemand hier kon werken. De hertogin liet haar nervositeit echter niet de bovenhand nemen en zocht zichzelf een zetel uit om in te zitten. De kamer had het karakter van zijn bewoner... Terwijl ze wachtte, sloot ze de ogen en dacht na. Ze dacht aan haar hertogdom, het koninkrijk, haar zoon. Haar hele leven had ze in dienst gesteld van haar land en dat drukte op haar. De opvolging van koning de Bethune was problematisch. Enerzijds zou haar zuster de benoeming proberen te verhinderen, anderzijds moest de benoeming zo snel mogelijk worden vastgelegd om conflicten in het binnenland te voorkomen. In beide gevallen hing veel af van haar zoon. Zolang hij niet was getrouwd, bleef de toekomst nog open... De hertogin rilde van de koude in het vertrek. En de duisternis, vooral de duisternis. Waarom was dit ook zo’n naargeestige kamer? Voordat ze verder kon nadenken, kwam de kamerdienaar terug binnen. Hij had dekens meegenomen en ook iets om de kaarsen in het vertrek aan te steken. De hertogin vond het een goed idee. Wellicht had ook hij zich onwennig gevoeld in het duister. Vlug beende Georges van de ene kant van het vertrek naar de andere kant. Hoe meer licht hij kon maken, hoe veiliger hij zich voelde. De schaduwen keken hem dreigend aan. Hij kreeg het gevoel dat hij bespied werd. Aarzelend keek hij om zich heen, maar zag enkel de hertogin. De hertogin zag zijn blik en fronste het voorhoofd. Ze voelde het ongemak van de dienaar en begreep dat hij iets gewaar was geworden dat zij nog niet had opgemerkt... Ze werden bekeken... De dienaar liep naar een kandelaar en wilde de kaarsen aansteken, maar merkte dat zijn hand trilde. Toch bracht hij het tondel omhoog en nam hij een kaars vast. Plots zag de hertogin de gestalte in het duister. Ze wilde Georges nog waarschuwen maar het was al te laat. De dienaar deinsde geschrokken achteruit. Een moment lang had er licht gegleden over een doodsbleek gezicht met intense ogen. Dan was het gezicht verdwenen en verbluft dacht de dienaar dat hij het zich had ingebeeld. Er stond niemand in de schaduwen en hij had ook geen beweging gezien. Maar net op het moment dat hij zichzelf had gerustgesteld, klonk plots een bassende lach uit een andere hoek en ditmaal rezen de dienaar de haren ten berge. Hij voelde een angst in zich opkomen die hij nog nooit eerder had gevoeld. Zijn adem stokte in zijn keel en zijn hart miste een slag. Versteend van angst bleef hij stilstaan. De hertogin zag de ontzetting van de kamerdienaar en haalde diep adem. “Genoeg,” snauwde ze tegen de bassende stem zonder op te kijken. “Ik zal niet hebben,” zei de hertogin, “dat je iemand in mijn huis onbeschoft behandeld.” En het werd onmiddellijk stil. “Is dat begrepen?” De hertogin voelde de ijzige aanwezigheid achter haar zetel. Hij gehoorzaamde onvoorwaardelijk. “Ik heb je deze man toegekend als nieuwe dienaar,” zei de hertogin tegen de man achter haar, “dus speel niet meer met hem. Je kunt hem naar eigen inzicht behandelen, maar wees zuinig op hem. Het is moeilijk om goede mensen te vinden tegenwoordig.” Dan richtte de hertogin zich tot de kamerdienaar. “Je zult toezien op de briefwisseling van je nieuwe meester, je zal berichten tussen ons uitwisselen en je zal een oor open houden voor wat het slot over hem en mij te vertellen heeft. Verder zal je instaan voor het onderhoud van de kamers van je meester en zijn persoonlijke noden. Je zult dag en nacht paraat moeten staan. Er zal steeds veel van je geëist worden en je zal zelf weinig kunnen eisen. Daar tegenover staat een gepaste compensatie. Wijk je ook maar een beetje af van de opgelegde eisen, zal je meer dan alleen die compensatie verliezen. Maak ik mezelf duidelijk? Kom hier nu morgenvroeg terug. Dan zal je meester je gedetailleerder over je taken inlichten. Maar laat ons nu alleen. We hebben veel met elkaar te bespreken.” Georges wist niet of hij blij moest zijn dat hij weg mocht gaan of moest wanhopen dat hij terug moest komen. Hij kon vaag de gestalte van een man ontwaren in de schaduwen en dacht een grillige grijns op een wit gezicht te kunnen ontdekken. Hij wist niet aan welk ongeluk hij het te danken had dat hij voor deze man moest werken. Hij vroeg zich af of hij had kunnen weigeren als hij dit op voorhand had geweten. Maar terugkomen zou hij. Degelijkheid en trouw waren de criteria waar de hertogin hem op had geselecteerd... De kamerdienaar verliet de vertrekken. De hertogin keek hem na terwijl hij buitenging en keek dan om naar haar andere dienaar. Ze kon de donkere man niet zien, maar ze wist dat hij er was. Gewoonte had haar geleerd op de lichte nuances in het duister te letten. “Jago.” En een man kwam naar voren die van top tot teen gekleed was in het zwart. De hertogin keek naar hem zoals hij nu voor haar stond. Hij was geen groot man en toch leek hij boven haar uit te torenen. Soms deed hij haar denken aan een rots die al eeuwenlang zijn omgeving domineerde en door niks aan het wankelen kon worden gebracht. Als de hertogin hem niet beter had gekend, zou ze hebben gedacht dat hij een geest was in plaats van een mens. Hij had een krijtwit gezicht dat scherp afstak tegen het zwart van zijn haar en dat doortrokken was van bitterheid. Onder zijn ene oog liep een grillig litteken dat de symmetrie van zijn gelaat verstoorde en waardoor zijn leeftijd werd verhuld. Zijn ogen zelf zaten verborgen achter een donkere bril. Toen Griffith Jago een bedachtzame buiging maakte, waren ze een moment lang ontbloot en gruwde de hertogin. Ze kon zich nog de eerste keer herinneren toen ze ook recht in die ogen had gekeken. Dat was na de dood van de 'kapitein' geweest toen ze hem voor het eerst op het slot had ontboden. Toen hij het salon was binnengekomen, was ze verbluft geweest omdat hij een stuk jonger was dan ze had verwacht. Ze had zich afgevraagd wat de kapitein had bezield om een jongen van zo'n leeftijd zoveel verantwoordelijkheid te geven. Tot ze in zijn ogen had gekeken en had begrepen dat hij allerminst een 'jongen' was. Ze was blij dat hij tegenwoordig een donkere bril droeg. Na die eerste keer had ze beseft dat haar fascinatie voor die ogen geen fascinatie was geweest, maar pure angst. Het waren niet de ogen van een mens, het waren de ogen van een beest. “Uw dienaar,” klonk het antwoord. In het slot ging het verhaal dat de hertogin een geheime dienaar had. Niemand wist waar hij woonde, maar iedereen had wel al de geruchten over hem opgevangen. Ze zeiden dat hij de geheime meester was van het slot en dat hij enkel gehoorzaamde aan de hertogin. Ze zeiden ook dat hij geen man was, maar een demon uit het voorgeborchte van de hel en dat de hertogin een pact met de duivel had gesloten om gebruik te maken van zijn diensten. Waarom de hertogin een monster nodig had, kon niemand vertellen, maar sommigen fluisterden dat de hertogin een verborgen vijand had en dat de dienaar haar er tegen beschermde. De hertogin perste de lippen op elkaar. Die verhalen waren uiteraard compleet verzonnen, maar toch zat er een grond van waarheid in. Zonder de zwarte man zou ze lang niet zo veel hebben kunnen bereiken als ze nu had gedaan. Sinds het ogenblik dat hij bij haar in dienst was gekomen, had hij elk van haar bevelen zonder commentaar uitgevoerd, hoe wreed en verschrikkelijk die soms ook konden zijn. Hij was ook afschuwelijk intelligent. Hij had een kijk op zaken die de hertogin niet alleen dikwijls verraste, maar die ook vaak het verschil uitmaakte tussen succes en verlies. Het leed ook geen twijfel dat deze vreemde man wellicht de enige reden was waarom hun land nog niet onder de voet was gelopen door hun vijanden. “Wat denk je van je nieuwe dienaar?” vroeg de hertogin. “Zal hij voldoen?” De zwarte man antwoordde niet onmiddellijk. Na een poos zei hij: “We zullen zien wat voor vos hij is.” “Vos?” vroeg de hertogin. Griffith Jago keek strak voor zich uit. “Een wolf heeft een vos nodig om hem te dienen.” “En ben jij dan een wolf?” vroeg de hertogin geamuseerd. Er blonk iets achter die zwarte brillenglazen en de hertogin hield op met glimlachen hoewel ze niet wist waarom. “Dat is een vraag die hier niet relevant is,” zei hij. “Voorlopig voldoet hij.” De hertogin fronste het voorhoofd, maar ging niet verder in op de kwestie. “Ik mag het hopen,” zei ze, “ik heb veel moeite moeten doen om je een nieuwe dienaar te vinden.” “De vorige verraadde me,” zei Griffith. De hertogin antwoordde: “En dat heeft hij geweten. Des te meer reden waarom deze je dubbel zo trouw zal blijven als hij hoort wat er met zijn voorganger gebeurde.” Griffith haalde de schouders op. “Hij mag het proberen. Mij maakt het niet uit.” “Nee,” zei de hertogin behoedzaam, “niemand krijgt ooit de kans jou te verraden.” De raadgever keek emotieloos op haar neer. “Trouw is het enige wat telt,” zei hij. De hertogin knikte en dacht dat ze hem soms schrikwekkend vond. Dan werd het tijd om andere kwesties te bespreken. De hertogin nam een dossier vast dat de raadgever haar even tevoren had gegeven en overlas het. Nog voor ze gedaan was met lezen, legde ze het alweer opzij. Er was een andere, meer prangende zaak die ze wilde bespreken. “Koning de Bethune wil dat mijn zoon trouwt, zo snel mogelijk,” zei ze. “Hij is bang voor wat er zal gebeuren als hij nog langer zonder opvolger blijft. Iedereen verwacht van de Bethune dat hij de benoeming van mijn zoon officieel maakt, maar zolang niet aan alle vereisten is voldaan, kan hij dat niet. Ik vrees dat het land spoedig in een impasse zal raken als mijn zoon zich niet snel bewust wordt van zijn verplichtingen.” “Uw zoon kent zijn verplichtingen,” zei de raadgever rustig. “Niet als het op een huwelijk aankomt,” zei de hertogin fel. “Soms denk ik dat wij beter de bruid voor hem uitkiezen dan omgekeerd.” De raadgever verpinkte niet. “Niets let u om dat ook te doen.” De hertogin schudde het hoofd. “Dat zou nooit lukken. Mijn zoon zou steigeren als een paard als ik dat durfde te doen. Zo heb jij hem opgevoed, Jago! Hij wil niet dat wij zijn keuzes voor hem maken.” De raadgever bewoog niet. “Dan moeten we er voor zorgen dat hij niet de keuze heeft,” zei hij enkel. De hertogin wou lachen en zeggen dat dat onmogelijk was. Maar dan bedacht ze dat het misschien inderdaad zo eenvoudig was. “Hem een keuze opleggen?” vroeg de hertogin nadenkend aan de raadgever. “Hoe zou je dat doen?” De raadgever antwoordde niet onmiddellijk, maar glimlachte slechts. De hertogin huiverde even. Toen zei hij: “Geef me twee weken tijd... Ik zal u een dossier voorbereiden...” 2. Catherina Montfort was haar haren aan het borstelen toen haar oom in de gang tegen zijn zoon begon te brullen. Ze kon niet horen waarover het ging, maar ze deed ook geen moeite om te luisteren. Er was altijd wel iets dat haar oom niet aanstond en waarvoor hij het nodig vond om iemand uit te kafferen. Meermaals per dag hoorde Catherina haar oom brullen door het huis, als het niet was tegen zijn bediendes, dan wel tegen zijn zoon. Catherina dacht dikwijls dat het haar oom meer ging om de ruzie dan om de aanleiding ervan. Catherina had niet altijd bij haar oom gewoond. Dat was pas gebeurd toen haar vader - graaf Guillaume Montfort - onverwacht was gestorven. Helaas had Catherina's vader geen andere familie meer gehad dan zijn broer en zo was ze zeer tegen haar zin bij Simon Montfort terecht gekomen. Graaf Guillaume Montfort was een vader geweest waarop Catherina trots kon zijn. Zoals vele andere aristocraten in Lenion had 'de kapitein', zoals hij werd genoemd, een eigen rederij. Die rederij was niet groter of ouder dan die van andere edelen, maar toch was het die rederij die Lenion op de kaart had gezet. Voordien was Lenion ook al een zeevarende natie geweest. Elke edelman bezat wel een schip of rederij waarmee handel werd gedreven met de buurlanden. In die tijd had Lenion vooral gebruik gemaakt van logge driemasters die nooit ver konden varen. Kapitein Montfort was er in geslaagd een type schip te ontwerpen dat tot op dat ogenblik onbekend was geweest. Het waren slanke schepen, met een hoge wendbaarheid en snelheid. Ze hadden twee rijen kanonnen waarmee ze elke kaper de loef afstaken. En vooral: er was de helft minder zeelui nodig om ze te bedienen waardoor er veel laadruimte was. Kapitein Montfort brak met die schepen de markt open naar andere landen en loodste zo Lenion naar de rol van leidende zeevaartnatie. Het bekendste schip van graaf Guillaume Montfort was wellicht de Megafor. Het was een viermaster geweest met een slanke steven en een groot aantal zeilen waardoor het moeiteloos door de zee kliefde. Tot op heden was er geen enkele scheepsbouwer in geslaagd om een even geducht schip te maken als de Megafor. Zelfs al leek een schip een exacte kopie te zijn van de Megafor, toch bestond er tot op heden geen enkel schip dat even snel en wendbaar was. Het was alsof er bij de bouw van de Megafor magie te pas was gekomen die het schip boven alle andere plaatste. Wat het geheim van de Megafor was, zou kapitein Montfort nooit navertellen. Er waren plannen geweest om nieuwe schepen te maken die gebaseerd waren op het ontwerp van de Megafor, maar die zouden nooit worden uitgevoerd door de vroegtijdige dood van de kapitein. Het heette dat de kapitein op een avond alleen was gaan wandelen aan de kade in de havenstad Havre en dat hij toen ongelukkigerwijze in het water was terecht gekomen en was verdronken. Het nieuws van de dood van de kapitein kwam als een donderslag bij heldere hemel. Iedereen in Lenion kende Guillaume Montfort en respecteerde hem. Guillaume Montfort was immers niet alleen een bekwaam reder en kapitein geweest, hij werd ook aanzien als een van de meest integere mannen in Lenion. Iedereen wist dat hij nooit iets oneerbaars zou doen en dat zijn woord heilig was. Het was een van de redenen waarom niemand hem ooit een strobreed in de weg legde. Wie iets tegen de kapitein had, was meestal iemand die zelf iets te verbergen had. Dat hij zo snel uit het leven was gestapt, werd door iedereen dan ook betreurd. De begrafenis van kapitein Montfort was een ware staatsaangelegenheid geweest. Van heinde en ver waren er mensen naar Havre afgezakt om hun laatste groet te brengen aan de kapitein. Zelfs het koningshuis van Lenion en de hertogin van Carnières waren aanwezig geweest op de begrafenis. Iedereen vond het dan ook niet meer dan normaal dat Guillaume Montfort als een vorst begraven werd in de kathedraal van Havre zelf. Naast de rederij was Catherina het enige dat kapitein Montfort had nagelaten. Het meisje was nauwelijks een stoep hoog geweest toen hij was overleden, maar dat had de broer van kapitein Montfort niet verhinderd om misbruik te maken van de situatie. De broer van Guillaume Montfort had behalve zijn naam weinig gemeen met de illustere kapitein. Simon Montfort was een opportunist die alleen aan zijn eigenbelang dacht. Hij had vrij snel begrepen dat hij enkel de grafelijke titel en de bezittingen van zijn broer kon inpalmen als hij zich opwierp als de voogd van Catherina. Simon Montfort deed het uitschijnen alsof hij Catherina onder zijn hoede zou nemen tot ze volwassen was. In de tussentijd zou hij haar erfenis beheren en er voor zorgen dat het haar aan niks ontbrak. In werkelijkheid was er geen haar op het hoofd van Simon Montfort dat er aan dacht zijn woord te houden. Zodra Catherina onder zijn voogdij stond, had hij de grafelijke titel al ingenomen en noemde hij zich de eigenaar van het fortuin van de Montforts. Helaas was er weinig dat tegen hem kon worden gedaan. Catherina was minderjarig en had voor de rest geen andere familie dan Simon Montfort. Bovendien was er geen testament waaruit kon blijken dat de kapitein zijn broer onterfde. Catherina kon dan ook niet anders dan gehoorzamen aan haar oom en zijn willekeur ondergaan. Simon Montfort had dan wel de rederij van zijn broer overgenomen, zelf was hij geen geweldig zakenman. Binnen de kortste keren had hij de rederij op verlies doen draaien. Om toch nog iets van het kapitaal over te houden, had de nieuwe graaf de rederij moeten verkopen. Zelfs de Megafor was op die manier uiteindelijk in andere handen gevallen. Het voorouderlijke kasteel werd ook verkocht. Simon Montfort had er geen enkele warme herinnering aan en het kon hem weinig schelen dat zijn nichtje het als haar thuis beschouwde. Hij liet Catherina overbrengen naar zijn eigen woning, een kasteelhoeve aan de rand van het graafschap. Dat betekende op slag ook het einde van Catherina’s zorgeloze jeugd. De nieuwe graaf deed er alles aan om er voor te zorgen dat zijn nichtje haar overgebleven erfenis nooit kon terugeisen. Hij hield het kind ver van de adellijke kringen en wees haar huisleraars de deur. Op die manier hoopte Simon Montfort dat Catherina nooit enige connecties zou opbouwen en ook nooit het verstand zou hebben om haar erfenis terug te wensen. Het plannetje om Catherina wereldvreemd te houden, was echter buiten de kennissenkring van de kapitein gerekend. De bemanning van de Megafor was hondstrouw aan Guillaume Montfort geweest en dus ook aan diens dochter. Dokter Derache en scheepsbootsman Thomas probeerden haar zo veel mogelijk op te zoeken. Helaas wees Simon Montfort al snel elke vroegere kennis van de kapitein de deur, toen hij op een keer merkte dat dokter Derache de opvoeding van Catherina op zich had genomen. Dat zette evengoed geen punt achter de opvoeding van het meisje. Catherina redeneerde dat als dokter Derache niet tot bij haar kon komen, zij dan wel naar hem zou gaan. Soms kroop ze ’s nachts uit het raam en stal dan een van de paarden van de graaf om naar dokter Derache te rijden. Andere keren ging ze naar dokter Derache onder het mom van armenzorg en liet ze zich tijdens de dag onderwijzen. De graaf had er geen enkel benul van dat zijn nichtje niet half zo braaf was als hij zelf dacht. Dokter Derache deed al het mogelijke om Catherina op te voeden tot een intelligente jonge vrouw. Hij leerde haar alles dat hij zelf wist, van geografie tot schaak, huurde dames in die haar de nodige etiquette leerden en vroeg vrienden haar te leren paardrijden. Naarmate bleek dat het meisje uiteindelijk alles onder de knie had, begon hij haar zelfs de basis van zijn eigen beroep mee te geven. Het enige dat dokter Derache niet kon, was haar inleiden tot de adellijke kringen. Hij was zelf niet van adel en had dan ook weinig contact met die leefwereld. Catherina stelde echter geen belang in contacten met de adel. Bovendien stak ze links en rechts wel iets op wanneer ze naar haar oom en diens zoon keek. Intussen was er bijna tien jaar verstreken sinds de kapitein verdronken was teruggevonden aan de kade van Havre en was Catherina opgegroeid. Ze was een vrouw geworden en dat was niet aan de aandacht van haar oom ontsnapt. De nieuwe graaf begon bang te worden dat Catherina toch nog haar erfenis zou opeisen en probeerde zo snel mogelijk van haar af te raken. Daarom was hij al een tijdje op zoek naar een geschikte bruidegom voor haar die het wel zou nalaten hem ooit lastig te vallen met zo’n kwesties. Catherina wist dat er weinig hoop voor haar was. Haar oom kennende zou ze wellicht worden uitgehuwelijkt aan een gruwelijke oude man of een man met losse handjes. Wat er ook met haar zou gebeuren, een verbetering zou het niet zijn. Verzet had ook geen zin: haar oom had haar in zijn greep en ze had geen enkel middel om aan hem te ontsnappen. In de gang was Simon Montfort nog altijd aan het brullen tegen zijn zoon. Simon Montforts kinderen leken op hem in de zin dat ze allebei dachten dat ze op andermans zak konden leven. Ze waren allebei ingeschreven geweest op een eliteschool – zodat hun vader verlost was van hun aanwezigheid – maar in werkelijkheid joegen ze meer achter de rokken van de meisjes aan en zaten ze meer in de kroegen dan dat ze achter hun studieboeken zaten. De oudste zoon was intussen al het huis uit. Die was er in geslaagd een meisje van lage adel zwanger te maken. Om de schande te ontlopen had Simon Montfort hem dan maar gedwongen met het meisje te trouwen. Daarna had de graaf het nieuwe koppel recht vanuit de kerk verbannen naar een bouwval ergens in een uithoek van Lenion. Daar waren ze waarschijnlijk nog altijd aan het kwelen, hoopvol wachtend op de dood van de graaf en de komst van zijn geld. Laurent Montfort was de jongste van de twee broers. Als het op drinken en profiteren aankwam, deed hij niet onder voor zijn oudste broer. Toch dacht Catherina dikwijls dat hij beter zijn grenzen kende dan zijn vader en broer. Ze had soms het gevoel dat haar neef zich zo slecht gedroeg omdat hij zich ongelukkig voelde onder het oog van zijn vader. In tegenstelling tot Simon Montfort en zijn oudste zoon, had Catherina ook nooit iets te duchten gehad van Laurent. Op dat ogenblik bleek het festijn van hartelijkheden in de gang tot een slotakkoord te komen. “...en je blijft in je kamer,” hoorde Catherina haar oom roepen, gevolgd door het dichtslaan van een deur. Vervolgens hoorde ze haar oom van de trappen donderen en het huis uitgaan, wellicht naar de stallen. Nog geen seconde later trok Laurent zonder te kloppen de deur van Catherina’s slaapkamer open en liep hij ongegeneerd naar het raam. Catherina was het gewend dat haar neef geregeld haar kamer instormde zonder toestemming. Haar raam gaf uit op de stallen en Laurent probeerde op die manier te kunnen zien of zijn vader was vertrokken. Catherina borstelde rustig verder haar haren terwijl Laurent een vieze blik naar beneden wierp. Pas toen hij heel zeker was dat zijn vader weg was, draaide hij zich langzaam om. Hij zag Catherina voor haar nachttafel zitten en ze wierp hem een warme glimlach toe in de reflectie van de spiegel. Laurent deed alsof hij het niet zag en leunde stug tegen het raamkozijn. Catherina vroeg niet waarover haar oom zich druk had gemaakt. Er was altijd een stilzwijgend begrip tussen hen geweest als het over Simon Montfort ging. Wellicht had Laurent wel iets mispeuterd dat hij zich zo gedroeg, maar hij wilde het niet toegeven tegenover zijn nichtje. Laurent voelde zich nooit helemaal op zijn gemak bij Catherina. Hij zou het nooit bekennen maar soms maakte het hem bang dat ze nooit boos op hem was of hem de les probeerde te spellen. Het was alsof ze eenvoudigweg niet in staat was om iets slechts over hem te denken. Dat maakte het des te moeilijker om zijn kwade buien op haar uit te werken. In plaats van gemeen naar haar uit te halen, bleef Laurent dan ook mokkend tegen het raamkozijn staan. Hij keek naar haar terwijl ze een vlecht in haar haar legde en langzamerhand waaide zijn boze bui over. Laurent kon het niet nalaten zich te verwonderen over Catherina’s zeldzame schoonheid. Catherina was nog geen zeventien, maar ze moest zeker niet onderdoen voor de merkwaardige vrouwen waar dichters van droomden. Ze had lang stijl haar, meer wit dan blond, en ze had een egaal gezicht. Haar ogen waren veelkleurig en diep als het mysterie van de zee. In veel opzichten was ze nog een meisje, maar nu al had ze de gratie en elegantie van de hoogste edelvrouwen. Laurent wist zeker dat als haar oom er niet was geweest, Catherina een vrouw zonder gelijke was geweest… Plots zei Catherina’s stille stem: “Ik had een vreemde droom deze nacht…” Hoewel Laurent eigenlijk niet wilde toegeven aan zijn nieuwsgierigheid, vroeg hij toch: “Waarover ging die?” Catherina dacht even na en zei dan: “Ik was een prinses die verloren was gelopen in een bos. Ik was aan het zoeken naar mijn moeder, maar ik kon haar nergens vinden, dus huilde ik… Toen kwam er een wolf naar me toe en hij vertelde me dat de dieren van de nacht mijn moeder hadden gedood. ‘Maar wees niet bang’, zei hij tegen me, ‘ik zal wel voor je zorgen in haar plaats.’ En ik was blij en dus ging ik met hem mee…” “Dat is een mooie droom,” liet Laurent aan zich ontsnappen. Catherina glimlachte slechts. “Hij verslond me…,” zei ze. Laurent keek haar vreemd aan. Soms verwonderde hij zich om de stoïcijnsheid waarmee ze tegen bepaalde wreedheden aankeek. Hij wist dat ze leed onder het feit dat haar oom haar achteruit probeerde te stellen, maar toch liet ze er zich nooit over uit. Laurent kon dat niet begrijpen. Hij dacht dikwijls dat als hij in Catherina’s plaats was geweest, hij elke dag ruzie met Simon Montfort zou maken. Soms voelde Laurent zich ook ongelukkig omdat hij niks deed om zijn vader op andere gedachten te brengen zodat Catherina haar erfenis kon terugkrijgen. Wat dat betrof werd Laurent dikwijls geslingerd tussen zijn verlangen om ooit zelf graaf van Laval te worden en zijn geweten dat hem vertelde dat de titel aan Catherina toebehoorde. Toch was Laurent verre van de vijand van Catherina. Hij wist dat ze dikwijls het huis uitglipte om te gaan studeren bij dokter Derache en soms hielp hij haar daarmee door zijn paard te lenen. Het zou gemakkelijk zijn om haar slecht te behandelen, maar er was nu eenmaal iets aan Catherina waardoor hij er zich niet toe kon bewegen. “Ga je deze avond naar dokter Derache?” vroeg hij nors alsof het hem niet uitmaakte. Simon Montfort was immers vertrokken naar een sociale gelegenheid en werd pas morgen terug verwacht. Catherina knikte stil en meer was er niet nodig voor Laurent om er voor te zorgen dat zijn paard beschikbaar was deze avond. Hij kwam terug los van het raamkozijn en stapte de slaapkamer uit alsof hij voor rest niks met zijn nichtje te maken wilde hebben. 3. Die avond kroop Catherina weer eens uit haar raam. Ze sloop naar de stallen van de kasteelhoeve en koos Laurents paard uit om naar Havre te rijden. Zo geruisloos als ze kon, zadelde ze het paard op en leidde ze het stilletjes de stal uit. Pas toen ze de omheining van het huis voorbij was, durfde ze op te stijgen en gaf ze het paard de sporen. Niet veel later was ze de stadspoorten van Havre voorbij en stond ze bij haar bestemming. Zoals altijd had dokter Derache zijn stal opengelaten zodat Catherina er zonder problemen kon binnenkomen. Terwijl ze afsteeg, zag Catherina dat er nog een ander paard in de stal stond dat ze niet kende, maar ze besteedde er verder niet veel aandacht aan. Via de tussendeur kwam ze in het eigenlijke huis van dokter Derache terecht. De oude dokter kwam net de deur voorbij en hij begroette haar vrolijk. “Catherina,” riep hij uit, “en God zei dat er licht moest zijn!” Catherina glimlachte. “En God zag dat het licht goed was en Hij had nog gelijk ook want het is donker daarbuiten.” Dokter Derache omhelsde zijn pupil en nam haar dan bij de arm. “Helaas kan ik je deze avond niet helpen met je Welsh. Ik heb onverwacht bezoek gekregen, dus zullen we eens een les moeten overslaan.” “Dus dat grote paard dat ik zag staan in de stal is inderdaad niet van jou?” “Mijn hemel nee, ik ben veel te oud om nu nog een raspaard te gaan kopen. Ik kan nog maar met moeite op een stoel blijven zitten, laat dan staan op een paard.” Catherina grinnikte en gaf hem een knuffel. Dan keek dokter Derache haar ernstig aan en zei: “Is het waar wat ze vertellen over je oom en Durant? Ze vertellen het rond als een grap maar ik vrees dat ik er nogal slecht mee kan lachen.” Catherina leek weinig aangedaan. “Wie vertelt dat zoal?” vroeg ze. “Durant zelf,” zei Derache, “en een aantal oude vrienden. Dus het is waar?” Catherina knikte eenvoudig en dokter Derache schudde zuchtend het hoofd. Het was voorgevallen dat Catherina’s oom plotseling op het idee was gekomen om de landjonker Durant bij hen uit te nodigen. De landjonker was een echte opschepper en had tijdens zijn visite voortdurend liggen pochen over zijn zoon die toch zo’n genie was en zo’n knappe kop had en het nog zo ver zou schoppen… En aangezien Simon Montfort altijd op zoek was naar een huwelijkskandidaat om van zijn nichtje af te raken, was het al snel duidelijk wat hij dacht over Durant en zijn zoon. Dus nodigde hij Durant opnieuw uit en nog voor de man goed en wel binnen was, vroeg Catherina’s oom of ‘mijnheer nog niet aan het uitkijken was naar een geschikte verloofde voor zijn zoon. Want,’ zo zei hij, ‘hij had nog een heel knap nichtje dat geknipt zou zijn voor zijn zoon.’ Helaas wist Catherina’s oom op dat ogenblik nog niet dat Durants zoon maar een paar jaar oud was... Als Catherina moest wachten op het moment dat haar verloofde oud genoeg zou zijn om met haar te trouwen, zou Catherina’s oom allang dood en begraven zijn. “Goed dat je oom eens lik op stuk heeft gekregen,” zei dokter Derache terwijl hij de deur openhield voor Catherina, “en als je het nu niet erg vindt, dan wil ik je graag aan mijn gast voorstellen.” Catherina ging Deraches studeerkamer binnen en zag verrast dat er een jonge man in het vertrek stond. Hij was gekleed als een edelman uit de hoogste rangen en was minstens een hoofd groter dan haar of Derache. Hij had een vrolijk, pienter gezicht en blond krullend haar. Zodra hij hen zag binnenkomen, keek hij Catherina aan met de beminnelijkste glimlach die ze ooit had gezien. “Wel mijnheer Derache,” zei de jonge man, “toen u me vertelde dat u nog ander bezoek verwachtte, had ik niet verwacht dat het om zo’n lieftallige dame zou gaan.” Catherina verschoot van kleur en wist zich even geen houding te geven. De jonge man kwam op haar toe en nam haar hand om er een kus op te drukken. “Juffrouw...?” Catherina was zo van slag dat ze hem niet eens had gehoord. “Montfort,” zei dokter Derache daarom geamuseerd in haar plaats, “Catherina Montfort.” “Montfort?” zei de jongen verrast en hij kuste voorzichtig haar hand. “Wilt u zeggen: familie van kapitein Montfort?” Dokter Derache antwoordde vol heimelijke trots: “Zijn dochter.” De jongeman leek Catherina weer helemaal opnieuw op te nemen en zei: “Wel, dat is een aangename verrassing. Ik wist niet dat de kapitein een dochter had. Hoe komt het dat ik u hier nog nooit eerder heb gezien, juffrouw Montfort? U hebt zich toch niet al die tijd verborgen gehouden voor mij? Ik zweer u dat ik volkomen onschadelijk ben.” “Geloof hem niet, Catherina,” plaagde dokter Derache, “hij heeft zelfs al achter de rokken van mijn huishoudster aangezeten!” De jongen lachte. “U kunt mijn moeder geen groter plezier doen dan haar dat te vertellen. Ze zou een vreugdedansje om het slot doen als ze dacht dat dat waar was.” “Nu, deze kunt u niet krijgen,” zei Derache met een knipoog, “want Catherina is helemaal van mij.” Catherina was intussen over haar initiële verlegenheid en zei: “Ik kom meestal vrij laat ’s avonds hier. Misschien komt het daardoor dat we elkaar nog niet eerder hebben ontmoet.” “Ah, dat verklaart veel. Ik kom hier inderdaad meestal niet ’s avonds. De enige reden waarom ik dokter Derache toch deze avond kon komen opzoeken, is omdat mijn kindermeisje toevallig in Havre moest zijn.” “Kindermeisje?” proestte dokter Derache. “Is dat wie ik denk dat het is? Laat hem dat maar niet horen of hij legt u over de knie.” “Och,” zei de jongeman gemoedelijk, “mijn ‘kindermeisje’ is niet iemand die snel ergens aanstoot aan neemt. Bovendien kan hij veel van me verdragen. Als ik niet beter wist zou ik zelfs zeggen dat hij me heel erg graag heeft.” Catherina keek op. “Vreemde manier van uitdrukken. Heeft hij anders altijd de pest aan iedereen?” “Nee, maar hij is nogal moeilijk in de omgang. Sommige mensen denken zelfs dat hij helemaal geen gevoelens heeft.” “Iemand zonder gevoelens is gevaarlijk om mee om te gaan,” zei Catherina zacht, maar de jongen antwoordde: “Dat valt wel mee. Hij is gewoon een beetje aan de sombere kant.” “Komt hij u straks terug ophalen?” vroeg dokter Derache. “Ja natuurlijk. De hemel behoede dat ik alleen zou vertrekken. Ik ben er vrij zeker van dat hij me laat schaduwen om er voor te zorgen dat ik er niet op eigen houtje vandoor ga.” “Zijn zijn veiligheidsmaatregelen nog altijd zo streng soms?” “Elk jaar erger,” zuchtte de jongen. “Ach...,” zei dokter Derache, “hij doet het uiteindelijk voor uw eigen goed.” “Wel ja, ik weet het wel...” De jongen keek dan naar Catherina. “Als uw vader, kapitein Montfort was dan hebt u wellicht de Megafor goed gekend. Hebt u ook van die wilde indianenverhalen over de Megafor zoals dokter Derache of liet uw vader u nooit meevaren met zijn schip?” “Toch wel, mijn vader heeft me dikwijls meegenomen. Hij wist dat ik het fijn vond en bovendien liet hij me niet graag achter. Maar indianenverhalen heb ik niet.” “De kapitein nam haar nooit mee op langere reizen,” legde dokter Derache uit, “dus is ze nooit in Indianenland geweest.” Dokter Derache begon te vertellen over de lange reizen die hij had gemaakt toen hij nog scheepsarts was geweest in dienst van kapitein Montfort. Algauw dwaalden ze af naar andere onderwerpen en spraken ze over de meest diverse dingen. Catherina’s ogen schitterden en ook de jongen leek het geweldig naar zijn zin te hebben. Catherina vroeg zich af of hij altijd zo was en of dokter Derache haar meer kon vertellen over hem. Het viel haar immers op dat hij wel alles over haar te weten kwam, maar dat hij over zijn eigen achtergrond niet veel losliet. Catherina kon voelen dat die discretie een reden had, maar ze durfde er niet naar te vragen. Wat ze wel wist was dat hij uit de hoogste kringen kwam. Ze had het onmiddellijk gezien toen ze binnen was gekomen maar terwijl hij aan het praten was, kreeg ze zekerheid. Ze vroeg zich af hoe dokter Derache met hem in contact was gekomen en wat hij hier was komen doen. De jonge man kwam evenwel meer te weten over Catherina dan omgekeerd. Zelfs haar oom kwam ter sprake en dokter Derache mopperde zo lang over hem door tot zijn bezoeker het plaatje wel begreep. Derache vertelde over het slechte karakter van Simon Montfort en hoe hij probeerde Catherina dom te houden. Maar, zei de dokter met enige trots, dat zou hem nooit lukken want Catherina was het meest intelligente meisje dat hij kende. Het was al vrij laat toen er plots een bel klonk in de gang. Dokter Derache keek op en zei: “Dat zal uw ‘kindermeisje’ zijn. Ik veronderstel dat het tijd wordt om afscheid te nemen.” De jongen zuchtte en zei: “Inderdaad, aan alle goede dingen komt een einde. Het is al laat en het is nog een hele weg terug naar het slot.” “U bent altijd welkom om nog eens terug te komen,” zei dokter Derache. “Zeker, maar dat zal niet voor binnenkort zijn. Voorlopig zit ik vastgekluisterd aan andere verplichtingen en het ziet er niet naar uit dat ik nog snel naar Havre zal terugkeren.” Ze stonden op en dokter Derache en de jongen schudden elkaar de hand. “Ik dank u voor het gezelschap en hoop dat u nog een gezellige avond hebt samen met deze fijne jongedame,” zei de jongen. Dokter Derache knikte. Dan keek de jongen naar Catherina en hij glimlachte warm. “Hetzelfde geldt natuurlijk voor u. Het was een aangename kennismaking en ik hoop dat wij elkaar nog ooit terugzien.” “Misschien als u nog eens bij dokter Derache langskomt...” “Ik zal zeker een seintje laten dan,” zei hij en Catherina voelde dat hij het meende. Dan boog hij zich voor een handkus en in dat korte moment zag dokter Derache dat hij de geur van haar hand opsnoof. De oude dokter wist wat hij er van moest denken. “Trouwens,” zei de jongen dan, “mijn naam is Jean-Filip. Het was zeer attent van u om daar niet naar te vragen, maar ik denk dat het geen kwaad kan om u tenminste mijn voornaam te geven.” “Jean-Filip...,” zei Catherina stilletjes en het klonk als muziek in zijn oren. Dan namen ze echt afscheid en hij verdween door de deur naar de stallen. Dokter Derache en Catherina keken elkaar aan, maar de oude dokter stak afwerend de handen op. “Vraag het me niet: ik kan je niet vertellen wie hij is.” “Ik wou het ook niet vragen,” zei Catherina bedachtzaam, “maar ik lijk hem ergens van te kennen.” Bijna stond dokter Derache op het punt om uit de biecht te klappen. Dan herinnerde hij zich dat dat gevaarlijk kon zijn voor de jonge man en hield hij zich in. Catherina keek voor zich uit en herhaalde een laatste maal: “Jean-Filip...” 4. Jean-Filip liep naar buiten en zag onmiddellijk de vijf lijfwachten staan. Ze deden geeneens de moeite om zich voor hem te verbergen. Jean-Filip zuchtte. “Ik veronderstel dat jullie meester ook in de buurt is?” zei hij tegen hen. Een van de mannen knikte zwijgend en keek in de richting van de stallen. “Dat dacht ik wel,” mompelde Jean-Filip. De jongen liep naar de stallen en zag daar een zwart paard staan. Hij vond niet onmiddellijk de eigenaar, maar met wat moeite ontdekte hij hem toch in de schaduw. Het was een man, van top tot teen gekleed in het zwart met een gezicht dat bleek was als een geest. Hij zag er naargeestig uit, maar dat leek Jean-Filip niet te storen. “Soms vraag ik me af of ik eigenlijk wel een vrij man ben,” zei Jean-Filip tegen hem. “Is het echt nodig om altijd zo’n garde voor de deur te plaatsen?” De zwarte man antwoordde niet en steeg op. “Ja, ja, ik weet het wel,” mopperde Jean-Filip terwijl hij naar zijn eigen paard liep, “‘het is allemaal voor mijn eigen goed’, ‘veiligheid primeert op eigenbelang’, ‘ongemak bestaat niet voor een man met verplichtingen’, enzoverder...” Jean-Filip besteeg ook zijn paard en zei dan: “De hemel behoede dat ik getuig van een eigen wil en een schram oploop! Maar ik ben geen schooljongen weet je, ik kan voor mezelf zorgen.” Jean-Filip wendde het paard, maar plots trok de zwarte man een pistool en nog voor Jean-Filip het doorhad, keek hij recht in de loop van een schietklaar pistool. Onmiddellijk sprongen vijf man op Jago af en werd het pistool van de jongen weggericht. Geschrokken keek Jean-Filip de zwarte man aan, maar Griffith stak slechts kalm het pistool weg. “Nu, probeer u in te denken wat er zou zijn gebeurd als ik niet uw dienaar was,” zei de zwarte man, “en deze mannen thuis waren gebleven.” “Hemel, Jago” zei Jean-Filip, “moest dat nu echt op zo’n manier?” “Hebt u me begrepen of moeten we wachten tot dit eens echt gebeurt vooraleer u me begrijpt?” zei de zwarte man afgemeten. Jean-Filip staarde hem een moment aan. “Al goed,” zei de jongen dan, “ik veronderstel dat je gelijk hebt.” “Ik hoop dat ik u er niet aan moet herinneren wie u bent,” zei de zwarte man ernstig en Jean-Filip keek wrevelig voor zich uit. “Ja, ik weet het... Maar als onze vijanden me dood willen, zullen ze daar hoe dan ook een manier voor vinden.” “Ja, en de gevolgen zouden catastrofaal zijn. Uw moeder weet maar al te goed waarom ze u kost wat kost wil beschermen.” “En je hebt er geen idee van wat voor weerslag dat op mij heeft. Hoe zal ik ooit mijn verantwoordelijkheid kunnen nemen als ik geen bewegingsvrijheid heb?” “U zult er mee om leren gaan,” zei de zwarte man enkel. Jean-Filip zuchtte. “Met jullie is er niks aan te vangen,” mopperde hij. De raadgever van de hertogin leek geen commentaar te willen geven en zei enkel: “Uw moeder verlangt u nog te spreken deze avond.” “Deze avond nog?” zei Jean-Filip verrast. Hij wist hoe ziek zijn moeder de laatste tijd was en had gedacht dat ze al lang zou zijn gaan slapen. “Uw moeder kent ook haar verantwoordelijkheden,” zei de zwarte man kortaf alsof hij de gedachten van de jongen had geraden. Dan gaven ze hun paarden de sporen en ze reden Havre uit. Toen ze eindelijk op het hertogelijke slot waren aangekomen, was Jean-Filip moe genoeg om onmiddellijk zijn bed in te willen duiken. De raadgever toonde desondanks geen spoor van medelijden en nam hem mee naar het hertogelijke salon. Daar was de hertogin tegen alle verwachtingen in nog steeds aanwezig. Jean-Filip maakte een buiging voor zijn moeder en ging dan het salon verder in. Jago bleef in de achtergrond staan. De hertogin liet Jean-Filip neerzitten en zei dan: “Ik hoop dat je een aangename avond hebt gehad bij dokter Derache?” Jean-Filip dacht onmiddellijk aan Catherina en glimlachte. “Ja, dank u. Met uw toestemming zou ik volgende week nog eens terug willen gaan.” De hertogin fronste haar wenkbrauwen en Jean-Filip verschoot van kleur. Zonder het te beseffen had hij zijn wens uitgesproken om Catherina nog eens te ontmoeten. Hij hoopte nu maar dat zijn moeder niet zou vragen waarom hij zo snel terug wilde naar dokter Derache. Catherina was nu niet bepaald het soort van meisje waar zijn moeder hem mee samen wenste te zien. Gelukkig vroeg de hertogin niks en Jean-Filip haalde opgelucht adem. “Er is iets dat ik wil dat je bekijkt,” zei de hertogin tegen haar zoon en ze overhandigde hem een dossier. “Wat is dit?” vroeg Jean-Filip terwijl hij het opensloeg. “Het is een dossier dat Jago heeft samengesteld over een interessant adellijk meisje, La Doyenne. Ik zou graag willen dat je het doorneemt en haar ontmoet. Jago heeft al gezorgd voor een invitatie voor het bal van de Franquins.” Jean-Filip hield onmiddellijk op met lezen en keek zijn moeder stomverbaasd aan. “Excuseer, begrijp ik het goed dat u mij probeert te koppelen aan een huwelijkskandidaat?” “Ze is iemand van goede afkomst en haar vader heeft vrij veel politieke relaties,” zei de hertogin streng, “een goede keuze.” Jean-Filip voelde het branden onder zijn voeten. “Daar wil ik toch van mening verschillen. De familie en relaties van een persoon maken niet haar geschiktheid uit. Waarom ineens dat besluit om mijn keuzes voor mij te maken?” De hertogin zuchtte. “Omdat jij blijkbaar niet van zin bent ze te maken. Wij zijn bezig met de toekomst van een land, Jean-Filip, niet met jouw persoonlijke genoegens.” Jean-Filip keek zijn moeder gekrenkt aan, maar begreep waar de kwestie in werkelijkheid om ging. “De clausules,” zei hij en de hertogin knikte bedachtzaam. “De Nechoir is een zet aan het voorbereiden. We willen dat je zo snel mogelijk werk maakt van deze zaak voordat hij zijn slag binnenhaalt.” Jean-Filip keek twijfelend naar het dossier in zijn handen. “Wat is hij aan het voorbereiden?” “Een eigen kandidaat,” zei de hertogin enkel en Jean-Filip knikte begrijpend. Hij begreep de noodzaak van heel deze discussie, maar verzette zich tegen de manier waarop zijn moeder en haar raadgever hem een keuze opdrongen. Toch wist hij dat hij niet anders kon dan naar hen luisteren, niet zolang hij zelf geen keuze had gemaakt... Onmiddellijk dacht hij weer aan Catherina en even werd hij wanhopig. Als ze nu alleen maar een titel had gehad... Of politieke invloed... Dan had hij haar openlijk kunnen ontmoeten. Nu zou zijn moeder er alles aan doen om te voorkomen dat hij Catherina werkelijk zou leren kennen. “Jago zal met je meegaan naar het bal,” zei de hertogin dan. Jean-Filip knikte zwakjes en keek voorzichtig opzij naar de zwarte man. Dat betekende dat zijn moeder niets aan het toeval wilde overlaten als ze de raadgever meestuurde. Die man zag alles, wist alles en zou er wel voor zorgen dat hij geen millimeter afweek van het pad dat zijn moeder voor hem had uitgestippeld. Dat betekende ook dat hij de eerste weken onder strak toezicht zou staan en het moeilijk zou worden om Catherina ongemerkt te ontmoeten... Jean-Filip beloofde zijn moeder het dossier te bestuderen en vroeg dan toestemming om zich terug te trekken. Hij ging naar zijn vertrekken en wierp het dossier achteloos weg terwijl hij achter zijn schrijftafel ging zitten. Even keek hij broedend naar een leeg vel papier voor zich. Dan doopte hij zijn pen in inkt en begon verwoed te schrijven. Naar Catherina. Hij had besloten dat hij Catherina hoe dan ook opnieuw wilde zien. Tegelijkertijd wilde hij niet dat zijn moeder of haar raadgever er achter kwamen, dus besloot hij dokter Derache als tussenpersoon te gebruiken. Hij zou brieven schrijven naar Catherina en die aan de dokter bezorgen. Dokter Derache zou er op zijn beurt wel voor zorgen dat zijn brieven bij Catherina terecht kwamen zonder dat haar oom het zou merken. Op die manier zouden ze elkaar misschien nog ongemerkt kunnen ontmoeten zonder dat de hertogin het zou ontdekken, of Jago... Hoofdstuk 2 1. Catherina liep dromerig door de kasteelhoeve van haar oom. Ze dacht aan dat engelengezicht met die blauwe ogen en dat krullend, blond haar. Ze vroeg zich af of ze Jean-Filip nog ooit zou terugzien en of hij nog aan haar zou denken. Het leek niet waarschijnlijk dat ze elkaar nog terug zouden ontmoeten. Hoewel haar oom haar nu ook weer niet opsloot, kwam ze zelden op bals en andere sociale gelegenheden waar de adel elkaar ontmoette. Bovendien leek Jean-Filip van de hoogste adel te zijn. Catherina werd uit haar gedachten gehaald door het gebulder van haar oom verder in de hal. “Waar is die verdomde nietsnut!” Een van de huishoudsters kwam net voorbij en zij en Catherina keken elkaar even aan. Ze doken onmiddellijk de keuken in en wachtten tot Simon Montfort voorbij was gestoven. “Wat nu weer?” mompelde de meid misprijzend. Catherina zei voor de grap: “Misschien moeten we hem vertellen dat Laurent in Havre zit. Als we geluk hebben dan gaat hij hem achterna en zijn we voor de rest van de dag van hem verlost.” “Zoveel geluk bestaat er niet in dit huis,” zei de meid geïrriteerd en dan keek ze terug naar Catherina. “Ik heb wat voor u,” zei ze en ze haalde iets vanonder haar schort. Catherina zag dat het een brief was en nam hem verbaasd aan. “Wat is dit?” vroeg ze. De meid haalde de schouders op. “Ik kreeg hem van dokter Derache toen ik deze morgen op de markt was. Hij maakte er een punt van dat ik hem persoonlijk aan u gaf zonder dat uw oom het zou zien.” Catherina keek even naar de naam op de brief en haar gezicht begon plots te stralen. Jean-Filip… Hij was haar dan toch niet vergeten. Catherina ging vlug naar haar kamer en begon de brief te lezen. Ze herkende Jean-Filip onmiddellijk in de gevatte stijl waarmee hij de brief had geschreven. Hij zei in zijn brief dat hij hun ontmoeting op prijs had gesteld en dat hij haar graag opnieuw zou ontmoeten. Daarom nodigde hij haar graag uit op de vossenjacht van een bevriende edelman. In eerste instantie was Catherina blij. De jacht zou doorgaan op een dag dat haar oom niet thuis was. Ze zou dus geen problemen hebben om Laurents paard te lenen. Maar dan realiseerde ze zich dat ze nog nooit aanwezig was geweest op een vossenjacht. Zou ze niet onmiddellijk door de mand vallen? En waar moest ze een jachttenue vandaan halen? Toch was haar verlangen om Jean-Filip terug te ontmoeten groter dan haar angst voor het onbekende. Ze besloot de oude jachttenue van haar overleden tante op te snorren en te verstellen. Daarna probeerde ze zo veel mogelijk van Laurent te leren over de vormvereisten van een jacht. Dus zo kwam het dat ze een week later op weg was naar de plaats waar de vossenjacht zou doorgaan. Ze vond de trefplaats zonder problemen en wachtte tussen de andere jagers stilletjes op de komst van Jean-Filip. Toen de partij zich begon klaar te maken voor de jacht, was Jean-Filip echter nog steeds niet verschenen en even was Catherina bang dat hij op het laatste ogenblik verhinderd was. Ze merkte dat ze wat bekijks had van de andere jagers. Hoewel ze niet probeerde op te vallen, leek ze toch veel nieuwsgierigheid op te wekken. Een aantal van de jagers kwam zelfs naar haar toe om een gesprek met haar aan te knopen en haar uit te nodigen voor een volgende jacht. Catherina bedankte beleefd en bleef hopen op de komst van Jean-Filip. De jachtpartij was tenslotte gereed om te vertrekken en Catherina wendde dan ook maar haar paard. Op dat ogenblik kwam plots een ruiter op een schimmel naast haar rijden. Jean-Filip knipoogde naar haar en leidde haar voorzichtig weg van het jachtgezelschap zonder dat iemand het zag. Hij bracht haar naar een open plek in het bos en terwijl het geluid van de jachtpartij verstomde, hielp hij haar af te stijgen van haar paard. “Ik dacht bijna dat u niet zou komen,” zei Catherina opgelucht tegen hem. Jean-Filip zei schertsend: “Ik had nog mijn eigen jachthond af te schudden, daarom was ik wat later. Bovendien wilde ik niet te erg opvallen in het jachtgezelschap. Een aantal van deze hoge heren kent mij en ik zou niet willen dat mijn jachthond er later achter komt met wie ik hier had afgesproken.” “En wie is die jachthond?” vroeg Catherina geamuseerd. “De raadgever van mijn moeder,” zei Jean-Filip, “De hemel weet hoe graag ik die man zie, maar er is nauwelijks iets dat je kunt doen zonder dat hij er weet van heeft.” “En u wilde niet dat men wist dat u mij hier kwam opzoeken?” vroeg Catherina. Jean-Filip aarzelde even. “Wel, laten we zeggen dat mijn moeder een voorkeur heeft voor lichtelijk verwaande, saaie en zeurderige dames als het op mijn kennissenkring aankomt. Ik ben bang dat ze geschokt zou zijn gezien u nauwelijks aan dat ideaalbeeld beantwoordt.” Catherina lachte. “U mag ook eerlijk zijn en gewoon zeggen dat u bang bent te worden gezien in de aanwezigheid van iemand zonder naam of positie.” “Dat zou ik nu ook weer niet zeggen,” zei Jean-Filip. “Ik heb u daarnet vanuit de schaduw bekeken. Ik denk dat u een heel goede indruk heeft gemaakt op onze aanwezige medejagers. Ik hield me meer op de achtergrond om er voor te zorgen dat ze niet zagen op wie u wachtte.” “Hebt u zo’n slechte reputatie?” vroeg Catherina plagerig. “Enorm,” zei Jean-Filip, “volgens de adellijke elite van Lenion bestaat er geen grotere schurk dan ik. Alleen het idee al dat een respectabele jongedame zoals u zich inlaat met mij zou uw naam slecht doen...” Ze lachten en Jean-Filip haalde een deken uit zijn zadeltas. Even later zaten ze naast elkaar op de grond en spraken over koetjes en kalfjes. “Ik ben verrast dat uw oom u naar deze jacht heeft laten komen,” zei Jean-Filip. Catherina grinnikte. “Wel, ik heb nu niet echt zijn toestemming gevraagd... Ik heb gewoon mijn neef zijn paard ‘geleend’ en ben weggereden zodra mijn oom het huis uit was.” Jean-Filip keek haar verbaasd aan. “Meent u dat werkelijk? Bent u niet bang dat er wat zwaait als u terug thuis komt en uw oom merkt dat u weg bent?” “Oh, ten huize Montfort zwaait er altijd wel wat, zelfs als er geen reden is... maar mijn oom is niet geneigd er erg op te letten wie er wel of niet thuis is. Ik denk dat hij vindt dat de enige belangrijke aanwezigheid in zijn huis, hijzelf is.” Jean-Filip schudde het hoofd vrolijk. “U bent werkelijk nergens bang voor, is het niet? Als ik er alleen al aan denk dat u ’s nachts zonder enige begeleiding door Havre durft te rijden om dokter Derache te bezoeken...” “Mijn vader heeft me geleerd voor niks bang te zijn,” zei Catherina, “bovendien heb ik ’s nachts ook altijd een pistool bij me om dat aan andere mensen duidelijk te maken.” “Jij hebt een pistool?” zei Jean-Filip verbaasd. Catherina knikte. “Niet dat het werkt, maar dat weet niemand anders natuurlijk.” Jean-Filip knipperde met de ogen. “Dat is pas echte moed. Heb je nooit iets meegemaakt ’s nachts?” “O, de weg naar Havre is erg veilig, daar hebben de soldaten van zijne majesteit de Bethune wel voor gezorgd.” “Toch is ongevaarlijk wel wat anders…” Catherina haalde de schouders op. “Toen mijn vader nog leefde, ging ik dikwijls mee met hem aan boord. Wat je leert op zee bereidt je voor op de ergste gevaren.” “Doe me er aan denken dat ik jou nooit een strobreed in de weg leg,” zei Jean-Filip. Jean-Filip begon te vragen naar alles dat ze aan boord van de Megafor had meegemaakt en Catherina vertelde honderduit. Hoewel het schip allang niet meer in bezit was van de familie, was Catherina het nooit vergeten. De gelukkigste tijd van haar leven was aan boord van dat schip geweest en hoewel ze nooit lange zeereizen had gedaan, was ze altijd van de zee blijven houden. Ze miste het leven aan boord van het schip, zei ze, en de ruige zeelieden... Jean-Filip vroeg of er ook zeelui uit Wails op de Megafor hadden gewerkt. Catherina vertelde dat ze zich de Megafor niet kon voorstellen zonder wat Welshen aan boord. Het waren zij geweest die altijd de boel aan boord van het schip opvrolijkten met verhalen en muziek en het was dan ook van hen dat Catherina haar eerste woordjes Welsh had geleerd. Het was niet ongewoon voor een Lenioons schip om Welshen aan boord te hebben. Hoewel ze de reputatie hadden arme knakkers te zijn, waren ze goede zeelui en harde werkers. Veel had er mee te maken dat Wails zelf een lange geschiedenis van zeevaart had gehad. Pas nadat een tiran aan de macht was gekomen, was daar veel aan veranderd. De meeste schepen waren opgevorderd als oorlogsschepen en wie daar niet op wilde werken, had niet veel andere keuze dan in het buitenland te gaan werken. Velen waren dan ook weggetrokken uit Wails om aan de armoede en het geweld te ontsnappen en werkten nu op buitenlandse bodems. Terugkeren konden ze helaas niet, want de Welshe grenzen waren sinds jaar en dag afgesloten en wie het land verliet kon dan ook niet ongestraft terug binnenkomen. Vele Welshen zwierven dan ook doelloos rond, hopend op betere tijden in hun eigen land. Terwijl Catherina aan het spreken was, viel het haar opnieuw op hoe weinig Jean-Filip over zichzelf vertelde. Af en toe zei hij wel eens iets over zijn moeder waar hij blijkbaar veel van hield, maar voor de rest hield hij zich op de vlakte. Catherina vroeg zich af waarom dat zo was. Wat kon hij te verbergen hebben dat hij niet wilde zeggen wie hij in werkelijkheid was? Dat hij van hoge adel was, wist ze intussen wel. Dat merkte ze aan elk gebaar dat hij maakte. Maar waarom wilde hij dan niet zijn naam zeggen? Catherina besloot er niet op in te gaan. Ze vertrouwde erop dat Jean-Filip goede redenen had om erover te zwijgen. Bovendien kon ze te goed met hem opschieten om zijn dag te willen vergallen. Ze begonnen te spreken over andere onderwerpen. Jean-Filip merkte dat, hoewel Catherina zo weinig opvoeding had gekregen, ze toch goed op de hoogte was van de politieke situatie in het land. Ze spraken ongegeneerd over adellijke families, hun machtspositie en invloed. Jean-Filip begreep dat Catherina ondanks haar oom niet wereldvreemd was. Ze wist bijvoorbeeld goed dat de naam Montfort nog altijd veel betekenis had in Lenion. De grafelijke titel was nog steeds veel waard en in goed beheer zou de familie weer de reputatie kunnen krijgen die ze vroeger had. Helaas, zo bleek, zou noch Simon Montfort, noch zijn opvolger er ooit in slagen die reputatie terug te krijgen. De zaken zouden anders liggen als Catherina de wettelijke erfgenaam was geweest van het graafschap. Maar het testament dat bepaalde dat Catherina de opvolger van haar vader was, was al lang geleden verdwenen. Catherina vermoedde dat haar oom het testament van kapitein Montfort had laten vernietigen, maar zeker was ze niet. Jean-Filip vroeg zich af of hij kon achterhalen wat er met dat testament was gebeurd. Gemakkelijk zou dat niet zijn, want als hij informatie nodig had, vroeg hij dat meestal aan Griffith Jago. Als Jean-Filip zich nu echter op de raadgever zou durven te beroepen, zou die gegarandeerd vragen waarom Jean-Filip zich met haar inliet en hem misschien verbieden haar nog te zien. Jean-Filip vreesde dat als hij Catherina wilde helpen, hij het op eigen houtje zou moeten doen. Plots hoorden ze het geluid van blaffende honden. Catherina en Jean-Filip realiseerden zich dat het jachtgezelschap terug was gekomen. Jean-Filip stond verveeld op en zei: “Ik vrees dat ik even gedag zal moeten zeggen aan de heren en dames. Mijn moeder weet dat ik op jacht ging en als ze verneemt dat niemand mij hier heeft gezien, zal ze zich vragen beginnen stellen. Misschien kan jij best hier blijven. Dan weten ze niet dat we hier bij elkaar waren. Ik zal wel zeggen dat ik de jachtpartij niet kon vinden en hier wat alleen heb rondgereden.” Jean-Filip nam zijn paard en zei: “Ik ben zo terug.” Catherina knikte en verschool zich achter een boom. Ze zag Jean-Filip naar een wat oudere edelman toegaan. Ze hoorde niet alles van wat hij zei, maar ze begreep wel dat hij zich aan het excuseren was voor zijn laattijdige aankomst en dat hij uitlegde waarom hij het jachtgezelschap niet had kunnen vinden. De oudere edelman bromde dat het in orde was. Jean-Filip bedankte hem en wou toen doorgaan, maar de oudere man hield hem tegen. “Jongeheer Lacroix,” zei de man. Catherina verstijfde toen ze die naam hoorde. “... iemand voor u...” Hoe had die man, Jean-Filip genoemd? “...vraagt u terug te gaan naar het hertogelijke slot...” Lacroix? “...belangrijk...” Catherina hoorde de rest nauwelijks. “Wat was ik dwaas,” dacht ze bitter. Hoe had ze niet kunnen weten wie hij was? Elk woord dat hij zei, had haar verteld wie en wat hij was: Jean-Filip Lacroix, zoon van de hertogin Elizabeth Lacroix en bloedverwant van de overleden koningin Antoinette La Fontaine... De kroonprins van Lenion... Catherina keerde zich snel om en liep naar haar paard. Jean-Filip wachtte intussen ongeduldig tot de oudere edelman gedaan was met zijn verhaal. Uiteindelijk namen ze dan afscheid en keerde Jean-Filip terug naar het bos. Toen hij op de plaats kwam waar hij Catherina had achtergelaten, merkte hij ineens dat ze er niet meer was. Even was hij verbaasd, dan vroeg hij zich af of hij soms iets had gezegd dat haar had weggejaagd. Plots werd het hem koud rond het hart. Hij realiseerde zich dat de oudere man hem bij naam had genoemd en dat Catherina wellicht binnen gehoorsafstand had gestaan. Vlug liep hij naar zijn paard en hoopte nu maar dat Catherina nog niet zo ver was gereden. Even wist hij niet welke richting ze was gegaan. Hij gokte en reed het jachtpad af. Daar zag hij haar inderdaad rijden en snel spoorde hij zijn paard aan. Catherina keek om en stopte toen ze hem zag aanstormen. Het had geen zin om hem te ontwijken, dus wachtte ze hem liever op. “Catherina,” zei Jean-Filip buiten adem toen hij eindelijk naast haar stond. Catherina zei niks en sloeg de ogen neer. Even zonk de moed hem in de schoenen. “Catherina, niet weggaan,” zei Jean-Filip. Catherina glimlachte troosteloos. “Het spijt me,” zei ze zacht, “maar ik denk dat ik wel moet.” Jean-Filip beet op zijn lip. “Ik wil het niet.” “Misschien niet,” zei Catherina, “maar er is weinig keuze. Ik denk niet dat uw moeder het op prijs zou stellen als ze hoorde dat u deze dag in het gezelschap hebt verkeerd van een meisje zonder titel.” Jean-Filip sloeg de ogen neer. Ze had gelijk natuurlijk, dat had hij vanaf het begin geweten, maar zijn hart vertelde hem iets anders. “Catherina, als je weggaat zie ik je nooit meer terug.” “Ja,” zei ze zacht, “dat zou inderdaad wel eens het geval kunnen zijn.” “Alsjeblieft, blijf dan toch nog even.” Catherina keek om naar de weg. “Weet u,” zei ze, “ook ik heb verhalen gehoord over de opvolging in Lenion. Koningin La Fontaine stierf voordat zij en koning de Bethune kinderen kregen. De koninklijke lijn liep via de koningin dus is er geen rechtstreekse afstammeling. De Lacroix’ zijn het meest verwant aan de koninklijke familie maar het is niet omdat de koning kinderloos is dat u automatisch kroonprins bent. Na de dood van de koningin wierpen allerhande partijen zich op als kandidaat. Er brak bijna een burgeroorlog uit toen de ene baronie zich tegen de andere opwierp. Koning de Bethune en hertogin Lacroix schoven u naar voren als compromis. De baronieën konden daar beter mee leven dan met een opvolger van een mededinger en gingen akkoord. Maar de voorwaarde was dat wie de koning ook zou opvolgen, ook gehuwd moest zijn. Men wilde geen herhaling waarbij er opnieuw geen opvolger zou zijn. En zolang u niet bent gehuwd, ben u niet officieel de troonsopvolger. De hertogin en koning de Bethune zijn dan ook heel voorzichtig wat uw kennissenkring betreft.” “Ik ken de clausules als geen ander,” zei Jean-Filip, “maar dat betekent niet dat jij daarom moet weggaan. Elke dag word ik omringd door de ergste hielenlikkers en slippendragers. Geen moment kan ik het me permitteren te vergeten dat ik een troonopvolger ben. Alleen bij jou kan ik zijn wie ik ben. Hoe zou ik iemand als jou ooit kunnen laten gaan?” Catherina keek hem gepijnigd aan. “Je moeder is hertogin Elizabeth Lacroix van Carnières. Samen zijn koning de Bethune en je moeder een onverbrekelijke twee-eenheid die het land in het gelid houden. Alles wat zij doen, doen ze voor Lenion. Jean-Baptiste I de Bethune, is de koning van ons land, hertogin Lacroix de bestuurder van een hertogdom dat een derde van dat land beslaat. Geen van beiden kan zich veroorloven ooit een fout te maken. Hun grootste verantwoordelijkheid is de toekomst van Lenion en een stuk van die toekomst ben jij, Jean-Filip. Ze hebben je opgeleid om koning de Bethune te kunnen opvolgen, ze zullen er ook voor zorgen dat je niks doet dat die toekomst in gevaar kan brengen...” Jean-Filip zag de tranen in haar ogen opwellen en legde zijn hand op haar wang. “Dan zal ik hen voor een keer in mijn leven ongehoorzaam zijn. Ik respecteer mijn moeder, maar ik zal niet laten bepalen wie ik wel of niet mag zien. Ik wil je niet zomaar laten gaan, Catherina. Schrijf me, zoveel je kan. Mijn moeder hoeft het niet te weten. Ik zal ervoor zorgen dat we elkaar nog zullen zien...” Catherina aarzelde en dan zei ze ja. 2. In het hertogelijke slot ruimde de kamerdienaar Georges ongemakkelijk de resten van een avondmaal weg. De dienaar hield niet van het donkere bureau maar hij had nu eenmaal geen keuze. Hij kon nooit meer terug naar zijn oude leven en deze kamer was het enige dat hij nog kende. Toch voelde hij zich al lang niet meer zo onbehaaglijk als hij zich in het begin had gevoeld. Hij was intussen gewend geraakt aan de macabere sfeer in het bureau en begon onverschillig te worden voor zijn vroegere omgeving. Hij kende nog alleen deze wereld, de grillen van zijn meester en de drang tot overleven. Oude vrienden werden als een bedreiging voor zijn gezondheid ervaren. Nieuwe vrienden wilde hij ook niet maken. En alles wat hij hier zag, verstopte hij, voor zichzelf en voor anderen. Georges voelde de donkere ogen in zijn rug terwijl hij de tafel terug schikte. Hij wist het wanneer zijn meester iets van hem verlangde en hij keerde zich om naar de zwarte man. “Ja, mijn heer?” Even leek het alsof hij in het niks had gesproken. Dan leunde de zwarte man naar voren en viel er licht op dat witte gezicht. Georges zag een viervingerige hand met een brief naar voren reiken. ‘Je weet wat je moet doen,’ leek die hand te zeggen. Georges nam de brief aan. Soms was het griezelig zoals de zwarte man zichzelf kon doen verstaan. De donkere figuur leunde terug achterover in zijn zetel en leek in het duister te verdwijnen. “…Je diensten zijn verder niet meer nodig,” zei de zwarte man plots onverwacht. Even verstijfde Georges, maar dan begreep hij dat de zwarte man enkel bedoelde dat zijn diensten niet meer nodig waren voor de rest van de dag. Georges keek om naar de hertogin die in de andere hoek van de kamer zat. Ze knikte en Georges trok zich met een buiging terug. Toen hij de kamer verliet, kon hij maar een ding bedenken: dat hij weer een dag langer had geleefd. De hertogin Lacroix zag de dienaar met gemengde gevoelens vertrekken. “Moet je zo bruut met hem zijn?” vroeg ze aan de zwarte man. Griffith antwoordde niet en de hertogin zuchtte. Het was tenslotte haar zaak niet. “Ik heb het dossier gelezen over dat meisje dat je voor Jean-Filip had uitgekozen,” zei de hertogin dan. De raadgever bewoog niet. De hertogin zei: “Blijkbaar is dat meisje de dochter van Guillaume Montfort.” “Ja,” zei de raadgever. “Dat wist ik niet,” zei de hertogin. De raadgever haalde de schouders op. “Doet het er aan toe?” “Nee,” zei de hertogin, “wellicht niet... Maar het maakt de zaak wel boeiend.” En dan: “Denkt mijn zoon nog steeds dat we hem aan het andere meisje proberen te koppelen?” “Ja.” “Dus hij heeft er geen idee van dat die ontmoeting bij dokter Derache opgezet spel was?” “Nee.” “En hoe reageert hij op haar?” “Goed...” “Heeft hij haar intussen nogmaals ontmoet?” “Ja, tijdens een vossenjacht.” “En?” “Ze zijn intussen ook naar elkaar beginnen schrijven.” “Werkelijk?” zei de hertogin. “Dan moet ze hem inderdaad interesseren.” De raadgever verpinkte niet. “Verboden vruchten smaken beter dan andere.” De hertogin kon dat enkel beamen. “En zij?” vroeg de hertogin. “Zal zij ons spel meespelen?” “Dat zal ze.” “Zal ze haar verantwoordelijkheden aankunnen?” “Ja.” “En als ze het niet kan? Wat zijn de alternatieven?” “Die zijn niet nodig,” zei de raadgever. “Oh? Waarom niet?” “Montfort voldoet.” De hertogin fronste de wenkbrauwen. “Dat meisje moet wel bijzonder zijn dat je zo zeker van je zaak bent.” “Misschien.” De hertogin ging er niet op in en zei dan: “Wat met het testament? Volgens je dossier is ze de erfgename van een behoorlijk fortuin. Zal je er voor zorgen dat ze dat ook in handen krijgt?” “Ja.” “Wanneer maak je er werk van?” “Ik wou wachten,” zei de raadgever. “Wachten?” zei de hertogin. “Moet dit niet zo snel mogelijk worden geregeld?” “Misschien, maar er zijn redenen om te wachten.” “Welke dan?” “Jean-Filip. Vroeg of laat zal hij ook op zoek gaan naar dat testament.” “En dan?” “Dan wil ik niet dat hij uiteindelijk ontdekt dat wij het hebben.” “Juist... Dat zou onze betrokkenheid verraden en hem een afkeer kunnen doen krijgen van het meisje.” “Ja...” “Wat stel je dan voor, Jago?” “Dat we wachten tot hij zelf het initiatief neemt om dat testament te zoeken. Hij zal daarvoor beroep doen op zijn eigen mensen.” “...en eens hij dat doet, neem jij het onderzoek op je?” “Ja.” “Zonder dat Jean-Filip het te weten komt?” “Hij zal het niet te weten komen...” De hertogin overdacht even dat plan. “Hoe kan je er zeker van zijn dat Jean-Filip ook op zoek zal gaan naar dat testament?” “Dat zal hij,” zei de raadgever rustig. “Waarom?” “Omdat hij ook weet dat Montforts huidige stand een beletsel is voor een huwelijk.” “Ja, maar waarom zou hij haar willen huwen? Hij moet haar geen titel geven om haar als maîtresse te houden.” “Hij ziet meer in Montfort dan een maîtresse.” “Hoe kan je daar zeker van zijn?” “Ik ken Jean-Filip,” zei de raadgever eenvoudig. “Ik ken mijn zoon ook goed,” zei de hertogin, “en het zou me verbazen als dat waar is.” De raadgever haalde enkel de schouders op. “We zullen zien,” zuchtte de hertogin. “Zelfs al draait het op niks uit, dan nog kan het geen kwaad. Het meisje is de dochter van Montfort. Kapitein Montfort was ons altijd toegewijd, dus is dit wel het minste dat we voor zijn dochter kunnen doen...” De raadgever zei niks. De hertogin bleef nog een half uur langer in de vertrekken van de raadgever en dan vertrok ze weer. Griffith bleef achter en zette zich voor een raam om naar buiten te kijken. Hij bewoog niet en het leek alsof hij zijn ogen geen enkele keer van het binnenplein afnam. Toen draaide hij zich om. Hij liep de vertrekken uit en stapte rustig door de gangen van het hertogelijke slot. Uiteindelijk bleef hij staan aan een deur en wachtte. Even later verscheen een neuriënde jonge man in een wit kostuum. Hij was zeker meer dan een hoofd groter dan de zwarte man, maar toen hij Griffith zag staan, trok hij toch even bleek weg. “Ridder Jago,” stamelde Jean-Filip, “wat doet u hier nog op dit late uur?” “Ik zou hetzelfde aan u kunnen vragen,” zei de zwarte man toonloos. Even wist Jean-Filip niet of hij de waarheid moest vertellen. Toen bedacht hij dat de raadgever er toch achter zou komen als hij zou liegen en hij zei: “Ik ben naar Havre gegaan, om dokter Derache op te zoeken. Ik had mijn escorte bij...” De zwarte man knikte. “Ik was ingelicht...” Dat dacht Jean-Filip al. Van zodra hij zijn moeder ook maar zei dat hij weg zou gaan, was de raadgever al op de hoogte en omgekeerd. Soms leek het alsof er geen onderscheid was tussen zijn moeder en de raadgever. Ze dachten hetzelfde, wilden hetzelfde, deden hetzelfde... “Hoe was uw bezoek aan dokter Derache?” vroeg de raadgever. “Aangenaam, als altijd,” zei Jean-Filip behoedzaam want hij wilde niet dat Griffith te weten zou komen dat Catherina er ook was geweest. “Was er een bepaalde reden waarom u mij niet wilde meenemen?” vroeg de zwarte man. Jean-Filip wist wel beter dan open kaart te spelen en zei: “Ja, ik wist dat je een afspraak met mijn moeder had deze avond en ik dacht dat je daar wel de voorkeur aan zou geven. Was er een bepaalde reden waarom ik daar niet bij mocht zijn?” “Ja,” zei de raadgever. Jean-Filip wachtte op een uitleg, maar de raadgever was blijkbaar niet van plan om nog meer te zeggen. Jean-Filip fronste de wenkbrauwen maar wist dat hij het niet moest wagen meer te vragen. “Hebt u intussen nog gesproken met juffrouw La Doyenne?” vroeg de raadgever plots. Jean-Filip moest zich inhouden om geen gezicht te trekken. Juffrouw La Doyenne was de jongedame waar zijn moeder hem probeerde aan te koppelen. Alleen haar naam al irriteerde Jean-Filip mateloos. In tegenstelling tot Catherina was juffrouw La Doyenne een saai wicht zonder persoonlijkheid. Het enige waar ze zich mee bezig hield was etiquette en voor de rest was haar hoofd zo leeg als een fles in de handen van een dronkaard. “Ja, dat heb ik,” zei Jean-Filip, want hij was wel zo verstandig om niet te laten blijken hoe weinig het meisje hem interesseerde. Pro forma had hij haar een brief geschreven om haar te bedanken voor haar gezelschap op het bal van de Franquins en zij had hem een even boeiende brief teruggeschreven. Daarmee hoopte Jean-Filip verlost te zijn van zijn moeders plannen voor de volgende twee weken. “Heel goed,” zei de raadgever, “ik hoop binnenkort meer hierover te horen van u.” Jean-Filip knikte kort en de raadgever nam daarmee genoegen. De zwarte man keerde zich om en liep even ongestoord de gang uit als hij was gekomen. Jean-Filip keek hem verveeld na. Alleen al de naam van La Doyenne had zijn bloed doen koken. Hij moest zo snel mogelijk werk maken van het Montfort testament, besefte Jean-Filip, zodat Catherina tenminste zijn gelijke was. Hij had er een tijdje over gedaan om te bedenken hoe hij het best te werk kon gaan, maar na het gesprek met de raadgever was hij tot de conclusie gekomen dat hij niet langer kon wachten. Hij riep een van zijn trouwste bedienden bij zich en droeg hem op te achterhalen wat er met het Montfort-testament was gebeurd. “Maar let wel,” zei Jean-Filip, “ik wil niet dat er ook maar iemand binnen het slot er achter komt dat ik je deze opdracht heb gegeven, zeker niet mijn moeder. Gebruik welke contacten je ook maar wilt en spendeer zoveel geld je wilt, maar laat het hertogelijke slot erbuiten...” De bediende knikte en beloofde het. 3. Catherina’s neef Laurent - de nietsnut zoals zijn vader hem noemde - waggelde naast zijn paard door de straten van Havre. Hij had zich een hele avond liggen voltanken en het was eigenlijk verwonderlijk dat hij nog op zijn benen kon staan. Laurent strompelde verder zonder er zich van bewust te zijn dat hij niet in het mooiste deel van Havre liep. Hij had nauwelijks een cent op zak, maar dat wisten de dieven uit de buurt niet. Verraderlijke oogjes gluurden dan ook naar de jonge edelman en hielden hem en het goudbrokaat op zijn kleren goed in het oog. De dronken jongen moest een gemakkelijk slachtoffer lijken voor de zakkenroller en dat zou hij al snel merken. De zakkenroller sloop achter Laurent aan en haalde zijn mes boven. Laurent lalde intussen een dronkemansliedje tegen zijn paard en had er geen idee van wat hem boven het hoofd hing. De zakkenroller liep tot achter Laurent en hief zijn mes op. Plots voelde de zakkenroller dat hij bij de kraag werd gegrepen en het volgende moment lag hij in de modder. Gehaast draaide hij zich om en toen zag hij een zwarte gestalte vervaarlijk boven hem uittorenen. “Hij is van mij, pak je biezen,” grauwde een stel beestentanden. De zakkenroller verstijfde van angst. “Nu!” Dat liet de zakkenroller zich geen tweede keer zeggen. De man schoot recht en nam het hazenpad. Laurent zag de zakkenroller met de staart tussen de benen verdwijnen en keek dan op naar de andere man. “Wie ben jij?” vroeg hij schaapachtig. De zwarte man antwoordde niet, maar greep Laurent bij de schouder en sleurde hem achter zich aan naar veiligere oorden. Tien minuten later zat Griffith samen met zijn bezopen beschermeling veilig in een kroeg. “Wie ben jij?” herhaalde Laurent toen ze neerzaten aan een tafel. De vreemde zwarte man antwoordde niet, maar wenkte een barmeid. “Geef ‘m een kan wijn.” Daar had Laurent wel oren naar en hij nam zijn kompaan nieuwsgierig op. Hij vond dat dat witte gezicht iets griezelig had, wellicht door het litteken onder zijn oog, maar Laurent was al veel te dronken om zich er echt van bewust te zijn. Laurent wachtte tot het barmeisje terugkwam met de kruik en sloeg dan in één teug een glas wijn achterover. Hij zuchtte gelukzalig en zette het glas terug neer. De zwarte man keek Laurent even strak aan. “Jij bent de zoon van Simon Montfort.” Laurent fronste de wenkbrauwen. “Ken ik jou?” Griffith schoof een zilverling naar hem toe. “Ken je dit?” Laurent keek met grote ogen naar het geldstuk. “Zeker, wij zijn beste vriendjes.” “Neem het.” Laurent grinnikte en liet het zich geen tweede keer zeggen. “Nu ben jij ook mijn vriendje.” Griffith knikte. “Je vader had een oudere broer.” “Zeker weten.” “Ik wil weten waar zijn testament is.” Laurent keek geschrokken op. In aanmerking genomen hoe dronken hij was, begreep Laurent onmiddellijk waar het over ging. “Daarvoor moet je niet bij mij zijn,” zei hij stroef, maar niet fris genoeg om indruk te maken. De zwarte man grijnsde en Laurents haren rezen ten berge. “Ik weet niet…,” murmelde hij en plots was hij vergeten wat hij wilde zeggen. Hij schonk zich nog wat wijn uit en keek met een bedenkelijke blik naar zijn glas. Griffith wachtte en liet hem drinken. Dan leunde hij voorover en met een duivels gezicht siste hij: “Ik weet van jou en dat meisje.” Laurent keek verbijsterd uit zijn ogen en leek op slag nuchter. “Wat?” De zwarte man leunde terug naar achter en liet zijn woorden doordringen. “Hoe komt het dat de gravenzoon Montfort zonder geld door de straten loopt?” “Wat zei je daar juist? Over mij en… en Zoë?” “Drink nog wat,” zei de donkere man en hij schoof Laurent nog een zilverling toe. Laurent raakte volledig de draad kwijt en deed wat hem gezegd werd. Hij nam de zilverling en dronk de resterende wijn op. Als hij op weg was om te ontnuchteren, was hij dat punt alweer terug voorbij. Hij bestelde een nieuwe kan wijn en staarde voor zich uit. Na verloop van tijd wist hij niet meer waar hij aan het denken aan was en keek suf op. De donkere man zat nog steeds voor hem. Hij gaf Laurent de kriebels, maar hij had een vaag idee dat zijn geld op was en dat de zwarte man zijn rekening zou betalen als hij maar braaf was. Griffith wachtte af, rustig. “Het testament,” mompelde Laurent, “o ja, daar waren we over bezig.” De jongen zakte weg op zijn stoel. Laurent voelde een zekere weerstand in zijn achterhoofd, een belletje dat gevaar betekende. Maar hij wist dat hij nog in veel groter gevaar zou zijn als de vreemdeling een onderonsje had met zijn vader. “…Mijn vader heeft dat testament laten wegbergen,” zei Laurent tenslotte, “en ik voel er niet voor hem te vragen waar.” De zwarte man keek hem afwachtend aan. “En wat zou ik ook?” snauwde Laurent tegen hem. “Als m’n vader sterft dan gaat zijn geld naar mij en kan niemand er iets aan doen. Maar ik ben niet zo bang als die schijter. Als ik graaf ben, dan laat ik dat testament onmiddellijk verbranden en dan kan er niemand mijn geld nog ooit aanraken.” Griffith keek hem bedaard aan. “Dus het bestaat nog?” zei de vervaarlijk kalme stem. Laurent knikte dronken. “Ja, maar wat gaat jou dat aan? Ken je mijn nicht?” Griffith antwoordde niet en vroeg dan: “Wat zal je met haar doen als je vader dood is?” Laurent snoof. “Ik veronderstel dat ze dan wel al getrouwd zal zijn… Ik weet in ieder geval dat ze iemand ziet op het ogenblik.” “Zo?” “Ja, soms krijgt ze van het personeel brieven toegestopt.... Waarschijnlijk van haar vrijer. Het personeel probeert het verborgen te houden, maar dan zullen ze toch eerst moeten leren niet zoveel onder elkaar te tateren. “ “Ah… En weet zij dat jij dat weet?” Laurent haalde de schouders op. “Waarom zou ik het haar vertellen?” “En je vader? Heb je hem daar nooit over ingelicht?” Laurent keek troebel in zijn kroes. “Nee…” “Waarom niet? Zou je vader je er niet heel dankbaar voor zijn? Je er geld voor geven?” Geïrriteerd zette Laurent zijn kroes neer. “Dat weet ik!” En dan wat rustiger: “Misschien…” Griffiths mond krulde. “Misschien… wil je dat ik het hem vertel?” “Nee!” riep Laurent en hij schrok van zijn eigen reactie. Je deed gewoon zoiets niet, niet als het om Catherina ging… Dan herstelde hij zich: “Ze is de moeite niet waard…” Griffith keek hem geamuseerd aan, maar hij zei niks. “Wat wil jij trouwens van haar?” snauwde Laurent. “Interesseert je dat?” Met een ruk keek Laurent opzij. “Nee…” “Goed dan, vertel me dan nu maar waar dat testament is.” “Ik zei dat ik…” “Geen smoesjes,” zei de zwarte man kil. Laurent verstrakte en zei: “In een kluis bij de Lombardiërs.” “Werkelijk?” “Je zal er niet in geraken,” zei Laurent, “wat je ook doet!” De zwarte man keek Laurent onbeweeglijk aan en glimlachte dan, glimlachte ijselijk. Laurent huiverde en wist niet wat hij er van moest maken. “Wat wil je van mij,” zei Laurent verward. Griffith ging langzaam achteruit zitten. De houding van de man deed Laurent denken aan een roofdier dat rustig zijn prooi bestudeerde. “Een eerlijk man van je maken,” zei Griffith. Laurent keek komisch uit zijn ogen. Hij was een dronkenlap, bleek van de intoxicatie, had in geen dagen zijn bed gezien. Van hem een eerlijk man maken. Hij begreep en begreep niet wat de zwarte man zei. “Wat wil je toch?” fluisterde Laurent met grote ogen. Griffith vertrok geen spier. “Dat je voor mij naar de Lombardiërs gaat en dat testament uit de kluis haalt.” Laurent staarde hem ontzet aan, maar het volgende ogenblik wist hij al dat hij het nog zou doen ook. Omdat de man macht uitstraalde, veel macht en hem anders kapot zou maken en daarna Zoë. “Je bent gek,” zei Laurent. De zwarte man stond spottend op. Hij plaatste een geldbeurs op tafel en grijnsde vals. Laurent staarde er met opengesperde ogen naar. “Laat ik je dit vertellen,” zei de zwarte man. “Ik luister niet naar de minnaar die liever arm dan ver van zijn geliefde is. Bovendien weet ik dat een bankier geld boven alle schatten van de wereld plaatst.” Laurent keek vies naar de beurs. Dan zei de zwarte man: “Een van mijn mannen zal je wel contacteren.” 4. Drie dagen later ontmoette Laurent de zwarte man opnieuw. Het was al schemerdonker en Laurent verging van de zenuwen. Het Montfort-testament brandde op zijn borst en Laurent dacht voortdurend dat een of andere soldaat hem zou tegenhouden om te vragen of hij de persoon was die net bij de Lombardiërs was binnen geweest. Laurent voelde zich alsof iedereen wist hoe hij zijn eigen familie had verraden: zijn vader wiens volmacht hij had gestolen, Catherina wiens vaders testament hij had gestolen, zichzelf door het testament te verspelen... In de drie laatste dagen was Laurent op slag vijf jaar ouder geworden. Hij had voortdurend liggen piekeren over dat testament want hij wist dat, als hij het aan de zwarte man gaf, het voor altijd verloren zou zijn. Hij was nog nooit zo lang achtereen nuchter geweest. Doodsbang liep Laurent naar het rendez-vous punt. Liever zat hij op dit ogenblik in een kroeg, maar hij wist toch dat de zwarte man hem zou vinden, waar hij zich ook zou verbergen. Hij hoopte alleen dat de zwarte man hem verder ongemoeid zou laten eens hij het testament had gegeven. En hem niet zou vermoorden... Toen hij de kapel inging, stond de zwarte man al op hem te wachten. Laurent dacht even dat zijn hart stilviel toen hij hem zag. De zwarte man was nog griezeliger dan hij zich herinnerde. Pas nu hij ook nuchter was, zag hij hoe vervaarlijk de man was. Toen Laurent de kapel binnenkwam, vernauwden die zwarte beestenogen even om hem op te nemen. Laurent rilde. “Heb je het?” vroeg de man kortaf. Laurent knikte aarzelend en kwam maar met moeite dichterbij. De zwarte man strekte zijn klauwen uit en met veel tegenzin haalde Laurent het testament uit zijn jas. Even keek Laurent er naar. Hij vroeg zich af of hij nog kon wegvluchten. Hij besloot dat het hopeloos was. Verslagen overhandigde hij de documenten aan de zwarte man. De zwarte man overlas vluchtig het testament en knikte dan. “Je hebt je werk goed gedaan.” En toen Laurent zich niet bewoog: “Je mag gaan.” “Is dat dan alles?” vroeg Laurent klein. De zwarte man snoof. “Wees blij dat ik je voor de rest met rust laat. Mijn mannen zullen je wel contacteren voor je beloning.” Laurent schudde het hoofd wild. Nee, dat was niet wat hij wilde zeggen. Hij kon dit Catherina niet aandoen. Hij moest dat testament terug hebben. Er was maar één ding waarvan hij wist dat hij er de zwarte man mee kon chanteren. “Ik ken jou,” zei Laurent nog voor hij het zelf doorhad, “jij bent dat Welsh gedrocht dat kapitein Montfort had opgenomen in zijn huis.” De zwarte man keek hem strak aan. Hij zei niks omdat hij wilde dat Laurent uitsprak. Laurent besefte al op dat ogenblik dat hij te veel had gezegd. Misschien was het geen slimme zet geweest om te laten merken dat hij de zwarte man had herkend. Geschrokken deed Laurent een stap achteruit, maar Griffith liet hem niet zo snel vertrekken. Nog voor Laurent het doorhad, had de zwarte man hem plots bij de keel gegrepen en tegen de muur gepind. “Godshuizen doen mij niks,” zei Griffith, “dus denk vooral niet dat ik je niet zou durven te vermoorden. Herhaal nu wat je net hebt gezegd.” “Niks, niks,” zei Laurent terwijl hij doodsbang spartelde in de greep van de zwarte man. Griffith snoof en zijn ogen doorboorden Laurent. Laurent werd op slag kalm en keek gefascineerd in die zwarte ogen. Hij had nog nooit zo’n duistere blik gezien. Het was alsof hij er een beest in zag dat hem hypnotiseerde voordat het hem zou verscheuren. Plots liet de zwarte man hem los. “Je hebt me gezien in het Montfort-kasteel veronderstel ik?” zei Griffith. Laurent sloeg zijn handen om zijn keel en haalde diep adem. De zwarte man keek hem doordringend aan. “Dat was een andere man toen,” zei Griffith tenslotte en hij draaide zich om. “Je kent me niet en je hebt me niet gezien.” Laurent wist dat hij inderdaad beter deed alsof hij de zwarte man nog nooit had gezien... 5. Catherina was een brief aan Jean-Filip aan het schrijven toen ze weer aan haar vader dacht. Het was intussen tien jaar geleden dat de graaf Montfort was overleden. Catherina herinnerde zich die dag nog steeds levendig en hield zelfs even op met schrijven om er aan te denken. Na zoveel jaren wist Catherina nog steeds niet wat de dood van de kapitein had veroorzaakt. Officieel luidde het dat hij was uitgegleden aan de kade en verdronken in het water. Het was maar de vraag wat daar van waar was. Catherina wist dat haar vader een goed zwemmer was dus leek zo'n banaal ongeluk onwaarschijnlijk. Ze was helaas te jong geweest om de waarheid te achterhalen en ook haar vrienden konden haar niks meer vertellen. Dokter Derache had het zo moeilijk met de dood van de kapitein dat hij er het liefst van al niet aan terugdacht en de rest van de bemanning van de Megafor had ze nooit teruggezien. Bovendien had haar oom geen baat bij een degelijk onderzoek en verdween de zaak al snel in de doofpot. Nochtans was de periode voor kapitein Montforts dood reeds een voorbode geweest van zijn ongeluk. Kapitein Montfort was steeds meer teruggetrokken geworden en was van het ene moment op het andere met heel zijn huishouden verhuisd naar het platteland. Waarom had Catherina nooit begrepen, maar voor haar stond vast dat het ene te maken moest hebben met het andere. Soms vroeg Catherina zich af of die zwarte jongen die bij hen had gewoond er voor iets tussen zat. Op een dag was haar vader teruggekomen van een verre reis met een jongen aan zijn zijde met een gezicht zo bleek als een geest en haren zo zwart als een raaf. Het was een jongen van een jaar of zestien, zeventien met een accent dat verried dat hij van over de Grote Zee kwam. Haar vader vertelde haar dat hij van nu af aan bij hen op het kasteel zou wonen en dat ze hem moest behandelen als een grote broer. Catherina had onmiddellijk begrepen dat de jongen problemen betekende. Er was iets engs aan hem, alsof hij een monster was waar alleen zij het echte gezicht van kon zien. Wanneer ze ook maar even in zijn ogen keek, zag ze een ziel die pikzwart van de haat was. Helaas was ze de enige die het zag. Haar vader hield van hem en behandelde hem als was hij zijn eigen zoon. Hij wilde niet luisteren naar Catherina’s waarschuwingen en stond er zelfs op dat ze zou leren opschieten met de zwarte jongen. Maar Catherina wilde niet leren opschieten met hem. Ze meed de jongen als de pest en probeerde zo min mogelijk aan hem te denken. Ze was dan ook blij toen de jongen op een dag van het kasteel verdween. Wat er met hem was gebeurd zou ze nooit achterhalen, maar daarna was alles veranderd. Ze verhuisden van de ene dag op de andere naar het platteland en haar vader werd met de dag afstandelijker. Terwijl ze verder schreef aan haar brief aan Jean-Filip, probeerde Catherina zich de naam te herinneren van die zwarte jongen. Hoe hard ze echter ook probeerde, telkens ontschoot die haar weer. Catherina vroeg zich af of hij inderdaad uit Wails kwam. Ze veronderstelde dat de jongen ook een van de vluchtelingen was geweest. Haar vader had hem wellicht ergens opgepikt tijdens zijn reis en uit medelijden op hun kasteel laten wonen. Waarom hij daarna terug was verdwenen kon Catherina niet zeggen. Misschien was de jongen terug beginnen verlangen naar zijn moederland. Welshen stonden immers bekend om hun band met Wails. Misschien was haar vader daarom ook zo triest geweest. Omdat hij wist dat een Welsh die zijn land verliet er nooit meer naar terug kon keren. Terwijl ze haar brief dichtvouwde bedacht Catherina dat de jongen wellicht niet meer in leven was. Wie er toch in slaagde terug te keren naar Wails - ondanks alle grenswachters - wachtte enkel een leven van armoede en onderdrukking. Wails was wel het laatste land waar je wilde leven als eenling, zonder geld of familie om terug op te vallen. Catherina kon zich best voorstellen hoeveel pijn haar vader had gevoeld toen de jongen het toch had gedaan. Catherina schudde het hoofd en stond recht. Een ogenblik dacht ze nog aan die donkere ogen en plots herinnerde ze zich zijn naam weer. Woolf, Griffith Woolf... Hoofdstuk 3 1. Griffith Jago reed met het testament van kapitein Montfort op zak uit Havre weg. Al bij al was hij gemakkelijker aan dat testament geraakt dan hij had gedacht. Hij zou zelfs spreken van een perfecte afloop als Laurent hem niet had herkend. Laurent had hem ooit een keer eerder gezien toen de kapitein nog leefde. Griffith Jago, die toen nog Griffith Woolf heette, had een korte tijd op het kasteel gewoond nadat de kapitein hem naar Lenion had gebracht. Op een dag was Simon Montfort zijn broer komen bezoeken op het kasteel, samen met zijn twee snotapen. Laurent had Griffith toen gezien en blijkbaar had hij voldoende indruk gemaakt op de jongen dat hij zich hem nog altijd herinnerde. Een ongelukkig toeval, maar niet een waar Griffith zich onmiddellijk zorgen over maakte. De hertogin kende Griffiths echte naam niet. Hij had hem nooit willen gebruiken omdat ze anders zou hebben begrepen dat hij een eigen agenda had. De naam 'Jago' had altijd veel meer voor de hand gelegen. Er was geen verband tussen die naam en de vijanden van de hertogin, dus kon hij niet door anderen worden verraden. Als de hertogin ooit te weten kwam hoe hij echt heette, zou het haar niet veel moeite kosten om te begrijpen dat hij al jarenlang gebruik maakte van haar in plaats van omgekeerd. In het ergste geval kende Laurent de echte naam van Griffith. De kapitein had hem misschien laten vallen in de buurt van de kinderen van zijn broer of Catherina had hem vermeld tegen haar neef. Maar wat dan nog, dacht Griffith. Wat zou Laurent met die naam kunnen aanvangen? En hoe zou hij kunnen weten dat de hertogin hem beter niet kende? Bovendien, hoe zou hij ooit tot bij de hertogin geraken? Hij, een dronkaard die in heel zijn leven nog nooit één zinnig woord had gezegd. Via Catherina Montfort, dacht Griffith. Catherina zou vroeg of laat in contact komen met de hertogin en zij zou de stukken van de puzzel misschien wel kunnen samenleggen. Zij kende immers wel Griffiths echte naam. Als zij begreep dat de raadgever van de hertogin en de jongen die bij hen op het grafelijk kasteel had gewoond dezelfde persoon waren, kon ze zich wel eens beginnen afvragen waarom de hertogin zijn echte naam niet kende. Dan zou ze er al snel achter komen dat er een verband was tussen hem en Neyrelle. En dan zouden de poppen pas echt aan het dansen gaan. Hoe waarschijnlijk was dat scenario? Griffith schatte zijn kansen in. Catherina zou er alleen achter komen dat hij ook Griffith Woolf was als ze hem ooit te zien kreeg. Griffith was wel zo voorzichtig om uit haar buurt te blijven. Via Jean-Filip zou ze misschien ooit wel eens iets vernemen over ‘Jago’, maar zolang ze hem niet persoonlijk zag, zou ze nooit het verband leggen met Woolf. De enige manier dat ze dat toch zou doen, was als Laurent haar over hem vertelde. Maar Laurent mocht hem dan wel herkend hebben als de jongen uit Catherina’s jeugd, hij wist niet dat hij nu Jago heette of dat hij voor de hertogin werkte. Bovendien wist Laurent wel beter dan Catherina over hem te vertellen. Dat kon hij immers alleen als hij er ook voor uitkwam dat hij het testament van kapitein Montfort had gestolen... Het was een dubbeltje op zijn kant. Laurent wist te veel en Griffith wilde het niet riskeren dat zijn identiteit op een of andere manier bekend raakte. ...Maar hij kon Laurent ook niet zomaar uit de weg ruimen. Hij was Catherina’s neef en hij wist dat Catherina een zwak voor Laurent had... Griffith bracht met een ruk zijn paard tot stilstand en dacht even na. Dan haalde hij een muntstuk uit zijn tas en besloot dat hij het lot zou laten beslissen. Niet echt de manier waarop hij anders tot een besluit kwam, maar voor dit geval wilde hij een uitzondering maken. Hij wierp het muntstuk omhoog en kletste het op zijn hand nadat hij het terug had opgevangen. Hij haalde zijn hand weg en zag dat het munt was. Laurent zou blijven leven. “Wat een pech,” bromde Griffith en hij stak het muntstuk weg. De beslissing was genomen en Griffith gaf zijn paard weer de sporen. Hij reed een heel stuk tot het bijna dag werd. Hij was bijna helemaal tot aan de grens van het hertogdom gereden waar er nog nauwelijks huizen stonden en stopte tenslotte bij een oud vervallen herenhuis. Hij steeg af en liep naar wat ooit het salon was geweest. De hertogin was niet op de hoogte van dit huis of dat Griffith het gebruikte voor dingen waar ze niks over mocht weten. Een man zat er op hem te wachten. Hij sprong op toen hij Griffith zag en nam zijn hoed af. Griffith bekeek hem maar van terzijde en de man zette voorzichtig zijn hoed weer op. Het was geen ruige man, maar hij was wel zwaargebouwd en hij had iets in zijn houding van een buldog. In zijn ogen lag ook de trouw van een hond. Fox was een van Griffiths meest toegewijde handlangers. Hij was een van de weinigen die wist wie Griffith in werkelijkheid was en wat hij nastreefde. Hij was niet de meest discrete of behendigste spion die Griffith had, maar hij maakte er wel een erezaak van om zijn meester zo goed mogelijk te dienen. Toen Fox gisteren had ontdekt dat er mogelijk iemand in Lenion was - een vrouw - die de identiteit van zijn meester kende, had hij Griffith dan ook onmiddellijk op de hoogte gebracht. Griffith had op zijn beurt aan Fox de opdracht gegeven te achterhalen wat de vrouw juist wist en of ze een gevaar betekende. “Fox,” zei Griffith en de man knikte. “Heb je met haar gesproken?” vroeg Griffith. “Ja, ik heb haar opgezocht,” zei Fox, “en het was zoals u al dacht. Het meisje heeft nog voor Neyrelle gewerkt op de Arendsburcht.” “En wat weet ze?” “Ze wist genoeg... over u... en over Neyrelle...” “Mijn naam?” “Ja, zo zag het er wel naar uit. Maar daar is ze niet alleen achter gekomen. Die Degrelle heeft behoorlijk wat onderzoek naar u gedaan. Ik denk dat ze wel wat meer weten dan uw naam alleen.” Griffith dacht even na. “Ben je er precies achter gekomen wat ze juist weten?” “Nee, dat kon ik niet zonder mezelf verdacht te maken. Ik dacht dat ik beter eerst op uw instructies kon wachten.” Griffith knikte en haalde een pistool vanonder zijn mantel om het te laden. Hij had liever gehad dat Fox onmiddellijk actie had ondernomen, maar op deze manier kon hij het meisje nog zelf ondervragen. Als hij geluk had dan vermoedden noch het hoertje noch haar beschermheer iets van het onheil dat er boven hen hing. “Wat met het koningskind?” “De kans zit er in dat het hoertje er van af weet.” Griffith dacht daar over na. Het koningskind. Enkel hij had het recht die naam te kennen. Alle anderen dienden uit de weg te worden geruimd... “Verzamel wat manschappen, Fox,” zei Griffith, “en ontmoet me bij het bordeel.” “En Degrelle?” “We zullen hem aanpakken als ik met dat hoertje klaar ben.” 2. Het was donker op de heide. Het enige licht dat te zien viel, was afkomstig van het eenzame herenhuis van de landjonker Degrelle. Regen teisterde de ramen en de donder kondigde een onheilspellende storm aan. In het huis maakten de bedienden de nodige voorbereidingen om de aankomende storm te trotseren. Ze sloten luiken en deuren en zorgden ervoor dat de honden niet konden ontsnappen. De meid Justine huiverde hoewel het lekker warm was in de keuken. Ze wierp even een blik naar buiten en dacht dat ze gestalten zag staan op een heuvel. Dan dacht ze dat ze het zich had ingebeeld en keerde ze zich af van het raam. De heer des huizes, de landjonker Degrelle, controleerde even of zijn bedienden alle maatregelen hadden genomen tegen de storm en trok zich dan terug in de bibliotheek. Hij kon even niet beslissen wat hij ging doen en besloot dan maar een boek te lezen. Elke edelman in Lenion dit zich iets of wat voornaam voordeed, kende de Welshe taal. Degrelle koos dan ook een boek uit met de verzamelde werken van een Welsh schrijver. Toen Degrelle het boek opensloeg en de eerste lijnen las op de pagina, fronste hij toch even de wenkbrauwen. ‘O it strikes, it strikes! Now body, turn to air, Or Lucifer will bear thee quick to hell’. De lijnen leken op Degrelle toe te springen en om de een of andere reden maakte die tekst hem bang. Vlug ruilde hij het Welshe werk in voor een ander. Op de heuvel ver van het herenhuis stonden vijf schaduwen afwachtend rond hun meester. De zwarte man keek onbeweeglijk naar het huis onder hen. De blik in die ogen was hard alsof hij het huis onder hem haatte. Dan zette hij zijn donkere glazen op. De vijf mannen die hem omringden, waren al sinds jaar en dag bij hem in dienst. Ze kenden de zwarte man als geen ander en wisten dat hij een gehaaid man was, altijd op zijn hoede, nooit verrast. Hij was ook een wreed man, wisten ze, een vulkaan met een laagje vernis. Zelfs terwijl ze op de heuvel stonden te wachten op zijn bevelen, voelden ze iets onder het oppervlak smeulen. Voor de rest was de zwarte man zelfs voor zijn mannen een raadsel. Ze wisten dat hij het accent had van de mensen over De Grote Zee, maar verder hadden ze er geen idee van waar hij vandaan kwam. Hij leek niet iemand te zijn met een verleden en zeker niet iemand met een identiteit. Ze waren niet helemaal zeker waarom hun meester hen hier had gebracht. Ze waren eerder langs een bordeel in Havre gepasseerd, maar wat hun meester daar had gedaan wisten ze niet. Hij was tezamen met Fox naar binnen gegaan en een half uur later was hij zonder een woord terug buiten gekomen waarna ze naar hier waren gekomen. De mannen veronderstelden dat het iets te maken had met staatszaken. Ze wisten dat Griffith het hoofd van de Lenioonse spionagedienst was en dus stelden ze geen vragen over de opdrachten die hij hen gaf. Maar het was ongebruikelijk dat hij zelf meeging op een opdracht en zich niet op de achtergrond hield. De mannen wisten echter wel beter dan te gaan gissen naar de motieven van hun meester. De mannen keken Griffith van terzijde aan en wachtten af. “Tijd, Fox,” zei hun meester dan. De man die Fox werd genoemd, kwam onmiddellijk op hem af en antwoordde: “Twaalf uur, sir.” De kalme beestenogen vernauwden even, dan knikte hij. “Het is tijd...” Een stil gevolg kwam dreigend op het huis af. Landjonker Degrelle zat een boek te lezen in de warme bibliotheek. Af en toe keek hij op als de wind weer aan de luiken begon te morrelen. Dan leek het alsof de storm binnen probeerde te raken en rilde mijnheer Degrelle. Het was alsof hij nog nooit zo’n donkere nacht had gekend en het idee dat hij hier alleen was op een paar bedienden na maakte hem nerveus. Hij wist dat hij wellicht overdreef, maar sinds de zaak ‘Raul’ kon hij zich nu eenmaal niet meer op zijn gemak voelen. Ver vanachter in het huis ging een raam aan diggelen. Een meid schreeuwde. Een onzichtbare hand greep haar ruw vast en gooide haar in een hoek. Angstig keek ze toe hoe zes schaduwen over de vloer binnenstroomden. “Doe me niks, doe me niks,” jammerde ze angstig. Het was nochtans allemaal onschuldig begonnen. Via Betsy, een hoertje dat uit Wails was ingeweken, was hij te weten gekomen wat er met de verbannen zuster van de hertogin was gebeurd. Hij was zich beginnen interesseren in het onderwerp en zo was hij er achter gekomen welk gevaar hen in feite beloerde vanuit Wails. De zuster van de hertogin was de ergste vijand die Lenion ooit had gekend. Hij had het toen eigenlijk al met rust moeten laten, maar dan was het al te laat. Op een dag kwam Betsy met een verward verhaal af over een man die ze ooit gekend had in Wails en die nu werkte in dienst van de hertogin. Hij was indertijd de vertrouweling geweest van de zuster van de hertogin... en bijgevolg een dubbelspion die het niet goed voor kon hebben met Lenion... Drie bedienden stonden angstig bijeen gedrumd in een hoek. De vier pistolen waren dreigend op hen gericht. De zwarte man stond voor het haardvuur en keek gefascineerd naar de likkende, allesverzengende vlammen. “Meester?” vroeg een van zijn helpers. De zwarte man knikte zonder naar hem om te kijken. “Afvoeren,” zei hij. De vier mannen stompten de jammerende bedienden naar buiten. Dan pas keek de zwarte man op. Hij veegde de gewetenloze uitdrukking van zijn gezicht en stapte grijnzend de keuken uit. Toen was Degrelle pas echt bang geworden. Hij kwam er achter dat deze ‘Raul’ de raadgever was van de hertogin en dus in de beste positie om haar te verraden. En hij had macht, deze verrader, veel macht, want de hertogin wist niet wat Degrelle wist over het verleden van deze man. En hoeveel gevaar ze liep... Griffith Jago liep op de maat van een kinderrijmpje door de gangen van het huis. Hij dacht aan Wails, maar ook aan die naam, Neyrelle. Degrelle voelde een rilling over zijn rug gaan. Hij voelde zich bang, maar wist niet waarom. “Justine,” riep Degrelle, “stook het vuur op. Het is koud, zo koud.” Hij trok de dekens verder om zich heen. Even ontblootte Griffith zijn tanden. Het licht blonk op zijn hoektanden. Dan zonken ze terug achter zijn lippen. “Justine! Waar wacht je op!” riep Degrelle. “Hef je luie kont op!” De ogen van de zwarte man brandden achter de zwarte glazen. “Justine! Justine! Waar zit je?” Degrelle wou opstaan. En dan hoorde hij het antwoord. “Justine komt niet.” Verbijsterd sprong Degrelle op. Hij keek achter zich en zag een man in de deuropening staan. “En de klok sloeg twaalf…” Onthutst keek Degrelle de man aan. “W... wie bent u?” wist hij uit te brengen. Even leek het alsof de zwarte man niet zou antwoorden. Dan zei hij: “Niemand die u wilt kennen.” Degrelle knipperde met de ogen en keek hem verstomd aan. De man was van top tot teen gekleed in zwart en had een wit gezicht als van een geest. Zijn ogen zaten verborgen achter een donkere bril en er liep een grauw litteken onder zijn ene oog. De uitdrukking op zijn gezicht was spottend, maar zijn lippen glimlachten niet. Degrelle had nog nooit iemand zo schrikwekkend gevonden. “Hoe bent u hier binnengeraakt?” vroeg Degrelle terwijl hij tot zijn ontzetting merkte dat de man dichterbij kwam. En dan: “Blijf daar! Raak me niet aan of ik laat mijn bedienden komen!” De zwarte man bleef staan en zei misprijzend: “Zij kunnen u niet langer helpen... U bent alleen in huis.” Degrelle staarde hem aan en begreep dan waarom Justine niet was gekomen. “Wie bent u toch?” fluisterde Degrelle, nu bang. De zwarte man glimlachte onmerkbaar. “Foute vraag,” zei hij. “Ik ben degene wiens naam geheim is.” Even wist Degrelle niet wat denken. Toen drong het tot hem door wat de man had gezegd en zette hij onthutst een pas achteruit. “O God… U bent hem... U bent Raul…” De zwarte man antwoordde niks en keek Degrelle slechts intens aan. Degrelle huiverde en schuifelde onhandig naast zijn zetel. Hij wist toen al dat niks hem nog kon redden. De zwarte man maakte een beweging in zijn richting. Degrelle gaf een kreet en sprong achter zijn zetel alsof die hem zou beschermen. Griffith grauwde. Hij bewoog als een beest, voorzichtig dichterbij komend, zonder zijn blik los te laten van zijn prooi. Degrelle verwachtte zich elk ogenblik aan een aanval. “Alsjeblieft... Alsjeblieft...,” fluisterde Degrelle, “laat me met rust... Ik heb u niks gedaan...” De zwarte man baste. “Je kent mijn naam...” Degrelle schudde verwoed het hoofd. “Nee! Nee! Enkel geruchten.” “Mijn naam... mijn afkomst... mijn doel...” “Nee, ik weet niks van u, alsjeblieft, laat me gaan...” “Je kent ze omdat je Betsy kent... omdat Betsy ze je heeft verteld...” “Betsy...” “Ja,” siste de zwarte man, “Betsy, je hoer, je snol, je kletstante... Ze zag me, nietwaar, in de burcht op de rotsen, bij die vrouw die jullie allemaal vervloeken? En ze vertelde het je, is het niet, terwijl ze zoveel wijzer had moeten zijn... Terwijl er al zovelen voor minder zijn gestorven...” “O God,” fluisterde Degrelle opnieuw. De zwarte man trok zijn pistool. “God is hier niet.” Hij liep op Degrelle toe. “God heeft niks te maken met mijn zaken.” Degrelle deinsde achteruit, maar de zwarte man greep hem vast en het volgende ogenblik stond hij met de rug tegen de muur, met de pistoolloop tegen zijn hoofd. “Ik ben Gods ergste nachtmerrie.” Degrelle werd hysterisch, maar de zwarte man liet hem niet los. “Alsjeblieft… alsjeblieft…,” griende Degrelle, “dood me niet, dood me niet… Ik doe alles wat je zegt, maar dood me niet.” De zwarte man lachte bassend. “Smeek wat je wilt, maar helpen doet het toch niet. Nee, niet velen zien mijn gezicht en overleven het.” “Nee! In hemelsnaam! Geld! Ik geef je zoveel geld als je maar wilt.” “Ik maal niet om geld.” “Informatie dan! Ik weet dingen over de hertogin die niemand anders u kan vertellen!” “Doe geen moeite,” zei de zwarte man, “ik ken al haar geheimen en veel meer.” “Nee, alsjeblieft! Laat me gaan!” “Ik kan je niet laten gaan…” “Waarom niet? Ik… ik zal naar het buitenland gaan, ik zal nooit met iemand praten.” Degrelle zakte op zijn knieën, de koude loop tegen zijn gezicht gedrukt, de ogen gesloten. De zwarte man grijnsde enkel. “Ja, dat kan ik, maar waarom zou ik?” Degrelle boog bevend voorover en huilde. “Alstublieft... Ik weet niks... Ik weet niks...” De zwarte man keek op hem neer, het pistool op zijn hoofd gericht. “Als dat waar was, dan was ik hier niet nu...” Degrelle keek smekend op. “Er moet iets zijn dat ik u te koop kan aanbieden?” Griffith keek hem afwezig aan en zei dan: “Ja... misschien...” Degrelle voelde een sprankeltje hoop. “Wat? Wat? Ik doe alles wat u wilt...” “Het koningskind,” zei Griffith dan, “vertel me over het koningskind.” Degrelle keek hem onbegrijpend aan. Hij wist dat hij beter niet kon tonen dat hij het niet begreep, maar hij kon ook niet doen alsof hij het wel begreep. Degrelle stootte op de nietszeggende blik van de zwarte man. “Hij weet het niet...,” zei Griffith, niet tegen Degrelle, maar tegen zichzelf, “ze moet pas later naar de burcht zijn gekomen...” Degrelle begon terug bang te worden. Zijn laatste kans was verspeeld en alleen een mirakel kon hem nu nog redden. Hij voelde hoe hij beefde over heel zijn lichaam en wachtte beangstigd af. De zwarte man keek Degrelle terug aan en zei: “Je hebt me niet veel waardevols kunnen zeggen. Waarom zou ik je dan laten leven?” Degrelle had zelfs de moed niet meer om te smeken. “Ik weet het,” beantwoordde Griffith de vraag voor hem, “omdat er wel iets is dat je weet...” Griffith sleurde Degrelle overeind. “Aangezien ik hier sta, veronderstel ik dat je nog niet de kans hebt gehad om de hertogin te contacteren. Wat ik van jou dus wil weten, is wie je nog zoal op de hoogte hebt gebracht van ons kleine geheimpje.” Degrelle perste de ogen dicht. Hij wou het niet vertellen. “Nou, nou, niet zo preuts, je kan het best als je wil... Nee? Laten we dan eens over iets anders praten... Wat is Betsy waard voor jou? Je leven? Meer dan je eigen leven? Of minder? Laten we het zo stellen,” en Griffith drukte de loop onder Degrelles kin en spande de haan. “Haar leven voor dat van jou. Wie kent mijn naam?” Degrelle werd panisch van de koude loop tegen zijn gezicht. “Betsy,” zei hij. “Alleen Betsy kent hem. En een man die ze Guy noemde. Ik heb een brief aan de hertogin geschreven waarin alles staat. Betsy heeft hem aan Guy gegeven in het geval er iets met ons zou gebeuren.” “Stel me nu niet teleur: waar kan ik die Guy vinden?” “Ik weet het niet,” zei Degrelle en toen Griffith het pistool nog harder onder zijn kin drukte, riep hij: “Ik weet het echt niet! Het was een kennis van haar. Hij heeft ooit nog gewerkt aan de haven maar werkt tegenwoordig als pooier. Laat mij alsjeblieft gaan: ik weet niks. Betsy kan u alles vertellen dat u wilt weten.” Griffith liet Degrelle los en de man stortte hijgend neer op zijn knieën. “Dank u, dank u,” huilde de man, maar Griffith snoof enkel. Hij liet zijn pistool zakken en keek Degrelle doordringend aan. “Ik weet dat Betsy me alles kan vertellen,” zei hij terwijl hij het pistool wegstak, “en eerlijk gezegd heeft ze dat ook gedaan. Ze heeft me alles verteld dat ik wilde weten en ik moet zeggen dat jouw versie niet zoveel verschilt van de hare. Alleen kon ze me wat meer details geven over die Guy.” Degrelle keek bleek op en Griffith grijnsde. “Verbaast het je dat ik haar ook een bezoekje heb gebracht? Ze was anders beter voorbereid op onze komst dan jij. Ze heeft een heuse strijd geleverd vooraleer ze het loodje legde.” Een ogenblik lang staarde Degrelle de zwarte man in ongeloof aan. “Je hebt haar vermoord,” fluisterde hij en Griffith lachte bijtend. “Dacht je soms echt dat ik jullie in leven zou laten?” Degrelle sprong met een kreet op en het was daarop dat Griffith had gewacht. Met een mokerslag velde de zwarte man, Degrelle neer. De landjonker viel kronkelend van de pijn op de grond. Griffith ging over de man staan en lachte demonisch. Toen Degrelle opkeek zag hij dat de vreemde duivel niet langer zijn bril op had en dat hij keek in twee ogen, zwart als kolen, beestenogen. Er was een verhaal dat er ergens in Lenion een wezen rondwaarde dat zelfs de hel had moeten uitspuwen. Ze zeiden dat hij ogen had als van een beest en een viervingerige klauw. Degrelle had nooit erg veel belang gehecht aan dat verhaal. Hij wist dat mensen het verhaal van de zwarte duivel hadden uitgevonden om een reeks gruwelijke moorden te verklaren die de laatste jaren waren gepleegd. Wat hij nooit had gedacht was dat de verhalen waar waren. En dat de zwarte duivel en de raadgever van de hertogin een en dezelfde persoon waren. De zwarte man greep Degrelle vast met zijn viervingerige hand. En Degrelle schreeuwde, schreeuwde het uit. 3. De vier mannen stonden onverschillig toe te kijken terwijl het huis van Degrelle in vlammen opging. Voor hen stond hun meester met Fox aan zijn zijde met een al even serene blik op zijn gezicht. Een paar balken vielen op de grond en flinters sprongen in de ronde, maar Griffith leek er niet op te letten. “De bedienden?” zei Griffith. “Geregeld...” Griffith knikte. “En nu?” vroeg Fox. Griffiths ogen vernauwden. Hij werd verwacht op het koninklijke paleis vandaag, dus hij had weinig keuze. Hij zou het aan Fox moeten overlaten om die brief te vernietigen. “Vind die Guy en die brief...,” zei hij, “ik verwacht zijn hoofd ten laatste over vierentwintig uur op een gouden plaat...” Griffith keek Fox doordringend aan. “Ik hoop dat je niet vergeet wat er op het spel staat...” Daarop keerde Griffith zijn paard en gaf het teken om te vertrekken. De mannen keerden hun paarden en alleen Fox bleef achter. Fox zou dit karwei alleen moeten oplossen, maar in het ergste geval zou hij zelf de volgende avond in Havre zijn om hem te helpen. Hij hoopte alleen dat Degrelle niet had gelogen en er hen niet nog meer onaangename verrassingen stonden te wachten. Met zijn manschappen in zijn zog reed Griffith de hele nacht door. Hij wisselde een aantal keer van paard tot hij tenslotte aankwam bij het koninklijke paleis. In tegenstelling tot wat de meeste mensen dachten was het koninklijke paleis geen residentie vol pracht en praal. Het was ontworpen om de veiligheid van de koning te garanderen en soms leek het dan ook meer op een vesting dan een paleis. Om voorbij de koninklijke wacht te kunnen komen, moest Griffith zich drie keer opnieuw laten fouilleren en telkens opnieuw identificeren. Elk ander zou gek worden als hij dat procedé steeds weer opnieuw moest doormaken, maar niet de zwarte man. Elke week diende hij zich opnieuw aan op het paleis, en elke keer onderging hij de veiligheidsmaatregelen zonder een woord van commentaar. Natuurlijk beklaagde hij zich er nooit over: hij had de maatregelen zelf ingevoerd. Na een laatste controle werd de zwarte man tenslotte voor de koning gebracht. Koning de Bethune zat aan zijn bureau en verwelkomde Griffith hartelijk toen hij binnenkwam. De zwarte man reageerde niet of nauwelijks op de warme welkomst en groette de koning met een eenvoudige buiging. De Bethune grijnsde. “Jij zal nooit veranderen, niet?” De zwarte man verpinkte niet, alsof de ironie in de Bethunes stem hem ontging. “Milord...” De Bethune schudde Griffiths handen en liet hem dan zitten in de stoel voor het bureau. “Goed,” zei de koning terwijl hij ook ging zitten. “Laat eens zien wat je bij hebt.” De raadgever gaf koning de Bethune een verslag met alle activiteiten van de laatste week en ook een brief van de hertogin. Een persoonlijke brief, wist Griffith, want hij was verzegeld. Koning de Bethune nam alles even door en las dan ook geïnteresseerd de brief van de hertogin. “Gevat als altijd, nietwaar,” glimlachte de koning waarmee hij op de schrijfstijl van de hertogin doelde. “Hoe gaat het trouwens met mijn meest favoriete hertogin? Valt er nog iets te vertellen dat hier niet in staat?” De zwarte man keek ondoorgrondelijk voor zich uit. Hij wist dat de koning viste naar de gezondheidssituatie van de hertogin maar besloot er niet op in te gaan. “Hare ladyship maakt het goed en zendt u haar beste wensen.” “Ik stuur haar ook mijn beste wensen,” zei de koning, “en hoop alleen dat ze ze niet nodig heeft.” Zowel de raadgever als de koning wisten dat de hertogin danste met de dood. “Nu goed, hoe zit dat hier met dat meisje... eh... Montfort...,” ging de Bethune verder. “Blijkbaar gaat dat wel vlot. Jean-Filip lijkt voor één keer in zijn leven eens geïnteresseerd te zijn in iets dat een rok draagt. Dat noem ik al vooruitgang. Ik weet niet hoe het bij jou zat, maar als ik met hem sprak over de noodzaak van een huwelijk, dan wimpelde hij me altijd af.” “De prins is zich bewust van zijn plichten. Hij wil alleen zelf kiezen,” zei Griffith rustig. “Ja, ik weet het, maar toch... Ik hoop dat Jean-Filips moeder weet wat ze doet, tenslotte heeft dat meisje momenteel geen titel. Waarom kon ze het niet regelen zoals het in onze dagen werd gedaan: je ouders kozen iemand en je trouwde ermee. Waarom maakt ze Jean-Filip gewoon niet duidelijk dat hij niet de keuze heeft?” “De prins laat zich niet gemakkelijk vangen in dit soort netten. Hij zou nooit genoegen nemen met een vrouw die niet zijn keuze is.” “Denk je dat werkelijk?” vroeg de koning. “Ik ben niet alleen de raadgever van de hertogin,” herinnerde Griffith hem, “maar ook de mentor van de prins en ken hem beter dan u.” De koning zuchtte. “De jeugd van tegenwoordig... Ik, ik kon niet kiezen. Antoinette en ik huwden omdat Lenion vaste voet in Wallonie wilde hebben. Let wel: het was een gelukkig huwelijk!” “...ja...” “Ik snap Jean-Filips moeder op dat vlak niet. Waarom moet die jongen per se een vrouw naar zijn keuze hebben? Een huwelijk is iets waar je aan werkt, je kan er niet zomaar van uitgaan dat er maar één is die geknipt is voor de job.” “...ja...” Koning de Bethune merkte dat hij aan het babbelen was. “Mh,” bromde hij, “tegen wie zeg ik het, nietwaar? Je bent zelf niet getrouwd.” “...Nee...” De Bethune rechtte de rug. “Toch zou je dat, weet je. Gewoon zien wat het wordt. Je weet maar nooit.” De raadgever haalde onverschillig de schouders op. “Ik betwijfel het nut...” De koning barstte in lachen uit. “Het nut! Dat is precies weer zo’n uitspraak die je alleen van jou kan verwachten. ‘Het nut’. Alsof het nut moet hebben. Toch zou het je niet misstaan. Ik kan me jou best voorstellen met een katje thuis om te geselen.” Griffith nam zijn bril ongeïnteresseerd af en kuiste de glazen. Koning de Bethune nam het dossier in zijn handen weer door en zei: “In ieder geval is die kwestie met dat testament geregeld. Wanneer zal je dat testament aan Montfort teruggeven, of hou je het voorlopig bij?” “We wachten totdat de rest ook is geregeld...” “Ook goed. En wanneer zullen we Jean-Filip inlichten dat we al langer op de hoogte zijn van hem en het meisje?” “Het beste is te wachten tot hij het zelf opbiecht. Voorlopig laten we hem in de waan dat we niks vermoeden. Dan zal hij haar in het geheim blijven ontmoeten en dat zal zijn gevoelens voor haar alleen maar versterken. Als we hem nu al inlichten dan zal dat enkel averechts werken.” “Jij kent Jean-Filip beter dan ik, dus je doet maar...” De Bethune ging over naar het volgende onderwerp. Hij keek opnieuw in de dossiers en overlas een paar stukken. “Ik zie dat het op het ogenblik nogal kalm is in Wails. Enig idee hoe we dat zouden kunnen benutten?” “Ik heb reeds een schip uitgestuurd met extra geld voor het verzet,” antwoordde Griffith. “Mooi, zolang De Nechoir maar intern bezig wordt gehouden, nietwaar? Hoe is het met de Welshe koning?” “Hetzelfde als altijd: zwak, maar niet stervend.” “Hetzelfde als altijd... Laten we hopen dat hij het niet al te lang meer uithoudt. Zijn er in die streken ook haarden van pest?” “Nee, dat is voornamelijk in midden-Wails. Bovendien wordt hij daar toch voldoende voor afgeschermd.” “Mja, we zullen nog even afwachten en zien wat de kroonprins doet. Dan kunnen we nog beslissen of we de natuur een handje helpen of niet...” Griffith knikte. “Over Wails gesproken,” zei de koning plots, “wat weet de kleine Montfort juist over de dood van haar vader?” “Niet veel waarschijnlijk,” antwoordde de raadgever, “ze was vrij jong toen het gebeurde.” “Denk je dat de kapitein ooit over Neyrelle en De Nechoir heeft gesproken in haar bijzijn?” “Misschien, maar op die leeftijd zal een kind daar niet veel van hebben onthouden.” “Misschien maar goed ook,” zuchtte de Bethune. “Het is wellicht het beste dat ze er zo weinig mogelijk vanaf weet...” De Bethune dacht even aan kapitein Montfort. “Hoe ben je er trouwens op gekomen om Montforts dochter te kiezen voor Jean-Filip? Gezien haar huidige positie is ze geen vanzelfsprekende keuze.” Griffith haalde de schouders op. “De jonge Montfort heeft het karakter van haar vader... Jean-Filip houdt van dat soort vrouwen...” De Bethune nam de raadgever even op. “Ze is inderdaad een interessante persoonlijkheid als ik je dossier over haar mag geloven. ... Ken je het meisje persoonlijk?” De raadgever keek de Bethune recht in de ogen. “Nee,” zei hij enkel. Even later was de raadgever vertrokken uit het koninklijke paleis. “Drie uur,” dacht hij, later dan hij had gehoopt. En nu moest hij nog teruggaan naar het hertogelijke slot. Hij zou er ten vroegste in de late namiddag zijn. Hopelijk zou de hertogin hem niet te lang ophouden. Hij moest naar Havre gaan. Zo snel mogelijk... En de brief vernietigen... 4. Laurents paard was net ziek op de avond dat Catherina, Jean-Filip nog eens een keer zou zien. Ze hadden twee weken lang een ontmoeting bij dokter Derache liggen plannen en het had Jean-Filip de grootste moeite gekost om er zich voor vrij te maken. Maar nu het eindelijk zo ver was, liet de stalknecht weten dat het paard dat ze wilde ‘lenen’ de rit naar Havre niet kon maken. Catherina liet niet blijken dat ze teleurgesteld was, maar de stalknecht wist wel beter en zei dat hij misschien wel een oplossing voor haar probleem had. Hij zou het andere paard van de graaf opzadelen en hij zou haar dan zelf naar Havre brengen. Mocht de graaf merken dat de stalknecht afwezig was, kon hij hem nog altijd wijsmaken dat hij een middeltje was gaan halen voor het zieke paard. Hij zou Catherina aan de stadspoorten afzetten en ze kon zich door Derache laten terugbrengen. Het meisje sloeg het aanbod eerst af omdat ze bang was dat de stalknecht anders in problemen zou komen, maar uiteindelijk liet ze zich toch overreden. Tegen valavond was het andere paard van de graaf opgezadeld en glipten de twee ongezien weg naar Havre. De stalknecht reed tot aan de stadspoorten van Havre waar Catherina hem liet stoppen. Catherina steeg af met de boodschap dat ze het verder wel alleen zou kunnen redden en dat hij vlug terug moest rijden voordat haar oom hem miste. De stalknecht knikte aarzelend en wendde dan het paard. De poortwachter liet haar zoals gewoonlijk binnen en vertelde haar dat ze voorzichtig moest zijn nu ze niet te paard was. Er liep allerlei onguur volk rond en hij zou niet graag hebben dat er haar wat overkwam. Catherina bedankte de man voor zijn bezorgdheid en liep dan de stad in. De steegjes lagen er inderdaad bar en verlaten bij toen Catherina er te voet door liep. Catherina bedacht dat ze beter aan de stalknecht had gevraagd om haar tot bij dokter Derache te brengen, maar daar was het nu te laat voor. Bovendien had ze hier al honderden keren te paard door gereden en was er nooit iets gebeurd. Catherina kon geen hand voor de ogen zien. De maan was verscholen achter een wolkendek en er brandde maar weinig licht in de straten. De modder zoog onder haar laarzen en de wind blies guur in het nauwe steegje. Ze voelde zich niet helemaal meer op haar gemak en na een tijdje begon ze zich van alles in te beelden. Ze dacht dat ze iemand achter haar hoorde lopen, maar toen ze omkeek zag ze niemand. Nog maar nauwelijks had ze achter zich gekeken of plots struikelde ze. Eerst dacht ze dat iemand haar pootje had gelapt, maar dan werd het haar duidelijk dat ze stomweg over een steen was gevallen. Niettemin was het resultaat even mooi. “Aah, yèk!” Ze sloeg met een vies gebaar de modder van haar handen. En nu was ze nog nat ook. Ze wou rechtkomen, maar plots hoorde ze een geluid achter zich. Ze had geen ogenblik nodig om te beseffen dat ze niet alleen in de steeg was. Met een ruk stond ze op. Iemand was haar inderdaad gevolgd. “Juffrouw Montfort, rustig maar,” zei een man met een zoete stem. Verward keek ze de vreemdeling aan. Hoe kende hij haar naam? “Wees niet bang, ik ben een vriend,” zei de man sussend en hij hief zijn handen op om te tonen dat hij geen mes verborgen hield. Niettemin vertrouwde Catherina het zaakje niet en ze zette zich klaar om er bij de minste aanleiding vandoor te gaan. “Wie bent u? Hoe kent u m’n naam?” zei Catherina, maar de man met de bruine hoed glimlachte slechts en kwam nog wat dichterbij. “Wees niet bang, ik doe u niets.” “Waarom zou ik dat geloven? Hoe wist u wie ik ben?” “Eén vraag tegelijk,” zei de kerel kalmerend. “Ik wist van de stadswachten dat de dochter van Montfort deze avond dokter Derache zou bezoeken. Ik dacht alleen dat u te paard zou komen en daarom was ik even onzeker. Maakt u zich geen zorgen, ik wil u alleen even spreken.” Catherina keek hem wantrouwend aan. Dat klonk niet echt overtuigend als uitleg. “Mijn naam is Guy,” zei de kerel, “maar mijn naam is niet van belang want ik ben toch maar een tussenpersoon.” Nog voordat Catherina iets kon opwerpen ging hij vlug verder: “Houdt u van uw land? Ik hoop van wel, want ik heb uw hulp nodig bij een zeer belangrijke zaak. Gisteren werd een goede vriendin van me vermoord omdat ze iets belangrijks had ontdekt. Ze had voorzien dat dat kon gebeuren en liet een brief schrijven waarin alles staat dat ze wist. In deze brief staat de naam van een dubbelspion die in dienst van de hertogin van Carnières werkt. Mijn vriendin werd hiervoor vermoord en het is dan ook van alle belang dat deze brief terecht komt bij de hertogin zodat ze de verrader kan ontmaskeren. Ik kan het echter niet alleen. Ik zal nooit levend voorbij de poorten van het hertogelijk slot kunnen komen omdat de verrader wellicht weet dat ik deze brief heb. Dus heb ik iemand nodig die het voor mij kan doen en daarom heb ik u proberen te vinden.” Catherina fronste de wenkbrauwen. Ze vroeg zich af hoe de man kon weten dat ze Jean-Filip kende. “Ik heb de hertogin nooit eerder ontmoet. Waarom denkt u dat ze mij wel zal ontvangen?” Guy keek even voorzichtig over zijn schouder. “Omdat uw vader de graaf Montfort was,” antwoordde hij, “en omdat uw vader ooit voor haar werkte als het hoofd van haar spionagenetwerk. Begrijpt u nu waarom de hertogin u wel zal ontvangen? De naam Montfort opent deuren die voor niemand anders opengaan...” Catherina keek de man stomverbaasd aan. Haar vader... Het hoofd van een spionagenetwerk? Was dat mogelijk? “U spreekt over mijn vaderlandsliefde zodat ik haast niet kan weigeren,” zei Catherina, “maar toch wil ik weten waarom ik me zou inlaten met uw vuile zaakjes.” De minzame glimlach op het gezicht van de man veranderde niet. “Omdat u zichzelf een dienst zou bewijzen. In deze brief staat namelijk niet alleen de naam van de verrader, maar ook van de vrouw die uw vader heeft laten vermoorden. Ik denk dat dat voldoende reden voor u moet zijn om die verrader uit de weg te ruimen.” Catherina klemde haar kaken op elkaar. “De vrouw in kwestie heet Neyrelle De Nechoir,” ging hij verder, “als u haar naam noemt zal de hertogin onmiddellijk weten met wie ze te doen heeft. In deze brief staat heel duidelijk uitgelegd wat het verband is tussen Neyrelle en haar dubbelspion. Zult u me nu helpen?” Catherina keek aarzelend toe terwijl de man de brief uit zijn tenue haalde. “Goed, ik zal proberen de hertogin te contacteren. Wat is de naam van die dubbelspion?” “Zijn naam is Raul, hoewel ik denk dat dat slechts een alias is. Zijn echte naam ken ik niet, maar ik heb van Betsy begrepen dat hij een heel machtig man is.” Catherina nam de brief aan en Guy keek aandachtig toe of ze hem wel goed wegstak. “Haast u nu,” zei Guy, “want ik word op de hielen gezeten door een handlanger van de dubbelspion. Fox kan hier elk moment toekomen.” Ze wou vlug weglopen van de man, maar kreeg er de kans niet toe. Ze had nauwelijks een stap gedaan of plots vloog een ruiter om de hoek. “Fox,” siste Guy en Catherina keek geschrokken om. De ruiter merkte hen op en gaf bruusk een ruk aan de teugels. Het paard slipte door het bruuske manoeuvre in de modder en de ruiter ging onderuit. Guy maakte van de gelegenheid gebruik om Catherina bij de arm te nemen en haar in de andere richting te duwen. “Maak dat je wegkomt of hij snijdt je de keel af. Denk erom: Lacroix!” Dat hoefde de kerel maar één keer te zeggen. Als een pijl uit de boog spurtte Catherina weg en blijkbaar op tijd ook want op dat moment brak een vuurgevecht achter haar los. Er weerklonk een luide gil, maar Catherina durfde niet te stoppen om te zien of het Guy of de andere man was die was getroffen. Ze was er bijna van overtuigd dat ze veilig was toen ze plots iemand achter haar aan hoorde komen. Ze wierp vlug een blik over haar schouder en vloekte omdat het niet haar helper was, maar de andere man, Fox. Dat betekende dat Guy wellicht dood of gewond was en ze er alleen voor stond. Met een ruk gooide ze zich in een ander steegje maar ze had niet veel hoop dat het haar zou helpen. Haar achtervolger liep nog steeds achter haar en wist dat hij veel harder kon rennen dan een vrouw. Bovendien kende Catherina dit kwartier niet en wist ze niet waar ze zich kon verbergen. Toch was ze niet van plan zich zo snel gewonnen te geven en rende ze zich de benen van onder het lijf. Plots merkte ze dat haar achtervolger erg dicht was gekomen. Waarom had hij nog niet geschoten? Hij had haar al lang kunnen neerleggen. Niet kunnen herladen, besefte Catherina. Haar geluk. Fox probeerde haar kleren vast te grijpen, maar miste. Hij vloekte want hij raakte er zijn evenwicht door kwijt. Op hetzelfde moment stopte Catherina plots bruusk. Fox knalde tegen haar aan en ze rolden over de grond. Toen dacht Fox dat hij haar had gevangen. Dat bleek een grove vergissing te zijn want toen hij opkeek zag hij ineens waarom ze was gestopt. Zonder ook maar een moment te aarzelen greep Catherina een stuk hout op de grond vast en timmerde ze Fox een nieuwe smoel op zijn gezicht. Catherina wachtte niet om te zien of hij buiten westen was. Ze vermoedde van niet, zo’n kerels waren gemaakt van staal en stonden onmiddellijk terug op hun benen. Ze maakte zich onmiddellijk uit de voeten, maar wist nog nauwelijks waar ze heenliep. Ze begon te panikeren nu ze niet meer wist waar ze heen moest en voor het eerst in haar leven werd ze echt bang. Ze zouden haar doden, dacht ze. Ze had er allemaal niks mee te maken en ze zouden haar doden! Niemand die er om maalde dat ze niet om de brief op haar borst had gevraagd. O hemel. Ze besefte dat dit helemaal uit de hand begon te lopen. Jean-Filip... Waar was Deraches huis? Ze wist totaal niet meer waar ze was. Hoe kon ze daar ooit geraken? Plots hoorde ze een geluid achter zich. Ze wou schreeuwen en wierp zich op een deur. “Laat me binnen! Laat me binnen!” Ze hoorde het briesen van een paard. “Help! Iemand!” Het volgende moment gooide iemand haar omver. Een zwaar mannenlichaam drukte haar in de modder en probeerde haar de mond te snoeren. Ze verzette zich hevig en beet in de hand van haar aanvaller. “Bloody hell…!” Ze worstelde als een gevangen kat die vrij probeerde te raken, maar telkens werd ze terug met haar gezicht in de modder gedrukt. Woest krabde en sloeg ze. Zonder resultaat want ze geraakte niet meer los. Even maakte ze het haar aanvaller nog moeilijk en draaide ze zich bijna om. Dan kreeg ze een vuist in haar gezicht. De mokerslag kwam hard aan en het werd haar donker voor de ogen. “Catherina...,” klonk het nog ontzet. Het enige wat ze nog merkte was het verre gefluister van geschreeuw. Mensen waren aan het ruziën. Waar was ze? Enkel een vage indruk van modder en water drong tot haar door, verder was er alleen maar duisternis en pijn. Waar was haar vader? Hij was altijd bij haar als ze pijn had. Ze probeerde te bewegen, maar iets hield haar tegen. “Ngh.” “Nee,” fluisterde een stem. Ze herinnerde zich weer die donkere jongen die een tijd bij hen op het kasteel had gewoond, die zwijgzame jongen met zijn scherpe gezichtstrekken. Ze had nooit alleen met hem in dezelfde kamer willen zijn en zelfs als haar vader er was, durfde ze hem niet in de ogen te kijken. Er was iets aan de manier waarop hij urenlang naar haar kon staren zonder iets te zeggen, dat haar schrik inboezemde. Het was niet alleen dat witte gezicht of die donkere stem, het waren ook die zwarte ogen en de blik in die ogen. “Oh!” Oh, de blik in die ogen! De ogen... Ze staarden haar aan, gloeiend in het duister, smeulend als houtskool. Ze probeerde niet in die ogen te zien, maar ze kon zich niet bewegen. Die donkere ogen, gevaarlijke ogen. Wolvenogen! Paniek overweldigde haar toen het vuur haar verteerde en ditmaal verloor ze echt het bewustzijn. Fox holde hijgend de hoek om en bolde dan puffend uit toen hij zag dat zijn meester het meisje te pakken had gekregen. Even was hij opgelucht dat het toch nog zo goed was afgelopen, maar dan realiseerde hij zich dat hij het bijna had verknald. Verdomme, wat zou hij hebben gedaan als zijn meester niet ineens was komen opdagen? Dat wicht zou zo naar Lacroix zijn gerend en dan zou ze z’n meester hebben aangegeven. Hoe had hij het zo kunnen verknoeien? Gelukkig voor hem keek Griffith niet naar hem om. Fox’ meester zat naast het meisje gehurkt en stak voorzichtig zijn hand naar haar uit alsof hij bang was om haar aan te raken. Leefde ze nog? Fox kon het weinig schelen. Hoe minder mensen er bij hun zaakjes betrokken waren, hoe beter. De omzichtigheid waarmee Griffith het meisje echter behandelde, verbaasde Fox. Sinds wanneer schrok de zwarte man er voor terug om iemand de keel over te snijden? Hij wist toch dat ze geen keuze hadden? Het meisje had hen gezien en was een lastige getuige. “Sir...” Fox aarzelde. Griffith moest toch weten dat het meisje de brief had? Waarom had hij hem nog niet teruggenomen? “Sir?” Waarom maakte hij er geen komaf mee? Straks zou iemand hen zien. “Sir, als u niet...” Griffith keerde zich met een ruk om. “Ik weet het,” siste hij onbeheerst. Fox sprong geschrokken achteruit alsof die beestenogen hem gebeten hadden. De tanden zonken terug weg achter Griffiths lippen en de zwarte man nam een besluit. Met tegenzin begon hij de vest van het meisje open te knopen en hij haalde er de brief vanonder. Fox haalde opgelucht adem en wachtte verder af. Weer aarzelde Griffith. Dan stak hij zijn armen voorzichtig onder het meisje en kwam recht. Fox keek zijn meester vragend aan, maar Griffith negeerde hem. Er lag een onwezenlijke blik op Griffiths gezicht alsof hij zelf niet wilde weten wat hij aan het denken was. Hij liep Fox voorbij en besteeg zijn paard. Hoofdstuk 4 1. Langzaam maar zeker opende Catherina de ogen. “Derache!” zei een opgeluchte stem, “ze komt terug bij.” Catherina kreunde en raakte haar voorhoofd aan. “Waar ben ik?” zuchtte ze en ze probeerde recht te komen. Zachte handen kwamen haar direct te hulp en ondersteunden haar. “Je bent hier, veilig, bij ons,” zei iemand geruststellend. Bij wie? Catherina kwam terug tot haar positieven en herinnerde zich met een schok weer wat er was gebeurd. “De brief!” Ze voelde onder haar jas en haalde opgelucht adem: hij was er nog. “Rustig maar,” klonk het sussend, “je hebt een flinke dreun tegen je hoofd gekregen...” Catherina keek opzij en zag plots dat het Jean-Filip was die haar ondersteunde. “Jean-Filip?” “Maak je niet ongerust,” zei de jongen glimlachend, “alles is in orde.” “Maar...” Verbaasd keek ze rond en zag dan pas dat ze in het huis van de oude dokter was. En nog maar nauwelijks had ze het gedacht of dan verscheen dokter Derache ook zelf. “Ah, bijgekomen?” zei de oude dokter opgetogen. “Dat is goed. Ik dacht al dat je er een nachtje over ging slapen.” Catherina ging onthutst rechtop zitten. “Hoe ben ik hier geraakt? Wat is er gebeurd?” “Kalm maar. De raadgever van mijn moeder, Jago, heeft je hier gebracht. Hij zag dat je werd aangevallen in een steeg en heeft je net op tijd kunnen redden.” “Hij bracht me naar hier?” “Ja, de bandiet die je aanviel schijnt je zwaar te hebben aangepakt.” “Ik kan me er niks meer van herinneren...” Catherina zakte achteruit in de zetel. “O mijn hemel, ik had dood kunnen zijn...” “Rustig maar, het is voorbij. Wat is er gebeurd?” Het duurde even voor ze antwoordde, maar dan knoopte ze haar jas los en haalde de brief boven. “Mijn paard was ziek, dus ik kwam te voet. Een man hield me tegen en zei me dat hij mijn hulp nodig had. Toen hij me deze brief gaf, kwam er plots een andere man te voorschijn. Hij achtervolgde me en die heeft me tenslotte bewusteloos geslagen.” “Je had geluk dat Jago daar toevallig in de buurt was. Waarom liet je je in hemelsnaam aanspreken door een wildvreemde? Je had dood kunnen zijn.” “Omdat het redelijk belangrijk was wat hij me vroeg... Hij zei dat hij de naam kende van een dubbelspion en hij vroeg me de hertogin van Carnières te contacteren omdat hij voor haar werkte. Hij gaf me een brief mee waarin alles zou staan.” Catherina keek de prins hard in de ogen. “Je had me moeten zeggen dat mijn vader voor je moeder werkte. Ik had het recht te weten dat hij vermoord was.” Jean-Filip keek haar geschokt aan. “Ik... ik...” “Wist je het, Jean-Filip?” zei Catherina ernstig. “Wist je het?” “Hij wist het,” antwoordde dokter Derache rustig in Jean-Filips plaats, “maar je moet hem niks verwijten want ik wist het ook.” “Jij ook?” “Ik ook, maar ik had er mijn redenen voor om het niet te vertellen. Je was een kind toen het gebeurde en ik wou je beschermen. Als je er achter was gekomen, had je misschien stommiteiten gedaan. Neyrelle De Nechoir is niet iemand waar je zomaar mee afrekent.” “Al die jaren,” zei Catherina ontgoocheld, “al die jaren wist je wie hem had vermoord en nooit heb je er ook maar aan gedacht me de waarheid te vertellen, die keren dat ik je er om vroeg?” “Catherina,” zei Derache, “wat zou je in mijn plaats hebben gedaan? Je vader zou het me nooit vergeven hebben als ik je in zijn zaken had betrokken.” “Maar ik weet het nu wel en nu wil ik de volledige waarheid weten. Jullie hebben allebei tegen me gelogen en dat had me mijn nek kunnen kosten deze avond!” “Ik denk niet dat mijn moeder me zou toelaten je iets over Neyrelle te vertellen,” zei Jean-Filip, maar dokter Derache kneep de jongen berustend in de schouder. “Je moeder en de Bethune proberen dit geheim te houden omdat ze bang zijn dat het land anders in chaos wordt gestort. Je kunt het Catherina vertellen. Zoals ze zelf zei: ze heeft er recht op. Kapitein Montfort was haar vader.” Jean-Filip zuchtte en keek dan terug naar Catherina. “Goed dan.... Maar waar kan ik beginnen...” “Neyrelle De Nechoir,” hielp dokter Derache hem. “Neyrelle,” zei Jean-Filip, “Neyrelle De Nechoir is...” “Ja?” “... niet bepaald een vreemde voor onze familie...” “Een familielid?” vroeg Catherina. Jean-Filip knikte. “De zuster van mijn moeder.” “Een Lacroix?” zei Catherina verrast. “Ja,” zei dokter Derache, “er waren twee zusters waarvan de hertogin de oudste was en Neyrelle de jongste. Neyrelle reisde op een keer naar Wails toen de grenzen er nog niet gesloten waren. Daar kwam ze in contact met een edelman genaamd Marcos De Nechoir. Hij is de man die bijna vijfentwintig jaar geleden de macht in Wails greep, de koning buitenspel zette en de hele handel inpalmde. Hij is een van de machtigste heersers op het Welshe continent en wellicht ook de gevaarlijkste. Marcos De Nechoir kwam er al snel achter dat Neyrelle verwant was aan het Lenioonse koningshuis. Hij ontdekte dat haar grootvader Baudouin II de Grote ooit twee keer gehuwd was. Uit zijn eerste huwelijk met Marguerite Condé stamden de La Fontaines af en uit zijn tweede huwelijk met Anne Lacroix, de Lacroix’. Antoinette La Fontaine was de laatste afstammeling uit dat eerste huwelijk en zij trouwde met de Bethune. Antoinette en de Bethune bleven echter kinderloos en Marcos De Nechoir dacht dat hij daar zijn voordeel met kon doen. De Nechoir begon Neyrelle het hof te maken en omdat Neyrelle aangetrokken werd door zijn hang naar macht, liet ze zich inpalmen. Niet lang nadat ze elkaar voor het eerst hadden ontmoet, trouwden ze met elkaar. Daarna begonnen ze plannen te maken om de troon van Lenion te kunnen veroveren.” “Enkele jaren later bezocht Neyrelle terug Lenion onder het mom van een familiebezoek. Het was niet per toeval dat Neyrelle net dat ogenblik had uitgekozen om haar zuster te bezoeken. Ze had vernomen dat de koningin tegen alle verwachtingen in zwanger was geworden en dat betekende dat Neyrelles kansen op de troon waren verspeeld. De koningstitel zou immers enkel zijn teruggekeerd naar de Lacroix’ zolang er geen opvolger was. Ze hebben je wellicht verteld dat de koningin gestorven is toen ze op een keer op statiebezoek ging overzee en haar schip met man en muis verging. In werkelijkheid zat Neyrelle achter de dood van de koningin. Ze ontvoerde de koningin en bracht haar om. Ze probeerde ook mijn moeder om te brengen omdat zij naast de koningin nog de enige was die tussen haar en de troon stond. In haar poging om mijn moeder te vergiftigen, was het helaas mijn vader die per ongeluk de dodelijke dosis innam. Na die verschrikkelijke gebeurtenissen begrepen mijn moeder en koning de Bethune dat Neyrelle en Marcos De Nechoir een gevaar voor Lenion betekenden. Ze wisten dat Neyrelle aanspraken kon maken op de troon van Lenion. Dus moesten ze beginnen nadenken hoe ze er voor konden zorgen dat Neyrelle – en via haar Marcos De Nechoir – niet meer in aanmerking kwam voor de opvolging.” “Na de plotse dood van de koningin begon er in Lenion een heftige discussie over de troonsopvolging. Als je de geschiedenis van Lenion kent, dan weet je dat er altijd discussies zijn geweest tussen het koningshuis en de baronnen om de macht over Lenion. De baronnen hebben heel veel van de zeevaartmonopolies in handen en kunnen veel eisen van de kroon. De La Fontaines waren er altijd in geslaagd de baronnen in toom te houden, maar nu de koningin was gestorven, leek die machtsbalans verstoord te zijn. De baronnen zagen het als een mogelijkheid om zelf een gooi naar de kroon te doen en de Bethune zag zich geconfronteerd met een aankomende burgeroorlog. Koning de Bethune maakte daarop duidelijk dat de beslissing over de troonsopvolging bij hem lag en bij niemand anders. De baronnen en de koning schaarden zich bij elkaar rond de tafel en begonnen te overleggen wie de Bethune zou moeten opvolgen na hem. Uit die gesprekken volgden twee belangrijke afspraken. Er werd beslist dat geen van de baronnen de La Fontaines zou opvolgen. De Bethune moest hard zwoegen om dat gedaan te krijgen, maar uiteindelijk kon hij de baronnen doen begrijpen dat als hij een van hen eruit koos er altijd een ander geslacht zou zijn dat die keuze zou aanvechten. Daarom leek het logischer dat een tak verwant aan de La Fontaines hem zou opvolgen en dat waren natuurlijk de Lacroix’. Zij stamden uit hetzelfde geslacht als de La Fontaines en ze waren machtig genoeg om de baronnen in toom te houden.” “Mijn moeder en koning de Bethune wisten dat dat betekende dat Neyrelle aanspraak kon maken op de troon. Daarom bouwden ze extra clausules in. Koning de Bethune besliste dat enkel iemand van het mannelijke geslacht uit de lijn van Baudouin II de Grote hem kon opvolgen. Mannelijke geslacht betekende dat Neyrelle onmiddellijk werd uitgeschakeld als kandidaat, uit de lijn van Baudouin II betekende dat Marcos De Nechoir niet kon meedingen via zijn huwelijk met Neyrelle. Omdat ook mijn moeder als mogelijke opvolger werd uitgeschakeld, betekende dat automatisch dat ik opvolger zou worden. Ik was toen nog maar een jaar oud en mijn moeder vreesde voor mijn leven. Bovendien bestond de vrees dat ook Neyrelle een zoon zou krijgen. Daarom gaf koning de Bethune toe aan een andere eis die de baronnen hem stelden. Zolang ik niet volwassen was, zou ik niet de enige mogelijke opvolger zijn van koning de Bethune. Ik kon immers nog sterven en daarom was het beter nog een aantal andere kandidaten achter de hand te houden. De baronnen beslisten dat ik pas de officiële opvolger zou worden van koning de Bethune als ik getrouwd zou zijn. Ze wilden die conditie niet koppelen aan leeftijd omdat ze vreesden voor een nieuwe opvolgingskwestie als ik niet zou trouwen. Door aan die conditie toe te geven, maakten koning de Bethune en mijn moeder meerdere kandidaten mogelijk. Daardoor konden ze voorkomen dat De Nechoir een aanslag liet plegen op mijn leven en toch nog zou proberen mee te dingen naar de troon. Mijn moeder en de Bethune beseften natuurlijk dat dat niet voldoende was om De Nechoirs ambities te stoppen. Neyrelle wou nog altijd mijn moeder uit de weg ruimen en Marcos wou nog steeds op de troon van Lenion komen. Het leek weinig waarschijnlijk dat de De Nechoirs Lenion met rust zouden laten en daarom werd het tijd om tegenmaatregelen te nemen. Er werd een spionagenetwerk opgezet om Neyrelle en Marcos De Nechoir uit Lenion weg te houden, terwijl anderzijds ook geprobeerd werd om hun macht in Wails zelf te ondergraven. In het noorden van Wails vecht de wettelijke kroonprins al sinds jaar en dag tegen Marcos De Nechoir met geld en wapens dat uit Lenion afkomstig is. Tegelijkertijd hebben we ook spionnen in Lenion om De Nechoirs stappen in de gaten te houden. Jouw vader, Catherina, was het hoofd van de organisatie die mijn moeder en koning de Bethune oprichtten. Met de Megafor voer hij voortdurend tussen Lenion en Wails in om Marcos De Nechoirs macht te breken. Zijn mannen waren zowel in Wails als in Lenion actief en een groot deel van hen waren bemanningsleden van de Megafor. Dokter Derache was een lid van Montforts organisatie, net als Jago, de man die je vader later is opgevolgd. Kapitein Montfort was mijn moeders grootste steun in haar strijd tegen Neyrelle en Marcos De Nechoir en wellicht ook haar meest toegewijde helper… Je vaders trouw aan Lenion moet bijzonder groot zijn geweest want op een dag deed hij iets wat Lenion redde, maar hem zijn nek kostte. Tijdens een opdracht in Wails kwam je vader er achter dat Marcos De Nechoir een coup aan het voorbereiden was. Marcos De Nechoir was er in geslaagd om een aantal van zijn spionnen op belangrijke posten in Lenion te zetten. De kapitein wist desondanks niet om welke functies en personen het ging. Daarom vatte Montfort het gevaarlijke plan op om op zijn beurt in De Nechoirs vertrouwenskring te infiltreren. Hij slaagde erin Neyrelle De Nechoir te misleiden en ontfutselde van haar de lijst met namen. Zodra hij wist wie er betrokken was in de coup, liet Montfort, Wails voor wat het was en snelde hij op de Megafor terug naar huis. Hij liet De Nechoirs mannen in Lenion arresteren en verhinderde zo een staatsgreep. Mijn moeder en koning de Bethune waren kapitein Montfort voor eeuwig dankbaar en zullen dat waarschijnlijk ook altijd blijven…” “Montfort wist dat hij zich de wraak van de De Nechoirs op de hals had gehaald. Neyrelle was woedend om Montforts verraad en voer incognito naar Lenion op bevel van haar man. Toen je vader merkte dat Neyrelle naar Lenion was gekomen, dook hij tezamen met jou onder op het platteland. Maar toen je vader op een dag naar Havre kwam, vond Neyrelle hem toch en nam ze hem gevangen. Toen ik en de andere mannen van de Megafor hoorden dat de kapitein was verdwenen, hebben we met man en macht naar hem gezocht om hem terug te vinden. Tegen die tijd was het helaas al te laat: Neyrelle had hem al vermoord en voor dood achtergelaten aan de kades van Havre…” Het werd stil in dokter Deraches kamer. Catherina staarde voor zich uit terwijl ze aan haar vader dacht. Ze had altijd geweten dat er meer aan de hand met hem was geweest dan op het eerste zicht leek. Ze had dikwijls aan de andere kant van de deur gestaan als haar vader met zijn mannen aan het vergaderen was geweest. Ze had ook geweten dat haar vader bang was geweest, die keer nadat hij van zijn laatste zeereis was teruggekomen. Hij had wellicht geweten dat Neyrelle De Nechoir achter hem aan zou komen. “Neem die brief, Jean-Filip,” zei ze zacht, “en zoek uit wie Neyrelles helper is. En als je die verrader hebt gevonden, vindt dan ook Marcos De Nechoir en na Marcos De Nechoir, Neyrelle. En als je ze allemaal hebt gevonden, reken dan met hen af, voor altijd.” 2. In de stal van dokter Deraches huis stonden twee paarden te wachten, het ene zwart, het andere wit. Jean-Filip liep naar de schimmel en steeg op. Hij klopte het paard in de nek en maakte dan aanstalten om door te rijden. “We rijden terug naar Carnières, Jago,” zei Jean-Filip, schijnbaar in het niets. Even kwam er geen antwoord. Dan klonk er een stem in het donker. “Is het meisje in orde?” Jean-Filip glimlachte en zei: “Het was maar een buil… Ik moet zeggen dat ik het niet gewend ben je bezorgd te zien, vriend. Word je soms sentimenteel op je oude dag?” De man die in het duister van de stal stond, bewoog. Het was bijna griezelig hoe kalm de man was. “Weet ze wie haar aanvaller is?” Jean-Filip knikte en antwoordde: “Een van Neyrelles mannetjes. Catherina kreeg een brief toegestopt waarin de naam van een infiltrant zou staan en werd daarom aangevallen. Het had niet veel gescheeld of ze was hem weer kwijt geweest als jij haar niet had gered.” Onverstoord liep Griffith naar zijn paard en steeg op. “Hebt u de brief gelezen?” “Ja, maar het is niet helemaal duidelijk wie nu juist die mol is en wie deze brief heeft geschreven. Ik denk dat we de zaak verder zullen moeten uitspitten vooraleer deze brief zijn waarde heeft bewezen.” “Het meisje kent zelf niet de naam van de verrader?” “Nee, de man die haar de brief heeft gegeven, heeft wel de schuilnaam van de infiltrant gegeven maar niet zijn echte naam. Hij moet er vanuit zijn gegaan dat de naam in de brief stond.” Griffith reed zijn paard naast dat van de prins. “Er is nog wel een bijkomend probleem,” zei Jean-Filip ernstig. “De handlangers van Neyrelle zijn blijkbaar op de hoogte van de brief. Vroeg of laat zullen ze te weten komen dat Catherina die brief heeft gekregen en zullen ze haar komen zoeken. Ik ben bang voor haar veiligheid en vroeg me af of we niks voor haar konden doen.” Griffith leek nauwelijks geïnteresseerd. “Weet het Montfort meisje wie u bent?” “Ja, ik heb het haar wel moeten vertellen.....” “Weet ze dat haar vader in dienst was van uw moeder?” “Ja, ze weet ook om welke reden hij werd vermoord.” De zwarte man knikte. “Dan weet ze voldoende om betrokken te zijn. Ik zal aan uw moeder vragen om het meisje naar het slot te brengen zodat ze tenminste veilig is.” Jean-Filip reageerde opgelucht. “Werkelijk? Ik was bang dat je er tegen zou zijn.” Griffith keek hem nietszeggend aan. “Waarom zou ik er tegen zijn?” De prins voelde zich betrapt. “Nee, ik dacht het maar,” herstelde hij zich, “ze is nu niet bepaald iemand uit onze kringen.” Griffith gaf hem een lange schattende blik en zei tenslotte: “Wat is die vrouw voor u?” Jean-Filip schrok van die vraag en zei: “Niks, helemaal niks. Maar ik dacht dat we het haar vader wel verschuldigd waren.” De raadgever leek dat antwoord op zijn waarheid te schatten en Jean-Filip hield zijn adem in. Het leek alsof de zwarte man zijn gevoelens als een boek las en Jean-Filip vreesde dat hij terug zou komen van zijn besluit. “We zullen zien wat de hertogin zegt,” zei Griffith en hij keerde zijn paard zonder nog om te kijken. 3. Het was al halverwege de morgen toen Catherina eindelijk wakker werd. Nadat dokter Derache haar naar huis had teruggebracht, had ze zich neergelegd in bed. Ze had een hele nacht liggen woelen en was maar heel laat in slaap gevallen. Ze had liggen denken aan haar vader en de rol die hij had gespeeld als hoofd van het spionagenet. Hij had elke dag opnieuw zijn leven gewaagd voor zijn land tot het hem zijn leven had gekost. Catherina kon maar niet uitmaken of ze er beter mee was dat ze de waarheid nu kende. Wellicht wel. Er waren zoveel kleine dingen die nu ineens betekenis kregen. Maar tegelijkertijd zou het haar vader niet terugbrengen. Catherina was er zich van bewust dat haar eigen leven nu ook een stuk complexer was geworden. Ze was nu betrokken in het steekspel tussen de hertogin en de koning enerzijds en Neyrelle De Nechoir en haar man anderzijds. Neyrelle was wellicht nog altijd op zoek naar de brief waarin de naam van haar helper stond en vroeg of laat zou ze te weten komen dat Catherina die in handen had gekregen. Catherina twijfelde er niet aan dat de hel zou losbreken als Neyrelle de naam Montfort te horen kreeg. Ze hoopte dan ook dat dokter Derache gelijk had dat de hertogin haar vast en zeker in bescherming zou nemen. Catherina vroeg zich af wat voor vrouw Neyrelle was. Ze had Catherina’s vader gedood dus moest ze iemand zijn zonder hart. Catherina wenste dat Neyrelle gruwelijk gestraft zou worden voor de dood van haar vader, al zou ze het zelf met haar blote handen moeten doen. Tegelijkertijd was Catherina bang voor de haat die ze in zichzelf voelde. Het herinnerde haar aan een discussie die haar vader ooit gehad had met de zwarte jongen toen die nog op hun kasteel had gewoond. Ze hadden rond de tafel in het salon gezeten, haar vader met haar op zijn schoot, Thomas de bootsman aan haar linkerkant, dokter Derache aan de rechterkant en de jonge man rechtover haar. Het was de eerste keer dat ze hem had gezien. Hij droeg aftandse kleren en had een wit, bitter vertrokken gezicht. Ze was bang geweest van die donkere ogen en dat was er niet beter op geworden tijdens het gesprek. Hij was ijzig kalm geweest, maar op een woeste manier die haar doodsbang had gemaakt. Hij had snijdende opmerkingen gemaakt. Hij had gezegd: ‘bloed om bloed. Wie mijn bloed raakt, zal met bloed betalen.’ Haar vader had bars geantwoord en ze waren in een ruzie verwikkeld geraakt. Haar vader had geprobeerd om op hem in te praten maar zonder resultaat. Het gesprek was uiteindelijk zo heftig geworden dat de jongen plots was opgesprongen en had geroepen: “Ik wil mijn wraak.” En toen was het eensklaps stil geworden en Catherina was in tranen uitgebarsten. Haar vader had haar haastig gesust en naar bed gebracht. Catherina was nooit vergeten wat voor haat had geklonken in de stem van de jongen. Het maakte haar bang en ze had zich voorgenomen nooit zo bitter te worden. De haat die ze nu voelde tegenover Neyrelle verraste haar dan ook... Suf stond Catherina op. Ze vroeg zich af waarom het personeel haar niet had wakker gemaakt. Ze was kwetsbaar in haar slaap en bovendien was het vreemd dat ze haar gewoon hadden laten uitslapen. Catherina verfriste zich en kleedde zich aan. Op dat moment werd er aangeklopt op haar deur. Even hield Catherina haar adem in, dan beheerste ze zich en riep ze ‘binnen’. Het was gelukkig maar haar neef Laurent die binnenkwam. Hij keek haar schuchter aan en zei: “Er is iemand voor jou beneden...” Neyrelle, flitste het door Catherina’s hoofd. Nee, dacht ze dan, Jago, of een van Jago's mannetjes. “Wie is het?” “Een of andere rechter. Hij heeft een heel escorte bij zich.” Catherina keek haar neef vreemd aan. Een rechter, wat kwam die hier doen? “Weet je wat hij wil?” vroeg ze. Laurent wachtte even met antwoorden en glimlachte dan. “Hij is gestuurd door een hoge ome om je je erfenis terug te geven.” Catherina keek Laurent stomverbaasd aan. Dat was wel het laatste waar ze zich nog aan had verwacht. “Mijn erfenis...” Dat moest Jean-Filips toedoen zijn. Hij moest er in geslaagd zijn het testament te vinden... Ze sloeg de handen voor de mond van verbazing. Laurent was blij voor zijn nichtje. Ondanks het feit dat hij wellicht de kans had gemist om zelf ooit rijk te worden, was hij gelukkig voor zijn nichtje. Een en ander had er ook wel mee te maken dat hij zijn vader nog nooit zo beduusd had gezien. Het bericht van de rechter had de grond van onder de voeten van de voormalige graaf gehaald. Laurent vond het niet meer dan het gepaste loon voor zijn vader. “Er zijn ook andere mannen beneden,” zei Laurent dan. “Ze zeiden dat ze je ergens zouden onderbrengen dat je nieuwe status waardig is. Ze zeggen dat je in bescherming wordt genomen door de hertogin van Carnières.” Dat moest een schok zijn geweest voor haar oom, dacht Catherina: Carnières. Alleen Jean-Filips naam ontbrak nog om Simon Montfort helemaal ongelukkig te maken. “Hoe ben jij betrokken geraakt bij de Lacroix’?” vroeg Laurent. “Had je vader nog een gunst tegoed van hen?” “Mh... Je zou zoiets kunnen zeggen. Zullen we naar beneden gaan?” Catherina had zich nog nooit zo vreemd gevoeld als toen ze de trap afliep naar de woonkamer. Ze zag al die ogen die op haar gericht waren en begreep het nauwelijks. In heel haar leven was ze genegeerd, bespot en gebruikt geweest in deze kamer. Nu zag ze niks dan respect in de ogen van de mannen aan haar voeten. “Juffrouw Montfort,” zei een man met zachte ogen. Catherina vroeg zich af of dit Jago was, rechterhand van de hertogin en mentor van de prins. De man kuste haar hand en zei: “Mijn naam is Walleyn. Ik werd ter hulp ingeroepen door de ridder Jago om een erfeniskwestie voor u te regelen. Het is mij een eer om u te melden dat deze in uw voordeel werd beslecht. U wordt hersteld in uw titel van gravin van Laval en de bijbehorende privileges.” Catherina wierp een blik op haar oom. Die zat bleek weggetrokken in een fauteuil en weigerde haar aan te kijken. “Ik wil u bij deze feliciteren,” zei de rechter warm en schudde haar hand. “Het spijt me als ik even niks weet te antwoorden,” zei Catherina, “maar dit is allemaal vrij plots.” “Dat begrijp ik zeker,” zei de rechter, “u hoeft zich niettemin geen zorgen te maken. Alles werd reeds voor u geregeld door de heer Jago.” “Ik zal hem eeuwig dankbaar zijn.” “De heer Jago vroeg mij ook om u te zeggen dat u wordt uitgenodigd door de hertogin Lacroix op haar slot. Er staat een koets buiten op u te wachten. Als u wilt kunt u dus uw bagage gaan klaarmaken.” “Is de heer Jago hier ook?” “Nee, maar hij heeft wel voor een escorte gezorgd. Hij liet ook weten dat u enkel het allernoodzakelijkste hoeft mee te nemen. Voor de rest wordt gezorgd op het hertogelijke slot.” Het hertogelijke slot, dacht Catherina, Jean-Filip was daar... Catherina trok snel naar boven en opende haar kasten. Ze wist even niet wat ze wel of niet moest meenemen. Veel had ze sowieso niet, maar ze kon ook niet helemaal zonder kleren op het hertogelijk slot aankomen. Ze liet haar markt- en keukenkleren hangen. Die zou ze toch nooit meer nodig hebben als het wat meezat. De rest gooide ze op haar bed tot een meid met een koffer kwam. Catherina ging op zoek naar persoonlijke bezittingen, maar kwam tot de conclusie dat ze niet zoveel had dat echt van haar alleen was. Alles dat ze ooit uit het grafelijke kasteel had meegenomen, had haar oom al lang geleden verkocht of weggegeven, maar dat gaf niet. Het meeste daarvan was speelgoed geweest en dat had ze nu niet meer nodig. Wat ze wel wilde meenemen was de halsketting die haar vader haar had gegeven vlak voor zijn dood. Catherina zocht alle potjes en doosjes af maar vond de hanger nergens terug. Catherina vond het vreemd, maar plots daagde het haar wat er met de hanger was gebeurd. Ze had de hanger gisteren gedragen, dus was die wellicht afgerukt in het gevecht met Neyrelles handlanger. Catherina voelde een steek van pijn door het verlies en ging dan verder met inpakken. Toen ze klaar was zag ze Laurent bij haar deurpost rondhangen. “Klaar?” vroeg hij. Catherina knikte. “Dus ga je?” Catherina glimlachte. “Je kan me altijd komen opzoeken.” “Mja... Ken je de hertogin?” “Nee, maar misschien komt dat nog wel.” Laurent bleef haar turend aankijken. “Ik denk dat je een vrijer hebt die je helpt.” Catherina moest lachen. “Misschien.” Laurent peuterde aan de deur. Blijkbaar zou hij niet weggaan tot hij de kern van de zaak had doorgrond. “Is hij zwart?” “Zwart?” “Je weet wat ik bedoel: zwart haar.” “Nee, helemaal niet zelfs.” Laurent draaide zich om en liep de trap af. “Het moet ‘m zijn nochtans,” mompelde hij. Een paar mannen kwamen naar boven, gekleed in de kleuren van Lacroix. “Gravin Montfort? Bent u klaar?” Catherina knikte en toonde de koffer. Twee van de mannen namen hem vast en ze liepen naar beneden. Catherina’s oom stond nog steeds beneden en keek Catherina groen van afgunst aan. Toen hij Catherina’s koffer herkende, werd hij nijdig omdat ‘dat wicht ook dat nog van hem durfde afnemen’. Alleen durfde hij het niet in zoveel bewoordingen te zeggen in de buurt van de drie andere mannen. Toen ze eindelijk buiten waren, riep de voormalige graaf: “Denk maar niet dat je hier nog ooit een voet zal binnenzetten.” En hij sloeg de deur dicht. Een van de mannen naast de koets grinnikte en zei: “Die is ook nog altijd niet veranderd.” Catherina keek naar hem op en fronste de wenkbrauwen. De oudere man was gekleed in de kleuren van Lacroix, maar zijn gezicht was te verweerd om van een soldaat of lakei te zijn. Hij keek haar met pretoogjes aan en zei: “Nou Catje, dat bewijst nog maar eens dat manieren niet te koop zijn.” Zodra hij haar naam zei, wist Catherina wie hij was. “Thomas,” zei ze zacht, de oude bootsman van de Megafor. En dan riep ze: “Thomas!” en ze wierp zich om zijn hals. Thomas lachte hartelijk en gaf haar een warme knuffel. “Ik zie dat je behoorlijk gegroeid bent.” “En jij? Hemel, wat is er met jou gebeurd?” Ze had Thomas niet meer gezien sinds haar oom hem aan de deur had gezet. Ze had altijd gedacht dat hij zich op een ander schip had laten aanmonsteren nadat de Megafor was verkocht. Niets bleek minder waar te zijn want nu stond hij hier, gekleed als een soldaat. “Wat? Zie ik er zo lelijk uit?” “Je bent geen haar veranderd. Wat doe jij hier? Sinds wanneer werk jij voor de hertogin? O, wat ben ik blij je te zien!” “Ik ben ook blij je te zien, prinses,” zei Thomas. “Toen ik hoorde dat je op het hertogelijke slot werd uitgenodigd, heb ik onmiddellijk aangeboden om je te komen halen.” Catherina gaf hem nog een knuffel, gewoon om te zien of hij wel echt was. “Ik ben zo gelukkig.” De koffer was intussen ingeladen dus werd het tijd om te vertrekken. Laurent was ook naar buiten gekomen. Vlug nam ze afscheid van haar neef. Ze vertelde hem dat hij het altijd mocht laten weten als hij iets nodig had, maar Laurent mompelde maar wat. Van zijn vader profiteren, was een ding, van Catherina een ander. Hij zou wel weten hoe zich te rooien. Toen stapten ze in. Catherina wuifde naar Laurent tot hij uit gezichtsveld was verdwenen en liet zich dan achterover zakken. Thomas leek in zijn sas te zijn. “Het is goed je terug te zien, Catje.” “Je hebt er geen idee van hoe blij ik ben jou terug te zien. Werk je nu voor de hertogin?” “Ongeveer. Omdat ik je vaders rechterhand was, werk ik als een soort adviseur op het slot, maar veel meer dan rondlummelen doe ik daar niet.” “Werkelijk? Ben je dan geen bootsman meer?” “Och, ja en nee,” zei Thomas, “soms vaar ik mee op een van de schepen van de hertogin, maar nooit als bootsman.” “O, ze weten niet wat ze missen. Je was de beste bootsman ooit.” Thomas glunderde. “Zal ik de hertogin zien op het slot?” vroeg Catherina. “Misschien, ze heeft het meestal druk. Zij heeft wel de opdracht gegeven je te laten ophalen. Als ik het goed begrijp, heb je jezelf in de nesten gewerkt.” Catherina knikte en vertelde Thomas dan wat er gisteren was gebeurd in de steeg en naarmate haar relaas vorderde werd Thomas’ blik donkerder. “Dus Neyrelle heeft zich weer eens geroerd,” zei hij tenslotte. “Het is jammer dat je op zo’n manier met die heks te maken moet krijgen. Ik hoop dat ze op een keer echt eens naar de hel loopt.” “Jean-Filip zei dat ze gevaarlijk is...” “Die onbetrouwbare teef heeft je vader vermoord,” knarsetandde Thomas, “en ik zal vervloekt zijn als ze daar niet ooit voor zal boeten. Nadat ze je vader doodde ben ik een tijd uit de organisatie geweest. Ik ben maar teruggekomen omdat Jago het me vroeg. Ik weet dat haar man onze echte vijand is, maar het is Neyrelle die ik uit de weg wil ruimen.” Toen tastte Thomas in zijn zakken. “Hier, ik heb iets voor je meegebracht. Ik zou willen dat je het altijd met je meenam als je je buiten de muren van het slot begeeft.” Het was een klein pistool, nauwelijks groter dan haar hand. Catherina keek er aarzelend naar. Ze had altijd een pistool mee op weg genomen als ze ’s nacht naar Havre uitreed, maar dat was nooit geladen geweest. Dit was een pistool dat bedoeld was om te gebruiken. Toch nam Catherina het aan. De tijden waren aan het veranderen. Toen Catherina aankwam op het hertogelijk slot stond Jean-Filip haar al op te wachten. Catherina kon zien hoe blij hij was met haar aankomst, maar ook dat hij zich inhield tot ze alleen waren. Hij zei dat hij een aantal vertrekken voor haar had laten klaarmaken en nam haar met zich mee. Toen Catherina de vertrekken zag, moest ze even vragen of dit echt allemaal voor haar was. Jean-Filip grijnsde en liet Catherina dan de garderobe zien die hij voor haar had laten aanrukken. Jean-Filip zei dat hij de vrijheid had genomen om haar te kleden naar de stijl van het slot. Catherina staarde haar ogen verbijsterd uit bij het zien van zoveel kleren. Jean-Filip vertelde haar dan dat ze de hertogin bij het avondeten zou ontmoeten. De hertogin was blijkbaar nieuwsgierig wie het meisje was dat het tegen Neyrelle had durven opnemen. Catherina wist dat het zou afhangen van die eerste indruk of ze kon blijven op het slot of niet. Ze had zichzelf voorgenomen niks te laten blijken van haar genegenheid voor de prins. Ze zou hoffelijk zijn maar voor de rest de nodige afstand in acht nemen. Intussen was iedereen volop aan het zoeken naar Neyrelles infiltrant. De brief had uiteindelijk geen interessante gegevens opgeleverd. Er stond wel iets in over een verrader, maar wie hij was konden ze er niet uit opmaken. Iedereen was dan ook erg teleurgesteld, maar dat betekende niet dat de hertogin het zo snel opgaf. Guy had immers aan Catherina verteld dat de naam van de spion ‘Raul’ was en misschien konden ze aan de hand daarvan meer ontdekken. Een spoor kon mogelijk de landjonker Degrelle zijn. De man was onlangs op tragische wijze omgekomen in een brand. Normaal gezien zou de hertogin er geen aandacht aan hebben besteed. Alleen was het zo dat dezelfde Degrelle haar een tijd geleden had proberen te contacteren in verband met haar zuster. De hertogin had toen geweigerd hem te woord te staan omdat ze geen nieuwsgierigheid duldde. Nu vroeg ze zich af of hij haar misschien iets had proberen te vertellen. Zijn plotse dood was immers meer dan verdacht, ook al omdat alleen het lichaam van Degrelle was teruggevonden in zijn huis en geen van zijn bedienden. De hertogin gaf dan ook aan haar raadgever de opdracht te achterhalen of Degrelles bedienden misschien meer wisten... Jean-Filip vertelde Catherina dat ze het gerust aan de raadgever konden overlaten om de verrader te vinden. Die man was een dog, zei Jean-Filip, en niks was onmogelijk voor hem. Als hij de verrader niet kon vinden, dan kon niemand het. Catherina hoopte dat Jean-Filip gelijk had. Want eens ze de verrader hadden gevonden, waren ze al een stap dichter gekomen bij Neyrelle. En dat was de enige persoon die Catherina interesseerde op dat ogenblik. Catherina hoopte dat de raadgever van de hertogin zijn speurwerk ter harte nam... Hoofdstuk 5 1. “Montfort...” De gedachte was van Neyrelle De Nechoir, zuster en vijand van het huis Lacroix en koning de Bethune. Catherina Montfort, de dochter van kapitein Montfort... Neyrelle kon zich de tijd herinneren dat Catherina’s vader nog in leven was geweest. Toen was het meisje nog maar een kind geweest. Neyrelle keek door een van de ramen van de burcht naar buiten. Voor haar strekten de groene Welshe bossen zich tot de einder uit. Het enige dat boven de wouden uitstak was de Arendsburcht zelf, het machtscentrum van Wails. De eeuwenoude burcht torende na alle oorlogen, drama’s en complotten nog steeds boven alles uit. Na alles dat was veranderd, was de burcht altijd dezelfde gebleven. Montfort. Als ze met de jonge kroonprins zou trouwen, dan zou dat zware consequenties hebben voor de hertogin en de koning dacht Neyrelle. Alles dat ze hadden proberen te voorkomen, zou dan uitkomen. Al hun plannen zouden ineenstorten en binnen de kortste keren zouden de twee grootste huizen van Lenion op de knieën zijn gedwongen. Griffith speelde het spel niet slecht, dacht Neyrelle tevreden, helemaal niet slecht. Het enige gevaar was Catherina zelf. Catherina kende Griffith - tenminste ze had hem gekend voor hij Jago was geworden. Als ze hem ooit mocht tegenkomen, zou ze hem wel eens kunnen herkennen en wat dan? Catherina kende Griffiths echte naam en als ze die aan de hertogin vertelde, zou die wel eens kunnen begrijpen dat Griffith niet was wie hij voordeed te zijn. Neyrelle hoopte dat Griffith zo verstandig zou zijn uit de buurt van het meisje te blijven. Griffiths laatste brief verried in ieder geval dat hij risico’s aan het nemen was, risico’s die Neyrelle niet van hem gewend was. Als je al zo lang op het scherp van de snee leefde als Griffith wist je natuurlijk wel wat de grenzen waren, maar de hertogin was ook niet blind. Griffith had geluk gehad dat die historie met de landjonker Degrelle zo goed was afgelopen. Hij had de tegenwoordigheid van geest gehad om al op voorhand een vervalsing te maken van die brief aan de hertogin. Natuurlijk stonden er wel wat details in die echt waren zoals zijn codenaam, maar voor de rest zou niemand vermoeden dat het niet de echte brief was. Neyrelle had kunnen weten dat dit op een dag zou gebeuren. Te veel mensen hadden Griffith gekend toen hij nog op de burcht had geleefd en wisten dat hij Neyrelle kende. Op dat ogenblik hoorde Neyrelle de pas van een man in de gang. Ze keerde zich om en zag haar echtgenoot het vertrek binnenkomen. Marcos De Nechoir had de trekken van een zuiderling, maar zijn haar en huidskleur waren wit. Hij was een vreemd man, slank en lenig, met iets verraderlijks in zijn houding. Bovendien had hij opvallende ogen met een rode onderschijn. Toch was hij de aantrekkelijkste man die Neyrelle ooit had gezien en dat was wellicht ook wel de reden waarom ze met hem was getrouwd. De Nechoirs rode ogen keken in die van zijn vrouw en de ongekroonde heerser van Wails zei met een zoete stem: “Hoe vergaat het mijn vrouw en haar goede boodschappers?” Hij had wellicht gehoord dat een van haar schepen terug was gekeerd uit Lenion en wilde weten wat voor nieuws ze brachten. Neyrelle zette zich neer in een zetel en zei: “Naar het schijnt heeft onze jeugdige kroonprins de liefde van zijn leven gevonden en verblijft zij wellicht nu reeds bij hem op het slot.” “Een meisje?” De hoeken van Marcos De Nechoirs mond krulden en hij leunde over de rug van Neyrelles zetel heen. “Hoe schattig... Vroeg of laat versieren alle Lacroix’ wel iemand... Wat zeggen de goede boodschappers nog, m’n liefste? Zeggen ze ook of ze slechts een pleziertje is of een toekomstige vrouw?” “Het zit erin dat Jean-Filip met haar zal trouwen.” “Zo? Dan laat onze jonge prins er geen gras over groeien. En dan beseffen zowel jij als ik dat er een spel te spelen valt, nietwaar m’n schat?” De Nechoir wond Neyrelles zwarte lokken om zijn vingers. “Want als onze jonge vriend trouwt, wordt hij ook automatisch kroonprins van het land en staat het zo goed als vast dat het huis Lacroix zich weer verenigt met het huis de Bethune. En dan moeten wij eens overleggen of we dat willen...” De Nechoir kuste zijn vrouw bijtend in de nek. “En na overleg zeggen wij dat we dat liever niet zien, is het niet? Misschien wordt het nog eens tijd dat je naar Lenion gaat, m’n liefste, om onze jonge vriend uit het koningschap te praten. En oh, als je dan toch naar Lenion gaat, zie dan ook eens hoe het met onze ‘raadgever’ gaat...” Neyrelle keek voor zich uit... Griffith... 2. Een maand eerder... Catherina was nu al bijna een week op het slot. Hoewel Catherina haar gevoelens voor Jean-Filip zo min mogelijk toonde in de buurt van de hertogin, was de relatie tussen haar en de prins alleen maar hechter geworden. Ze kregen maar niet genoeg van elkaar, zelfs al zagen ze elkaar elke dag. Voor Thomas was het duidelijk wat die twee voor elkaar voelden. Hij wist niet of de hertogin het ook zag, maar Thomas was niet van plan het ooit tegen haar te vertellen. Hij zag dat Jean-Filip en Catherina gelukkig waren en dat was voldoende voor hem. Op een dag zaten Jean-Filip en Catherina met elkaar te praten in de stallen. Ze hadden de raspaarden van het slot bekeken en zaten nu in het stro te genieten van de warmte. Ze hadden het over de Lenioonse opvolgingsclausules maar omdat het onderwerp hen te erg op sombere gedachten bracht, begonnen ze over andere dingen te praten. Catherina vroeg Jean-Filip of ze nog steeds missies deden in Wails. Jean-Filip vertelde haar van wel. Marcos De Nechoir was niet altijd de ongekroonde heerser van Wails geweest. Pas nadat hij met Neyrelle was getrouwd, was De Nechoir begonnen met het manipuleren van de Welshe koning. Die was oud en labiel en had zich altijd laten inpalmen door De Nechoir en zijn vrouw. Het was dan ook niet verwonderlijk dat op een dag de koning onder invloed van Neyrelle zijn eigen zoon had laten verbannen. De situatie in Wails was nu zo dat in het noorden de kroonprins vocht tegen De Nechoir om zijn troon te heroveren. Veel van de Lenioonse missies in Wails draaiden rond het voorzien van geld en wapens aan de voormalige kroonprins. Alleen was dat geen sinecure gezien De Nechoir, Wails in een ijzeren greep hield. Er waren dan ook veel goede mannen nodig om zo’n opdracht tot een goed einde te brengen. Tot nog toe had de materiële en politieke steun van Lenion niet veel geholpen. De Nechoir zat nog steeds stevig in het zadel en de Welshe kroonprins had nog altijd geen meter op hem heroverd. Dat was niet verwonderlijk want De Nechoir had van Wails de grootste oorlogsmachine gemaakt van het continent en het was moeilijk die omver te werpen. “Hoe is De Nechoir juist aan de macht gekomen?” vroeg Catherina dan aan Jean-Filip, “Marcos De Nechoir is geen Welshe naam dus zal hij zijn positie niet geërfd hebben.” Jean-Filip knikte en zei: “Dat is ook zo. De Nechoir is aan de macht gekomen dankzij het politieke systeem dat in Wails gangbaar was. Dat werkte met vertegenwoordigers uit alle bevolkingslagen in een instituut dat ze het Hooghuis noemden. Zelf ben ik er allesbehalve een voorstander van, maar de Welshen waren er bijzonder trots op. De koning was het hoofd van het Hooghuis. Omdat de koning niet altijd zelf naar het Hooghuis kon komen, liet hij zich vertegenwoordigen door een gezant die later ook de voorzitter van het Hooghuis werd. Op die manier was de voorzitter van het Hooghuis ook de belangrijkste persoon omdat hij de stem van de koning vertegenwoordigde en omdat beslissingen met hem konden staan of vallen. De laatste voorzitter van het Hooghuis was een vrouw. Marcos De Nechoir trouwde met haar in de hoop zo haar functie over te kunnen nemen, maar daar was zijn vrouw te slim voor. Toen ze weigerde haar voorzitterschap aan hem af te staan, palmde hij haar functie met geweld in door haar te vermoorden. Hij liet wetten stemmen die alle militaire en politieke macht naar hem toeschoven en de koning zodanig verzwakten dat De Nechoir uiteindelijk de eigenlijke heerser van Wails werd. Wie hem probeerde tegen te werken, werd door hem verwijderd en vervangen door mensen die hij had omgekocht. Daarna liet De Nechoir het Hooghuis ontbinden en werd hij de ongekroonde heerser van Wails. De koning leeft nog wel altijd, maar hij is zo verzwakt dat hij eigenlijk niet meer van tel is. Na alles wat in Wails is gebeurd, kan je wel één les trekken en dat is dat je je macht nooit mag delen. Als de burgers hier ooit zo machtig worden als in Wails dan zal ik er wel voor zorgen dat zij geen hand krijgen in het bestuur van ons land.” Catherina wou niet verder ingaan op het onderwerp. “Je hebt me ooit gezegd dat ridder Jago Welsh is. Maakt je dat niet ongemakkelijk?” Jean-Filip haalde de schouders op. “We werken met heel wat Welshen samen. Je moet niet vergeten dat veel Welshen gevlucht zijn naar Lenion toen De Nechoir de macht overnam. Doordat hij Welsh is, kent Jago de situatie ook stukken beter. Ik ben blij dat we hem hebben.” “Dat hoor je mij niet tegenspreken,” zei Catherina, “tenslotte heeft die man mijn leven gered. Voor hetzelfde geld had Neyrelles mannetje me gedood. Ik hoop hem ooit nog eens in persoon te bedanken.” “Mh, Jago toont zich niet snel aan vreemden,” zei Jean-Filip. “Hij is het hoofd van onze spionagedienst. Het is het beste dat zo weinig mogelijk mensen hem kennen.” “Toch wil ik hem ooit ontmoeten...” “Nee, ik heb liever dat je dat niet doet.” Catherina wou vragen waarom, maar plots klonk er een donderslag aan de hemel. Ze keken allebei op en zagen dat de lucht grijs was geworden. “Onweer op komst,” mompelde Jean-Filip. Hij wou rechtkomen, maar Catherina hield hem tegen. “Het is warm hier. Laten we blijven.” Jean-Filip grinnikte. “Probeer eens ‘nee’ te zeggen tegen een vrouw.” Hij legde zich neer in het hooi en deed zijn ogen dicht. De warmte in de stal was inderdaad om slaperig van te worden en een moment lang wilde Catherina, Jean-Filips voorbeeld volgen. Maar dan kwam een vage onrust over haar en keek ze zwijgend naar de hemel. Het begon meer en meer te overtrekken. Catherina keek naar de knechten en meiden op het binnenplein, hun druk geloop. Ze liepen gauw naar binnen voor het onweer zou losbarsten. De hemel was nu volledig zwart en de donder gromde steeds dreigender. Achter een paar ramen gloeiden zwakke lichtjes zonder veel verweer tegen het donker. Een harde wind stak op, deed de lantaarn grillige schaduwen werpen op de muren van de stal. Iedereen was verdwenen op het binnenplein. Catherina zag nog net de vage gestalten van twee knechten in een deurportiek. Een bliksemstraal kliefde door de lucht. Het leek zo vlakbij dat Catherina recht veerde en zich niet meer teruglegde in het stro. Het was nu duister als de ingang van de hel geworden en toch bleef Catherina staren naar het plein. De regen begon met emmers neer te vallen. Overal stroomde water. De wind beukte en hamerde op de poorten van het slot alsof er onheil voor de deur stond. Ze wist niet waarom, maar iets zei haar dat dit geen gewoon onweer was. “Jean-Filip,” fluisterde ze, maar toen ze omkeek zag ze dat hij sliep. Laten slapen? Ze zou liever terug naar binnen gaan. Een donderslag deed haar opkijken. Op het binnenplein was bedrijvigheid ontstaan. Er was iemand door de poorten gekomen. Mensen liepen af en aan. Een paard steigerde, brieste woest. Een kalme hand bedwong het. Catherina tuurde in het duister. Ze kon niet echt veel zien. Toen zag ze dat iemand het paard naar de stal bracht, een zwarte hengst. De knecht liep in haar zicht zodat ze het binnenplein niet meer kon zien. Er werd weer heen en weer geschreeuwd. Donder, donder, donder. Enorme tumult, allemaal om die ene persoon te ontvangen. Maar ze kon niet zien wie. Overal was het duister. Mensen liepen weg van het plein. En dan, nadat alle bedrijvigheid was verdwenen, bleef die zee van kalmte in het midden van het plein, een koelte die haar in de warme stal deed huiveren. Alsof de hele wereld geconcentreerd was op het midden van de binnenplaats. Versteend staarde ze voor zich uit. Opnieuw donderde het. ...En bliksem... Ze schrok op. Het was alsof de hele binnenplaats gedurende een enkel moment overstroomd werd onder helwit licht. Helwit, ijskoud, en in die verblinding: een lege plek van duisternis. Een hand greep Catherina’s schouder vast. Ze gaf een schreeuw. “Catherina?” zei Jean-Filip verbaasd. Catherina herademde. “Lieve hemel, je deed me schrikken.” Hij lachte, een beetje terughoudend want ze zag eruit alsof ze een geest had gezien. “Wat is er?” Catherina aarzelde. “Die man,” begon ze. Ze keek naar de binnenplaats maar er was niemand meer te zien. “Daarnet...,” zei ze, “er kwam een ruiter door de poort, maar het was donker en ik kon hem niet zien, ik bedoel, ik kon hem niet zien... Nee, laat maar, misschien klinkt het nogal...” “Nee hoor,” protesteerde Jean-Filip, “doe maar.” “Nee, echt, het was niks. Het was gewoon dat het donker was en plots was er die bliksemschicht die alles verlichtte. En toen zag ik hem staan: een man, in het zwart gekleed, met een wit gezicht, die naar me keek.” “Ah, dat moet Jago geweest zijn.” “Maar hij keek naar me, alsof hij wist dat ik hier zat! Maar het was donker! Hij kon me niet hebben gezien. En dan...,” en ze keek terug naar het plein, “was hij weg...” Jean-Filip lachte nu hardop en stond op. De regenbui was opgehouden en hij trok haar recht om terug naar binnen te gaan. “Kind, je windt je op voor niks! Jago is een oude wolf, maar hij kan niet zo goed zien. Je ogen hebben je bedrogen. Trouwens, zo schrikwekkend kon hij er toch ook niet hebben uitgezien dat je zo van slag moet zijn.” Ze liepen de stal uit, maar ondanks alle geruststellende woorden bleef er nog een gevoel van onbehagen hangen. Als dit Jago was, wilde ze hem liever niet terugzien. Na het avondeten trok Catherina zich beleefd terug in haar kamer, een smaakvol ingericht vertrek voorzien van alle accommodaties. Maar of het nu kwam door wat er die namiddag op het binnenplein was gebeurd of doordat ze een voorgevoel had, ze wist dat er iemand in haar kamer was geweest. Ze kleedde zich onrustig om terwijl ze onbewust om zich heen keek. Wat toch? Ze zette zich voor haar nachttafel en keek in de spiegel. Toen ze naar haar borstel wou grijpen, stokten haar bewegingen. Er stond een enveloppe, nietig weggedoken op de nachttafel. Ze voelde zich alsof hij haar voortdurend had liggen beloeren. Even kreeg ze een aanvechting om het ding te laten wegdoen van de tafel. Maar dan dacht ze dat dat te gek was, dat een kamermeid de enveloppe er wellicht had gezet. Misschien was het een berichtje van Jean-Filip… Ze nam de enveloppe en keek naar de voor- en achterkant, maar er stond niks op. Ze haalde de schouders op en opende de enveloppe. Het bevatte niks anders dan een kleine kaart. Catherina kon echter voelen dat er ook nog iets anders in de enveloppe zat. Ze fronste de wenkbrauwen en keerde de enveloppe om in haar hand. Ze schrok zodanig van het ding dat er uitgleed dat ze het bijna liet vallen. Het was de hanger van haar vader, de hanger die ze verloren had de nacht dat ze met De Nechoirs handlanger had gevochten. Als een traan lag de parel in haar hand. En op de kaart stond: “Jago, uw toegewijde dienaar.” Jago, hij had haar gezien. 3. De dagen gingen voorbij. De raadgever van de hertogin had niks meer van zich laten horen en Catherina liet de zaak dan ook maar voor wat ze was. Niemand in het slot leek haar te kunnen of willen zeggen waar ze de raadgever kon vinden. Dus als Jago haar wilde ontmoeten, moest hij haar zelf maar komen opzoeken. Intussen maakte Catherina van de gelegenheid gebruik om het hertogelijk slot wat beter te leren kennen. Jean-Filip was dikwijls weg en om de tijd te vullen, dwaalde ze dan maar door het slot. Ze had al vlug ontdekt dat niet het hele gebouw in gebruik was, alleen de oostelijke vleugel. De westelijke vleugel had toebehoord aan Jean-Filips vader maar was na diens dood in onbruik geraakt. Nochtans was de westelijke vleugel veel mooier en eleganter dan de oostelijke. Catherina kon zich best indenken dat de hertog hier met plezier had rondgelopen. Te oordelen naar de inrichting van de vleugel moest de hertog een ander soort man zijn geweest dan zijn vrouw. Jean-Filip kon haar weinig over hem vertellen want zijn vader was vroeg gestorven. Catherina had de indruk dat de hertog een intrigerende maar exuberante persoonlijkheid was geweest. De hertogin sprak niet veel over haar man. Blijkbaar had zijn dood haar meer getroffen dan ze kon uitleggen. De meeste kamers waren nog open, maar niemand kwam er nog. Alles was bedekt onder een dikke laag stof en overal waren de luiken gesloten. De vleugel lag erbij alsof hier behalve een paar geesten niemand meer kwam. Catherina vond het jammer, maar tegelijk ook boeiend. Ze had haar geheime schuilplaats hier wel gevonden. Op een avond toen het al donker aan het worden was, ontdekte Catherina een trap in de vleugel die ze tot dan altijd over het hoofd had gezien. Nieuwsgierig liet ze zich erdoor naar een bovenverdieping voeren en ontdekte zo een gang waar ze nog nooit was geweest. Iets trof haar als merkwaardig toen ze bovenaan de trap de corridor inkeek. Was het omdat de gang smal was, de zoldering laag? Ze wist het niet. Maar plotseling frappeerde het haar dat er geen deuren waren in de gang, geen ramen. En toch licht. Van vuur, zag ze plots. Verder in de gang stond een brandende kandelaar waarvan de kaarsen nog lang waren alsof die er nog maar net stond. Catherina vroeg zich af wie de kandelaar er gezet had, maar ze kon niemand zien. Merkwaardig. “Hallo?” Haar stem klonk dof in de corridor. Het was er benauwd, stoffig. Het leek niet alsof er hier nog iemand in een eeuwigheid geweest. En toch... Het was hier koud, dacht ze dan. Geen wonder, het begon winter te worden. Ze bukte zich en nam de kandelaar op. Ze stapte verder al wist ze niet wat ze hier te zoeken had. “Hallo?... Oh!” Verbaasd bleef ze staan. Er was dan toch een deur. Een deur die er nieuw uitzag. Er hingen ook geen spinnenwebben voor, dus werd ze nog gebruikt. Catherina aarzelde een ogenblik. Iets lokte haar om door die deur te gaan, zelfs al wist ze niet wat. Ze legde haar hand op de deurklink. Zou ze? Ze opende de deur. Waarom ook niet. Ze stapte binnen in de kamer, maar het eerste moment kon ze niks zien alsof het kaarslicht niet sterk genoeg was om de duisternis te verdrijven. Dan onderscheidde ze meer. Het was een kleine kamer, mogelijk met een aansluiting naar nevenvertrekken, ingericht als het bureau van een edelman. Smaakvol, maar anders dan de rest van de westelijke vleugel. Kil, dacht Catherina. Ze zou hier niet graag werken. Ze rilde en drong verder binnen. Het licht stroomde als een vloek over meubelen, een schilderij. Ze zag een bureau, een nog smeulend haardvuur ernaast. Medelevend keek ze naar een grijnzende doodskop die op het bureau stond. Ze wilde er naar reiken, maar plots woeien de kaarsen uit. Geschrokken liet ze de kandelaar neervallen. Wat was dat? Een korte windstoot, en dan niks meer. Wat...? Ze huiverde en realiseerde zich dat ze terug licht moest maken. Waar waren die kaarsen nu? Ze tastte blind om zich heen om de kaarsen terug te vinden. Waar was het bureau? Het vuur, dacht ze. Als ze het haardvuur kon zien smeulen, zou ze zich kunnen oriënteren. Haar hand kwam terecht op een kaars. Dat was toch al iets. Nu het vuur nog. Ze wilde hier zo vlug mogelijk weg. De kille atmosfeer beviel haar niks en ze dacht toch niet dat ze hier gewenst was. Ze stond op, de kaars in de hand. Plots bleef ze stokstijf staan. Ze kreeg het onbehaaglijke gevoel dat ze niet alleen in de kamer was en dat ze gadegeslagen werd. Ze slikte en probeerde te ontdekken of er iemand achter haar stond. Er klonk echter nog geen zuchtje in het bureau. Ze hoorde niks, ze zag niks en ze had het gevoel dat iets haar bij de minste aanleiding zou aanvallen. Het was alsof al haar zintuigen stom waren. Plots reikte iets over haar. Een zwavelstokje vlamde voor haar gezicht. Bijna had ze het op een lopen gezet, maar een krachtige hand hield haar arm muurvast. Het vuur likte aan de wiek en de kaars ontvlamde opnieuw. Catherina uitte een kreet en vloog een meter achteruit. Ze knalde tegen het bureaublad aan en liet de kaars bijna opnieuw vallen. Ze was nog nooit zo bang geweest. Een spottende lach weerklonk. Catherina keek op, maar er stond niemand voor haar. Waar...? “Wat een heldin.” Opzij van haar! Heftig stak ze de kaars vooruit in die richting. Niks anders dan een vage omtrek, geleund in de portiek van een nevenvertrek. Laarzen, zwart kostuum, een man dacht ze aarzelend. “Wat is er?” fluisterde hij zeemzoet. “Bang?” “Oh, wie ben jij? Kom naar voren zodat ik je kan zien,” zei Catherina. “Hah! Mejuffer, wat bent u autoritair: bevelen geven in een plaats waar u niet hoort.” Ze hield niet van die rustige, dreigende stem. “Het is eerder ik die u eruit zou moeten gooien.” Hij stond niet ver van haar verwijderd, maar ze durfde toch niet dichterbij komen. Iets... maakte haar bang. Kalmeer, dacht ze, zeg iets. “U... U bent de bewoner van deze vertrekken?” Opnieuw die enge lach. “Ik ben de meester van veel meer dan dat.” Catherina probeerde zich te beheersen. “Hah! Heh...” “W...W...” Wie was hij? “Niet ‘wie’ niet ‘wat’. Niet die vragen,” zei hij. “Denk na, schoonheid. Wie had je verwacht te treffen in de woonstee van lang gestorven hertogen? Heb je me niet eerder gezien?” “Jago,” fluisterde ze. “O, schoonheid...” Die spot! “En je jonge prins wou je nog zo waarschuwen hier niet te komen.” Catherina verstarde. Hoe kon hij dat weten tenzij hij hen had gehoord in de stal? “Ik heb gewacht,” zei hij toen ingehouden. “Ik heb je horen dwalen door het huis waar nog enkel geesten wonen. Het was alleen maar een kwestie van tijd voor je nieuwsgierigheid je hier zou leiden. Ik wilde je spreken.” “Kom uit het duister en we zullen spreken,” zei ze. Hij lachte hol. “Laat je gezicht zien!” “Hah!” “Toon je, ik wil weten met wie ik te doen heb!” Ze merkte hoe zenuwachtig ze klonk en ze wist dat hij het ook hoorde. “Mijn gezicht? Mejuffrouw, u weet niet wat u vraagt. Weet u niet dat de schaduwloper van het slot onbekend moet blijven? Er zijn er maar een paar die mijn naam kennen, maar nog minder die mijn gezicht kennen. Dus als u wijs bent, vraagt u mij niks. En als u echt verstandig bent, dan maakte u zich nu uit de voeten.” Ze zou het bijna gedaan hebben, bijna... “Je beweert dat je me wilde spreken,” zei ze bijtend, “laat dan horen!” Hij lachte gemeen en de kaars bibberde in haar hand. “Ja, ik wou u spreken. Maar eerst wil ik u vragen of u weet wie ik ben?” “Jean-Filip zei dat u de dienaar van zijn moeder bent,” antwoordde ze, nauwelijks in staat haar stem te bedwingen. “Ah! Is het al terug ‘u’? Heel goed, juffrouw Montfort. Ja, ik ben de dienaar van de hertogin. Dat houdt in dat ik haar belangen dien en haar zaken voor haar in het oog houd. Ik heb gemerkt en gehoord dat u veel tijd in de buurt van haar zoon doorbrengt en begon me zo een ding of twee af te vragen...” Catherina werd bleek. Dat klonk niet goed... “Weet u, toen de hertogin u naar het slot bracht, was dat opdat u hier veilig zou zijn voor De Nechoir. Ze had u hier niet laten brengen om haar zoon een plezier te doen...” Catherina sperde de ogen ver open, maar kon geen woord uit haar keel wurmen. De zwarte man haalde even diep adem. “De jonge prins is niet zomaar iemand. Hij zal ooit de koning van Lenion zijn en dus moet de hertogin schandalen proberen te vermijden. Daarom is ze ook zo voorzichtig wat betreft de kennissenkring van haar zoon. Ze is zich ten volle van bewust van de leeftijd van haar zoon en weet dat het zo de tijd is voor... ah...” Hij maakte een gebaar met de hand. “U weet wel wat. Uzelf zal er ook wel niet ongevoelig voor zijn aangezien u van dezelfde leeftijd bent. Het kan dus niet moeilijk zijn om ineens meer te worden dan, laten we zeggen, vrienden... Maar stelt u zich eens in de plaats van de hertogin, mijn plaats ook. Wat zou u mij aanraden als ik zou merken dat een eenvoudig meisje onze charmante prins het hoofd op hol bracht. Tsk, niet toch? Wat zou u doen als u de toekomst van een heel koninkrijk moest regelen? Zou u zich niet afvragen wat de intenties zijn van het meisje dat die jongen zo in haar ban heeft?” Catherina slikte. Ze had kunnen weten dat het op een dag zou opvallen dat zij en Jean-Filip vaak samen waren. Maar ze had altijd gehoopt dat het nog niet zo vlug gevolgen zou hebben. De woorden van de raadgever kwetsten haar, maar ze wist dat ze nu moest liegen als ze Jean-Filip niet wou verliezen. “U hoeft niet bang te zijn,” zei Catherina koel. “Ik zou nooit zo dom zijn om te veronderstellen dat Jean-Filip iets voor me voelt. En ik zou het totaal onwaarschijnlijk vinden als hij ooit met mij zou willen trouwen.” De raadgever glimlachte onzichtbaar. “Dus u voelt niks voor de prins?” “Nee, als het dat is dat u wilt weten!” Catherina kon de man voelen grijnzen. “Overtuig me...” Verbijsterd keek Catherina de donkere schaduw aan. Ze maakte zich geen illusies meer: die man wist hoeveel Jean-Filip voor haar betekende. En nu lag het in zijn macht om daar ook een einde aan te maken. “Jean-Filip vilt u levend,” fluisterde ze, maar hij schudde het hoofd slechts. “Integendeel, de prins zal zich neerleggen bij alles dat zijn moeder hem beveelt. Als ik zijn moeder nu bijvoorbeeld influister dat u een slechte invloed hebt op haar zoon, zal zij u zonder pardon wegsturen. Want aan wie zal zij immers het liefst gehoor geven? De belangeloze, objectieve dienaar of de subjectieve, rebelse zoon? En geloof me vrij, uiteindelijk zal de prins berusten in haar beslissing. Beseft u goed wat ik daar zeg? U hoeft niet weggestuurd te worden als de hertogin en ik het niet wensen. U moet zich enkel aan onze regels houden en dan kunt u zoveel met uw prins omgaan als u wilt.” “U wilt dat ik me gereserveerd opstel tegenover hem?” zei Catherina. “Integendeel,” klonk zijn effen stem, “van ons mag u zo vrank en vrij zijn met uw prins als u wilt. Als hij inderdaad ook uw prins wil zijn, natuurlijk. U zult de prins volledig trouw zijn, u zult elk standpunt verdedigen dat hij heeft en zult afstand doen van uw eigen persoonlijkheid. U zult zich ver van alle schandalen houden en zich niet mengen in de zaken van de hertogin. Doet u dat niet, dan zullen wij niet aarzelen om u te verwijderen van dit slot. Voor de rest vult u uw relatie met de prins in zoals u zelf wilt.” Verward keek Catherina het donker in. Ze hadden geen bezwaar dat ze van Jean-Filip... hield? “Ik moet u een klein verhaaltje vertellen,” zei hij met een zweem van sarcasme. “U denkt echt dat we u liever zien gaan dan komen, nietwaar? En toch is het tegendeel waar. De hertogin had er wel haar twijfels over of u een geschikte partij zou zijn voor haar zoon, maar tegenwoordig ziet ze u wel zitten als de toekomstige vrouw van haar zoon.” Ontnuchterd keek Catherina naar de schaduw. Wat beweerde die man? “We zijn ons al langer dan vandaag van u bewust, weet u. We hebben u geobserveerd, uw kwaliteiten opgemeten, uw stand geverifieerd, en we zijn tot de conclusie gekomen dat we er goed aan hebben gedaan u en de prins samen te brengen.” Wat? Het toeval had haar en Jean-Filip samengebracht. Hoe kon die man beweren dat het aan hem en de hertogin te danken was dat ze elkaar hadden ontmoet? O hemel, besefte ze dan verbijsterd. Die dag dat ze Jean-Filip had ontmoet bij dokter Derache was Jago in de buurt geweest. En Jean-Filip had haar zelf verteld dat hij die avond alleen maar was gekomen omdat de raadgever een zaak af te handelen had in Havre. Ze zwijmelde haast, zo geschokt voelde ze zich. “U zou kunnen zeggen,” zei de zwarte man vals, “dat de hertogin uw naam al eerder kende dan haar zoon...” “Hoe kon u...” fluisterde ze. Spottend zei hij: “Wat? Bent u dan niet blij? Voor hetzelfde geld had u uw prins nooit gekend en kon u de rest van uw dagen slijten in het huis van uw oom.” Ze wilde het niet horen. Hoe durfde hij? “Waarom,” bracht ze uit, “waarom ik?” Ongemerkt probeerde ze steun te vinden tegen het bureau. Hij antwoordde haar niet. Hij observeerde haar alleen intens en negeerde de vraag. Ze walgde van hem op dat moment. Haatte hem vanuit het diepst van haar hart. Hij had Jean-Filip van haar afgenomen door hem haar te geven... “Er is natuurlijk een conditie opdat u uw prins zou kunnen blijven zien,” ging hij verder. “De hertogin heeft geen problemen met u als een eventuele schoondochter. Ik, van mijn kant, heb nog één bijkomende voorwaarde. Anders gaat deze belangeloze dienaar naar de hertogin en fluistert haar in het oor dat u niet geschikt bent voor haar zoon. Ik heb u voor een keer bij mij laten komen omdat ik u in persoon wilde ontmoeten, maar ik zou willen dat u zich in het vervolg onthoudt van dergelijke nieuwsgierigheid. Ik heb u gezegd dat slechts weinigen mijn naam kennen. U weet nu wie ik ben, probeer niet nog meer te ontdekken. Het zou u duur te staan komen.” De waarschuwing van de raadgever was niet verkeerd begrepen. Toch was Catherina niet bereid zich zomaar te laten wegsturen, na de net geleden vernedering. “Waarom? Jean-Filip en de hertogin kennen uw gezicht toch ook? Als u het toch ‘zo goed met mij voorheeft’ waarom zou ik dan niet mogen delen in hun kennis over u?” “Omdat, hoewel ook anderen mij kennen, ik verder niks meer met u te maken wil hebben.” Ze voelde zich zwak, maar ze was nog lang niet van plan zich over te geven. “Een man die zijn gezicht verbergt, kan niet te vertrouwen zijn,” zei ze. “Wie ben jij die beweert de dienaar te zijn van de belangen van de hertogin? Ben jij dat werkelijk, of is het wat je je voordoet te zijn?” Blijkbaar had ze hem verrast want de schaduw bewoog even. Dan klonk het laconiek: “Mh, dat moet u me eens nader verklaren.” Catherina schrok terug. Ze had teveel gezegd. En toch, toch was er dat gevoel van onbehagen dat ze gelijk had. Jean-Filip sprak te lovend over zijn mentor, de hertogin vertrouwde te blindelings op haar raadgever. Enig man die verstand had, maakte daar misbruik van. En Griffith Jago leek niet de lieve, toegewijde dienaar te zijn die zonder veel vragen deed wat men hem opdroeg. Nee, er was iets dat een scherpe intelligentie verried in die man. Hij leek heel goed te weten wat hij wel en niet kon doen en het was alsof hij hen bespeelde als een stel handpoppen. En dan die historie met De Nechoir, wat was zijn plaats daarin? Deed hij werkelijk wat het beste was voor de hertogin en heel Lenion? Of speelde hij een andere rol? Hemel, Jago was zelfs niet eens een Lenion! Dat zware rollende accent verried dat hij een echte Welsh was... En Wails was de vijand van Lenion. Catherina schrok, als dat zo was, dan was ze in een gevaarlijke positie verzeild. Nee, niet alleen zij, maar ook heel Lenion. De hemel wist hoeveel macht deze man had. Hij kon ze gebruiken, dat was één ding dat wel gebleken was, dus kon hij die ook misbruiken. Maar Catherina wist dat ze de hertogin niet kon inlichten. Jago had zijn spelletje handig gespeeld. De hertogin interesseerde zich enkel in haar omdat de prins met haar omging, maar ze zou geen inmenging in haar zaken verdragen. Catherina toomde onmiddellijk in en de zwarte man had haar terug in zijn greep. “Gevat, juffrouw Montfort,” sarde hij haar, “heel gevat. U doet niet onder aan mijn verwachtingen, maar ik had ook niet minder verwacht. De waarheid is dat zelfs deze dialoog in scène is gezet omdat ik wilde weten of u bent wat ik dacht dat u bent...” “En?” zei Catherina bijtend, “wat wilt u met die ‘informatie’ aanvangen?” “Ah... Ik wilde... weten.... of u nog van de prins zou houden eens u zou beseffen hoe complex uw verhouding is. Tenslotte moet een ding u nu wel duidelijk zijn: als u voor de prins kiest, dan kiest u voor nog veel meer.” Catherina snoof bij de opmerking. “Wilt u weten wat mijn verhouding met de prins is?” siste ze. “Mijn trouw en mijn toewijding aan de prins zijn van een kracht die groter is dan u zelfs maar kan inschatten. Ik hou van Jean-Filip en als het betekent dat ik mij daarvoor aan een code moet gaan houden, dan zal ik mij daar naar schikken. Maar probeer mijn liefde te raken en ik zweer u dat ik u zal vermoorden!” “U houdt van hem?” “Meer dan u zich kan indenken!” “Meer dan van het leven zelf?” “Meer dan van het leven zelf!” Ze zag hem knikken. “Dan is het goed,” zei hij. Een ogenblik keek ze hem verbijsterd aan, dan was ze weer terug op haar hoede. “Ik waarschuw u…,” zei ze. Maar hij hief sussend de handen op. “Ik weet het,” zei hij. “maar als u echt van hem houdt en hij van u, dan hoeft u niks te vrezen.” Ze begreep het niet, ze begreep er niks meer van. “Waarom?” “Ik ben niet de man om u mijn beweegredenen uit te leggen, juffrouw Montfort.” “Waarom?” zei ze iets harder. “Rustig maar,” zei hij kalmerend. “Wat ik u enkel duidelijk wil maken is dat u veel zal moeten doorstaan als u voor de prins kiest. Zijn functie zal veel van u eisen en dan is het beter dat u om de juiste redenen voor hem kiest.” De raadgever leek Catherina niet iemand te zijn die veel om anderen gaf, maar ze was op dat ogenblik nog te verward om het allemaal te kunnen vatten. “Zal u me met rust laten?” vroeg ze en hij knikte kort. Nog even aarzelde ze en dan zei ze tegen hem: “Is er nog iets anders dat u me wilt zeggen?” De donkere man glimlachte onmerkbaar en antwoordde: “Nee, Catherina, dat is alles. Maar ik zou het waarderen als je nu terug wegging…” Ze knikte aarzelend en verliet de kamer, vol onzekere gevoelens. Griffith Jago keek haar somber na en bleef dan alleen achter in zijn bureau. Dan draaide hij zich om en nam de pook naast het haardvuur. Hij porde het vuur weer aan tot het zo hoog oplaaide dat hij er in leek te staan. Hij keek gefascineerd naar de likkende vlammen. Trillend bleef Catherina buiten naast de deur staan. Ze wist niet waarom, maar ze voelde zich als na een lange afdaling die ze ternauwernood had overleefd. Waarom was ze bang geweest? Had hij dit gedaan? Het beeld op haar netvlies maakte elk nadenken onmogelijk. Wat hij ook met haar had gedaan, er waren geen woorden voor. Catherina probeerde zichzelf terug in de hand te krijgen. Ze dwong zichzelf om na te denken en zich af te vragen waarom de hertogin zo’n monster in haar dienst hield. Hij moest goed zijn in wat hij deed, dat ze zo tevreden over hem was. Of hij draaide de hertogin zo’n rad voor ogen dat ze niet zag wat hij werkelijk was. Hoe was zo’n man ooit aan zo’n positie gekomen, vroeg ze zich af. Wat wisten ze tenslotte van hem? Hij was Welsh, dacht Catherina wrang, dat had ze nu met haar eigen oren ook wel kunnen horen. En hij was jong. Hoe jong? Ze dacht niet dat hij tien jaar ouder kon zijn dan Jean-Filip. Maar die bittere stem, die maakte hem eeuwenoud. Iets fluisterde in Catherina’s geheugen, maar ze verdrong het omdat ze haar beheersing probeerde terug te vinden. Was hij werkelijk de raadgever van de hertogin? Of was hij iemand die voor eigen rekening werkte? Catherina kon zich niet voorstellen dat hij belangeloos voor de Lenioonse kroon werkte. Daarvoor was hij te onmenselijk, te doordacht, een karaktertrek die je maar kan herkennen als je ze al eerder hebt gezien... Een wit gezicht sprong opnieuw op haar netvlies. Ze probeerde het te onderdrukken. Maar dan realiseerde Catherina zich dat die geheugenflits iets betekende. Ze had gedacht aan een gezicht, maar niet Jago's gezicht. Een hard gezicht, jonger, bekender... Met zwarte haren en zwarte kleren en zwarte ogen... En dan daagde het Catherina met een schok. Zwart, zwart... Ze kende, herkende hem. Ze had hem eerder gezien, voor die dag op het plein, voor de dood van haar vader. Die zwartharige jongen met het witte gezicht. Die afschuwelijke geest uit haar verleden. Met ogen zwart als kolen, als een beest. “Wolvenogen,” fluisterde Catherina. En plots herinnerde ze zich hem. Griffith Woolf. Die levende nachtmerrie. De jongen die haar kamer in het kasteel had ingepalmd, haar vader had afgenomen, haar leven overhoop had gehaald. Nee, hij kon het toch niet zijn? Hoe kon Jago ooit Griffith Woolf zijn? Hij was teruggekeerd naar Wails, vlak voor de dood van haar vader. Dat dacht ze toch. Dus kon hij toch niet voor de hertogin werken als haar raadgever? Of wel? Niemand had haar eigenlijk ooit gezegd wat er met hem was gebeurd toen hij was verdwenen uit het kasteel. Misschien was hij inderdaad in dienst getreden bij de hertogin. Misschien had hij inderdaad zijn naam veranderd. Misschien was hij inderdaad Jago... Ze moest het weten. Ze moest weten of haar oude vijand terug was. Griffith keerde zich om en zag tot zijn verrassing Catherina weer staan. Ook hij herinnerde zich haar maar al te goed uit de tijd dat hij bij de Montforts op het kasteel had gewoond. Ze was niet veel veranderd sindsdien. Hij zag haar met een vaal weggetrokken gezicht naar hem kijken. Gebiologeerd merkte hij dat ze zijn trekken vergeleek met de jonge man die hij toen was geweest. Ze slingerde tussen ongeloof en wanhoop naarmate duidelijk werd dat er meer gelijkenissen waren dan verschillen. Het litteken onder zijn oog was er toen natuurlijk nog niet geweest. Hij was jonger geweest. Maar zijn ogen en zijn gezichtstrekken, hij zag onmiddellijk de paniek toen ze zich die herinnerde. Bijna werd hij zelf overweldigd door afschuw. Dan herinnerde hij zich weer waar ze waren. Hij had er niet op gerekend dat ze zou terugkomen. Daarnet had ze te ver van hem afgestaan om hem te kunnen herkennen, maar nu staarde ze hem recht aan. Hij vertrouwde erop dat ze niet naar de hertogin zou gaan en dat zijn echte naam niet ter sprake zou komen. Maar hij wilde niet dat ze nog meer wist over hem... Hij liep op haar toe en greep haar ruw bij de pols vast. Pas toen zag hij dat ze lang niet zo stabiel op haar benen stond als hij had gedacht. Hij herinnerde zich een andere keer dat ze elkaar in de ogen hadden gekeken. Ze was toen natuurlijk veel jonger geweest, maar toch had haar blik iets in hem geraakt waar hij zelf geen naam aan durfde te geven. Ze was daarna in zwijm gevallen, bijna alsof ze te veel had gezien om aan te kunnen. Het had hem tegelijkertijd verrast en verbijsterd. Dan zag hij dat ze ook nu op het punt stond het bewustzijn te verliezen. Ze wankelde en gehaast strekte hij de armen. Hij ving haar net op tijd op en keek naar haar stille gezicht. Nooit eerder had hij de afschuw in iemands ogen zo ondraaglijk gevonden. 4. Catherina gaf een gil en probeerde hem hard van zich af te duwen. Wat…? Een moment lang wist ze niet meer waar ze was. Het haardvuur? Het bureau? Woolf? De muren helden over haar heen, het plafond greep haar bij de keel, de vloer spleet uiteen. Maar dan zag ze dat ze niet meer in het bureau van de zwarte man was, maar ergens anders. Waar was ze...? Ze herkende de bedstijlen van het bed waar ze in lag en begreep dan dat ze terug in haar eigen kamer was. Had ‘hij’ haar teruggebracht naar haar kamer? Dan was hij in haar kamer geweest. En dan had ze zijn aanraking moeten tolereren terwijl hij haar op haar bed legde. Ze huiverde. Waarom was ze ooit dat bureau binnengelopen? Waarom had ze willen weten wat dat... monster... was? Dat vreselijke gezicht. Maar vooral die ogen, klaar om haar te verscheuren. De deur van haar kamer ging open en een kamerdienaar kwam binnen. Hij zei dat zijn naam Georges was en dat hij een dienaar van ridder Jago was. Hij vertelde haar dat ze flauw was gevallen en dat de ridder hem gevraagd had haar terug naar haar kamer te brengen. Zijn meester had hem opgedragen af en toe eens te komen kijken of het beter ging met de juffrouw. “U bent niet de eerste die onwel is geworden in de vertrekken van mijn meester,” zei de kamerdienaar, “het is de atmosfeer daar, ziet u.” Catherina vertelde de kamerdienaar dat ze in orde was en dat ze hem bedankte voor zijn zorgen. De man vertrok met een korte knik en Catherina keek hem met medelijden na. Ze dacht niet dat ze ooit eerder iemand had gezien die er zo afgepeigerd uitzag. Dan kwam ze uit haar bed en verliet ze haar kamer om de zaak van zich af te kunnen zetten. Ze liep naar beneden en besloot naar Thomas te gaan. Ze vond de vroegere bootsman van de Megafor op het binnenplein van het slot terwijl hij een pijp aan het roken was. Nog voor ze goed en wel voor hem stond, zei ze: “Waarom vertelde je me niet dat Griffith Jago ook Griffith Woolf was, Thomas?” De oude man fronste de wenkbrauwen en keek haar even van terzijde aan. Hij vond al dat ze er wat grauw uitzag. “Heb je hem gezien?” vroeg hij en ze antwoordde: “O ja, en dat is meer dan ik wou.” “Mja, ik had wel gedacht dat je dat niet zou bevallen.” “Waarom niet?” vroeg ze. Thomas haalde de schouders op. “Jij en Griffith waren water en vuur toen de kapitein nog leefde. Ik dacht niet dat dat was veranderd.” Catherina zweeg even en probeerde zich die periode uit haar jeugd te herinneren. “Waren we zo vreselijk tegen elkaar?” Thomas lachte. “Niet echt, maar je had er de pest in dat hij bij jullie op het kasteel woonde. Waarom weet ik niet, want Griffith had wel betere dingen te doen dan zich om een klein wicht van zeven te bekommeren. Maar er leefde wel iets tussen jullie. Bij tijd en wijle waren jullie met geen stokken in dezelfde kamer te krijgen.” “Ik herinner me nog maar weinig van die tijd,” zei Catherina zacht. “Kan ik me voorstellen. Je was nog heel jong.” “Was ik jaloers op hem?” “Ik weet het niet. Ik ben er nooit achter gekomen wat er aan de hand was met jullie twee. Maar jullie hadden ook momenten dat jullie wel goed met elkaar konden opschieten. Al bij al verschiet ik er van dat je je die hele toestand nog altijd herinnert.” Catherina dacht even na. “Waarom liet mijn vader hem bij ons op het kasteel wonen?” “Weet je dat niet?” vroeg Thomas en dan: “Nee, tuurlijk niet, je vader zal het wel niet verteld hebben… Griffith was je vaders hulpje in Wails toen hij moest infiltreren in De Nechoirs vertrouwenskring. Dankzij hem konden we De Nechoirs complot ontrafelen. Hij hielp je vader ook om uit de burcht ontsnappen toen hij zijn dekmantel moest opgeven. De kapitein nam Griffith mee terug naar Lenion omdat hij bang was dat De Nechoir hem anders zou doden. Ik veronderstel dat je vader onmiddellijk doorhad dat Griffith onmenselijk veel potentieel had. Je vader was van plan om van hem zijn opvolger te maken. Hij liet Griffith bij ons op de Megafor beginnen en al snel schakelde hij hem in bij de verdere uitbouw van het spionagenetwerk. Ik veronderstel dat het op die manier is dat de hertogin met Griffith in aanraking kwam. Maar je vader zou nooit de tijd krijgen om hem volledig op te leiden want een tijd later werd de kapitein door Neyrelle vermoord.” “Maar Griffith was al lang verdwenen toen mijn vader en ik naar het platteland verhuisden. Waar is hij dan al die tijd geweest voordat hij hier op het slot verscheen?” Thomas wreef met zijn vinger onder zijn oog en wist niet juist wat antwoorden. “Er is iets met hem gebeurd dat ik je liever niet vertel. Hij was niet verdwenen… Hij was gewoon… elders… bij dokter Derache als je het echt moet weten. Hoe hij op het slot binnen is geraakt weet ik ook niet. Na de dood van je vader ben ik een tijd uit de organisatie gestapt. Tegen de tijd dat Griffith me vroeg om terug voor de hertogin te gaan werken waren we al wat jaren verder en noemde hij zichzelf Jago.” Catherina keek onbewust een seconde over haar schouder. “Ik vertrouw die man niet, Thomas,” zei ze. “Ik begrijp niet wat een Welsh hier in Lenion komt doen en waarom hij zijn naam heeft veranderd.” Thomas lachte. “Kom nu, je bent toch niet achterdochtig omdat hij Welsh is? Ik ken die jongen al heel lang en ik weet heus wel of hij te vertrouwen is of niet.” “Maar zelfs jij weet niet wat er met hem is gebeurd voor hij hier op het slot verscheen.” “Ik zei dat ik niet wist hoe hij hier een voet tussen de deur heeft gekregen. De rest zijn zijn zaken. Maar Catherina, volgens mij laat je je oordeel een beetje kleuren door je verleden met hem. Je was nog maar een klein kind. Hij was tien jaar ouder. Je gunde hem de aandacht van je vader niet en hij wilde dan weer niet wijken voor jou.” “Misschien,” zei ze aarzelend, want zo eerlijk was ze ook wel met zichzelf, “maar zeg me dan Thomas: waarom doet hij al die moeite om zijn identiteit geheim te houden en arrangeert hij dan een ontmoeting tussen ons terwijl hij maar al te goed weet dat ik hem kan herkennen?” Thomas keek haar zwijgend aan. Dat wist hij ook niet. “Ik vermoed dat hij een oogje in het zeil wil houden als wederdienst voor je vader. Maar ik geef toe dat ik ook niet altijd alles begrijp van wat hij doet.” Catherina zuchtte. “Denk je dat ik met de hertogin moet spreken?” “Absoluut niet. Ten eerste vilt Griffith je levend, ten tweede jaag je de hertogin tegen je in het harnas. Ze zou het wel eens verdacht kunnen vinden dat je Griffith kende voordat je haar zoon voor het eerst ontmoette.” Catherina beet op haar lip. “Ik veronderstel dat je gelijk hebt.” Thomas lachte en drukte een kus op haar voorhoofd. “Mooi zo. Dan luister je dus beter naar mijn advies dan hij.” 5. Catherina probeerde Griffith Jago daarna zo veel mogelijk te vermijden. Dat lukte haar meestal vrij goed omdat de raadgever zelf niet gezien wilde worden. Hij schuwde blijkbaar het daglicht en kwam ook niet vaak op openbare plekken. De meeste bedienden in het hertogelijke slot hadden zelfs nog nooit van Griffith Jago gehoord. Niettemin ontmoette Catherina de raadgever nog eenmaal buiten haar wil om. Op een dag was Catherina de wintertuin ingetrokken op zoek naar Jean-Filip. Per ongeluk trof ze de prins aan in de aanwezigheid van de raadgever. Snel dook ze achter een haag weg in de hoop dat ze haar onopgemerkt zouden passeren. In plaats daarvan bleven de raadgever en de prins juist voor de haag staan waarachter ze zich verborg. Catherina kon niet vooruit of achteruit en zo kwam het dat ze ongewild het gesprek tussen de raadgever en de prins overhoorde. “Gewoon,” hoorde ze Jean-Filip zeggen, “iets speciaal... Haar vader heeft haar die hanger gegeven. Ik zou haar net zoiets willen geven dat speciaal van mij voor haar is... Gewoon...” “Iets speciaal, hm?” antwoordde de zwarte man. “Probeer eens een zweep. Ik stel haar klauwen niet erg op prijs...” Even was Jean-Filip stomverbaasd. Dan begon hij te lachen. “Ik leid daaruit af dat je haar ontmoet hebt?” “Lach niet,” bromde de zwarte man, “dat wicht is onhandelbaar.” “O werkelijk?” zei Jean-Filip geamuseerd. “Kan je haar soms niet aan?” Griffith snoof. “Ik kan haar aan... Zo buitengewoon is ze niet.” Catherina beet op haar lip en hoopte op een vermaning van Jean-Filip. “U bent nooit bijster goed geweest met vrouwen die niet voor u wilden plooien,” zei Jean-Filip breed grijnzend. Die zat. “Ik dacht niet,” zei de zwarte man koel, “dat er ook maar een was die zich dat niet heeft berouwd.” Jean-Filip zweeg. “Ze heeft een sterke wil,” zei Griffith, “maar ze moet voorzichtig zijn, wil ze niemand voor het hoofd stoten.” “Ik weet het,” zei Jean-Filip zacht, “haar omgangsvormen zijn niet zoals ze horen te zijn.” “Haar omgangsvormen zijn in orde,” zei Griffith kortaf, “maar als ze wil overleven in deze kringen, dan zal ze moeten leren wie haar vijand is en wie niet.” “Catherina vertrouwt op haar gevoel.” “Dat zal haar niet redden in dit wereldje.” “Ik begrijp dat ze nogal naïef is, maar...” “Nee, naïef is ze niet,” zei Griffith, “maar ze heeft iemand nodig om haar te leiden.” “Ze moet trouwen,” zei Jean-Filip. Griffith zweeg even, dan zei hij: “Ze heeft jarenlang bij haar oom gewoond. Ze weet niks van deze wereld en heeft er geen idee van wie aan haar kant staat. Het is aan iemand waar ze aan gehecht is om het haar uit te leggen, iemand die veel met haar omgaat.” Jean-Filip keek schuw op. “Je vergeet dat ik de kroonprins van Lenion ben. Ik kan niemands vriend zijn.” “Ik heb nochtans niet naar u gerefereerd. Ik zei gewoon ‘iemand’. Bedoelt u soms dat zij ‘gehecht’ is aan u?” Jean-Filip werd bleek. “Jago...” “Zo klonk het wel volgens mij,” zei de raadgever. “Jago, het is niet wat je denkt,” antwoordde Jean-Filip. “Nee, hoezo niet? Wat is het dan wel?” Jean-Filip beet op zijn lip. “We zijn gewoon vrienden...” “Zo ziet het er niet uit vanuit het perspectief van de hertogin en mij.” Jean-Filip zweeg. Catherina hield haar adem in. Op aanraden van Thomas had ze haar mond gehouden tegen Jean-Filip over het gesprek dat ze met de zwarte man had gehad. Nu betreurde ze die beslissing. De manier waarop de raadgever de jonge prins in het nauw dreef, was gewoonweg wreed. Ze had hem tenminste toch moeten zeggen dat ze de toestemming van de hertogin hadden om elkaar te blijven zien. “Houdt u van haar?” vroeg Griffith op de man af. De echo deed pijn in Catherina’s hart. Jean-Filip perste de lippen op elkaar. “Hoe lang houden jullie ons al in het oog?” “Dat was de vraag niet,” zei Griffith streng. Jean-Filip haalde diep adem. “Hemel, Jago, wat denk je zelf? Waarom denk je anders dat ik onze ‘gast’ zo dikwijls onderhoud.” “Liefde houdt meer in dan ‘onderhouden’ alleen,” antwoordde Griffith emotieloos. “Allemachtig, Jago,” vloog Jean-Filip op. “Wat weet jij van liefde? Ja, ik hou van haar! Meer dan je je kan voorstellen!” “Meer dan ik mij kan voorstellen? Meer dan van het leven zelf?” “Meer dan van het leven zelf...” “Goed,” knikte Griffith, “dan kan ik het liefde noemen.” De prins was geprikkeld door zijn bekentenis en zei: “Jago, je weet zelfs nauwelijks hoe je het woord moet uitspreken...” Griffith leek de belediging over zijn kant te laten gaan en het werd een tijdje stil. “Wat zal mijn moeder doen als ze hoort hoeveel ik om Catherina geef?” zei Jean-Filip tenslotte. “Bent u bang dat het meisje zal worden weggestuurd?” “Ja! …Ik weet ook wel wat er gebeurt als mijn moeder Catherina niet ‘geschikt’ vindt.” “En wat als ze Catherina wel geschikt vindt? Catherina is de gravin van een redelijk graafschap en het fortuin van de Montforts is ook nog steeds behoorlijk.” “Ik betwijfel of mijn moeder dat ook denkt,” zei Jean-Filip. “Waarom niet? Als ik het denk, denkt zij het ook.” Jean-Filip keek voor het eerst verbaasd op. “Je wilt zeggen...” “De hertogin stemt in met uw keuze. Ze heeft Catherina onder de loep genomen en is uitermate tevreden over haar positie en karakter.” “Ik kan Catherina dus blijven zien?” vroeg Jean-Filip verbaasd. “Ja, u hebt haar toestemming.” Jean-Filip wist niet waar hij met zijn vreugde blijf moest. Hij wilde onmiddellijk naar Catherina hollen, maar de raadgever hield hem tegen. “Uw geschenk,” zei Griffith. Jean-Filip keek hem even onbegrijpend aan. Griffith haalde iets vanonder zijn mantel vandaan en gaf het aan de prins. “U wou haar iets cadeau doen,” bracht de raadgever de prins in herinnering. Een uur later al kwam Jean-Filip, Catherina het goede nieuws vertellen. Hij vertelde haar dat zijn moeder er geen bezwaar tegen had dat ze elkaar graag zagen en zei dat ze vanaf nu elkaar zoveel konden zien als ze wilden. Voor Catherina deed het er niet aan toe dat ze het al wist. Ze was al met al blij dat ze nu tenminste niet meer over het voorval in het bureau moest vertellen. Ze reden er onmiddellijk op uit en vierden het feit uitgebreid met een diner achteraf. Tijdens het eten gaf Jean-Filip haar het geschenk dat Griffith hem had gegeven. Catherina merkte dat het een parelsnoer was, een subtiele manier van de raadgever om haar vaders hanger te vervangen. Ze aanvaardde Jean-Filips geschenk, maar zei dat ze toch liever haar vaders hanger bleef dragen. Jean-Filip begreep het en drong er niet op aan dat ze het toch zou dragen. Na het eten was het zo laat geworden dat het tijd werd zich terug te trekken om te gaan slapen. Catherina was graag nog langer bij Jean-Filip gebleven maar ze wist dat hij morgen elders moest zijn dus dwong ze zich om naar haar kamer te gaan. Ze was nauwelijks de gang naar haar kamers ingeslagen toen ze hem zag staan. De raadgever stond uitdagend naast de deur van haar kamer en Catherina kon niet anders dan naar hem toelopen. “Wel, juffrouw Montfort,” zei hij spottend toen hij haar zag, “heeft u eigenlijk ooit wel tegen de prins gezegd dat hij en u de zegen van de hertogin hebben? Hij leek redelijk verbaasd dat van mij te horen.” Catherina snoof en antwoordde: “Dus u hebt het hem verteld? Dan mag ik daaruit ook afleiden dat u hem het een en ander heeft voorgesteld wat betreft een bepaald geschenk? Ik zou het op prijs stellen dat u in het vervolg uw suggesties voor u houdt, mijnheer, en zich niet bemoeit met wat er tussen de prins en mij is.” Hij vertrok geen spier en antwoordde effen: “Dan zou ik het van mijn kant op prijs stellen dat, als u ons nog eens staat af te luisteren, u zich beter verbergt. Warme lucht vriest gemakkelijk aan in dit weer...” Catherina klemde haar tanden opeen. “Is dat een hobby van u? Mensen bespioneren?” zei hij uitdagend. “Nadat u mijn bureau was binnengeslopen, was ik al geneigd zoiets te denken. Was u bang dat ik dingen over u zou vertellen aan de prins? Of was u bang dat hij iets over u tegen mij zou vertellen? Iets zoals...” Ze liet hem niet uitspreken. “Hoe durft u,” siste ze, “zich te mengen in de gevoelens van de prins voor mij?” Hij keek haar spottend aan en antwoordde zwaar ironisch: “Bent u soms jaloers omdat de prins zijn liefde eerder aan mij heeft bekend dan aan u?” Ze gaf een woeste kreet en nog voor ze het besefte, had ze hem een klap in het gezicht gegeven. Allesbehalve een zachte klap. De donkere bril vloog door de lucht. Ontnuchterd keek Griffith toe hoe de bril voor zijn voeten in stukken sprong. De scherven maakten een hels kabaal en sprongen alle kanten uit. Catherina schrok van het geluid en van zichzelf. Het werd terug stil en ze zag hem opkijken, opkijken met donkere, gloeiende ogen alsof hij haar wou verscheuren. Even deinsde ze terug, maar dan herpakte ze zich en balde ze de vuisten. Ze zou niet meer voor hem wijken. Al maakte hij haar nog zo bang, ze zou nooit toelaten dat hij Jean-Filip van haar afnam. Hij bekeek haar intens en zag de angst op haar gezicht. Maar dan las hij ook de vastberadenheid af uit haar ogen en hij wist dat ze zich niet zomaar gewonnen zou geven. Hij begon flauw te glimlachen en zei: “Ik veronderstel dat de prins dit bedoelde toen hij zei dat uw omgangsvormen bijgeschaafd moesten worden.” Ze beet op haar lip en keek woest van hem weg. Tegelijkertijd was ze blij dat hij haar niet terplekke had verslonden “Heel goed, Montfort,” zei hij, “als je me haat, doe maar, ik vraag niet liever. Als je me wilt wantrouwen, doe het dan. Ik zou niet willen dat ik de dochter van Montfort zou misbruiken. Maar laat dit een waarschuwing voor je zijn: hoed je voor de gevolgen.” Catherina huiverde en bereidde zich voor op het ergste, maar hij keek langs haar heen alsof hij zijn interesse voor haar had verloren. “Vaarwel,” zei hij spottend en hij ging heen. Hoofdstuk 6 1. Het was omstreeks tien uur 's avonds dat de koets van de hertogin terug aankwam op het slot. Het was een lange tocht geweest vanaf het koninklijke paleis en de hertogin had niks meer gegeten sinds die middag. Vermoeid installeerde ze zich in het salon en wachtte tot haar bedienden een maaltijd voor haar hadden klaargemaakt. De hertogin sloot haar ogen en dacht aan haar bezoek aan koning de Bethune. Zoals gebruikelijk was de Bethune aangenaam gezelschap geweest en waren de besprekingen vlot verlopen. Toch viel het haar zwaar om telkens de rit naar het koninklijke paleis te ondernemen. Ze was niet jong meer en bovendien was de tocht oncomfortabel. De tijd dat zij en de Bethune elkaar elke week zagen was al lang voorbij. Ze hadden vooral gesproken over Jean-Filip. De jongen leek eindelijk klaar te zijn voor een huwelijk en dat werd maar tijd ook. Vooral omdat De Nechoir belangstelling voor een van de andere kandidaten had opgevat en hem was beginnen introduceren als de troonopvolger in het buitenland. Het was nog maar de vraag wat De Nechoir zou doen eens Jean-Filip aan alle clausules zou voldoen om wettelijk kroonprins te worden. Tot nog toe had het in De Nechoirs voordeel gespeeld dat er meerdere kandidaten waren. Als Jean-Filip nu de Bethunes opvolger werd, zouden de andere kandidaten niet meer meespelen. Ook De Nechoir zou dan niet langer kunnen proberen om de troon te bemachtigen via zijn stropop. Hij zou misschien nog proberen om Jean-Filips huwelijk te voorkomen. Of nog erger, hij zou kunnen proberen om Jean-Filip definitief uit te schakelen. Een van de dingen die ze met de Bethune had besproken waren de extra veiligheidsmaatregelen rond de jongen. Jean-Filip zou het niet bevallen, maar het zag er naar uit dat ze dezelfde veiligheidsmaatregelen rond de jongen zouden moeten opbouwen als rond de koning. Dat betekende een leven van vrijwillige opsluiting, maar zoals de zaken er voor stonden was dat het beste. De hertogin legde haar hand op haar borst. Zolang De Nechoir een gevaar vormde, zou geen van hen echt veilig zijn. Niet zij, niet de Bethune, niet Jean-Filip. Niettemin was de hertogin niet van plan om de toekomst van haar land te laten dicteren door De Nechoir en haar zuster. Nee, zij en de Bethune hadden al lang geleden beslist dat er slechts één heerser voor Lenion zou zijn en dat zou Jean-Filip worden. Een dienaar kwam binnen met haar eten. Het gezicht van de hertogin verkrampte. Zij en de Bethune hadden er alles aan gedaan om van Jean-Filip een waardige opvolger te maken. Ze hadden honderden keren samen geklonken op de jongen. En het werd tijd om van hem officieel de kroonprins te maken van Lenion. De dienaar keek de hertogin bezorgd aan en ging naast haar staan. De hertogin kromp ineen. Even fronste de dienaar de wenkbrauwen, dan rende hij naar buiten en riep om hulp. De hertogin viel neer op de grond... De deur vloog met een ruk open. Jean-Filip schrok verbijsterd wakker en greep naar zijn degen. In de deuropening stond een dienaar. De prins ontspande. Met al die herrie had hij bijna gedacht dat iemand hem kwam vermoorden. “Wat is er?” zei hij geïrriteerd. Maar toen keek hij opnieuw op en zag hij dat de dienaar in paniek was. “M... Mijnheer... uw moeder... er is iets mis met uw moeder... De dokter zegt... U moet zo snel mogelijk komen.” Jean-Filip holde de kamer al uit. Pas na een hele tijd merkte Catherina dat iemand aan haar arm schudde. “Mmh, in hemelsnaam... laat me toch slapen...” “Juffrouw,” klonk het toen dringender. Catherina deed haar ogen open en merkte dat een dienstmeisje haar probeerde wakker te maken. “Het spijt me, maar mijnheer Lacroix vraagt naar u.” Jean-Filip? Ze was onmiddellijk klaarwakker. “Heeft hij gezegd waarom?” “Ja... Nee... het is niet echt mijnheer Lacroix... Het is de hertogin...” “De hertogin?” “Er is iets gebeurd.” Catherina trok vlug haar kamerjas aan. Er stonden een paar dienaren naast de deur van de slaapkamer van de hertogin toen Catherina er aankwam. Ze nam hen vlug op, zag dat sommigen hun handen hadden gevouwen en een gebed prevelden. Catherina wist toen dat er iets erg mis was. Langzaam stapte ze de slaapkamer binnen en keek met bange ogen rond. Ze zag Jean-Filip naast een bed zitten waarin de doodsbleke hertogin lag. Gedurende een ogenblik hield Catherina’s hart op met slaan en vreesde ze voor het ergste. Voorzichtig kwam ze dichterbij. Jean-Filip keek op naar haar en Catherina zag dat hij niet eens had kunnen huilen. Ze wou hem vragen of het waar was, maar ze kon het niet over haar hart brengen om die ene belangrijke vraag te stellen. Ze kon hem gewoon niet vragen of zijn moeder echt dood was. Hij stond met een zucht op en nam haar bij de arm mee naar buiten. “Ze heeft rust nodig,” zei hij zacht toen hij de deuren achter hen had gesloten. Toen Catherina dat hoorde, haalde ze opgelucht adem. Ze had gedurende een moment echt gedacht dat… “Dus ze komt erdoor?” Jean-Filip streek vermoeid door zijn haar en mompelde: “Een lichte beroerte... De dokter had het al een tijdje zien aankomen. Hij zegt dat het nu nog wel in orde zal komen, maar dat een volgende fataal kan zijn.” Catherina beet op haar lip. Jean-Filip leek echt van zijn stuk te zijn. Het was op zo’n momenten dat Catherina kon zien hoeveel de jongen van zijn moeder hield. “Is dit eerder gebeurd?” vroeg Catherina zacht. Jean-Filip knikte moedeloos en zette zich op een bank neer. “De laatste keer was de dag dat jij op het slot aankwam, maar toen was het niet zo zwaar als nu.” Catherina keek verbaasd op. “Waarom heb je daar nooit iets over gezegd?” Jean-Filip wuifde de vraag weg. “Welk verschil zou het hebben gemaakt... Het is iets wat mij en mijn moeder aangaat....” Catherina zweeg even. “Ik had je kunnen steunen.” “Ach wat,” zei Jean-Filip bars en hij deed er het zwijgen toe. Catherina keek een ogenblik op hem neer en zette zich toen naast hem. Ze legde haar hoofd tegen zijn schouder en sloot haar ogen. Na een tijd voelde ze hoe hij zijn arm over haar heen sloeg en haar tegen zich aantrok. Hij streelde haar haar in gedachten, zuchtte als hij dacht aan de vrouw in de kamer. Catherina zelf bewoog niet, maar haar stille aanwezigheid was zijn grootste troost nu. Zijn moeder zou misschien spoedig sterven, besefte hij. Wat zou er dan gebeuren? Hij gaf er niet om dat hij dan verplicht zou zijn de hertogentitel over te nemen. Hij dacht er alleen aan dat zij er dan niet meer zou zijn. Zijn moeder, zijn beschermer, zijn vriendin. Het slot zou eenzaam worden zonder haar. En alles zou anders zijn, van het moment dat hij ‘s morgens opstond, tot het moment dat hij ’s avonds zou gaan slapen. Plots voelde hij dat Catherina zijn hand vastnam. Hij keek naar omlaag en zag haar onschuldige gezicht. Iets smolt in zijn hart en hij glimlachte triest. “Hou me vast, Catherina,” zei hij, “hou me vast, want niemand heeft me ooit verteld hoe het voelt om een moeder te verliezen.” Ze begonnen te fluisteren en spraken met elkaar tot diep in de nacht. En het was tijdens die nacht dat hij haar voor het eerst kuste en haar zwoer dat hij van haar hield. Hij fluisterde dat hij haar nodig had en dat zij de enige was die hij met zijn diepste binnenste kon toevertrouwen. Zij waren van dezelfde soort mensen, zei hij, alleen zij konden elkaar begrijpen. En dan kuste hij haar en vroeg haar ten huwelijk. 2. De volgende morgen was de hertogin voldoende hersteld om het nieuws te kunnen vernemen. Toen Jean-Filip het haar vertelde, glimlachte ze en gaf ze haar volle genegenheid aan het koppel. En vanaf haar bed ging het nieuws de kamer uit, over het binnenplein tot bij de vroegere bootsman van de Megafor. Thomas was niet verrast, maar hij kon nauwelijks geloven dat het zo snel was gegaan. “Dus Jean-Filip heeft Catherina ten huwelijk gevraagd?” vroeg Thomas aan Griffith. “Jesus-Maria! En wat heeft zij geantwoord?” Als een standbeeld stond de zwarte man kalm tegen een balk geleund. Zijn gezicht stond strak als altijd. “Wat denk je, enkel een gek zou een toekomstige koning afwimpelen.” Thomas hield zijn adem in. De charme van de jonge prins zou er wel meer mee te maken hebben, dacht hij. “Maar toch,” zei Thomas, “het is zo vlug gegaan. Wie had kunnen denken dat die twee met elkaar zouden trouwen toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten bij dokter Derache. Dat had geen mens wellicht verwacht.” En dan zei hij: “De hertogin zal wel niet tevreden zijn geweest dat het toeval haar zo bij de neus heeft genomen. Catherina is dan wel van de hogere adel, maar ze heeft geen politieke betekenis...” Griffith verpinkte niet en staarde roerloos voor zich uit. Thomas keek hem aan. “Of wist ze er wel van?” De raadgever antwoordde niet en Thomas’ blik werd scherp. “De hertogin zou nooit een schoondochter willen hebben die ze niet zelf heeft gekozen. Me dunkt dat de hertogin, Catherina al veel langer kende dan jij me hebt verteld. Leg me eens uit hoe dat kan, Woolf? Heb jij je hierin gemengd?” Griffiths ogen flitsten, maar voor de rest gaf hij niks prijs van wat hij dacht. Toen antwoordde hij bits: “Het is ‘Jago’ hier op het slot, en, nee, ik heb niks met de hele zaak te maken.” Thomas gromde maar wat. “Ik hoop dat je gelijk hebt want je weet even goed als ik wie Catherina is. De kapitein zou zich in zijn graf omdraaien als hij wist dat je zijn dochter voor een van je plannen gebruikte.” Griffith haalde de schouders op en keek weg. Thomas nam een paar ogenblikken om hem op te nemen. “Je bent veranderd, weet je,” zei hij. “Je was al anders toen de kapitein stierf, maar je bent nog meer veranderd de laatste jaren.” “Doet dat ertoe?” zei Griffith. “Ja,” zei Thomas, “eigenlijk wel. Je was een mens vroeger, maar wat je nu bent weet ik nog nauwelijks. Ik vraag me dikwijls af wat er met de jongen is gebeurd die we indertijd op het Welshe strand vonden.” De zwarte man antwoordde niet en Thomas zuchtte. “Ik wenste dat je me tenminste zou vertellen wat je met Catherina van plan was. Begrijp me niet verkeerd: ik weet dat je het beste voorhebt met Lenion, maar door Catherina als vrouw voor Jean-Filip te kiezen, heb je een gevaarlijke weg ingeslagen.” “Ik moet jou niks vertellen, oude man, dus bemoei je er niet mee,” grauwde Griffith. “Nee, misschien niet,” zei Thomas, “maar verwacht niet dezelfde terughoudendheid van Catherina. Zij weet de dingen niet die wij weten en als je haar tegen de haren in gaat wrijven, kan je er een gevaarlijke vijand bij krijgen. Ik hoef je er hopelijk niet aan te herinneren dat ze je echte naam kent en dat de hertogin die beter niet te horen krijgt. Je naam is direct gelinkt aan de Arendsburcht van De Nechoir.” Griffith duwde zich af van de balk waar hij tegen geleund stond. “Het enige dat Montfort hoeft te denken is dat ze gekozen werd. De reden waarom is alleen aan mij om te weten.” En hij liep weg. Thomas zag hem weggaan. Dan riep hij hem na: “Hey Woolf.” Griffith bleef staan bij het horen van die naam en keek vervaarlijk over zijn schouder heen. Thomas stak onverstoorbaar zijn pijp in zijn mond. “Laatst had ik een gesprek met de hertogin. Ze had het over jou en zei dat er te weinig gevoel in je zat. Ik antwoordde haar daarop: ‘Nee, er zit juist te veel gevoel in hem.’.” Even zweeg Thomas en toen zei hij waarschuwend: “Let op Griffith, of het eindigt ermee dat we ons allemaal beginnen af te vragen waar je mee bezig bent.” Griffiths ogen vernauwden, maar hij zei niks. Hij keerde zich om en liep verder weg. Thomas was al lang niet meer de duvelstoejager van de Megafor. Hij kon niet weten wat er omging in zijn hoofd. Niemand kon dat. 3. De volgende dag al maakte de hertogin bekend dat haar zoon zich zou verloven. Koning de Bethune werd er bij geroepen en zo werd vastgelegd dat het huwelijk over vijf maanden zou plaatsgrijpen. De verloving zou over twee maanden gebeuren. Dat gaf hen de tijd om een verlovingsfeest voor te bereiden en de blijde intredes te organiseren die daarop zouden volgen. Intussen zou Catherina moeten worden geïntroduceerd in de adellijke kringen om de verloving zo vlot mogelijk te laten verlopen en zou het huwelijk voorbereid moeten worden. De hertogin plande een verlovingsfeest met veel luister en een huwelijk zonder weerga. Zij en de Bethune wilden dat het over het hele continent bekend raakte wie de troonopvolger van Lenion werd en daarvoor werden kosten noch moeite gespaard. Het verlovingsfeest zou op het hertogelijk slot worden gehouden en het huwelijk zou in de grote dom van D’Azur worden voltrokken, gevolgd door een feest op het koninklijk paleis. De hele Lenioonse adel stond aan te drummen om te worden uitgenodigd. Griffith zorgde er intussen voor dat alles in goede banen werd geleid. Hij was er in geslaagd al zijn plannen te verwezenlijken en zelfs Catherina’s achterdocht kon haar niet meer aan haar lot doen ontkomen. Hij verwachtte nog wel een tegenzet van Marcos De Nechoir, maar Griffith zou zich nu niet meer laten dwarsbomen en nam alle mogelijke voorzorgsmaatregelen. Met Jean-Filip werd gesproken over zijn veiligheid. De raadgever vertelde hem over het gevaar dat hij nu liep en overtuigde de prins om de beveiliging rond hem op te trekken. Jean-Filip was nog zelden te zien zonder persoonlijke lijfwachten. Enkel als hij bij Catherina was, duldde hij niet dat hij omringd werd door zijn escorte. Maar zelfs dan had Griffith nog genoeg in de pap te brokken om zijn veiligheid te verzekeren. Intussen trouwde er ook iemand anders in de familie Montfort. Catherina’s neef Laurent bleek al een aantal maanden een verhouding te hebben met een arm meisje. Uit angst voor zijn vader had hij die relatie geheim gehouden, maar nu ook Catherina het heft in eigen handen had genomen, was hij uit de kast gekomen. Zijn vader had hem terstond onterfd, maar aangezien dat nog weinig uitmaakte, deerde het hem weinig. Hij was met zijn grote liefde getrouwd en was ergens in Havre in een klein huisje gaan wonen. Waar hij het geld vandaan had gehaald om dat huisje te betalen, liet Laurent niet los. Hij had het eerlijk gekregen en dat was het enige dat hij er over kwijt wou. En zo was er tenslotte dan toch gebeurd wat niemand voor mogelijk had gehouden: Laurent was een eerzaam man geworden. 4. De dag voor het verlovingsfeest beklom de man die door Griffith ‘Fox’ werd genoemd de kadedijk van Havre. Onopvallend bleef de robuuste man bovenaan de trappen staan en loerde door zijn fijngeknepen ogen naar de schepen in de haven. Hij dacht nauwelijks aan het verlovingsfeest waarvan de voorbereidingen nu wel moesten zijn afgelopen. Hij dacht alleen aan zijn meester die hem in zo’n guur weer naar buiten durfde te jagen. Fox stak zijn handen wat dieper weg in zijn zakken en verwenste de koude. Fox was er op uit gestuurd omdat Griffith ‘dacht’ dat er wel eens iets interessants te zien viel. Zelf geloofde Fox er geen bal van. Alles leek doods en verlaten en het zou hem ten zeerste verwonderen als hier ook maar iets zou gebeuren. De meeste mensen waren weggetrokken om de verloving van de kroonprins van nabij te kunnen volgen. Het zag er dan ook naar uit dat hij zijn tijd verdeed aan de kade. Fox vond dat Griffith best iemand anders had kunnen zoeken voor dit rotklusje. Op een dag, dacht Fox, zou het hem nog eens te veel worden en dan zou hij het voor bekeken houden.... Fox dacht terug aan de dag dat hij Griffith voor het eerst had ontmoet. Toen al had hij geweten dat de zwarte man problemen betekende. Griffith had Fox omgetoverd van een brave huisknecht naar een spion en zeeman en sindsdien deed Fox niks anders dan van het ene gevaar in het andere hollen. Geen moment rust had hij nog. Om dan nog maar te zwijgen over het humeur van de zwarte man. Alleen dat al weerhield Fox ervan om niet spoorslags terug naar huis te rijden. Fox stampte zijn voeten warm en mompelde wat vervloekingen aan het adres van zijn meester. “...compleet besuikerd...,” mompelde hij. “...de molentjes wat te hard aan het draaien...” Maar dan kwam zijn klaagzang abrupt tot een einde. De hele tijd was hij naar de schepen in de haven aan het kijken geweest, zonder er zich van bewust te zijn wat hij juist zag. Maar dan merkte hij ineens naar wat hij keek en vloekte hij. Fox wist niet hoe snel hij zijn kijker van onder zijn kleren moest grissen en aan zijn oog zetten. Fox was terug kalm geworden en bekeek de schepen een per een. Ze leken brikken te zijn, maar Fox wist wel beter. Wie al zo lang in het vak zat als hij wist dat Welshe spionageschepen zich altijd voordeden als brikken. Dat was op zich al erg genoeg, maar het onheilspellende eraan was dat er geen beweging aan boord van de schepen was te bekennen. De bemanning was wellicht al lang van boord gegaan, de hemel wist waarheen. Fox vloekte opnieuw. Als hij eerder was gekomen dan had hij misschien nog te weten kunnen komen waar ze waren. Nu had hij er het raden naar wat de plannen waren van de Welshen. Het verlovingsfeest dwarsbomen natuurlijk, dacht Fox grimmig terwijl hij de kijker dichtklapte. Maar de vraag was natuurlijk hoe. Al bij al hoefden ze er niet verbaasd over te zijn dat de Welshen de zee waren overgestoken. Als De Nechoir nog steeds zijn zinnen had gezet op de val van Lenion dan moest hij nu wel reageren om het huwelijk van de prins te verhinderen. Fox’ radertjes begonnen te werken. Hij vroeg zich af wat hij nu best kon doen om te voorkomen dat de hel losbrak. Zou hij de Welshen proberen te zoeken of was dat te gevaarlijk? Fox kwam tot de conclusie dat hij niks op eigen houtje kon uitvoeren. Hij zou zijn meester moeten waarschuwen en die zou wel verdere actie ondernemen. Fox maakte aanstalten om terug te gaan, maar hij had zich nauwelijks omgedraaid of hij bleef al terug staan. Een vrouw en twee zwaargebouwde mannen stonden voor hem en keken hem geïnteresseerd aan. Zijn eerste impuls was om er als een haas vandoor te gaan, maar nog voor hij een voet had verzet hadden de twee zware mannen hem al vastgegrepen. Fox pruttelde even tegen en dan stond hij weer vlak voor de zwartharige vrouw. “Neyrelle...” De diepdonkere vrouw glimlachte hem toe en Fox werd bleek. Hij wist niet wat hem het meest verbijsterde. Haar mysterieuze schoonheid of het feit dat ze in Lenion was. Wat het ook was, Fox wenste dat hij op dat ogenblik ergens anders was. Neyrelles bodemloze ogen keken hem glimlachend aan en plots begon ze te spreken met een stem even diep als de oceaan. “Meester Vos lijkt op het punt te staan ons te verlaten,” zei ze, “zonder te vragen welke boodschap ik heb voor zijn meester.” Fox slikte en gaapte haar aan. “Weet de kleine Vos soms niet meer wat meester Wolf met hem zal doen als hij vergeet wiens dienaar hij is?” Fox moest de neiging weerstaan om niet weg te kruipen. “Hij zou je villen en openrijten en roosteren als je me je diensten niet aanbiedt... Dat is de manier waarop hij met mensen omgaat.” Fox perste de ogen dicht. “Luister daarom naar me, meester Vos,” ging Neyrelle verder, “en luister goed, want de donkere dame heeft de boodschapper van de zwarte man nodig. Ga naar je meester, meester Vos, en zeg hem dat ik in het land ben. Hij zal misschien verrast zijn, maar misschien ook weer niet. Zeg hem dan dat hij komt naar de plaats waar hij mij het laatst heeft ontmoet. Ik heb hem nodig om mijn plannen uit te voeren en kan geen moment langer op hem wachten. Zeg hem dat ik naar hem verlang en dat mijn lichaam niet vergeten is wat hij voor me betekent... Fox.” Met ontzag keek Fox naar de vrouw. Haar stille dwingende stem had al de rest uit zijn gedachten gewist. Op dat ogenblik kon het hem niet meer verdommen wat voor gevaar deze vrouw voor Lenion betekende. Hij wist alleen nog dat hij zijn meester moest waarschuwen dat Neyrelle er was, dat ze Griffith wilde zien, dat Griffith naar Havre moest komen... Haar dwingende stem gonsde in hem terwijl hij spoorslags naar het buitenverblijf van zijn meester reed. De hele rit kon Fox alleen maar denken aan de boodschap die hij koste wat kost moest overbrengen. Toen hij binnenstormde in Griffiths buitenverblijf was hij zo buiten adem dat hij nauwelijks kon spreken. Griffith zat achter zijn schrijftafel en keek zijn dienaar verveeld aan toen die stotterend zijn verhaal begon te doen. Maar naargelang Fox’ verhaal vorderde, luisterde de zwarte man met steeds meer aandacht. Griffith kon het bijna zelf niet geloven, maar Fox’ hakkelende verslag loog er niet om: Neyrelle was hier. Zijn Neyrelle. Even keek hij sprakeloos voor zich uit. Dan nam hij een beslissing. Griffith liep de kamer uit en riep om zijn paard. Fox stortte neer in een zetel en keek zijn meester opgelucht na. Zijn taak zat er op. Griffith reed in galop naar Havre. Neyrelle, dacht hij. Hij voelde zich alsof hij een koortsdroom had waar hij zich niet tegen kon verweren. Ze was zo dichtbij... in Lenion... Dat was al jaren geleden. Hij kon haar gefluister nog in zijn oor horen en Griffith moest moeite doen om zelfs even aan Marcos De Nechoir te denken. Maar van zodra dat hij zich afvroeg waarom De Nechoir, Neyrelle naar Lenion had gestuurd, dwaalden zijn gedachten al terug af naar haar. Alleen het beeld van Neyrelle deed er aan toe. Haar lange zwarte haar, haar marmeren huid. Griffith had zelfs moeite om de weg te volgen. Na een uur rijden kwam hij in Havre aan. Hij vond blindelings zijn weg naar het grauwe bordeel waar hij werd verwacht en steeg af. Twee zware lijfwachten knikten hem toe toen hij het bordeel inging. Hij negeerde de nieuwsgierige blikken van het aanwezige personeel en liep naar de eerste verdieping. Hij duwde de deur van Neyrelles kamer open en zocht koortsachtig het vertrek af met zijn ogen. Hij grijnsde toen hij naar de rugleuning van een stoel keek en een slanke vrouwenarm zag. “Welkom meester Wolf,” klonk haar diepe stem en de klank van haar stem stuwde het bloed in zijn aderen. Hij liep om de stoel heen en nam de donkere vrouw hongerig op. Haar sierlijke handen gingen omhoog en ze greep hem bij de kraag vast. “Griffith...,” zei ze en ze drukte hem tegen zich aan. “Mijn Griffith.” Hij gromde inhalig en ze keken elkaar diep in de ogen aan. Dan klauwde hij in haar zwarte haar en kusten ze elkaar begerig. Ze lieten zich gaan in een dodelijke omhelzing, kronkelend als slangen rond hun prooi, tot ze geen adem meer over hadden. “Neyrelle...” Ze keken tegelijkertijd opzij naar de dienaar die nog in de kamer stond. De man stond stokstijf voor zich uit te kijken, zweet parelend op zijn voorhoofd. “Weg,” siste Griffith en dat liet de dienaar zich geen tweede keer zeggen. Neyrelle en Griffith zagen hem gehaast de kamer uitgaan en dan keken ze weer naar elkaar. Griffiths koele vingers vonden hun weg tussen haar kleding. Gretig kuste hij haar borst. Haar nagels klauwden in zijn nek. Hij tilde haar op uit de stoel en legde haar op het hemelbed. Hij liet zijn hand over haar figuur gaan en ze drukte hem tegen zich aan. “Je vergelijkt me met mijn zuster,” zei ze alsof ze zijn gedachten had gelezen. “Die vergelijking is onbestaande,” zei hij met een bijtende kus op haar schouder. “Ze is een pad naast een parel...” Neyrelle was gevleid en zei: “Welke vrouw zou niet zwijmelen bij zo’n woorden? Als het kon, had ik de vader allang verlaten voor de zoon.” Terwijl hij haar verder uitkleedde antwoordde hij: “Als de tijden anders waren geweest, zou ik je aan je woord gehouden hebben.” Ze glimlachte. “Dat zeg je enkel om me te plezieren. Ik weet wel beter dan dat je van me zou houden.” “Waarom ben je hier Neyrelle,” zei hij fluisterend in haar oren. Ze trok zijn vest uit. “Eerst vleien en dan uithoren? Ik dacht het niet...” Ze raakte hem aan. “Eerst leveren, dan betalen.” Hij steunde. “Vuile hoer.” “Dat heb je zelf van me gemaakt, Griffith.” Ze kusten elkaar weer. Ze voelde de donkere passie in hem maar al te goed en slaakte een zucht. Hij trok zich op dat moment alweer terug. “De Nechoir stuurt je altijd met een reden,” zei Griffith, “waarom zei je dat je m’n hulp nodig had?” Neyrelle duwde hem van zich af en keek hem boos aan. “Marcos en Jago, is dat het enige waar jij aan denkt. En ik? Neyrelle? Ben ik maar een speeltje voor jullie allebei?” Griffith greep Neyrelle terug vast en lachte. “Je weet best wat je voor me bent. Maar spelletjes spelen lost niks op. De Nechoir heeft je met een reden naar hier gestuurd en ik wil weten waarom.” “Je moet niks weten,” zei Neyrelle plagerig, “soms is het al voldoende dat je bij me bent.” Griffith was geamuseerd. Hij kende die lach. “Je hebt me met opzet hierheen gelokt.” Neyrelle kuste hem. “O, maar ik denk dat ik er zelf ook wel wat bij win.” “Je wou dat ik hierheen kwam,” zei Griffith. “Waarom? Waarom wou je me weg van het hertogelijke slot? Zijn jullie iets van plan met de hertogin? Of de koning?” “Wie zal het zeggen?” zei Neyrelle plagerig. Griffith schudde het hoofd. “Het is nog te vroeg. Het zal alleen onze eigen plannen ondermijnen als we nu iets tegen hen ondernemen. Lenion heeft een goede koning nodig. Wacht tot Jean-Filip oud genoeg is en dan kan je met de hertogin en de Bethune doen wat je wilt.” “Soms denk ik dat je niet meer weet dat de hertogin ook jouw vijand is.” zei Neyrelle boos. “Ben je vergeten dat die vrouw me heeft laten verbannen uit mijn eigen land?” “Nee,” antwoordde Griffith, “ik vergeet niks, maar er is een tijd voor alles. Als er nu iets gebeurt met de hertogin of de koning dan zal Lenion mee ten onder gaan. En wat voor zin heeft het dan om Catherina met Jean-Filip te laten trouwen?” Neyrelle aarzelde. “Griffith, ik weet niet of je er wel goed aan doet om Catherina op de troon te zetten.” En dan: “Zij en Jean-Filip...” Griffith boog het hoofd. “Ik weet het...” “Waarom dan?” vroeg Neyrelle zacht. Even aarzelde Griffith. “Omdat het de hertogin en de Bethune kapot zal maken als ze het ontdekken.” Neyrelle keek hem ernstig aan. “En Catherina erbij.” Hij ging op de rand van het bed zitten. “Er is een andere reden...” Neyrelle wachtte, maar er kwam niks meer. Dan vroeg ze: “Welke?” Maar hoe hard hij ook probeerde, hij kon zich er niet toe brengen te antwoorden. “Het doet er niet toe,” zei hij zacht. “Zeg me liever waarom ik hier moet blijven als je het toch niet op de hertogin hebt gemunt.” Maar nog voor hij uitgesproken was, ging er al een licht bij hem op. Als ze niks beraamde tegen de hertogin, dan beraamde ze iets tegen een van de andere hoofdrolspelers, maar dan deed het er niet aan toe of ze hem nu bij haar had of morgen. Nee, Neyrelle had met nadruk gezegd nu, en dat betekende dat, wat ze ook van plan was, vandaag moest gebeuren en niet morgen. Hij bewonderde haar leepheid en fezelde in haar oor dat ze een echte heks was. “De Bethune heeft het koninklijke paleis vandaag verlaten,” zei hij, “en jij wist dat. Jij wist welke zeldzame vogel de bescherming van zijn ivoren toren had verlaten om naar het verlovingsfeest van de jongen te gaan.” Ze keek hem spottend aan. “Dus mijn kleine geheimpje is uit. Wat ga je nu doen?” Hij worstelde zich speels uit haar armen en zei: “Voorkomen dat onze prijsvogel geschoten wordt natuurlijk…” Ze liep langzaam naar het raam zodat ze nog net op tijd was om Griffith op zijn paard te zien springen en weg te zien rijden. Ze staarde hem lang na, zich afvragend of Griffith nog op tijd zou zijn om de Bethune te redden van de overval. Neyrelle hoopte van niet. Die man had zoveel kwaad gedaan dat hij het niet meer verdiende te blijven leven. Maar Griffith leek haar dat plezier niet te willen gunnen ‘omdat Lenion niet mee ten onder mocht gaan’. “Griffith,” dacht ze, “je zou beter niet zoveel plannen hebben.” Dan hoefde hij ook niet overal rekening mee te houden en zou hij nu niet proberen om de Bethune te redden. Laat hem sterven, dacht ze hatelijk, hij is het niet waard. Maar ze kende de zwarte man veel te goed. Hij zou doorzetten, zou haar aanval op de koning proberen te verijdelen. En hij zou wellicht nog slagen ook. Neyrelle keerde zich om naar de dienaar die net binnen was gekomen. Ja, dacht ze, hij zou slagen. Hij zou haar hele plan verijdelen. Het deed er niet aan toe. Ze vroeg aan de dienaar: “Zijn alle voorbereidingen genomen?” De man knikte. “Goed,” zei ze ernstig, “ga dan verder met het plan.” Jammer alleen voor Griffith dat hij niet wist dat hij haar in de kaart speelde. 5. Griffith kwam net op tijd toe om te zien hoe een tiental struikrovers de koninklijke koets tot stand brachten. De overvallers sloegen de koetsier neer en rukten de deuren open om de koning uit de koets te halen. Gelukkig had de Bethune nog twee lijfwachten bij zich die hem wisten te beschermen. De soldaten schoten de eerste overvallers af en trokken dan hun zwaarden. Toch zouden de twee lichtbewapende soldaten het nooit hebben uitgehouden tegen een overmacht van tien man als niet plots Griffith was opgedoken. De zwarte furie viel hen langs achteren aan en wist vijf van de aanvallers uit te schakelen voor ze goed en wel van de verrassing waren bekomen. Daarna was het nog een kleine moeite om af te rekenen met de rest. Binnen de kortste keren sloegen de huurmoordenaars op de vlucht. Griffith waagde het niet om hen achterna te gaan want hij liet koning de Bethune liever niet alleen nu. “Bent u gewond?” vroeg Griffith toen hij de koets inkeek en de Bethune niet zag bewegen. De Bethune schudde ontkennend zijn hoofd. “Er was er... één die me probeerde... Maar ik heb hem neer kunnen schieten met mijn pistool...” Griffith keek even naar de grond waar hij inderdaad het lichaam van een man zag liggen. Was hij dood? Niet dat Griffith er om gaf, maar hij wou meer over Neyrelles plannen te weten komen dan ze hem had verteld. Hij boog zich over de man, maar hij bleek recht in het hart te zijn getroffen. Die zou hem niet kunnen helpen. Griffith stond op en liep naar het volgende lichaam. Intussen kwam de Bethune uit zijn koets om het slachtveld te bekijken. Hij leek nog altijd niet te begrijpen hoe ze het hadden overleefd. “Hoe wist je van de aanval?” vroeg hij aan Griffith. Zonder op te kijken antwoordde Griffith: “Neyrelle. Mijn spionnen zeiden dat ze iets beraamde.” Ook dood. Ze waren allemaal dood. Het zou moeilijk worden om te weten of Neyrelle het bij deze enkele aanval zou laten. “Werkelijk?” zei de Bethune, “je zou toch denken dat Neyrelle er beter in was haar plannen te verbergen.” Griffith keek scherp op. Altijd wanneer de koning op dat toontje sprak, wist hij meer dan hij deed uitschijnen. Maar de Bethune liep intussen al elders en Griffith had er het raden naar wat de koning dacht. “Wel,” zei de Bethune nu de eerste schrik achter de rug was, “ik veronderstel dat het nu het verstandigst is om terug te rijden naar het paleis. Daar zal ik me een stuk veiliger voelen.” “Maar niet zijn,” gromde Griffith terwijl hij naar hem toe liep. “Het is een hele dag rijden met deze vermoeide paarden. Het hertogelijke slot is dichterbij en daar kan ik u tenminste van een fatsoenlijke garde voorzien. Waarom bent u ook met zo weinig manschappen vertrokken? Dat heeft u in geen tijden meer gedaan.” “Vertrouw me,” zuchtte de Bethune, “ik wou niet, maar een deel van mijn corps moest daarnet achterblijven omdat de brug instortte. Ze zouden een omweg nemen, maar zoals het er voorstaat denk ik dat Neyrelle de brug heeft laten saboteren. Ik vroeg me al af wat die houthakkers in die buurt deden...” Griffith kon zich heel goed voorstellen dat het zo was gegaan... “Maar soit,” zei de koning, “jij denkt dus dat ik beter doorrijd naar het hertogelijke slot?” Griffith knikte. “Aangezien het wellicht Neyrelles bedoeling was u er weg te houden, kunnen we beter het tegenovergestelde doen.” “Dan zij het zo,” zei de Bethune gemoedelijk, “bind je paard vast aan de koets en kom bij mij zitten, Jago. Ik zal me heel wat veiliger voelen met jou erbij. Niet dat je echt behendig bent met het zwaard, nochtans. Zou je niet wat lessen beginnen nemen?” Onder het rijden praatte koning de Bethune schijnbaar over koetjes en kalfjes. Griffith wist echter dat hij het meest op zijn tellen moest letten als de koning dat deed. “Herinner je je die historie met die brief nog?” begon de Bethune. “Het was toch de kleine Montfort die die in haar handen had gekregen, nietwaar - ah, graaf Montfort was een eerbaar man in zijn tijd. Wat is er eigenlijk met dat ding gebeurd? Het ene moment krijg ik niks anders dan berichten over een mogelijke verrader en het volgende moment wordt er met geen woord meer over gerept. Het kan zijn dat de hertogin me er iets over heeft verteld, maar ik kan het me niet meer juist herinneren.” Griffith antwoordde rustig: “De brief zei niet wat de naam van de dubbelspion was. Daarom heeft de hertogin laten uitspitten wie hem had geschreven en of er misschien nog andere mensen waren die op de hoogte waren.” “Ja, nu herinner ik het me weer. Veel heeft dat niet opgeleverd.” “Een aantal sporen,” zei de zwarte man, “we zijn ze nog altijd aan het onderzoeken.” “Ah, maar niet veel nuttigs, nee?” Griffith keek ondoorgrondelijk voor zich uit. “Een aantal dingen... Maar zoals ik zei, we kunnen beter het onderzoek afwachten.” “Ja, juist,” zei de Bethune, “we moeten beter niet op de zaken vooruit lopen.” En hij keek dromerig uit het raam. Griffiths ogen vernauwden merkbaar nu de koning niet meer op hem lette. De Bethune vermoedde iets, besefte hij, maar wat was nog de vraag. De volgende dagen zouden het moeten uitwijzen want hij zou de koning nog wel een aantal keren te spreken krijgen. Maar hoe kon het dat na jaren van onvoorwaardelijk vertrouwen de Bethune plots lont rook? Hij kon niet weten dat hij het origineel door een vervalsing had vervangen. Bovendien was die historie nu al lang geleden en was het vreemd dat de Bethune ze nu weer terug oprakelde. De Bethune onderbrak op dat moment zijn gedachten en zei: “Een heel vriendelijk meisje, die Catherina Montfort. Ik heb haar wel nog maar één keer gezien, maar uit haar brieven spreekt een zekere gevatheid. Ik ben benieuwd hoe ze in het echt is.” Griffiths gezicht verried niet wat hij op dat ogenblik dacht, maar inwendig was hij met verstomming geslagen. Plots begon hij te beseffen wat de Bethunes vertrouwen had ondergraven. Catherina, dacht hij, die kleine heks, ze had de Bethune over hem durven schrijven. Dat verklaarde het. Griffith moest bekennen dat hij haar had onderschat. Ze had de tegenwoordigheid van geest gehad om achter zijn rug om op de Bethune in te praten, nadat ze tot de conclusie was gekomen dat ze bij Jean-Filip en de hertogin niet veel kon bereiken. Wat betrof de hertogin en Jean-Filip had ze gelijk, die zouden geen inmenging in hun zaken verdragen, maar de Bethune was heel wat ontvankelijker voor de indrukken van andere mensen. Bij hem zou ze wel eens net genoeg effect kunnen sorteren om hem uit zijn functie te wippen. Wat een lef had die kleine, dacht Griffith verbaasd. Hij had natuurlijk kunnen weten dat ze zich niet zou laten tegenhouden door zijn dreigementen, maar toch. Alles in beschouwing genomen riskeerde ze vrij veel. Ze wist dat hij haar uit het slot zou durven werken als ze een gevaar voor hem vormde en dat ze Jean-Filip dan nooit meer zou zien. En toch had ze het gedaan. Hij zou haast zeggen dat ze de rechtschapenheid van de kapitein had overgeërfd. Griffith vroeg zich af of dat ook betekende dat ze soms zijn bureau had doorzocht. Hij had het gevoel gehad dat er iemand was binnengebroken toen hij op een keer op reis was geweest en hij durfde er zijn hoofd op te verwedden dat Catherina er wat mee te maken had. Ze was natuurlijk heel voorzichtig geweest en had geen sporen nagelaten, maar toch had hij instinctief geweten dat er iemand binnen was geweest. Wat een kreng, dacht hij. Hij kon alleen hopen dat ze er niks had gevonden. Een en ander betekende wel dat hij in een gevaarlijke positie terecht was gekomen. Catherina kon de Bethune wel eens meer vertellen dan hem lief was. Ze kon hem Jago's echte naam vertellen en dan zou de Bethune onmiddellijk de link met De Nechoir leggen. Het was anderzijds ook mogelijk dat ze bewijs van zijn verraad had gevonden in zijn bureau. Griffith was evenwel niet de man om te panikeren. Als Catherina harde bewijzen had kunnen vinden, dan had ze die al lang aan de Bethune gegeven en had de koning onmiddellijk maatregelen tegen hem genomen. Nee, Griffith vermoedde dat het alleen bij verdachtmakingen was gebleven. Op zich kon dat genoeg schade opleveren, maar als hij nu optrad kon hij misschien erger voorkomen. Hij moest er alleen voor zorgen dat Catherina niet de kans kreeg om de Bethune verder wakker te schudden. Dat leek hem eenvoudig genoeg. Hij moest er alleen voor zorgen dat Catherina, de koning niet onder vier ogen kon spreken en dat haar correspondentie naar hem werd onderschept. Eens de Bethune niet meer verder werd opgeruid, zouden zijn gevoelens van wantrouwen wel vanzelf verdwijnen. Catherina was echter andere koek. Hij had quasi geen greep op dat meisje en het was mogelijk dat zij wel eens een grote invloed op de prins zou kunnen worden. Maar nee, dacht Griffith dan, hij kende Jean-Filip. Die liet zich weinig zeggen door iemand die niet boven hem stond. Voorlopig mocht Jean-Filip nog wel tot over zijn oren verliefd zijn, eens dat over was, zou ze niet al te veel inspraak meer hebben in zijn zaken. Het zou moeilijk worden voor Catherina om dan nog iets te veranderen aan Jean-Filips verknochtheid aan de raadgever. Griffith leunde wat achteruit. De gedachte aan Catherina zette hem weer aan het denken. Deed hij er juist aan om dat meisje met Jean-Filip te laten trouwen? De theorie klonk redelijk goed, maar vanuit een menselijk standpunt - had Neyrelle gezegd - haperde er wel wat aan. Om zichzelf gaf hij niet, maar... Hij sneed zichzelf de pas af. Hoofdstuk 7 1. Die avond zou het lot van Lenion en Wails bepaald worden. De verloving was officieel en het feest zou die avond doorgaan op het hertogelijk slot. Griffith stond op scherp toen de festiviteiten van start gingen. Door wat er eerder was gebeurd met de Bethune, had hij de bewaking laten opdrijven en had hij overal mannetjes gepositioneerd. Hij was zelf ook lijfelijk aanwezig tijdens de festiviteiten om alles in de gaten te houden. Toch had hij het idee dat hij iets over het hoofd zag, iets heel voor de hand liggend. Griffith keek vanaf een verlaten balkon toe hoe de eerste genodigden binnenkwamen. Het was niet een van zijn gewoonten om aanwezig te zijn op publieke gelegenheden. Het verraadde dan ook iets over de bezorgdheid van de raadgever. Hij wist dat zijn mannen alles voor hem in de gaten hielden, maar was er deze keer toch liever zelf ook bij. Af en toe liet hij zijn mannen verslag uitbrengen, maar niks leek te wijzen op abnormaliteiten. Het was een normaal feest en het zou hem niet verwonderen als hij zich misschien zorgen had gemaakt om niks. Misschien had Neyrelle het alleen op de Bethune voorzien en was de aanval op zijn koets het enige dat ze had willen doen. De dood van de Bethune had inderdaad voor behoorlijk wat opschudding kunnen zorgen en had de opvolging misschien kunnen bemoeilijken. Toch zou het Griffith hebben verbaasd als De Nechoir echt bang was voor Jean-Filips benoeming. Griffith had een vaag vermoeden dat De Nechoir een oorlog probeerde uit te lokken tussen Wails en Lenion, maar de vraag was alleen hoe hij dat dan zou aanpakken. Griffith zuchtte. Onder zijn voeten gaf het verloofde paar hun openingsdans weg en hij leunde onmerkbaar uit de schaduw naar voren. De blik op zijn gezicht was neutraal, maar dan was er ook iets anders in te lezen. Een ogenblik lang keken Griffith en Catherina elkaar in de ogen en dat was geen moment waar je bij aanwezig wilde zijn. Griffith leunde terug naar achter en de haat in Catherina’s ogen verdween weer. Een vrouw benaderde de zwarte man op dat ogenblik van achter. “Gravin Franquin,” zei Griffith zonder zijn ogen van het blonde meisje op de dansvloer los te maken. De gravin was een van de weinige mensen die Griffith van naam en gezicht kende. Hij had al dikwijls beroep op haar gedaan voor staatszaken en ze had haar medewerking altijd zonder vragen verleend, zij het niet altijd uit edelmoedigheid. “Ridder Jago,” glimlachte de vrouw, “blij te zien dat u onder ons bent, Monsieur.” Gefascineerd keek de gravin naar de mond waarachter een stel blanke beestentanden lag verscholen. Ze kon niet anders dan er naar kijken omdat zijn ogen werden verborgen door zwarte glazen. Die bittere mond was het enige waar iets van uitdrukking op lag. Griffith negeerde de vrouw naast hem en de gravin pruilde even. Ze vroeg zich af wat hem dan wel meer kon boeien dan haar en volgde zijn donkere blik. Ze zag dat hij keek naar de verloofde van de prins en haar mond krulde spottend. “Ik sprak daarnet met de jonge prins,” zei ze terwijl ze dicht tegen hem aan ging staan. “Hij is vrij enthousiast over zijn toekomstige bruid en zegt dat hij wellicht niet de enige is. Mag ik weten hoe enthousiast jij bent? en ze greep in zijn kruis. Teleurgesteld moest ze merken dat hij niet dat soort enthousiasme toonde. De zwarte man zei hatelijk: “Gravin Franquin, bent u ooit al eens het centrum van belangstelling geweest op een feest zonder dat u het wou? Indien niet stel ik voor dat u me loslaat voordat u er achter komt.” De gravin liet hem chagrijnig los. Ze wist dat hij het meende, maar gaf zich nog niet gewonnen. “Ze zeggen dat je nooit met vrouwen het bed deelt, Jago. Heeft dat er soms mee te maken dat je nooit klaarkomt?” Griffith liet zich niet van zijn stuk brengen. “Heeft mevrouw soms de ervaring om de geruchten te ondersteunen?” Ze keek hem venijnig aan. “Dat zou ik wel als u tenminste uw belofte aan mij zou nakomen.” Griffith glimlachte fijntjes. “Ik zag dat u uw man heeft meegebracht, gravin.” De gravin wist een ogenblik niet meer wat zeggen. “Heb ik u beledigd?” vroeg Griffith schamper. Ze perste de lippen op elkaar. Een tijd lang stonden ze zwijgend naar het verloofde koppel te kijken. De openingsdans kwam ten einde en Catherina wisselde een warme blik met Jean-Filip. “Dat meisje lijkt wel erg interessant te zijn, nietwaar?” zei de gravin tenslotte, maar Griffith haalde slechts de schouders op. “Niet meer dan andere mensen.” “Dat is niet wat ik denk,” zei de gravin. “Ze heeft iets dat andere meisjes van haar leeftijd niet hebben. Ik vind haar heel mooi.” “Mooi,” zei de raadgever en er leek iets te smeulen achter de donkere brilglazen. Hij maakte een beweging en keek de gravin aarzelend aan. “Zeg me... vindt u dat meisje werkelijk bijzonder?” De mondhoeken van de gravin krulden weer. “Ja, heel erg zelfs... Ik heb nooit eerder iemand ontmoet met zoveel eerlijkheid in zich... Er is iets buitenaards aan haar, bijna alsof ze een engel is...” Griffith zette somber zijn lege glas neer en zei: “Een engel, hm? Ja, ik zie het... Dat en veel meer...” “Kent u haar goed?” Hij leek niet te willen antwoorden. “Je zou kunnen zeggen dat ik haar ken...” Op dat ogenblik kwam Jean-Filip op hen af. Hij was direct na de openingsdans naar boven gekomen en wist blijkbaar geen blijf met zichzelf. Hij vloog de raadgever om de hals en gaf hem een kus op de kruin. De gravin glimlachte achter haar hand omdat het al bij al een komisch zicht was, gezien de prins meer dan een hoofd groter was dan de raadgever. Griffith liet het gelaten toe en wachtte tot Jean-Filip hem weer losliet. “Jago,” riep Jean-Filip uit, “doe me een plezier en ga dansen met Catherina. Het kan de laatste keer zijn dat je de kans krijgt voor ze helemaal van mij is.” De raadgever keek de jongen aan en antwoordde koeltjes: “Ik dank u voor de eer, maar ik heb geen zelfmoordneigingen. En ik kan me evenmin beroepen op een staat van dronkenschap om me aan zo’n opdracht te riskeren.” Jean-Filip keek hem ontdaan aan. “Jago…” Een bediende passeerde hen met champagne en Griffith nam bedaard een glas van hem aan. “Nee, dank u,” zei hij en hij dronk van het glas. Gravin Franquin leunde tegen de zwarte man aan en zei: “Ridder Jago schijnt het blijkbaar niet zo hoog op te hebben met uw aanstaande bruid.” Griffith voelde onmiddellijk dat het serpent de prins wilde opjutten, maar negeerde het. “Ik had begrepen dat jullie het niet bijster met elkaar wisten te vinden,” zei Jean-Filip met een tersluikse blik op de raadgever. Griffith nipte van zijn glas en deed alsof hij niks had gehoord. Jean-Filip dronk ook van zijn glas. “Er zit een eigenaardige smaak aan die champagne,” zei de jongen dan en hij gaf het glas aan Griffith. “Drink er niet van als het verdacht lijkt,” zei de raadgever en hij proefde van het glas van de prins. “Het is in orde,” zei hij na een poos en de prins haalde de schouders op. De gravin giechelde en zei: “Mijnheer Lacroix is te dronken van andere dingen, om de smaak van zijn champagne te kunnen beoordelen.” “Dat, mevrouw, zou wel eens de volstrekte waarheid kunnen zijn,” zei Jean-Filip opgewekt en ze kirde. “U bent tenminste een man naar m’n hart,” zei de gravin terwijl ze de kroonprins verleidelijk aankeek. “Is dat werkelijk zo?” zei de prins geamuseerd. “O ja,” zei de gravin terwijl ze Griffiths arm inwisselde voor die van Jean-Filip. “U luistert tenminste naar uw hart terwijl andere mensen zich gedragen als een zure stakast.” Jean-Filip onderdrukte een lach terwijl hij de raadgever aankeek. Griffith rolde met de ogen en maakte duidelijk dat Jean-Filip het wicht mee moest nemen, waarheen kon hem niet schelen. “Mevrouw, wat denkt u ervan als we naar beneden zouden gaan en ik u ten dans vroeg?” zei de prins. “O graag,” zei de gravin en Jean-Filip knipoogde naar de raadgever. “Ik veronderstel dat u niet meegaat?” Griffith keek de gravin en de prins na terwijl ze naar beneden gingen. Hij schudde het hoofd en dronk zijn glas uit. Dan viel zijn oog op het glas van de prins. Hij aarzelde en nam het glas op. Hij rook eraan en fronste de wenkbrauwen. Hij dacht na en zocht even met zijn ogen in het publiek. Hij zag Jean-Filip en gravin Franquin, maar niet de man die hij zocht. Bizar… Hij zette Jean-Filips glas weg en liet het rusten. Hij merkte dat Catherina’s neef Laurent hem stond aan te gapen vanop de dansvloer. De jongen zag er al bij al redelijk uit, maar dat kwam misschien omdat hij niet dronken was. Hij had ook geen reden meer om dronken te zijn. Griffith had hem een huisje gegeven zodat hij er met zijn meisje kon wonen en een jaarlijkse toelage om er voor te zorgen dat hij nooit meer een sou aan zijn vader moest vragen. Uit Laurents blik leidde Griffith af dat de jongen niet goed begreep waarom Griffith dat gedaan had. Griffith geloofde eigenlijk niet dat hij het zelf wist. Guillaume Montfort had altijd gezegd dat er van de kinderen van zijn broer nooit veel terecht zou komen en voor zover Griffith kon nagaan kon dat best wel eens de waarheid zijn. Niettemin leek Catherina het wel met haar neef te kunnen vinden, dus gaf Griffith hem het voordeel van de twijfel. Griffith keek de jongen strak aan en Laurent keek schuchter weg. Jean-Filip was intussen aan een nieuwe dans met Catherina begonnen. Hoewel Jean-Filip meer dan een hoofd groter was dan het meisje, waren er wel een aantal gelijkenissen tussen de twee op deze hoogte. Ze hadden hetzelfde blonde haar en dezelfde schittering in hun ogen. Het verwonderde Griffith niks dat hij de prins wellicht mocht omwille die gelijkenis. Toch verschilde het kersverse paartje in meer dan een opzicht van elkaar en Griffith vroeg zich af of ze dat zelf wel beseften. In een zekere zin was Jean-Filip niet de gemakkelijkste om mee om te gaan en het zag er naar uit dat Catherina veel zou moeten toegeven als ze een goed huwelijk wilden hebben. Gedurende een enkel ogenblik had Griffith er spijt van dat hij hen had samengebracht. Griffith ging met zijn rug tegen de muur staan en sloot even de ogen. Hij voelde zich eeuwig vermoeid en moest moeite doen om zijn hoofd te klaren. Hij wist niet hoe lang hij daar zo stond, maar plots hoorde hij een stem vlakbij hem. “Wat is er loos?” Even wist Griffith niet waar de stem vandaan kwam. Dan opende hij de ogen en zag hij dat het tegen hem was gericht. “Niks,” zei hij zacht tegen de hertogin, “ik voel me alleen niet zo goed... Het moet de warmte zijn.” Hij merkte ineens dat hij zijn bril had afgedaan. Bevreemd keek hij toe hoe de bril uit zijn handen weggleed en op de grond viel. Hij hoorde geeneens de klap toen het glas brak en in alle richtingen wegsprong op de vloer. Hij had het vreemde gevoel dat hij dit al eens had meegemaakt, maar op dat ogenblik leek alles in een waas te zijn omhuld. Hij kon zich zelfs niet meer herinneren waar hij was op dat moment. “Wat. Wat.” Wat deed die arm onder zijn oksel? “Jago,” zei de hertogin geschrokken, “Wat is er mis? Zo heb ik je nog nooit gezien.” Griffith herstelde zich en probeerde zich staande te houden tegen de muur. “Het is niks,” murmelde hij, “gewoon wat misselijk. Het begon... toen... Catherina... O hemel, ze had gelijk toen ze zei dat het onmenselijk was… Wat heb ik gedaan? Wat heb ik met mezelf gedaan?” “Jago, verman jezelf! Je slaat wartaal uit.” Hij viel bijna op de grond. Hij voelde zich ziek en was ziek van zichzelf. Een man ving hem op. “De ridder is ziek,” zei de hertogin tegen de glazenschenker. “Breng hem naar een slaapkamer en haal een dokter want dit zint me niks. Jago kan je me horen?” Griffith gaf alleen een kreun. “Catherina.” De hertogin fronste het voorhoofd en vroeg zich af wat zulk een naam op zo’n lippen deed. “Breng hem maar weg. Ik zal straks wel eens naar hem komen kijken als er een dokter is geweest.” De dienaar die Griffith ondersteunde knikte en bracht hem weg. De dienaar legde Griffith op het bed en keek even naar hem. De zwarte man hijgde zwaar en sloeg allerlei soorten wartaal uit. De glazenschenker wist dat de raadgever de eerste uren uitgeteld was en wellicht zou sterven als hij er geen dokter bijhaalde. Hij haalde de schouders op en verliet de kamer. De glazenschenker liep onopvallend naar de bijkeukens waar hij zijn kompaan even terzijde nam en zei: “Het is in orde. Hij is uitgeschakeld, maar verhoog de dosis want een gram had genoeg moeten zijn om hem te doden.” Het zweet gutste met stromen van de hijgende man af. Griffith Woolf merkte het niet op. Kronkelend van pijn lag hij in het bed, vechtend tegen stemmen die hij zijn hele leven al had verdrongen. Het was alsof alle duivels uit de hel op hem los waren gelaten en wraak namen voor al die jaren dat hij zich tegen hen had verzet. Hij huilde en jankte, maar het was tevergeefs, zoals alles altijd tevergeefs was geweest. “Vertrouw de wolf niet, hij verslindt alles in je buurt.” “Woolf, doe het niet! Woolf! Hij vermoordt je! Nee! Griffith!” “Maar probeer mijn liefde te raken en ik zweer u dat ik u zal vermoorden!” “Hij spaarde kind noch vrouw.” “Beloof me dat je voor haar zult zorgen, b…beloof…” “Ik wil mijn wraak!” “Raak me niet aan! Raak me niet aan!” “O kind…” “Vergeet nooit wie je bent, gehoord? Jij en ik zijn dezelfde.” “Nee.” “Goden, wat gebeurt er met me...” Hij zag verschijningen, hoorde stemmen, voelde pijn, verloor elke zin, wist niet wat zich af te vragen, dacht omsingeld te zijn, verwachtte de pook, had het gevoel dat hij iets over het hoofd zag, voelde water van zich afstromen, ving een fluistering op. Leef je? Leef je? “Ik heb er geen idee van want er komt geen zinnig woord uit. Maar als je het mij vraagt zit er iets niet in de haak. Nou ja, het ziet er naar uit dat het wel zal aflopen. Hê joch, ijzersterke kop heb je, nietwaar?” Hij merkte dat hij misselijk was. Hij wou dat hij het kon wegbraken, maar het vergif zat al te erg in zijn bloed. Was het dan inderdaad gif? De uitputting overmande hem en het zwarte gat slokte hem op. Langzamerhand zonk de zwarte man weg in een diepere, rustigere slaap. Zijn ademhaling werd rustiger en zijn temperatuur begon ook geleidelijk aan te zakken. Zijn keel voelde rauw aan van zijn geschreeuw, maar hij merkte er nauwelijks wat van omdat hij droomloos was ingeslapen. “Hoe voel je je, Griffith?” vroeg Thomas zacht. Uitgeput raakte Griffith zijn voorhoofd aan. Hij was zo verzwakt dat hij zelfs niet de moeite kon doen om zijn ogen te openen. “Slecht,” fluisterde hij. Hij voelde dat de oude man naast het bed een natte lap op zijn voorhoofd legde. “Je ziet er ook slecht uit, Griffith,” gromde Thomas. Griffith had geen kracht genoeg meer om hem daarop iets te antwoorden. “De koorts is tenminste wel al weg,” zei Thomas. “Je stoomde als een bakoven en je herkende me zelfs niet meer. Je hebt me trouwens een blauw oog geslagen want je dacht dat ik een duivel was. Nu, ik heb altijd wel geweten dat ik niet moeders mooiste was, maar waar je dat vandaan haalde zou ik toch niet weten.” Griffith glimlachte zwakjes. “Duivels zijn mooier dan engelen. Engelen lijken altijd op elkaar.” “Mh, ik denk dat je nog altijd niet helemaal wakker bent.” Thomas depte zijn voorhoofd opnieuw af met koud water en zuchtte. “Ik kan me nog de laatste keer herinneren dat ik zo naast je bed zat, Griffith.” De zwart man sloot de ogen gepijnigd en kreunde. “Eerlijk gezegd had ik er indertijd twijfels over dat je je er doorheen zou slaan,” zei Thomas. “Er is veel veranderd sinds die tijd…,” antwoordde Griffith zacht. Thomas knikte. “Ja, vooral jij. Zelfs kapitein Montfort had niet gedacht dat je het zo ver zou schoppen. Ik had altijd gedacht dat je terug naar Wails zou gaan.” “Dat zal ik ook,” mompelde Griffith. Griffith voelde zijn hoofd weer wat klaren en ging rechtop zitten. “Hoe lang zit je hier al naast me, Thomas?” “Mh, pakweg drie uur, maar naar het schijnt lag je hier al een tijdje voor iemand je vond. Ben je hier alleen geraakt?” “Nee... nee, denk ik toch. Ik herinner me dat de hertogin bij me was. Ze liet me door een man wegbrengen die een dokter moest gaan halen. Maar ik dacht niet dat er een is geweest.” “Werkelijk? Was dat een glazenschenker?” Griffith dacht even na. “Ik dacht van wel, maar ik ben niet zeker. Waarom?” “En herinner je je of hij een glas aan de hertogin had gegeven?” Griffiths blik werd scherp. “Thomas, wat is er aan de hand? Hoe kom jij hier? Wat is er gebeurd?” De oude man keek somber naar Griffith. “Ik ben bang...” Hij maakte zijn zin niet af en Griffith staarde hem met grote ogen aan. Als hij tot op dat ogenblik nog niet had geweten dat er iets mis was, dan was het hem nu meer dan duidelijk. “Wat!” grauwde Griffith. De zwarte man ontblootte de tanden als een beest. Thomas schrok van die gelaatsuitdrukking. “Griffith, ik...” Furieus greep Griffith de oude man bij de kraag en sleurde hem tot tegen zich aan. “Als je aan je leven hecht, zeg je me wat er gebeurd is. Nu!” Thomas grabbelde naar houvast. Hij twijfelde er geen ogenblik over dat Griffith het meende. “De hertogin...,” fluisterde Thomas, “ze is dood...” Hij voelde de greep rond zijn kraag verslappen en Griffith zakte steunend in elkaar. Thomas sloeg onmiddellijk zijn arm om hem heen. “Griffith?” De zwarte man schudde het hoofd. Hij voelde zich misselijk, maar wou er niet aan toegeven. “...het... gaat wel... Denk ik...” Hij zette zich op de rand van het bed met zijn hoofd in zijn handen. “Zeg me...” Zijn stem klonk onbeheerst. “Wat is er gebeurd?” Thomas keek wat verloren op hem neer. “De hertogin is vermoord. Vergiftigd.” Griffith leek opnieuw in elkaar te zullen zakken. Thomas wou hem terug ondersteunen, maar Griffith weerde hem af met het gebaar dat hij verder moest gaan. “Er was een bediende,” ging Thomas aarzelend verder, “die glazen rondbracht. Hij viel niet op tussen de andere glazenschenkers dus zag niemand dat hij hier vreemd was. Hij gaf jou een glas met vergif... en daarna ook de hertogin. Zij was echter op slag dood dus ik veronderstel dat jij een zwakkere dosis hebt gekregen.” “Marcos De Nechoir is een gifkoning,” mompelde Griffith, “ik heb daarom een immuniteit opgebouwd. Maar de dosis was sterk. Neyrelle moest echt bang zijn geweest dat ik zou voorkomen dat haar zuster werd vergiftigd...” “Denk je dat ze je probeerde te vermoorden?” “Ik weet het niet, misschien kende ze de bevelen van haar man niet.” Griffith voelde iets van zijn krachten terugkeren. “Thomas,” zei hij flauw, “het houdt geen steek.” “Pardon?” “Waarom werd de hertogin vergiftigd?” Thomas keek hem vreemd aan. “Neyrelle haat haar zuster.” “Ja, maar waarom juist haar? De koning, ja, Jean-Filip, ja, zelfs Catherina. De Nechoir had een prachtige kans om met hen allemaal af te rekenen en hij kiest er alleen de hertogin uit.” “Griffith,” zei Thomas zacht, “je meesteres ligt dood in een vertrek hiernaast. Hoe kun je...” Maar dan onderbrak hij zichzelf. Griffith had gelijk, er klopte inderdaad iets niet. “Waar denk je aan?” Griffith staarde bedachtzaam voor zich uit. “Het ging Neyrelle niet om de koning. Anders had ze er niet voor gezorgd dat ik die aanslag kon voorkomen. Ik denk dat ze zeker wilde zijn dat ik wel degelijk op het feest aanwezig zou zijn zodat ze me kon uitschakelen. Maar waarom wilde ze me dan vergiftigen? Waarom de dienaar vergiftigen als de meesteres al ten dode is opgeschreven? Ik bedoel, waarom tegelijkertijd? Ik weet dat Marcos De Nechoir me liever uit de weg heeft, maar waarom nu en niet eerder of later? Er moet meer achter zitten.” Thomas schudde het hoofd in opperste verwarring. “Ik weet het niet Griffith, ik weet het echt niet. Het enige waar ik nu aan kan denken is de hertogin. Hoe ze daar opgebaard ligt in dat vertrek, hoe ontzet iedereen wel is. En die arme Jean-Filip - hij was totaal van streek. De dokter moest hem een verdovend middel geven om hem te kunnen kalmeren.” “Waar is hij?” “Jean-Filip? Boven, in zijn kamer.” “Is Catherina bij hem?” “Nee, ze is bij het lichaam van de hertogin.” Griffith knikte. “Is er iemand anders bij hem?” “Zijn lijfwachten veronderstel ik.” “Alleen zijn lijfwachten?” “Ik ga er van uit van wel.” Griffith keek scherp op. “Je weet het niet? Wie verzorgt dan de leiding over...” Nog voor hij was uitgesproken, daagde het hem al. “O hemel...” Dat was zijn taak... en als hij er niet was, die van de hertogin... Hij moest normaal gezien zorgen voor de veiligheid van de prins en het slot afsluiten bij het minste onraad. En natuurlijk had niemand daar aan gedacht toen hij was uitgeschakeld omdat de dood van de hertogin iedereen van zijn stuk had gebracht. En terwijl de prins verdoofd op zijn kamer lag en hij was uitgeschakeld, hadden Neyrelles mannetjes ongestoord kunnen doen waarvoor De Nechoir hen naar het slot had gestuurd. “Thomas,” mompelde Griffith, “sluit het slot zo snel mogelijk af en zorg ervoor dat De Nechoir niet bij de jongen geraakt.” Thomas staarde hem aan en begon het plots ook te begrijpen. Vlug sprong hij op en liep de kamer uit. Tegen de tijd dat hij de kamer van de kroonprins had bereikt, waren Jean-Filips lijfwachten al lang dood en was Jean-Filip zelf verdwenen uit het slot... 2. De ontvoering van de kroonprins werd door vele Lenionen als een daad van agressie ervaren. Er gingen stemmen op om onmiddellijk een oorlogsvloot naar Wails te sturen om de agressors af te straffen en de kroonprins te bevrijden. Koning de Bethune vermoedde echter dat Marcos De Nechoir niet liever had dan dat er een oorlog zou losbarsten tussen Wails en Lenion en was dus op zijn hoede. De vloot van Lenion was niet voorbereid op een oorlog en het was vrij zeker dat De Nechoir hen zou aanvallen met een gigantisch leger als Lenion nog maar in de richting van Wails durfde te kijken. Het was dus beter om een confrontatie voorlopig uit de weg te gaan en te wachten op een diplomatieke oplossing. Uiteindelijk bleek het niet in de bedoeling van De Nechoir te liggen om direct ten strijde te trekken. Hij liet de Bethune weten dat hij bereid was te onderhandelen en dat bevestigde Catherina’s vermoedens dat De Nechoir meer dan alleen de Bethunes kroon wilde. Als De Nechoir had gewild, had hij immers alle mogelijke opvolgers van de koning in één beweging kunnen uitvagen. Catherina veronderstelde dat De Nechoir vaste voet aan grond wilde krijgen in Lenion op eenzelfde manier als hij dat had gedaan in Wails: door gemanipuleer en bedrog. Als De Nechoir wilde onderhandelen dan zou het wel eens kunnen gaan over alle opofferingen die Lenion voor Jean-Filip zou moeten maken. Er waren immers meerdere manieren om machtig te worden in een land, een kroon was er een van, een greep op de handel een ander. In ieder geval liet De Nechoir weten dat hij met de Bethune zou onderhandelen in een stad genaamd Verona, een havenstad in het oosten. Langs de ene kant was het geruststellend dat de onderhandelingen niet plaats zouden hebben op Welshe bodem, maar op neutraal gebied, ver van De Nechoirs vloot. Langs de andere kant was Verona een maand varen vanuit Lenion, wat betekende dat het lot van de kroonprins onzeker zou zijn gedurende meer dan een maand. In de tussentijd zou er veel kunnen gebeuren tussen Wails en Lenion en had niemand er een idee van wat De Nechoir met de prins deed. In een zekere zin was het vreemd dat De Nechoir de onderhandelingen wilde laten doorgaan in een stad die zo ver lag van zowel Wails als Lenion. Toch bekeek de Bethune de zaak ook van een positieve kant. Wat de uitkomst van die onderhandelingen ook zou wezen, de maand die het zou duren om Verona te bereiken, kon de Bethune gebruiken om zijn eigen oorlogsvloot samen te stellen. Hij moest alleen de schijn ophouden dat hij werkelijk wilde onderhandelen. Koning de Bethune liet dus een schip klaarmaken dat zijn onderhandelaar naar Verona zou brengen en gaf ondertussen ook het bevel om in het geheim een oorlogsvloot samen te stellen. De commotie in Lenion ging Catherina voor een groot deel voorbij door de problemen waarmee ze zelf werd geconfronteerd. Door de dood van de hertogin en de ontvoering van de prins, was Carnières zonder bestuurder achtergebleven. Koning de Bethune had Catherina dan maar regent gemaakt van het hertogdom en van het ene moment op het andere moest ze ineens de taken van de hertogin vervullen. Al bij al sloeg ze er zich door, al zou ze later niet meer weten hoe ze het gedaan had. Ze was immers niet voorbereid op een dergelijke taak. Het enige waar ze mee aan de slag kon gaan, was hetgeen Jean-Filip haar had verteld over het bestuur en haar eigen intuïtie. De raadgever van de hertogin was er bovendien niet om haar bij te staan wat het extra zwaar maakte. Na de dood van de hertogin was de zwarte man namelijk in het niets verdwenen. Hij was naar het koninklijke paleis vertrokken en was er niet van teruggekomen. Catherina had er geen idee van wat er met hem was gebeurd. Ze veronderstelde dat koning de Bethune de raadgever bij zich had gehouden op het paleis omdat hij hem wilde gebruiken als zijn onderhandelaar in Verona. De zwaarste taak waar Catherina aan werd onderworpen, bleek uiteindelijk niet het bestuur van Carnières te zijn, maar de begrafenis van hertogin Lacroix. Met de hertogin begroef Catherina immers niet alleen de bestuurster van een hertogdom, maar ook de moeder van Jean-Filip. Catherina kon zich alleen maar inbeelden hoe Jean-Filip zich hield op het schip van Neyrelle. Het verlies moest enorm aanvoelen. 3. Anderhalve week na de dood van de hertogin liet de koning, Catherina naar het koninklijke paleis roepen. Het meisje liet zich verbaasd wegbrengen en werd door de koning zelf ontvangen op de drempel van het paleis. “Weet u waar Verona ligt?” vroeg de Bethune haar nadat ze naar het salon waren gelopen. Catherina aarzelde omdat ze niet juist begreep waarom de Bethune het haar vroeg, maar antwoordde toch: “Een maand varen vanuit Lenion, op een paar weken van Wails.” “Weet je ook dat De Nechoir met ons wil onderhandelen in Verona?” “Ja.” De Bethune knikte en ging verder: “Een maand. Tegen die tijd zal mijn oorlogsvloot volledig klaar zijn, op voorwaarde dat De Nechoir in de waan blijft dat we ons alleen voorbereiden op de onderhandelingen en verder niks doen. Het is dus van belang dat we voorlopig even zijn spel meespelen en inderdaad een onderhandelaar naar Verona sturen. Ik heb er geen flauw idee van wat De Nechoir eigenlijk van ons wil in ruil voor Jean-Filip, maar ik twijfel er niet aan dat het ofwel op geld ofwel op macht neer zal komen. De Nechoir probeert al meer dan vijftien jaar een hand te leggen op Lenion, maar ik ben niet echt van plan om hem dat te gunnen. Tijd winnen is de boodschap, en tijd winnen is de taak van de onderhandelaar die ik naar Verona wil sturen. Ik heb opdracht gegeven om een van de schepen van de hertogin klaar te maken en ik heb daarvoor de Megafor uitgekozen, het schip van je vader, omdat de bemanning bekend is met De Nechoirs handelwijze. Sinds eergisteren is het schip eindelijk klaar om de reis aan te vatten en dus is het alleen nog afwachten wanneer de onderhandelaar aan boord zal gaan.” Catherina voelde het bloed in haar aderen stollen. “Mag ik vragen,” zei ze aarzelend, “of u ridder Jago voor die taak hebt uitgekozen?” “Nee. Jago is om een of andere reden totaal van de aardbol verdwenen en de hemel mag weten waar hij nu is. Nee, ik dacht in feite aan iemand anders, iemand die de laatste tijd heeft getoond dat ze opgewassen is tegen deze taak en die weet wat er werkelijk op het spel staat.” Catherina schrok achteruit en keek de koning met grote ogen aan. “Majesteit,” zei ze verbijsterd, “dat kunt u niet menen.” “Waarom niet? Je hebt getoond dat je bekwaam bent en bovendien kan ik toch niet iemand onbelangrijk naar Verona sturen. Anders weet De Nechoir onmiddellijk dat we zijn voorstel niet ernstig nemen.” “Maar… Ik ben niemand vergeleken met iemand als Jago!” “U bent de toekomstige vrouw van de kroonprins, dat zal genoeg indruk geven.” “Maar…” De Bethune meende het. Hij meende het echt. Catherina realiseerde zich hoe gevaarlijk die reis zou zijn, en vooral, hoe onbetrouwbaar De Nechoirs reactie kon zijn. Maar de Bethune wist dat ze niet aan zijn voorstel onderuit kon. Als toekomstige vrouw van Jean-Filip zou ze immers de grootste moeite doen om haar man vrij te krijgen. Maar was zij daar wel geschikt voor? Als ze er Jean-Filip mee kon helpen, zou ze door het vuur gaan voor hem, maar wat was zij? Een vrouw, uit een bescheiden huis, met nauwelijks enige politieke ervaring. De Bethune moest toch weten dat zij niet de meest logische keuze was? Maar de koning week niet en hoewel Catherina maar met argumenten bleef aandraven, kon ze hem er maar niet van overtuigen iemand anders te kiezen. “Je bent neutraal,” zei hij tenslotte. “Als ik een baron stuur, zal het hele land binnen de kortste keren op stelten staan omdat ze denken dat ik aan favoritisme doe. En ik moet de hoop op de terugkomst van Jean-Filip levend houden, wil ik elk conflict in het binnenland voorkomen. Lenion staat nog een moeilijk jaar te wachten als er inderdaad een oorlog komt en ik wil het mezelf niet moeilijker maken dan al het geval is. Catherina, ik heb je nodig. Denk aan Jean-Filip. Als je hem kunt vrij krijgen door De Nechoir een paar loze beloften te doen, doe dat dan in hemelsnaam. Wees zoals je vader, die man week ook niet terug voor welk gevaar ook. Het mag moeilijk lijken, maar je hebt nog een maand de tijd om je voor te bereiden. Ik weet dat je het kan.” Catherina aarzelde nog een ogenblik langer en dan begon ze het onvermijdelijke onder ogen te zien. “Majesteit,” zei ze tenslotte kalm, “ik aanvaard deze opdracht… en ik zal proberen om de prins zo goed mogelijk te helpen. Maar ik weet niet of ik zal slagen.” De Bethune bleef rustig achteruit in zijn zetel zitten. “Vrees niet te veel, dat belemmert. Je zal je werk uitstekend doen. Meer vraag ik ook niet van je. Goed, als dat geregeld is dan kan ik je misschien de bijzonderheden verder uitleggen. Tenzij er nog iets speciaals was dat je wilde weten?” Catherina staarde even naar de grond. De ernst van de zaak woog veel te zwaar op haar en het viel haar moeilijk om uit te maken waar ze moest beginnen. Eén vraag kon ze desondanks niet ongesteld laten. “U vraagt mij wat ik moet weten om in mijn missie te slagen?” De Bethune deed niet de moeite bevestigend te knikken. Catherina haalde diep adem. “Er is één ding dat ik belangrijk genoeg acht om het u nu te vragen…” “En dat is?” Opnieuw aarzelde ze. “In het belang van mijn missie… Opdat De Nechoir mij niet weet te verrassen met dingen waar ik niks over weet...” “Ja, ja. Laat horen.” “Ik zou graag van u willen horen - uit voorzorg - wat er bedoeld wordt met… ‘het koningskind’…” De Bethune keek haar aan alsof hij door de bliksem was getroffen. Catherina beet op haar lip. “Waar heb je dat gehoord!” Catherina wist dat de vraag veel geriskeerd was. “Met uw permissie, ik moest het bureau van hare hoogheid de hertogin doornemen… En ik vond een half verbrande brief in de open haard waarop die woorden stonden…” De koning keek haar nog steeds stomverbaasd aan. Plots was hij op zijn hoede. “Wat heb je kunnen lezen in die brief,” vroeg hij streng. Onderdanig haalde ze een bijna volledig verbrand papier boven en gaf hem die zonder aarzelen. Vlug liet de Bethune zijn ogen over de paar lijntjes geschreven tekst gaan en dacht even na. “Het was heel onvoorzichtig van de hertogin om dit document niet volledig te verbranden. Het gaat hier om een zeer geheime zaak waarvan zelfs Jean-Filip niet op de hoogte is.” “Vergeef me, maar, denkt u dat het belangrijk is voor de missie?” zei Catherina. “Anders zal ik niet verder vragen en nooit spreken over wat ik u net heb gezegd…” De Bethune keek haar onderzoekend aan. “De hertogin had me gewaarschuwd je nooit te onderschatten,” zei hij. “In feite had ik al na onze briefwisseling kunnen weten dat je sommige dingen beter doorziet dan wij.” “Majesteit,” zei Catherina, “u weet dat ik in uw dienst ben. Eén woord van u en ik vergeet alles dat u me beveelt.” “Jago had met dat soort van formuleringen ook een handje weg.” “Ik ben de verloofde van Jean-Filip, majesteit. U vergeet hoezeer ik hem en u toegewijd ben.” “Ja… dat geloof ik van u, juffrouw Montfort. U bent toegewijd. En misschien is het niet van weinig belang om u te vertellen over het koningskind. Maar ik ben verrast dat enkele woordjes,” en hij sloeg op de brief, “u het verband hebben doen leggen met de missie die ik u net heb gegeven.” Catherina sloeg de ogen neer. “Majesteit…” Ze wist niet hoe ze dit moest zeggen, ze wist niet hoe ze moest zeggen dat ze al veel vroeger de gelijkenis in stem, in houding, in denken had bemerkt tussen hem en Jean-Filip. Zacht vroeg ze: “Is Jean-Filip uw zoon?” De Bethune verwonderde zichzelf geeneens meer nu ze zo ver waren. “Dat is hij… Hij is het kind van de hertogin en mij.” De Bethune zuchtte. “Mijn vrouw en ik hadden problemen om een opvolger te verwekken,” vertelde hij, “dus sloot ik een akkoord met de hertog en hertogin van Carnières. Aangezien de hertogin koningsbloed had, was zij de meest directe kandidaat voor de troon. Als de hertog en zij een kind zouden krijgen, zou het ook recht hebben op de troon van Lenion. Helaas stierf de hertog vroegtijdig... Maar...” “U was verliefd geworden op de hertogin. U besloot samen een kind te verwekken... Omdat Jean-Filip snel na de dood van de hertog was verwekt kon hij nog doorgaan als diens zoon.” De Bethune keek haar met grote ogen aan. “Ben je daar ook helemaal alleen achter gekomen?” Catherina glimlachte zwakjes. “Ik heb u en de hertogin samen gezien. U hield heel erg van elkaar. Volgens mij was u voor elkaar geschapen.” De Bethune leunde melancholiek achteruit. “Ja, misschien wel... Ik had met haar kunnen trouwen toen haar man stierf, maar ze vond het verstandiger om onze relatie niet openbaar te maken. ...” De Bethune zweeg. Catherina aarzelde. “Weet Neyrelle dat Jean-Filip uw zoon is?” “Ik ben bang van wel. Er is weinig dat De Nechoir en zijn vrouw niet van ons weten. Neyrelle haat de hertogin en mij en het zou me dan ook niet verwonderen dat ze daarom mijn jongen heeft ontvoerd.” De Bethune keek op naar Catherina. “Ga naar Verona, Catherina, en probeer Jean-Filip vrij te krijgen. Want hij is niet alleen mijn opvolger maar ook mijn zoon.” Deel II Hoofdstuk 1 Het was stil in de zeemanskroeg Het Gat. Normaal was het er altijd een lawaai van jewelste, maar de laatste tijd was er nog minder leven te vinden dan in een kerk. Als je niet beter wist, zou je denken dat de zeelui net iemand hadden begraven. Maar in een zekere zin was dat misschien ook wel zo. Gisteren was de hertogin begraven en niemand had tot nog toe haar plaats ingenomen. De zeelui van de Megafor hadden geen idee wat hen nu te wachten stond of wie hun nieuwe baas was. Er gingen geruchten dat Wails de oorlog had verklaard aan Lenion, maar wat dat voor hen betekende wisten ze niet. Er waren ook geruchten dat de koning van Lenion eerst een onderhandelaar naar Wails zou sturen. Daarmee kon de Bethune wat tijd winnen om zijn vloot samen te stellen en bovendien kon je ook nooit weten of er iets uit die onderhandelingen zou voortkomen. Het lag voor de hand dat Wails wel wat van hen zou eisen, maar als de Bethune zo de oorlogsdreiging kon afwentelen, was er misschien nog hoop voor het land. Of er inderdaad een onderhandelaar zou worden aangesteld en met welk schip die zou vertrekken, wist voorlopig echter niemand. Rowland leunde verveeld achterover terwijl hij zijn pijp aanstak. Hij was zelf Welsh, maar jaren geleden overgestoken naar het Lenioonse kamp. Sindsdien werkte hij in dienst van de koning van Lenion en had hij er al behoorlijk wat opdrachten opzitten. Toch had hij er deze keer geen goed oog in. Hun schip zou wellicht ingelijfd worden in de koninklijke oorlogsvloot en dat zou voor velen het einde betekenen van een bewogen bestaan. De zeelui konden alleen hopen dat het niet zo ver zou komen en dat de bootsman met ander nieuws kwam. “Het wachten steekt me de strot uit, Rowland,” gromde de man naast Rowland en de Welsh knikte. “Mij ook, maar we moeten wachtten tot de bootsman boven water komt. Eerder kunnen we niks beginnen.” “Ik hoop dat hij zich haast...” “Hij zal wel komen...,” zei Rowland geruststellend. “Ze hebben nog nooit de Megafor vergeten.” Het werd weer even stil tot een van de zeelui zei: “Heeft er niemand een verhaal te vertellen. Ik verveel me dood.” “O jee, het sprookje van Assepoester voor Pien, alsjeblieft.” “Ah, Grote Bram, hou je kop toch.” “Je klinkt als een kind dat om een bedverhaaltje vraagt, kluns.” “Als iemand jouw opinie wil weten, zullen we je het echt wel vertellen. Maar hou nu je kop.” “Nou Rowland, wat je denk d’er van?” “Hoezo ik?” “Jij bent degene die hier tenminste een verhaal weet te vertellen op een behoorlijke manier.” “Ja, die over z’n Wolven,” sneerde Grote Bram, “dat zijn inderdaad echte ‘verhalen’. Groei toch op jonges.” “Grote Bram, verdomme. Rowland?” “Nee, niet vanavond,” zei Rowland nukkig. “Hé, zie nou wat je gedaan hebt, rotvent.” “Verdorie, vraag toch ineens of niemand jullie wil instoppen.” “Toe nou, Rowland?” “Vertel hen het eerste verhaal, Rowland,” klonk het plots achter de zeelui. Er was iemand binnengekomen en de zeelui in de kroeg keerden zich als één man naar hem om. Stilzwijgend namen ze de man op terwijl hij zijn hoed afnam en zijn doorweekte mantel uittrok. Hij zag er uit alsof hij in geen dagen had geslapen en de zeelui durfden even niks zeggen. Dan keek de man op en zei: “Vertel het hen nog eenmaal, Rowland, het verhaal van Raul de Vervloekte.” “Het verhaal dat nooit tezamen met het laatste wordt verteld,” mompelde Rowland. De man knikte en kwam tussen de zeelui zitten. “Bootsman, moeten we niet eerst…” De man hief zijn hand vermoeid op. “Er is straks nog tijd genoeg om het over onze bevelen te hebben,” zei hij zacht, “maar vertel me nu tenminste iets dat wel een goede afloop heeft.” En Rowland knikte en begon het verhaal te vertellen. “De Wolven zijn oud, ouder dan de burcht op de rotsen en ouder dan de kroon in de toren…” Hoofdstuk 2 Niet veel later was het de taak van Rowland om ‘de onderhandelaar’ op de kade te verwelkomen en naar hun schip te brengen. Het was vroeg in de ochtend en het was geen weer om een hond doorheen te jagen. Rowland was niet echt blij dat juist hij dat snertwicht van een adellijke dame op mocht staan wachten. Hij begreep niet wat de koning bezielde om juist een vrouw op deze missie te sturen. Wist de Bethune dan niet dat het lot van Lenion en Wails zou afhangen van de onderhandelaar? Dacht hij soms dat een vrouw zoiets aankon? Bovendien, wat moest een vrouw aan boord van een schip? Vrouwen wisten niks af van het leven op een schip en ze klaagden en zeurden alleen maar. En waar bleef die koets nou? Dachten ze soms dat ze konden wachten tot de middag? Straks stond het hier vol met kijklustigen. Niemand hoefde te weten dat ze vandaag zouden afvaren. Plots hoorde Rowland het geratel van een koets. Eindelijk. Dat had lang genoeg geduurd! Maar waar vandaan kwam dat ding nu? Rowland zag geen steek door de dikke mist en verschoot zich een hoedje toen er ineens twee briesende paarden op hem af stormden en hem net niet omver reden. Dat had er ook nog bij kunnen komen, dacht de Welsh geïrriteerd. Verongelukken op de dag van de afvaart… De koets stopte. De koetsier riep hem toe en vroeg of hij hun ontvangstcomité was. “Jaja,” zei Rowland verveeld, “laad jullie boeltje af en kom naar het schip. We wachten al een heel uur.” De koetsier verontschuldigde zich en wees op de weersomstandigheden. “Om het even!” zei Rowland. De koetsier kwam van de bok af en begon de bagage af te laden. De dienstmeisjes die de onderhandelaar zouden vergezellen kwamen uit de koets. Rowland keek ze even van terzijde aan. Ze zagen er allemaal heel jong uit en Rowland vroeg zich af wat iemand bezielde om zulk een jonge meisjes op zo’n harde reis mee te nemen. Hij zou het nooit willen bekennen, maar hij was doodnieuwsgierig naar ‘dat snertwicht’. Of die dame was een echt zwaargewicht om deze reis aan te vatten, of ze was stom en wist niet waar ze aan was begonnen. Eén ding stond niettemin buiten kijf en dat was dat ze hier niet hoorde. De dame in kwestie toonde haar gezicht voorlopig niet. Ze bleef in de koets zitten tot de koetsier gedaan was met uitladen en deed niet de moeite om Rowlands nieuwsgierigheid te bevredigen. Op dat moment kwam Thomas de loopbrug af. De bootsman had hem gevraagd poolshoogte te komen nemen omdat ze al een uur aan het wachten waren en hij ging naast Rowland staan. “Wel?” zei hij tegen Rowland. Rowland sloeg de ogen ten hemel en schraapte dan zijn keel. “Madame, als u wilt, kunnen we u nu naar uw kajuit brengen.” Thomas opende de deur. “Hoffelijkheid, Rowland,” mompelde Thomas tegen hem. Rowland stak zijn handen nog dieper in zijn zakken terwijl Thomas de dame hielp om uit de koets te komen. De dame was sober gekleed en droeg een sluier als om geen aanstoot te geven. Rowland nam haar nauwlettend op, maar wist nog steeds niet wat hij van haar moest denken. Thomas gebaarde dat hij haar naar haar kajuit moest brengen, maar Rowland gebaarde terug dat geen haar op zijn hoofd er aan dacht. Thomas gaf Rowland een duw in de rug en zei: “Madame, deze man zal u graag naar uw kajuit escorteren... Ik vertrouw erop dat u het hem zult laten weten als het u aan iets ontbreekt.” En hij liet Rowland alleen achter met de onderhandelaar. “Eh... als u me wil volgen,” zei Rowland beschroomd en hij ging haar voor. Terwijl ze op de loopbrug liepen, zag Rowland dat de vrouw gespannen naar het schip keek. Het was bijna alsof ze elk detail opnam om het in haar geheugen te griffen. Dan liepen ze over het dek en bracht hij haar naar haar kajuit. Normaal gezien werden reizigers altijd aan de ene kant van het schip ondergebracht bij de officieren. Omdat daar niet voldoende kajuiten waren om ook de dienstmeisjes onder te brengen, hadden ze hen aan de andere kant van het schip ondergebracht. Bovendien was de kajuit van de dame groter dan de andere kajuiten en dus beter geschikt voor een persoon van haar afkomst. Ze hadden een bed en een kastje geïnstalleerd en zelfs een klein tafeltje met twee stoelen. Als ze ooit iets nodig zou hebben, zei Rowland, dan moest ze maar op de deur hierover aankloppen. Daar sliep de bootsman, die zou haar dan wel verder helpen. In de tussentijd had de onderhandelaarster zich neergezet en begon ze haar sluier af te nemen. Rowlands adem stokte op dat moment, maar hij leek het zelf niet op te merken. Dat engelengezicht was helemaal niet wat hij verwacht had, integendeel, het was zoveel meer. Plots merkte hij dat Catherina hem aan het aankijken was. Haar veelkleurige ogen leken geamuseerd en Rowland realiseerde zich dat hij midden in een zin was afgebroken. “Sorry,” mompelde de anders zo praatgrage Welsh, “ik veronderstel dat u nu alleen wil zijn?” Een bekoorlijke glimlach overtuigde hem van het tegendeel. Op dat ogenblik kwam een van de dienstmeisjes binnen en Rowland maakte maar wat graag gebruik van de gelegenheid om er van door te gaan. Zodra hij de kajuit uit was, liep hij met twee treden tegelijk de trap op. Hij kwam bovendeks waar hij de oude zeerot Thomas kruiste. De man was met hun bootsman aan het spreken en groette Rowland vriendelijk. Dan liep Rowland terug onderdeks waar een aantal zeelui ongeduldig op hem zaten te wachten op zijn verslag. De maats sprongen enthousiast op toen ze hem zagen en nog voor hij tussen hen stond, wilden ze al weten wat voor passagierster ze aan boord hadden. “En? Hoe zit het er mee? Is het een mooie?” “Heeft ze lange benen?” “Ken je haar naam?” Rowland keek de rest een beetje onwennig aan omdat hij geen idee had waar hij moest beginnen. Hij gaf grif toe dat de onderhandelaarster niet helemaal was wat hij had verwacht, maar of hij haar daarom ook kon omschrijven was een andere zaak. “Rowland,” riep plotseling iemand. “Je hebt een heel spektakel gemist daarnet, terwijl je die griet naar haar kajuit bracht. We zaten ons allemaal aan haar te vergapen toen de bootsman voorbij kwam en ons over haar donsje hoorde praten. Verdorie joch! Ik heb ‘m nog nooit zo’n donderpreek horen afsteken! Ra-zend was hij!” “Ja,” grinnikte een ander, “wat hij zei kwam er ongeveer op neer dat hij ons allemaal persoonlijk de darmen uit het lijf zou rukken als we nog eens durfden te vuilbekken over onze ‘onderhandelaar’.” “Toe,” zei dan een van de zeelui,” tegen Rowland, “zeg ‘es, jij hebt ‘er gezien, hoe ziet ze d’eruit? Ze droeg die sluier en we hebben niks kunnen zien.” “Was het er een met puisten?” “Eerder met wratten,” lachte een ander, “waarom zou je anders een sluier dragen?” “Ze is een fijne dame,” zei Rowland om uiteindelijk toch maar iets te zeggen. “Ik dacht dat ze een burgerjuffer was, maar ik denk dat ze van veel betere komaf is dan dat.” “Een burgerjuffer? Dan sta je achter op de feiten. Ik heb horen zeggen dat ze de verloofde is van de kroonprins. Ik zeg het jullie, jongens, die juffrouw is niet eender wie. Het verwondert me niks dat de bootsman zo gepikeerd was omdat we dat juffertje zaten af te kammen. Ik denk dat de officieren heel bang zijn dat er iets met haar gebeurt en dat we maar beter ons gemak houden.” “Wat jij denkt boeit ons voor geen meter, Pien,” zei een van de zeelieden verveeld. “Dat we ons gemak moeten houden weten we ook wel.” “Nou,” verdedigde Pien zich, “blijkbaar vond de bootsman niet dat je gelijk had. Die nam dat geklets redelijk ernstig op.” Niemand interesseerde zich voor wat Pien te zeggen had en dus negeerden ze hem maar. “Ik denk dat de bootsman iets op z’n lever heeft liggen. De laatste week is hij nogal vlug op z’n staart getrapt en sinds hij heeft vernomen dat de onderhandelaar een vrouw is, is hij helemaal niet meer te houden.” “Zou hij schrik hebben om een vrouw mee te nemen? Denk je dat hij bijgelovig is, soms?” “Ben je gek? Weet je wel over wie je het hebt? Nee, maar als hij het zo te pakken heeft, betekent dat meestal dat er iets grondig mis is.” “Met die onderhandelaar?” vroeg Pien, maar niemand antwoordde hem. “Toen hij ons in Het Gat kwam halen, heb ik even met hem gesproken,” zei Rowland toen. “Hij zei dat dit de laatste opdracht ging zijn van de Megafor en ik geloof niet dat hij het positief bedoelde.” “Denk je dat hij rampen verwacht?” “Je kent hem: die kerel heeft een zesde zintuig.” “Wow…” Iedereen werd er even stil van. Zich met De Nechoir bemoeien was altijd met vuur spelen, maar als zelfs de bootsman het zwart inzag… Plots hoorden ze iemand de trappen afkomen en toen ze opkeken, zagen ze dat het de bootsman was. De man keek de zeelui donker aan alsof hem iets niet aanstond en dan zei hij: “We gaan afvaren, iedereen op z’n post.” Hij wou weer verdwijnen, maar de zeemannen hielden hem tegen. “Zouden we niet beter wachten?” “Het is een echte erwtensoep daarbuiten!” sprong Rowland bij. “Dat weet ik,” zei de bootsman, “maar ik vroeg niet om jullie mening, dus maak dat jullie op jullie posten staan of er gebeuren nog echt ongelukken.” En toen iedereen als versteend bleef zitten: “Hebben jullie me niet gehoord? Nu!” De mannen sprongen gehaast op en stommelden naar het bovendek. Maar ze hadden één regel aan boord van de Megafor waaraan niemand licht tilde: afvaren bij mist, betekende ongeluk tijdens de missie. Catherina zag Rowland haastig de deur achter zich toetrekken. Nog maar net had ze zich omgedraaid of er werd opnieuw aangeklopt. Catherina wist dat het een van de officieren zou zijn en dus opende ze vriendelijk de deur. Er bleken twee personen achter de deur te staan. De eerste was de kapitein van het schip: kapitein Paulis, een gezette vijftiger. De tweede was zijn eerste officier, Monsieur Damien. Catherina herinnerde zich dat Thomas haar had verteld dat beide oorspronkelijk marineofficieren waren geweest. Niet het type waar zeelui erg verzot op waren aangezien de marine stond voor discipline en straffen. Catherina veronderstelde dan ook dat de Megafor een goede bootsman had die de overmatige discipline van de marine wat temperde. Catherina vroeg aan de kapitein of ze de bootsman misschien later op de dag kon ontmoeten. Als ze dan toch tegenover hem zou slapen, dan kon ze maar best zo snel mogelijk met hem op goede voet staan. De kapitein zei dat hij hem later wel zou langs sturen en nodigde haar uit om later het middagmaal te komen nuttigen op het voorkasteel. Hij zou een van de dienstmeisjes de weg wel tonen. Catherina had in feite niemand nodig om haar uit te leggen waar het voorkasteel was, maar ze maakte geen bewaar. Om niemand voor het hoofd te stoten deed ze alsof ze het zonder de hulp van de kapitein niet zou redden. Ze wenste de kapitein een goede afvaart en de officieren vertrokken. Eens ze weg waren begonnen Catherina’s dienstmeisjes met uitpakken. Catherina had een enorme hoeveelheid aan bagage mee. Behalve de twee koffers die ze vandaag mee had genomen, waren er nog drie andere die ze al eerder had laten brengen. Het zou nodig zijn, dacht ze, want de reis zou meer dan twee maanden in beslag nemen, heen en terug, en twee maanden was een lange tijd. Haar vader had haar nooit meer dan een week willen meenemen op zijn schip en in haar herinnering was zelfs dat een enorm lange tijd geweest. Als ze terugdacht aan die korte reizen was het vooral de monotonie die het zwaarst woog. Dagenlang met dezelfde mensen op een kleine plaats met niks om te doen. Ze wist dat het haar aan het denken zou zetten. Over de laatste maanden, over Jean-Filip. Ze vroeg zich af of de reis haar dichter bij Jean-Filip zou brengen. Nu al miste ze hem enorm dus het viel niet te zeggen hoeveel meer ze hem zou missen eens ze hem beter zou leren kennen in haar gedachten. Ze zuchtte en vroeg zich af wat de tijd met hem zou doen. Zouden zijn gevoelens verminderen? Ze wist dat het heel reëel was. Hij was eerder zakelijk dan gevoelsmatig aangelegd. Ze voelde zich moe en vroeg haar dienstmeisjes om naar hun kajuiten te gaan. De laatste week had haar uitgeput. Ze had er voor moeten zorgen dat het hertogdom in goede handen was als ze weg was, ze had lange besprekingen gehad met de Bethune over de onderhandelingen en ze had zich moeten voorbereiden op de zeereis. Ze had het gevoel alsof ze honderd dingen tegelijk had moeten afhandelen en het belangrijkste was vergeten. Wat haar het meest bezig hield was Jago. Ze had willen uitpluizen wat er was gebeurd met hem nadat hij was verdwenen, maar de Bethune had haar de tijd niet gegeven. Catherina vroeg zich af of haar gesprek op het verlovingsfeest er iets mee te maken had. Daar had ze vermeld dat Jago's echte naam ‘Griffith Woolf’ was en dat leek de Bethune te hebben verrast. Catherina hoopte dat ze geen stommiteiten had uitgehaald want de laatste tijd was ze lang niet meer zo zeker dat de raadgever een verrader was. Catherina plofte neer op het bed. Ze was te moe om daar nu ook nog aan te liggen denken. Het was immers vroeg geweest vanmorgen en dat eiste zijn tol. Ze zuchtte diep en sloot haar ogen. Het zou nog een tijdje duren eer het middag was. Misschien kon ze in de tussentijd wat slaap inhalen. Slaap, dacht ze, dat leek een goed idee. En ze dommelde in voor ze het goed en wel doorhad… Ze had gedroomd, maar ze wist niet meer waarover. Ze wou grijpen naar haar deken omdat ze het koud had, maar zelfs dat leek niet te helpen. Ze voelde zich slaperig en wou weer opnieuw indommelen, maar nu ze eenmaal wakker was, lukte dat niet meer. “Mmmmh…” Ze zuchtte en kwam tot het besluit dat als ze niet meer kon inslapen, ze maar op moest staan. Straks… Ze luisterde naar de geluiden om haar heen en glimlachte omdat het gekraak en geklots zo bekend in de oren klonk. Ze had het leven aan boord van een schip gemist, ze had dit schip gemist. Ze geeuwde en rekte zich slaperig uit. Het moest al laat zijn, realiseerde ze zich plots. Ze kon dus maar beter uit haar bed komen voor haar dienstmeisjes haar kwamen halen voor het middagmaal. Straks zou ze van dat geschommel terug in slaap vallen en zou ze er niet uitzien in het gezelschap van de officieren. Ze keerde zich op haar rug en glimlachte. Schip… Maar terwijl ze zich loom omdraaide, merkte ze plots dat ze niet alleen was in haar kajuit. Met een kreet vloog ze het bed uit en greep naar het eerste het beste voorwerp binnen handbereik. Hij wou snauwend zeggen dat ze die kan moest laten staan, maar op dat moment kreeg hij ze al bijna tegen zijn kop. “Verd…” De kan miste de zwarte man rakelings. “Jij!” riep Catherina woest. Ze vloog op hem af maar nog voor ze iets kon doen, had hij haar arm al achter haar rug gedraaid en greep hij de andere gehaast vast. “Zou je me wel eens eerst iets willen laten zeggen vooraleer je m’n kop inslaat,” foeterde Griffith. Nog voor hij was uitgesproken, had ze zich al terug losgewerkt en kreeg hij een vuist tegen zijn gezicht. Hij voelde zijn kaak kraken en werd dan op zijn beurt kwaad. “Wil je nou verdomme eens kalm zijn!” brulde hij in haar gezicht en ze bleef geschrokken stilstaan. Hij liet haar los en wreef over zijn kaak. “Dank je,” zei hij nijdig. Ze keek hem lelijk aan. “Wat doe je in mijn kamer, Jago?” snauwde ze. “Hoe ben je aan boord geraakt en wat doe je hier?” Voorzichtigheidshalve ging hij buiten haar bereik staan. “Het is Griffith Woolf aan boord van dit schip. Ik ben hier de bootsman,” zei hij. “En ik ben je kamer binnengekomen omdat er niemand antwoordde toen ik aanklopte. Maar dat is nog geen reden om dingen naar iemands kop te gooien. Verdomd, Montfort, ontgroei je dat dan nooit?” Catherina opende haar mond en sloot hem dan weer. “Dat is onmogelijk!” zei ze verbluft. “Nee? Nochtans deed je dat ook al toen je nog een kind was.” “Daarover had ik het niet!” zei ze bitsig en ze keken elkaar scherp aan. “Hoe kan het dat je hier bootsman bent, Jago? Jij bent - was - de raadgever van de hertogin, niet de onbeduidende bootsman van een van haar schepen.” “Wees niet stom, wil je. Je vader heeft me opgeleid, niet? Ik vaar al langer met dit schip dan jij pap kan zeggen. Toen je vader het hoofd van de spionagedienst was, was hij in de eerste plaats ook kapitein van de Megafor. Hij liet me werken op het schip en toen er sprake was dat Thomas als bootsman moest worden opgevolgd, vroeg de kapitein het aan mij. Jago was een fictieve tussenpersoon die je vader voor mij maakte voor contacten tussen het slot en de Megafor. Pas later ben ik ook Jago geworden en heb ik me bij de hertogin geïntroduceerd als je vaders opvolger.” Catherina keek hem wantrouwend aan. Dat kon toch niet? Of wel? Ergens was het wel logisch. Ze had de zwarte man altijd geassocieerd met de Megafor en had verwacht dat hij na de dood van haar vader ergens op een schip aan de slag zou gaan. Maar waarom was hij dan bootsman gebleven nadat hij Jago was geworden? Omdat Jago een man was die liever een oogje in het zeil hield, dacht Catherina wrang. Dat had ze tenminste van Jean-Filip begrepen. Die had haar verteld dat Jago op tijd en stond mee naar Wails voer. Alleen had de jonge prins blijkbaar niet geweten dat de raadgever niet als hoofd van het spionagenet meeging maar als bootsman... “Zelfs als dat klopt - als - waarom ben je dan hier? En waarom was je verdwenen na de dood van de hertogin? De Bethune heeft me niks over jou gezegd.” “Denk je dat de Bethune je belangrijk genoeg vindt om je alles te zeggen?” “De Bethune zei dat hij niet wist waar je was,” antwoordde ze venijnig. “Dat was een week geleden,” pareerde de zwarte man. “Ik heb in die tijd Neyrelles spoor proberen te volgen. Pas toen ik het kwijt was, ben ik teruggekomen. Toen hoorde ik van je opdracht en ben ik naar de Megafor gekomen.” “En weet de Bethune nu dan waar je bent?” vroeg Catherina achterdochtig. “Ja, omdat hij mij heeft meegestuurd om u zo goed mogelijk te beschermen.” “Hebben ze je op het thuisfront niet meer nodig? Ik geloof geen woord van heel die historie, Jago.” Griffith grijnsde enkel boosaardig. “Zelfs al zou ik liegen, wat gaat u er aan doen, juffrouw Montfort? Want denk eens hieraan: we zijn op volle zee, de Bethune kan ons niet bereiken en er is niemand om uw beweringen te staven... Welke keuze hebt u?” “Ik zou een onderonsje kunnen hebben met de kapitein,” zei ze. “En wat zal dat uithalen?” vroeg hij spottend. “De kapitein kent me al heel lang en weet niks over mijn rol als Jago. Hoe geloofwaardig zou u overkomen?” “Misschien niet, maar ik heb nog altijd een troefkaart uit te spelen.” “Denkt u dat u dat kunt voordat mijn mannen u de mond snoeren? U vergeet even hoeveel macht een bootsman over zijn manschappen heeft.” “Je zou niet durven!” Hij keek haar provocerend aan. “Wilt u daarop wedden?” Catherina probeerde hem in te schatten. Als hij met de vijand heulde zoals ze dacht, dan zou hij inderdaad geen scrupules hebben om de vertegenwoordiger van de koning te vermoorden. “Wat stel je voor?” “Een bestand,” zei de zwarte man ernstig. “Ik ben hier om u te beschermen, maar als u probeert het me moeilijk te maken, dan beginnen mijn handen te jeuken. Hoe vreemd het u ook lijkt, we vechten tegen dezelfde vijand en we kunnen beter onze pijlen daarop richten dan op elkaar.” Catherina probeerde na te denken. Jago was aan boord van het schip, om wat voor reden ook, en dat betekende dat ze gedwongen was een maand met hem samen te leven. Er was een grote kans dat de Bethune niet wist dat de voormalige raadgever aan boord was, maar Catherina had er geen idee van wat ze er tegen kon doen. Hij had gelijk. Kapitein Paulis zou haar beschuldigingen nooit geloven omdat Griffith de ideale dekmantel had: bootsman op zijn eigen schip. “Hoe kan ik er zeker van zijn dat ik je kan vertrouwen?” vroeg ze. “Foei, juffrouw Montfort, moet u zo’n vraag nog stellen? Dat kan u niet. Maar laten we het zo stellen: het zou voor heel wat complicaties zorgen aan boord van dit schip als ik een lijk moet verklaren. En daar heb ik voorlopig geen zin in.” “Dus als ik uit uw buurt blijf, blijft u uit mijn buurt?” “Zo is het.” Catherina keek hem zuur aan. “Daar kan ik me wel in vinden.” “Mooi,” zei hij, “zullen we dit onderhoud dan maar afbreken? U wordt verwacht bij de officieren en ik wil hen niet langer laten wachten.” “Ik zou begeleid worden door een van mijn dienstmeisjes.” “Dat zullen zij ook doen de volgende keer. Vandaag zult u met mij genoegen moeten nemen.” Hij opende de deur van de kajuit. “Ik geloof trouwens dat u de weg kent...” Catherina zei: “Ik hoop inderdaad dat u me alleen vandaag zal vergezellen want van u, Griffith Woolf, wens ik nog geen vinger om te schudden.” Hij grijnsde en sloot de deur achter zich. “Wees niet bang. Een maand heen en een maand terug, is genoeg tijd om elkaar af en toe in de haren te zitten. Juffrouw Montfort…” Hij nodigde haar uit de trap op te gaan. “Vergeet niet dat ik recht tegenover u slaap. Als u iets nodig hebt, klopt u maar aan.” Ze moest volstaan met een boze blik. Er waren alles bij elkaar vijf officieren aanwezig in de mess toen Catherina binnenkwam. De andere officieren waren aan dek bezig met de bemanning. Tijdens het middageten informeerden de officieren beleefd naar haar achtergrond en ze vroegen of het echt waar was dat De Nechoir het hertogelijke slot zomaar was kunnen binnendringen. Ze maakte hen er attent op dat ze daar op dit ogenblik niet aan wenste herinnerd te worden en de officieren toomden wat in. Intussen bleef ze zich verbazen over Jago. Het was langs één kant vanzelfsprekend om hem hier aan te treffen. Haar vader had altijd gezegd dat hij Thomas' taken op de Megafor moest overnemen. Het was dus niet onverwacht dat hij hier bootsman was. Hoe hij naderhand ook de rechterhand van de hertogin was geworden, dat ging haar desondanks de pet te boven. “Twee jobs om beter rond te komen,” dacht ze wrang. Blijkbaar wist je nooit precies wat je aan die man had. Ze vroeg zich af wat er juist met Griffith was gebeurd na de dood van haar vader. Er zat een zwart gat tussen de dag dat hij uit hun kasteel was verdwenen en het moment dat hij aan het hertogelijke slot was verschenen. Verschillende jaren? Van Jean-Filip had ze altijd de indruk gekregen dat Jago al heel lang op het slot was, dus groot kon dat gat niet zijn. Neem een paar jaar. Wat was daarin allemaal gebeurd? Gewoon zijn voorbereidingen om het slot binnen te dringen? Ze wist het niet. Ze wist op niks het antwoord. Ze wist alleen dat het belangrijker was dan ze vermoedde en ze het antwoord moest proberen te vinden. “Mademoiselle?” “Mh?” De kapitein had zich tot haar gericht met een vraag. “Hoe gaat het met Monsieur Jago?” Catherina knipperde met de ogen. “Pardon?” “Kent u hem dan niet? Nochtans is dit zijn schip. Ik dacht dat het daarom was dat u met de Megafor wilde afvaren.” Catherina keek verveeld voor zich uit. Zeg me dat het niet waar is, dacht ze. Kon het echt zijn dat het schip dat haar het nauwst aan het hart lag, de persoonlijke eigendom was geworden van de man die ze het meest haatte? “De Megafor is van ridder Jago?” vroeg ze. “Ja,” antwoordde de kapitein, zonder Catherina's ergernis op te merken. “Ik weet dat het schip ooit aan uw vader heeft toebehoord en dat uw oom het later heeft verkocht. De precieze redenen ken ik uiteraard niet, maar ik dacht dat u wel wist dat het nu in bezit was van ridder Jago.” “Mijn oom heeft het me nooit verteld,” zei Catherina zuur. “Nee, uiteraard niet aangezien het om een staatszaak ging, maar ik dacht dat u het als verloofde van de prins wel zou hebben vernomen. Ik ging er van uit dat de hertogin u wel aan mijnheer Jago had geïntroduceerd.” “We hebben elkaar wel eens ontmoet,” zei Catherina terughoudend. “Ah, en kunt u ons dan zeggen wat voor man hij is? We hebben onze patroon nooit persoonlijk ontmoet, ziet u.” “Ik zie het. Maar ik kan u onmogelijk zeggen wat voor man hij is.” En ze voegde eraan toe: “Tenzij dat je nooit zijn ware gezicht kunt kennen. U hebt een vreemde patroon, capitain.” Die man had haar vaders schip ingenomen… Was er dan echt niks van haar vader dat hij niet had bezoedeld? “Hij is heel attent,” ging de kapitein verder. “Hij zou nooit het onmogelijke verlangen van de bemanning. Soms denk ik dat hij wel het hart van een zeeman moet hebben om bepaalde dingen te kunnen begrijpen.” Zou iemand haar tegenhouden als ze probeerde de kapitein nu af te schieten? “Ja… zeg dat wel. Bent u al lang kapitein van dit schip?” “Zo’n viertal jaren. Voor mij zijn er nog twee andere kapiteins geweest, maar die heb ik nooit gekend…” “Nee, natuurlijk niet. Wat voor opdrachten moet u allemaal uitvoeren?” “Meestal spionageopdrachten. Niet zo spannend als u zou denken, mejuffrouw. Meestal beperken we ons ertoe de rebellie in het noorden van Wails te voorzien van wapens. Voor de rest proberen we zo veel mogelijk informatie omtrent De Nechoir te verzamelen. Soms zijn er ook sabotageopdrachten bij, maar dat lieten we anders over aan de rebellen.” De kapitein was geflatteerd door haar vragen, maar Catherina twijfelde er niet aan dat niet hij maar Griffith de man was die alles coördineerde. “Ik zie het… Wilt u trouwens mijn complimenten doorgeven aan de kok, dit is een heerlijke maaltijd.” “Ah, je moet een vrouw zijn om zoiets op te merken. Ik zal het doorgeven. Helaas zal het vanaf nu heel wat minder worden, want we kunnen niet altijd even spilziek zijn met onze voorraden.” “Ik weet dat we op zee zijn, kapitein…” Op dat moment werd er aangeklopt. “Binnen,” zei de tweede officier. Een zeeman stak zijn hoofd binnen en zei: “Kapitein, de eerste vraagt u even aan dek.” “Is het dringend?” vroeg de kapitein. “Het is in verband met een koerswijziging, mijnheer,” antwoordde de zeeman. Met een zucht legde de kapitein zijn servet neer. “Goed dan, zeg mijnheer Damien dat ik er aan kom, Renard.” De kapitein wendde zich tot zijn gast, maar Catherina lette op dat ogenblik niet op hem. Ze keek met gefronste wenkbrauwen naar de zeeman in de deur en vroeg zich af of ze hem nooit eerder had gezien. Dat gezicht zei haar iets… De zeeman merkte plots op dat ze naar hem aan het staren was en schrok wat terug. Hij verdween achter de deur, mompelde iets tegen de kapitein en maakte zich uit de voeten. De kapitein vroeg Catherina hem te excuseren en de rest van de officieren nam de conversatie weer op. Renard, had ze die naam niet eerder gehoord? Toen ze terug naar haar kajuit ging, liep ze toevallig op Thomas. Ze trok een lang gezicht naar hem en hij grijnsde. “Ik mag daaruit afleiden dat je Griffith hebt gezien?” vroeg hij. “Je had me wel een waarschuwing kunnen geven,” mopperde ze terwijl ze uit het zicht van de bemanning gingen staan. “Ik wist het niet,” lachte hij, “echt waar niet. Ik heb Griffith niet meer gezien sinds de dood van de hertogin en ik had niet gedacht dat hij mee zou varen op deze missie.” “Als zelfs jij al niet wist dat hij zou meevaren, wat belet me dan te denken dat hij iets te verbergen heeft?” “Ach wel nee,” suste Thomas, “Griffith vertelt me gewoon niet altijd alles.” “En jij vertrouwt hem evengoed?” zei Catherina. Thomas lachte weer. “Griffith is niet iemand die zo snel iemand in vertrouwen neemt. Laten we stellen dat, op een vertrouwensschaal van één op tien waarbij tien de maximum score is, ik een waarde van één heb en de rest van de wereld nul. Wat er op neerkomt dat hij me zelden of nooit iets vertelt.” “Hemel, en toch blijf jij in hem geloven! Thomas, als jij mij nu was en ik jou, zou je me een uitbrander geven dat m’n oren ervan beginnen tuiten.” Thomas keek haar met pretoogjes aan. “Jullie gunnen elkaar echt het licht in de ogen niet, is het niet?” Catherina keek hem giftig aan. “Thomas, ik vertrouw die man niet,” zei Catherina. “Er is zoveel dat geen steek houdt. De Bethune weet niet dat hij hier is. Bovendien betwijfel ik of de Bethune wel ooit geweten heeft dat Griffith hier bootsman is. En dat is het niet alleen. Waar was hij, de nacht dat de hertogin stierf? Hij moest voor Jean-Filips veiligheid zorgen maar toen Neyrelle De Nechoir hem uit zijn kamer ontvoerde, was hij spoorloos verdwenen. Nee! Nee! Begin niet met excuses,” zei Catherina toen ze zag dat Thomas iets wou opwerpen. “Je beschermt hem al veel te lang en ik wil het allemaal niet meer horen. De laatste keer dat je me zei dat ik mijn mond moest houden, draaide het er op uit dat hij Jean-Filip vernederde. Ik haat die man, Thomas! Ik begrijp niet waarom hij van naam is veranderd, wat hij op dit schip doet... waarom hij me als vrouw voor Jean-Filip koos. En laat me vooral niet over het laatste beginnen!” Thomas grinnikte. “Mag ik ook nog iets zeggen?” Catherina keek hem aan alsof ze hem ging neerbliksemen. Hij lachte en werd terug ernstig. “Catherina, ik weet soms ook niet waarom hij de dingen doet die hij doet. Wat ik je wel kan vertellen, is dat hij tot hetzelfde kamp hoort als wij. Je vader koos hem als opvolger omdat hij in hem geloofde en omdat Griffith de kwaliteiten had om zijn taak over te nemen. ‘Jago’ was een fictieve figuur die door je vader werd gemaakt als een soort tussenpersoon tussen hem en de hertogin zodat niemand het verband tussen hen kon leggen. Toen de kapitein stierf, bleef Griffith gebruik maken van de Jago figuur. Hij liet Jago de Megafor overkopen van je oom en herorganiseerde het spionagenetwerk ook in zijn naam. Griffith werd bootsman aan boord van de Megafor en liet de hertogin opdrachten geven aan het schip via Jago. Hij werd alleen geen kapitein zoals je vader omdat hij niet van Lenioonse adel was en bijgevolg geen hoge officier kon worden. Toen de hertogin te kennen gaf dat ze Jago wilde leren kennen, werd Griffith tenslotte ook Jago. Hij heeft haar nooit zijn echte naam verteld om redenen waar ik liever niet op inga. Aangezien de Megafor het centrum was van de belangrijkste opdrachten in Wails, bleef hij ook bootsman aan boord van het schip. Hij vaart wel niet altijd mee. De Megafor heeft geen vaste bootsman dus moet hij niet altijd mee. Op die manier kon hij Jago blijven, maar ook aanwezig zijn tijdens de belangrijkste missies. En omdat hij zijn identiteit als Jago niet kon blootgeven, zijn er ook geen andere mensen aan boord van dit schip die weten dat Jago en Griffith dezelfde persoon zijn... Wat Jean-Filip betreft: ik weet dat Griffith alles in het werk heeft gesteld om hem te beschermen. Ik weet het omdat ik hem de bevelen heb zien geven voor het feest begon. En ik weet ook waarom hem dat niet gelukt is. Want ik heb de hele avond naast zijn bed gewaakt omdat hij net als de hertogin vergiftigd was terwijl Neyrelle haar gang ging.” Thomas legde zijn handen op haar schouders. “Luister, ik weet dat je hem niet vertrouwt en dat het allemaal wat ongeloofwaardig klinkt, maar ik ken die jongen al heel lang en ik weet dat hij aan jouw kant staat. Als het echter te moeilijk is om hem te vertrouwen, vertrouw dan op mij en probeer het hem niet te moeilijk te maken. Mettertijd zal je me wel leren geloven.” Catherina keek hem onwillig aan en zuchtte dan. “Al goed, ik zal me inhouden, maar alleen maar omdat ik jou niks kan weigeren.” Hoofdstuk 3 De eerste dag was voorbij gegaan en Catherina kwam met een van haar dienstmeisjes naar boven om een luchtje te scheppen. Het was de eerste keer dat de bemanning haar echt kon bekijken en sommige zeelui legden letterlijk het werk neer om het blonde meisje aan te gapen. De bootsman foeterde dat ze beter hun ogen in hun zakken hielden en de zeelui zetten zich haastig weer aan het werk. Rowland voelde zich nog niet zo snel geïntimideerd. Van zodra de bootsman zich omdraaide, dook hij op naast Catherina en gaf hij haar een brede glimlach. “Gedag, mejuffer, “ zei hij opgewekt en hij maakte een potsierlijke buiging. Het dienstmeisje naast Catherina keek hem vies aan en zei: “Scheer u weg. Hoe waagt u het de prinses aan te spreken. Moet ik de kapitein roepen?” Maar Catherina gebaarde dat ze geen moeite moest doen. De Welsh kwam haar sympathiek over en het stoorde haar niet dat hij van een lagere klasse was. Als kind had ze dikwijls tussen de zeelui gespeeld dus hechtte ze weinig belang aan protocol. “Jij bent de Welsh,” zei ze. Hij glunderde en antwoordde “Jawel, net als de bootsman van de overkant van de zee.” “Wat is je naam?” “Rowland, Miss. Rowland Rowland.” “Ben je al lang aan de slag op de Megafor?” “Och, een paar jaartjes. Ik wilde mijn land helpen en ik ontdekte dat ik dat het best deed in dienst van het Lenioonse koningshuis.” “Werd je in Wails geronseld?” “Nee, in Lenion. Ik was de ellende in Wails beu en stak de zee over in de hoop dat ik er werk zou vinden. Ik kwam toevallig de bootsman tegen in een kroeg en hij heeft me aangeboden om voor Jago te gaan werken. De bootsman kent een goede zeeman als hij er een ziet en wilde me er onmiddellijk bij hebben, begrijpt u.” Haar gezichtsuitdrukking veranderde zelfs niet. Catherina zag Griffith voorbij komen. “Ik begrijp het…,” zei ze. “Hij is een goede bootsman,” babbelde de Welsh verder. “Hij weet wat iemand waard is en hij is goed voor de bemanning. Als we uitvaren dan heb ik het liefst van al hem als bootsman maar dat wisselt nogal eens.” Hij merkte op dat ze er niet op in wilde gaan. Ze staarde slechts voor zich uit en hij wist een ogenblik lang niet wat hij er van moest maken. “Begrijp me niet verkeerd, Miss, hij is echt de beste. Ik zeg het niet omdat hij met minder straffen zwaait dan de kapitein, maar omdat ie goeie discipline houdt.” “Daar twijfel ik niet aan, mijnheer Rowland,” zei ze en dan, met moeite: “Ik praat gewoon niet graag over hem…” De Welsh krabde achter zijn oren. “U mag hem niet graag, nietwaar?” mompelde hij. Catherina kon moeilijk het tegendeel beweren. “Wees niet te hard voor hem. Normaal gezien is hij niet zo onhandelbaar. Het is gewoon… dat hij bang voor u is.” Ze keek hem verwonderd aan en glimlachte toen zwakjes. “Dat zou me heel erg verbazen, mijnheer Rowland, heel erg,” en ze deed er het zwijgen weer toe. Even wist hij niet meer wat zeggen. Ze zag er ook zo triest uit. “Mist u uw prins erg?” Hij zag haar gezicht even veranderen van uitdrukking en hij wou onmiddellijk dat hij zijn mond had gehouden. “Het toont, is het niet?” zei ze. “Maar ik kan er niet aan doen. Ik kan maar niet stoppen met me af te vragen waar hij is en wat er met hem zal gebeuren als de onderhandelingen mislukken.” “O, ze zullen niet mislukken,” probeerde Rowland haar gerust te stellen. Ze keek hem ernstig aan en hij wist dat ze zich niks liet wijsmaken. “Marcos De Nechoir lijkt me geen man te zijn die je zomaar kan ompraten,” zei ze ernstig. “Ik denk niet dat hij wil onderhandelen: hij wil deze oorlog en hij wil hem winnen. Maar het probleem is dat het me niet duidelijk is waarom hij dan deze onderhandelingen wil.” Ze keek Rowland doordringend aan. “Hij is iets aan het plannen,” zei ze, “en ik kan maar niet achterhalen wat.” De zeeman kon haar niet met dat probleem helpen. Als zij het nog geeneens wist, wat zou hij het dan wel weten? “Ik veronderstel dat we het pas te weten zullen komen wanneer we in Verona aankomen.” “Het is in ieder geval een goed teken dat we met dit schip reizen…” “Waarom dat?” vroeg Rowland. “Oh…,” zei ze, “het heeft mijn vader veel geluk opgebracht… Mijn vader was kapitein Montfort, degene die dit schip heeft laten bouwen. Het heeft hem veel roem opgeleverd. Daarnaast heeft het ook vele keren zijn leven gered toen hij in dienst van het koningshuis spioneerde in Wails.” Rowland keek verrast op. “Uw vader was spion? Ik bedoel: iedereen kent kapitein Montfort wel van naam, maar ik wist niet dat hij ook voor het koningshuis heeft gewerkt.” Catherina knikte. “Mijn vader was de voorloper van Jago. Hij is degene die het spionagenetwerk heeft opgestart.” Rowland leek niet over zijn verbazing heen te komen. “Dat wist ik niet. Ik denk eigenlijk dat niemand aan boord het zelfs weet. Wanneer was dat dan?” “Hij stierf zo’n tien jaar geleden. Maar hij voer al veel langer met dit schip. Ik geloof dat hij de organisatie zes jaar lang heeft geleid.” “Allemachtig, wat een mens allemaal bijleert. Nou ja, niemand aan boord werkt hier al zo lang dus weet niemand iets van de voorgeschiedenis af. In feite dacht ik zelfs dat we pas zo’n goeie acht jaar bezig waren. Hoe stierf je vader?” “De Nechoir doodde hem,” zei ze zacht. Rowland floot tussen zijn tanden. “Toen al? Ik dacht dat het maar de laatste jaren was dat De Nechoir overhoop lag met Lenion.” “Nee… Het is oud leed…” “Moet zijn… Vreemd… Ik denk niet dat iemand hier uw vader kent…” “Ze zeggen dat u ridder Jago kent. Hoe ziet hij eruit?” “Hoe komt het dat niemand van jullie hem kent?” “Bof, waarom zouden we hem moeten kennen? Alle opdrachten komen via Thomas, de bootsman of Renard bij ons, meer mensen komen er niet bij te pas.” “Renard?” Plots hoorden ze geschreeuw. Ze keken naar het achterkasteel en zagen enkele zeelui over en weer lopen. “Er is iets gebeurd,” zei Rowland bedenkelijk. Hij liep snel naar het achterdek met Catherina in zijn zog. “Wat is er aan de hand?” vroeg Rowland. “Iemand is tussen het roer gevallen…,” antwoordde een zeeman. “Waarom werkt het roer niet?” foeterde de bootsman die op dat moment net het achterkasteel beklom. “Binnen het kwartier moet het schip kunnen draaien of we zitten midden tussen de zandbanken.” “Het roer is geblokkeerd, bootsman,” zei Brel terwijl hij zenuwachtige blikken op het roer wierp. “Oké, jij, jij en jij, vaart afremmen. Werp het anker van mijn part uit,” zei de zwarte man en dan weer tegen Brel: “Waarom zit het vast?” Brel wees naar beneden: “Iemand is er tussen gevallen. Ze waren aan het werken aan de spiegel en de touwen moeten plots zijn losgeraakt.” Griffith wierp gehaast een blik over de reling en vloekte. Hij kon zien dat een man tussen het roer was gevallen. Hij hing nog aan een touw vast, maar omdat de kabelbrug ook een stuk naar beneden was gevallen konden ze hem er niet mee ophalen. De kabelbrug bungelde tegen de spiegel en leek elk moment te kunnen vallen op de man. Zeelui waren al bezig om de kabelbrug op te hijsen, maar dat zou veel te lang duren. Ze moesten de man nu tussenuit het roer halen of ze zouden niet kunnen keren. “Is hij bij bewustzijn?” vroeg Griffith. “Nee bootsman, we hebben geprobeerd hem te roepen, maar hij beweegt niet.” Griffith probeerde te zien met welk touw de man vasthing. Eén touw hing te strak om van de kabelbrug te zijn dus was dat wellicht het touw waar de man aan vasthing. Griffith zag dat het achter een haak vastzat en wurmde zich tussen de spijlen om het te grijpen. Te ver… Hij geraakte niet ver genoeg door de spijlen. Zo kon het niet… Konden ze iemand naar beneden laten gaan? De kabelbrug hing in de weg. Tegen de tijd dat ze daar voorbij geraakten, zouden ze allang zijn vastgelopen op de zandbanken. Als ze de man niet konden ophalen, dan zouden ze hem op een andere manier tussenuit het roer moeten krijgen... “Een bijl…” Met een bijl kon hij de man loshakken en zou hij tussenuit het roer vallen. “Rowland haal me een bijl.” Rowland bleef als versteend staan. “Maar… dan verdrinkt hij!” Met een sprong vloog Griffith op Rowland af en schudde hem dooreen. “Denk je soms dat we een keuze hebben,” snauwde hij. “Maar, sir…,” zei Rowland geschrokken. “Mond dicht! Met wat geluk komt hij terug bij in het koude water en kunnen we hem oppikken met een sloep. Nu, haal me die bijl!” “Nee, dat kunt u niet doen!” riep Rowland uit en wrikte zich los uit zijn greep. Andere mannen waren op het platform gekomen en keken de bootsman met even onthutste ogen aan. “Als hij valt, sterft hij. Hij is niet bij bewustzijn.” Griffith keek hen stuk voor stuk woest aan terwijl de tijd voorbij tikte. “Verd…” Als het zo zat. En hij stormde weg om zelf de bijl te gaan halen. De manschappen keken hem ontsteld na. Dat zou het doodvonnis betekenen voor de zeeman. Catherina keek naar beneden, zag de touwen die toevallig waren vastgeraakt aan een haak en zag dat ze inderdaad het enige waren dat de man uit het water hield. Rowland keek ook over de reling en zag dat de haak op iets meer dan een armlengte van de reling zat. Hij probeerde een oplossing te bedenken, maar voor niks was er nog tijd. Op dat ogenblik kwam de bootsman terug. In zijn hand hield hij een bijl. “Bootsman nee,” zei Rowland dringend. “Je kan het niet doen.” De bootsman keurde hem nog geen blik waardig en wilde neerknielen bij de spijlen. “Bootsman, het is Renard daar beneden!” riep Rowland uit in een laatste wanhopige poging. Even aarzelde de bootsman en keek hij over zijn schouder. “Je kent hem,” zei Rowland, “hij is je vriend.” Hij kon toch niet iemand de dood insturen die hij kende. Toch? Maar dan zag Rowland de blik op het gezicht van de bootsman en hij zag dat hij een steen van zijn hart maakte. Griffith wist dat hij geen keuze had als hij het schip wilde redden. Op dat moment kwam ook de kapitein aanstormen. “We gaan de zandbanken raken,” riep hij schril. “Maak dat roer vrij!” Griffith negeerde hem. Er moest een klok zijn in zijn hoofd die hem vertelde hoeveel tijd ze nog hadden. Iedereen keek roerloos toe terwijl de zwarte man zo ver mogelijk tussen de spijlen probeerde te wringen. De afloop was onvermijdelijk geworden. En net op dat moment, toen niemand nog durfde te protesteren, klonk het zacht: “Doe het niet, Woolf…” Met een ruk sprong Griffith overeind. “Is het nu haast gedaan!” schreeuwde hij in Catherina’s gezicht. De bijl hing dreigend tussen hen in, maar Catherina negeerde ze. Ze keek de bootsman kalm aan en liet zich niet intimideren. Zijn ogen bliksemden en zijn knokkels werden wit rond de bijl. Iedereen hield de adem in alsof het nog maar een kwestie van seconden was vooraleer de bootsman haar zou neerslaan. “Woolf,” fluisterde ze toen ingehouden, “het interesseert me niet hoe, maar je zult die man naar boven halen.” Griffith keek haar aan alsof hij haar ter plekke zou vermoorden. Een seconde verstreek, een tweede. En dan zwaaide hij plots met vol geweld de bijl boven zijn schouder en nog voor iemand Catherina had kunnen wegtrekken, belandde het staal diep in het hout naast haar voeten. “Haal touwen,” zei hij dan tegen een zeeman naast hem. De zeeman spurtte weg. De rest kon enkel afwachten. Al die tijd bleef Griffith haar ijskoud aankijken. Catherina had het gevoel dat hij nooit meer zou bewegen. Dan kwam de zeeman terug met de touwen. Hij nam de touwen en wrong zich tussen de spijlen. Hij moest een heksentoer doen om aan de haak te raken waar de touwen nog aan vasthingen, maar geraakte er uiteindelijk wel aan. Hij schoof het touw onder de haak, tussen de andere touwen door en legde er voor alle veiligheid nog een extra knoop in. “Oké, haal hem op,” beval Griffith toen en hij kwam tussenuit de pijlen. Hij keek toe hoe een paar mannen Renard zo ver mogelijk ophaalden met het touw en gebaarde te stoppen toen hij onder de kabelbrug hing. Het roer was nu terug vrij en Griffith gaf een schrille fluittoon. Kapitein Paulis schreeuwde dat ze overstag konden gaan en even later helde het schip naar bakboord. Eens duidelijk was dat ze Renard nu wel alleen naar boven konden krijgen, verdween Griffith weer van het toneel. De zeelui begonnen weer met het takelen van de brug en een half uur later was Renard bevrijd uit zijn ongemakkelijke positie. Catherina keek toe hoe ze Renard uiteindelijk over de reling tilden. De zeeman was bewusteloos en was er vrij slecht aan toe. Catherina zag dat hij een gekneusde rib had en een grote jaap boven zijn oog, dus moest hij dan ook direct worden verzorgd. Catherina vroeg waar de scheepsdokter was, maar de zeelui zeiden dat het geen zin had hem te halen. Toen Catherina verder doorvroeg vertelden ze haar dat de man recentelijk aan de drank was geslagen. Daardoor was het duidelijk dat er momenteel niemand was om Renard te behandelen. Catherina nam daarop het heft in eigen handen en beval de zeelui om Renard naar de ziekenboeg te brengen. Toen haar dienstmeisjes beseften dat ze van plan was om Renard zelf te verplegen, protesteerden ze. Catherina wilde evengoed van geen wijken weten. Dokter Derache had haar voldoende opgeleid om dit soort kneuzingen te behandelen, dus vond ze het haar plicht om bij te springen. Aangekomen in de ziekenboeg begon ze Renard te verplegen. Een paar zeelui keken verbaasd toe vanuit de deuropening, maar Catherina negeerde het. Terwijl ze Renards hoofdwonde naaide, werd ze voor de tweede keer getroffen door het gezicht van de zeeman. Hij was haar gisteren in de mess ook al opgevallen, maar ze kon niet zeggen waarom. Omdat ze maar niet kon achterhalen waarom zijn gezicht haar iets zei, liet Catherina het tenslotte maar voor wat het was. Uiteindelijk: wat deed het er aan toe of ze de zeeman al dan niet kende? Ook de volgende dagen nam Catherina de verpleging van Renard op zich. Dat moest ook wel want de dokter zelf leek er weinig zin in te hebben. Af en toe kwam hij wel eens langs, maar meer dan mompelen dat het goed was, deed hij niet. Hij leek ook niet in staat te zijn om veel te doen, gezien de drankwalm die hem altijd omringde. Ook de dienstmeisjes van de prinses hadden zich er bij neergelegd dat Catherina de zorg voor de zeeman op zich had genomen. Uiteindelijk deed Catherina het goed en bovendien waren er wel meer edelvrouwen die aan ziekenzorg deden. Dat haar patiënt tot een geheel andere klasse behoorde, negeerden ze voorlopig maar. Wat de dienstmeisjes wel tot wanhoop dreef, was de aandacht van de andere zeelui voor Catherina. De zeelui hadden van Rowland gehoord dat de prinses een echte dokter was. Ze probeerden dan ook voortdurend om tot bij Renard te geraken zodat ze het zelf konden zien. De dienstmeisjes deden er alles aan om de 'ongure' mannen uit de buurt van de prinses te houden, maar gezien Catherina zelf weinig moeite deed om hen weg te jagen, lukte dat nauwelijks. Catherina had er absoluut geen probleem mee dat er af en toe een nieuwsgierige zeeman zijn neus voorbij de deur stak. Soms begon ze zelfs met zo'n zeeman te praten, tot grote verbijstering van de meisjes. Die konden maar niet begrijpen dat iemand in Catherina's positie zich zelfs verwaardigde om een zeeman een blik te gunnen, laat staan er een gesprek mee aan te knopen. Toen ook nog eens bleek dat de prinses geen nood had aan een escorte, waren de dienstmeisjes helemaal van hun melk. Catherina kon soms in een opwelling beslissen om haar kajuit te verlaten om naar de ziekenboeg te gaan. Ze liep dan zonder enige begeleiding over het dek terwijl daar - volgens de dienstmeisjes - toch wel veel gevaarlijk volk rondliep. Naarmate duidelijk werd dat Catherina zich niet aan banden liet leggen, begonnen de dienstmeisjes te beseffen dat het misschien niet nodig was om zich zorgen te maken. De zeelui bleken een grenzeloos respect te hebben opgebouwd voor Catherina en er was geen haar op hun hoofd dat er aan dacht haar iets te misdoen. De bemanning droegen Catherina op hun handen, dus begonnen de dienstmeisjes na enkele dagen te kalmeren. Catherina trok er zich weinig van aan dat ze haar dienstmeisjes de stuipen op het lijf joeg. Ze had al heel snel begrepen dat ze niks te duchten had van de zeelui en dus wist ze dat ze zich niet druk moest maken. De bemanning van de Megafor bestond uit mannen die op hun degelijkheid waren geselecteerd en die dus per definitie hoogst betrouwbaar waren. Het zag er dan ook niet naar uit dat Catherina zich aan veel verrassingen moest verwachten... Catherina kwam die dag zoals gewoonlijk weer even langs om te zien hoe het met haar patiënt ging. Ze had haar dienstmeisje weggestuurd en begon over koetjes en kalfjes te spreken met Renard. De zeebonk was zoals altijd wat verlegen in haar buurt, maar Catherina slaagde er uiteindelijk in om hem aan het praten te krijgen. Ze waren eigenlijk over niks concreet aan het spreken toen Renard plots zei dat hij hoopte dat ze nog gelukkig zou worden in haar verdere leven. “Oh,” glimlachte Catherina terwijl ze hem beter onder de lakens stopte, “dat zal afhangen van een zekere Marcos De Nechoir. Ik denk niet dat hij erg geïnteresseerd is in mijn persoonlijk geluk.” “Dat moet u niet zeggen, juf,” zei Renard ernstig, “u zult zien: alles zal goed aflopen.” “Misschien… Ik hoop het tenminste.” Ze zwegen even en Renard keek even peinzend voor zich uit. “Vreemd om nog eens een Montfort aan boord van de Megafor te hebben,” mompelde hij tegen zichzelf. Catherina had het gehoord. “Ben je getrouwd?” vroeg ze. “Met zo’n leven?” antwoordde Renard. “Nee, bedankt. Er zijn er die een vrouw en jong hebben, maar dat zou ik niet kunnen. Te veel risico. Het verdient wel goed, daar niet van, maar ik zou geen familie kunnen achterlaten als er iets gebeurt…” “Werk je al lang voor de hertogin?” “Och, zo’n vijf jaar schat ik....” “En werk je enkel op de Megafor of ook in Lenion?” “Jago heeft zijn eigen groep van mannen in Lenion. Soms worden we wel eens gevraagd voor opdrachten in Lenion, maar meestal doen we ons werk in Wails.” “Doe je dat wel eens? Opdrachten in Lenion?” “Soms, maar niet dikwijls. We zijn beter op zee veronderstel ik.” “Heb je wel opdrachten uitgevoerd voor de hertogin in Lenion voordat je op de Megafor begon?” “Nee, ik ben direct op de Megafor begonnen.” “Hoe worden jullie eigenlijk geronseld?” vroeg Catherina dan. “Is dat ook via de bootsman zoals op andere schepen?” “Nee, we zoeken zelf onze mensen. Maar de bootsman is wel degene die het laatste woord heeft. Hij is degene die de manschappen uiteindelijk kiest.” “Ken je Rowland?” “De Welsh? Kan moeilijk zeggen van niet, het is een klein schip. Maar we zitten niet vaak bij elkaar als het dat is wat u bedoelt.” “Ik dacht dat jij Welsh was.” “Ik?” lachte Renard. “Zie ik er zo uit?” “Nee, niet echt,” antwoordde Catherina, “ik weet het niet. Misschien vanwege de naam…” “Mijn naam? Die klinkt toch niet echt Welsh?” Ze knikte. “Nee, je hebt gelijk.” Ze zette het dienblad even op de grond en veegde haar handen af. “Heb je de kapiteins gekend die voor Paulis op de Megafor hebben gewerkt?” “Nee, zoals ik al zei, ik werk hier nog maar vijf jaar op de Megafor. De vorige kapiteins heb ik nooit gekend.” Plots daagde Renard iets en keek hij vliegensvlug op naar Catherina. Ze had gedaan alsof er niks aan de hand was, maar dan begreep hij waar ze naartoe wilde met al haar vragen. Hij had Montfort vernoemd. De eerste kapitein van de Megafor. En die kon hij niet kennen. Niet als hij pas vijf jaar geleden op de Megafor was begonnen. Zijn verstomming deed haar realiseren dat er iets mis was. Ze keek op en hun blikken kruisten elkaar. Dat moment bevestigde al haar vermoedens en angsten. Ze hadden elkaar al eerder ontmoet. Catherina wilde wegrennen om alarm te slaan, maar Renard was sneller. Nog voor ze de deur kon opentrekken, was Renard uit zijn bed getuimeld en greep hij haar bij de enkel. Catherina ging onderuit en ze smakten op de vloer. Een korte worsteling ontstond waarbij Renard vruchteloos probeerde te voorkomen dat ze zou roepen. Maanden geleden. Een man in een donkere steeg die haar een brief gaf. Een andere man die Fox heette en haar achtervolgde. Griffith zei dat hij hem had vermoord! Griffith en Renard, twee handen op een buik, had Rowland gezegd. Ze schreeuwde en sloeg Fox tegen de neus. Ze was nooit gered geweest door Griffith! Hij had de spion laten gaan omdat hij zijn eigen handlanger was! De brief ging over hem! Griffith was de verrader waar ze naar hadden gezocht! En dan op hetzelfde ogenblik dat ze zich wist te bevrijden, vloog de deur open en stortte ze zich in de armen van de man die op haar hulpgeroep was afgekomen. “Red me!” en ze wist dat ze veilig was. Fox kon niks meer beginnen… “Griffith hou haar tegen,” riep Fox, “ze weet het van Neyrelle!” Verbijsterd keek ze op. Peilloze zwarte blik. Ze wou zich losrukken, maar Griffith begreep het onmiddellijk. Snel gooide hij de deur achter zich dicht en snoerde haar de mond voor ze opnieuw om hulp kon roepen. Toch wist ze zich los te wringen. Even was hij haar kwijt. Ze greep de deurknop vast en draaide. Met een ruk greep hij haar bij de arm vast en keilde haar op het bed. De smak kwam zo hard aan dat ze wezenloos van schrik bleef zitten. Ze zag hem zijn mes trekken en krabbelde nog meer tegen de scheepswand aan. “Sir, nee!” schreeuwde Renard. Ze perste haar ogen dicht om het mes niet te hoeven voelen. “Vuil kreng!” Het scherp van het mes raakte haar keel. Maar hij drukte niet door. Ontzet opende ze terug de ogen. “Open je mond maar een beetje en ik vermoord je. Begrepen?” Ze begreep het, begreep het, het mes. Ze knikte beangstigd. Hij keek haar diep in de ogen aan en knikte dan. “Heel goed,” zei hij donker, “dan zullen we eens praten over wat dit allemaal te betekenen heeft. Fox?” Renard kwam aarzelend naast zijn meester staan. Zonder hem aan te kijken vroeg Griffith bars: “Wat heb je haar gezegd? Heb je ons verraden?” “Ik… ben bang van wel, sir.” “Wees dan niet bang, Fox,” snauwde Griffith, “want ik maak je af als een hond als je zo stom hebt kunnen zijn.” Renard deed een stap achteruit. “Ze… ze moet me plotseling herkend hebben.” Griffiths ogen vernauwden. “Misschien… Misschien niet. Dus ze weet het nu, nietwaar, van ons en Neyrelle. Altijd vermoed, maar nooit zeker geweest. Ik wed dat je me met plezier zou hebben verlinkt bij de Bethune als je in Lenion was geweest. Spijtig voor jou zijn we niet meer in Lenion, maar op zee, waar niemand je kan komen redden…” Catherina keek hem met grote bange ogen aan en kroop verder weg. Maar plots haalde hij het mes van haar keel weg en stond hij op. Verbaasd keek Catherina hem aan. “Kijk me niet zo aan,” bromde Griffith, “of dacht je soms echt dat ik je zou vermoorden? De Bethune kan me nu toch niet achterna komen om me een kopje kleiner te maken, dus wat maakt het uit of je hem een bericht weet te versturen of niet? Bovendien is er ook het kleine detail dat de Bethune het al weet. Door je verdachtmakingen dacht de Bethune dat ik iets te maken had met de dood van de hertogin en wilde hij me laten arresteren. Ik vluchtte en dook onder op de Megafor omdat het de enige manier voor me was om het land ongezien uit te vluchten. Onnodig dus te zeggen dat ik al gepromoveerd ben tot staatsvijand nummer één en dat ik voorlopig niet meer naar Lenion zal terugkeren.” Catherina staarde hem aan. “Je bent veilig,” zei Griffith nadrukkelijk, “de Bethune weet toch al dat ik samenwerk met Neyrelle.” “Je zal me niks doen?” vroeg Catherina onzeker. “Daar is geen reden voor. Aan boord van dit schip ben ik nog enkel een bootsman.” Catherina ontspande, maar keek nu met andere ogen naar de man in het zwart. “Maar als je aan de kant van Neyrelle staat, ben je de vijand van mijn land?” “Nee, niet de vijand,” maar dan stopte hij en haalde hij de schouders op. “Het doet er niet aan toe… Denk wat je wilt, maar weet alleen dat ik je geen kwaad wil doen.” Griffith wou zich omdraaien, maar Renard keek hem onzeker aan. “Maak je geen zorgen,” zei Griffith tegen hem, “als wij haar de keel niet komen oversnijden ‘s nachts, zal zij het bij ons ook niet komen doen.” “Maar sir,” herhaalde Renard, “zouden we haar niet beter de waarheid vertellen?” Nu keek Griffith, Catherina met wat meer aandacht aan. “De waarheid? De waarheid is een bittere grap en ik betwijfel of ze die wel zou geloven.” Maar dan bedacht hij zich. Misschien deed de waarheid er wel aan toe. Niet omdat ze de volgende weken dan beter met elkaar zouden kunnen leven op zo’n kleine oppervlakte, maar omdat zij van alle mensen het meeste recht had op de waarheid. Catherina zat nog steeds op het bed en keek hem met grote ogen aan. “Ik ben niet je vijand,” zei hij, “ik werk niet voor Neyrelle en ik werk al helemaal niet voor Marcos De Nechoir. Als je echter wilt dat ik je de waarheid vertel, zal ik je ook moeten zeggen wat de rol van je vader in dit alles is geweest. Het is dan aan jou om te beslissen of je dat wel wilt weten.” “Mijn vader?” vroeg Catherina. “Ik ben je vaders opvolger en wat ik met Neyrelle te maken heb, is precies hetzelfde als wat kapitein Montfort met haar te maken had.” Gealarmeerd keek Catherina hem aan. “Werkten hij en Neyrelle samen?” “Ja, maar daarom is hij net zomin een verrader als ik dat ben,” zei Griffith en hij zette zich schrijlings op een stoel voor haar. “Als je wilt dat ik je dit vertel, moet je goed beseffen dat Neyrelle een Lenioonse is en niet Welsh. Ze is nooit vergeten dat Lenion haar moederland is en dat De Nechoir het land zou vernietigen als hij de kans kreeg. Ze hebben je verteld dat Neyrelle, koningin La Fontaine liet vermoorden en daarom werd verbannen. De waarheid is dat het al lang niet meer boterde tussen Neyrelle en haar zuster. Neyrelle had altijd gedacht dat ze hun vader zou opvolgen – en misschien was dat ook de bedoeling geweest van hun vader – maar de hertogin had beslag kunnen leggen op de titel. Sindsdien stonden Neyrelle en de hertogin zo lijnrecht tegenover elkaar dat ze wel vijanden moesten worden. De hertogin geloofde dat Neyrelle iets met de dood van de koningin te maken had en betichtte haar zuster ervan dat ze de koningin had ontvoerd en vermoord. Achteraf bekeken had Neyrelle niks te maken met de dood van de koningin. Helaas was de Bethune meer geneigd om naar de hertogin te luisteren dan naar Neyrelle, dus werd Neyrelle verbannen. Neyrelle heeft de hertogin en koning de Bethune nooit vergeven om die verbanning. Neyrelle was op dat ogenblik al gehuwd met Marcos De Nechoir. Ze wist dat Marcos via haar de macht wou grijpen in Lenion. Tegelijkertijd beseft ze ook dat als De Nechoir daarin zou slagen, hij Lenion zou leegzuigen zoals hij met Wails heeft gedaan. Daarom helpt ze hem alleen als het de hertogin of de Bethune schaadt. Voor de rest probeert ze Lenion zo veel mogelijk te beschermen tegen haar man. In een zekere zin is Neyrelle niet alleen De Nechoirs loopjongen, maar ook zijn grootste vijand. Hij gebruikt haar om zijn plannen uit te voeren, maar tegelijkertijd werkt ze hem ook vaak tegen. Als ze bang is dat Lenion te veel wordt geschaad, speelt ze informatie door aan mij. Ze zal hem desondanks nooit uitverkopen. Ze is met hem getrouwd uit liefde en heeft kinderen met hem. Als ze vermoedt dat iets schadelijk voor hem is, houdt ze die informatie achter. De Nechoir is anderzijds niet dom. Hij weet dat zijn vrouw hem dikwijls verraadt en houdt haar onder druk door haar kinderen te gijzelen. Ze weet dat ze alles moet doen wat hij haar vraagt, wil ze niet dat er iets met haar kinderen gebeurt. Tegelijkertijd is ze er zich ook van bewust dat De Nechoir haar ooit voor haar verraad zal doen betalen met haar leven. Je vader was Neyrelles hulp aan de andere kant van de zee. Ze hadden elkaar leren kennen in Wails toen de grenzen nog open waren. Ze sloegen de handen in elkaar om De Nechoir uit Lenion te houden en Neyrelle werd je vaders geheime informant. Dankzij Neyrelle kon je vader achter informatie komen die geen enkele spion hem had kunnen vertellen. Het is dan ook dankzij Neyrelle dat kapitein Montfort achter de invasieplannen van De Nechoir kwam en zo Lenion kon redden. Omdat Neyrelle en de hertogin elkaar echter haatten kon de kapitein er niet voor uitkomen dat hij met Neyrelle samenwerkte en heeft hij dat altijd verborgen gehouden. Neyrelle is ook degene die mij in contact bracht met je vader. Toen de kapitein zich liet introduceren op De Nechoirs burcht, mocht Neyrelle niet laten blijken dat ze je vader kende of dat ze wist dat hij in opdracht van de hertogin werkte. Indertijd was ik keukenhulpje op de burcht van De Nechoir. Neyrelle liet mij boodschappen aan de kapitein overbrengen zodat ze hun strategie konden afstemmen. Dankzij Neyrelle ontdekte je vader dat er een samenzwering was tegen de Lenioonse kroon. Helaas vertrouwde De Nechoir zijn vrouw niet voldoende om haar te zeggen wie er in het complot zat, dus was het aan de kapitein om achter de lijst van namen van Lenioonse edelen te komen. Na veel omwegen vond de kapitein eindelijk een manier om de lijst van namen te achterhalen. De Nechoir had in Lenion een tussenpersoon via wie hij communiceerde met de verraders. Toevalligerwijze was de man net op de burcht van De Nechoir op het moment dat de kapitein er was. Het idee was die tussenpersoon te ontvoeren en de namen aan hem te ontfutselen. Dat betekende ook dat de kapitein zijn dekmantel zou moeten opgeven. Zodra de tussenpersoon verdween, zou De Nechoir immers weten dat er iets mis was en zou zijn blik gaan naar wie hij het minst vertrouwde. Er was dus geen tijd om de tussenpersoon ter plaatse te dwingen om de namen prijs te geven. De kapitein zou hem moeten meenemen naar de Megafor zodat ze thuis het nodige konden doen om de man aan het praten te brengen. Neyrelle en de kapitein deden op mij beroep om de man te verdoven en ongezien de burcht uit te krijgen. Omdat enkel de kapitein en Neyrelle in het oog werden gehouden door De Nechoirs mannetjes lukte dat ook wonderwel. Ik bracht de man naar de Megafor die op dat ogenblik vertrekkensklaar lag. Zodra de kapitein wist dat het plan geslaagd was, verliet ook hij de burcht en voeren we samen naar Lenion. De rest laat zich wel raden. Aan boord van het schip biechtte de vertrouwensman de namen van de verraders op. In ruil daarvoor zou de kapitein hem niet overleveren aan de folterkamers van de Bethune. Als zijn informatie klopte zou de kapitein hem ook zijn vrijheid teruggeven. Aangekomen in Lenion vertelde kapitein Montfort alles aan de hertogin en de koning. Die lieten de verraders arresteren en ondervragen. Het bleek dat de tussenpersoon geen woord had gelogen dus werd hij in vrijheid gesteld. Lang zou de man niet van zijn vrijheid gebruik maken. De Nechoir had intussen begrepen wie hem had verraden. Neyrelle liet hij met rust omdat ze nuttig voor hem was, maar de tussenpersoon en je vader moesten hun verraad met hun leven bekopen… Wat er daarna gebeurde, weet je. Na de dood van je vader volgde ik hem op als het hoofd van het spionagenetwerk. Ik wou niet, maar Neyrelle haalde me over om het toch te doen. Ik maakte gebruik van de Jago-figuur van je vader om het spionagenetwerk te herorganiseren en kocht de Megafor over van je oom. Tegen die tijd had de hertogin mijn werk leren kennen en introduceerde ik mezelf op het hertogelijk slot. Ik kon haar begrijpelijkerwijs natuurlijk niet vertellen dat ik haar zuster kende. Zelfs de Bethune zou het nooit hebben geweten als er niet op een gegeven moment die brief was opgedoken... Een Welsh hoertje herkende me op een dag toen ik in Havre rondreed. Ze had ooit voor Neyrelle gewerkt als dienstmeisje en wist dus dat wij elkaar kenden. Op zich had dat geen gevolgen mogen hebben ware het niet dat een van haar klanten nieuwsgierig was naar Neyrelle en te weten was gekomen dat Neyrelle door haar zuster was verbannen. De man legde onmiddellijk de connectie tussen mij en Neyrelle en dacht dat de vertrouwenskring van de hertogin was geïnfiltreerd door een spion van Neyrelle. Door zijn gesnuffel had de man zich echter in de kijker gewerkt bij Renard. Renard werd er zich van bewust dat er iemand rondvraag naar me aan het doen was en deed op zijn beurt speurwerk naar het meisje en haar patroon. De man had in de tussentijd helaas al een brief geschreven naar de hertogin met daarin mijn naam en de connectie met Neyrelle. Renard en ik deden alles om die brief terug te halen. We probeerden de tussenpersoon te vinden die de brief had en onze zoektocht bracht ons op een nacht naar Havre. Daar trof Renard de pooier van het hoertje net aan op het ogenblik dat hij de brief aan iemand anders wou doorspelen. Die iemand was jij. Renard probeerde de brief terug te halen maar verspeelde zijn kans. Gelukkig was ik ook in de buurt en ik was net op tijd om te voorkomen dat je ontsnapte.” “Jij was degene die me bewusteloos sloeg?” “Ja, ik stond perplex toen ik merkte dat jij de contactpersoon van die Guy was.” “Ik wist nergens van.” “Dat realiseerde ik me ook, daarom liet ik je leven. Anderzijds kon ik je de brief niet laten houden, dus verving ik die die door een vervalsing. In de vervalsing stonden genoeg gegevens om iedereen te doen geloven dat het om de echte brief ging, maar tegelijkertijd niet voldoende om mij te ontmaskeren. Iedereen geloofde dat de brief waardeloos was en daar zou het ook bij zijn gebleven als jij die historie niet opnieuw had opgerakeld in je briefwisseling met de Bethune. De Bethune begon de verbanden te zien en toen de hertogin werd vergiftigd dacht hij dat ik mee in het complot zat. Hij wilde me laten arresteren, maar ik was hem een stap voor en verborg me in Havre met het idee naar het buitenland te vluchtten. De Megafor was mijn enige kans om ongezien te kunnen ontsnappen. De Bethunes soldaten zochten immers geen bootsman en het was een ideale dekmantel om Lenion incognito te verlaten. Ik hoorde achteraf natuurlijk van Renard dat jij als onderhandelaar mee zou gaan aan boord van de Megafor. Ik wist niet zeker of de Bethune je op de hoogte had gebracht van mijn verdwijning, maar ik koos het veilige voor het onveilige en zorgde er voor dat je me niet te zien kreeg voor we waren afgevaren… En zo komt het dat we hier zitten…” De zwarte man zweeg. “Dus ik had gelijk toen ik dacht dat je een dubbelspion was,” mompelde Catherina. Griffith klemde de tanden op elkaar. “Ik heb Lenion nooit verraden... En Neyrelle al evenmin, hoewel haar houding soms nogal onduidelijk is...” Catherina keek de zwarte man stil aan. “Neyrelle... Dus mijn vader kende Neyrelle…” “Ze waren vrienden.” “Maar ze liet mijn vader vermoorden.” Griffith aarzelde. “Marcos De Nechoir liet je vader vermoorden. Neyrelle kon niks doen.” “En heeft Neyrelle de hertogin ook vermoord?” Griffith boog het hoofd. “Ik denk van wel, maar enkel omdat ze haar zuster haatte.” “En ze heeft ook Jean-Filip ontvoerd?” “Ja… en dat spijt me. Neyrelle kent Jean-Filip enkel als de zoon van haar zuster en voerde slechts de bevelen uit van haar man. Ze weet wellicht niet wat De Nechoir van zin is met de jongen.” Catherina keek hem aarzelend aan. Ze wou hem geloven. Ze wou geloven dat haar vader zich niet in hem had vergist, dat hij altijd het beste had voorgehad met Lenion, dat zijn bedoelingen oprechter waren dan ze leken. Maar dan herinnerde ze zich weer dat de man voor haar niet eender wie was en twijfelde ze. Hij was immers niet alleen Griffith Woolf, de jongen die ze had leren kennen in haar kindertijd, maar ook Griffith Jago, de meesterspion die zijn opdrachtgevers jarenlang een rad voor ogen had gedraaid. “Ik weet het,” zei hij, “het is moeilijk.” Ze schudde het hoofd. “Geef me tijd,” zei ze, “laat me nadenken…” Hij knikte en dan vroeg ze: “Zelfs als ik besluit dat ik je niet kan geloven, zal je me dan met rust laten?” “Ja, zelfs al zou ik graag hebben dat je me vertrouwt. Ik wens je geen kwaad toe, weet je.” Ze stond op en sloeg de ogen neer. “Ik zal er over nadenken.” Ze zagen haar vertrekken en Renard keek naar zijn meester. “Denk je dat ze ons gelooft?” Griffith klemde even de kaken op elkaar. “Ik weet het niet,” zei hij donker. “Ze is heel scherp van geest en als ik haar was, zou ik het niet geloven. Het is te ingewikkeld. Als ik echt wou dat ze me zou geloven, zou ik alles moeten vertellen, en dat kan ik niet. Ik ben bang dat ze zal denken dat ik het verzonnen heb.” “En wat dan?” vroeg Renard. Griffith antwoordde niet. Ze ging terug naar haar kamer, staarde voor zich uit. Ze zat er een hele dag en kwam haar kajuit niet meer uit tot het avondeten. Tijdens het hele maal zei ze niet veel tegen de officieren, maar dat merkten ze toch niet op. Dan ging ze met haar dienstmeisjes naar dek en liep naar Thomas toe. Thomas zag de frons op haar gezicht en vroeg haar wat haar dwarszat. Catherina keek hem ernstig aan en vroeg hem die ene belangrijke vraag. “Vertel me over Neyrelle… Of het waar is dat mijn vader en zij samenwerkten.” Even wist hij niet wat zeggen en dan begon hij te vertellen over Neyrelle, over haar vader, dat ze elkaar al jaren kenden voordat de kapitein in dienst kwam bij de hertogin, dat de kapitein altijd beroep op haar deed maar dat verzweeg. Catherina vroeg hem over alles uit, liet hem over Griffith vertellen en hij lichtte alles wat bij. Maar tegen het einde van de avond wist ze het nog steeds niet, had ze zoveel tegenstrijdigs gehoord. Ze ging pas slapen toen Thomas niet langer kon blijven. Misschien moest ze doen wat hij gezegd had. “Neyrelle?” Rowland krabde achter zijn oor toen Catherina hem even van zijn werk afleidde. “Ja, ze is een goeie dame,” zei de Welsh, even eenvoudig als altijd. “Zij doet tenminste iets aan die ellende thuis. Niet zoals haar man, die zuigt alles leeg. Maar Neyrelle probeert de mensen wat te helpen en wij doen ook alles voor haar.” Ze begreep het niet meer… “De Nechoir vertrouwt haar niet,” babbelde Rowland verder. “Hij weet dat Neyrelle onze sympathie heeft en dat we ons tegen hem zouden keren als zij het maar zou zeggen. Maar ze zegt het niet, zie je, dat is de hele zaak. Geen idee wat ze in die man ziet, maar ze hangt aan hem. Al vanaf het begin is dat zo geweest. Ze doet echt alles wat hij wil, daarom verwondert het me ook niks dat ze d’r zuster koud heeft gemaakt.” Rowland rochelde even. “Maar ze is wel niet slecht. Ze helpt ons tijdens onze missies, weet je, als we in Wails zijn. Heel correct. En ze zou ons nooit verraden.” En dan bedacht hij iets: “Misschien moet u maar eens naar die mevrouw gaan als we aangekomen zijn. Ze zal u vast en zeker helpen om de prins terug te krijgen.” Op een avond hoorde ze een klop op haar deur die ze niet herkende. Ze riep aarzelend: “Binnen?” De deurknop draaide en er verscheen noch Thomas noch een van de officieren in de deuropening. Griffith maakte een hoofdbuiging en sloot de deur achter zich. Hij was donker en maakte haar ongemakkelijk, maar voor het eerst wenste ze hem niet naar de hel. Hij aarzelde even voor hij sprak. “Milady…” Catherina gebaarde de aanwezige gezelschapsdames dat ze hen even alleen moesten laten. Pas toen de meisjes weg waren, keek Catherina terug op en zag ze dat hij iets onder zijn arm had. Hij volgde haar blik en toonde haar gehaast wat het was. “Ik heb een schaakbord voor u meegebracht. Ik… zou het een eer vinden als u een partij met me zou spelen… Bovendien,” zei hij, “praat het wat gemakkelijker…” Ze maakte een uitnodigend handgebaar en hij stelde het bord met de stukken op op het tafeltje. Ze keek even naar die zwarte en witte stukken en verwonderde zich. Hoe wist hij dat ze schaak speelde? Toen hij klaar was, aarzelde hij en het duurde even eer ze begreep dat hij wachtte op haar toestemming om te gaan zitten. Ze deed de openingszet en hij deed een tegenzet. Ze voelde zich veel te verward om te spreken en dus speelden ze een tijdje zonder dat hij iets vroeg en zij iets antwoordde. Catherina had in geen tijden nog schaak gespeeld. De laatste keer was met Jean-Filip geweest. Ze herinnerde zich dat hij had verteld dat hij en de raadgever altijd met een bord als dit speelden. Verstrooid raakte ze het hout aan, volgde de delicate lijnen van de inkervingen en betrapte zichzelf er plots op dat ze alles om haar heen was vergeten. Ze herpakte zich snel en wou niet weten of Griffith iets had opgemerkt. “Ik heb… met Thomas gesproken…” zei ze. “Ah…” “Hij zegt dat Neyrelle mijn vader heeft vermoord…” Hij leek niet te willen reageren op die opmerking. “Is het waar?” vroeg ze daarom nadrukkelijk. Hij aarzelde met antwoorden. “Ja…” Het klonk alsof hij de slag had verloren. Ze zette haar kin op haar hand en tuurde voor zich uit. “Ik heb een paar maanden geleden gezworen dat ik de moordenaar van mijn vader nooit zou vergeven. Neyrelle was mijn vijand vanaf het ogenblik dat ze mijn vader aanraakte. Maar jij zei dat hij en Neyrelle vrienden waren.” Ze keek hem nu strak aan. “En Rowland heeft me gezegd dat ze de vijand is van haar man. Dus wat is nu de waarheid? Is ze mijn vijand of niet?” Griffith antwoordde niet onmiddellijk. “Neyrelle was op het Welshe schip dat naar Lenion was gekomen om de kapitein te zoeken en te vermoorden … Maar of zij het heeft gedaan, weet ik niet…. Thomas denkt in ieder geval van wel en haat er haar voor. Ikzelf… Ik weet het niet… Neyrelle heeft nooit willen vertellen wat er die avond is gebeurd… Maar toen ik er naar vroeg, heeft ze wel bekend dat ze niks heeft gedaan om hem te redden. Ik kan je niet dwingen me te geloven,” zei hij, “maar kapitein Montfort betekende zoveel voor me dat ik Neyrelle onmiddellijk opzij zou hebben geschoven als ik er zeker van was dat ze je vader had verraden.” Catherina nam hem peinzend op. “Eerlijk gezegd weet ik niet meer wat ik van Neyrelle moet denken. Voor hetzelfde geld heb je me een verhaaltje op de mouw gespeld dat klopt, maar waar je een aantal details uit hebt weggelaten die tot een heel andere waarheid leiden. Maar misschien doet Neyrelle er niet echt aan toe. Ik heb je nog gekend toen je nauwelijks volwassen was en dan lijkt het moeilijk om aan te nemen dat je toen al bezig was met intrigeren. Bovendien was mijn vader niet naïef en moet hij geweten hebben wat je standpunten waren. Mijn vader hield te veel van zijn land om zich te vergissen in zijn opvolger.” “Ik heb Lenion nooit verraden,” zei hij. “Ja, ik denk dat dat waar is…” Hij haalde opgelucht adem. “Betekent dat…” “…dat ik je vertrouw?” Ze glimlachte wrang. “Ik zou gek zijn als ik je vertrouw. Daarvoor ben je veel te vreemd voor me. Maar ik wil wel de waarheid beter begrijpen en je leren vertrouwen. Er is alleen nog zoveel dat ik niet weet of begrijp. Je mag dan mijn vader hebben geholpen in Wails, maar daarom begrijp ik nog niet waarom een Welsh als jij mijn vader opvolgde als hoofd van de spionagedienst van Lenion.” “Wil je dat ik daar op antwoord?” vroeg hij. “Ja,” zei ze. Hij knikte en dacht even na. “Lenion is in staat mijn land te helpen. Zonder Lenion zou De Nechoir niet zo wankel op zijn troon zitten en bovendien help - hielp - ik ook Lenion door De Nechoir aan te vallen. De kapitein koos mij als zijn opvolger omdat ik Neyrelle kende en dus ook gebruik kon maken van die connectie. Bovendien ken ik als Welsh de interne situatie van het land beter dan iemand van Lenion.” Catherina stelde een volgende vraag: “Zal Marcos De Nechoir aanwezig zijn op de onderhandelingen in Verona?” Griffith schudde het hoofd en zei: “Waarschijnlijk niet, hoewel het niet zijn gewoonte is om de controle uit handen te geven. Ik denk dat hij in dit geval de onderhandelingen door iemand anders laat doen. De Nechoir verlaat zelden het Arendsnest, laat staan Wails.” “Het Arendsnest?” “Zijn burcht,” legde Griffith uit, “de reden waarom De Nechoir in het zadel zit. De Nechoirs eerste vrouw was de afgevaardigde van de koning in het Hooghuis en bijgevolg de machtigste persoon in het land naast de koning. Toen De Nechoir merkte dat hij niet aan haar functie kon geraken door met haar te trouwen, viel hij haar burcht aan en palmde hij haar rechten in nadat hij haar doodde. De burcht van waaruit hij nu heerst is die burcht.” Catherina keek peinzend voor zich uit. “Kende Neyrelle die historie toen ze met De Nechoir trouwde?” “Nee, want anders had ze geweten dat ze gevaar liep. Ze wist dat De Nechoir ambitieus was en er niet voor terugdeinsde haar afstamming voor zijn plannen te gebruiken, maar hoe hij aan de macht was gekomen in Wails ontdekte ze maar later. Tegen die tijd was het te laat en bovendien geloofde ze niet onmiddellijk dat ook zij gevaar liep. Pas toen ze kinderen kreeg en De Nechoir dreigde hen iets te doen als ze niet aan hem gehoorzaamde, wist ze dat ze nooit meer vrij zou zijn...” Catherina knikte. Ze kon zich Neyrelle moeilijk voorstellen als een machteloze vrouw, maar er waren intussen wel meer ongelooflijke dingen gebeurd. “Als je echt wilt weten wat voor persoon Neyrelle is,” zei Griffith alsof hij haar gedachten had gelezen, “dan moet je met Renard spreken. Hij is ooit haar kamerdienaar geweest toen ze nog in Lenion leefde en hij weet meer over haar dan ik je ooit zou kunnen vertellen.” “Hij is een kamerdienaar geweest?” “Ja, van in de tijd dat Neyrelle nog op het hertogelijke slot woonde. Toen ze naar Wails ging is hij met haar meegegaan en hij is pas teruggekomen toen de kapitein hem er weghaalde. Hij is maar een spion geworden toen ik naar Lenion kwam. Ik had iemand nodig die het hertogelijke slot van binnenuit kende en Neyrelle had hem aangeraden. Toen ik Jago werd, ben ik hem ook gaan inschakelen voor andere dingen. Geleidelijk aan is hij ook een spion geworden en is hij mee op opdrachten getrokken in Wails. Hij is nog altijd mijn trouwste handlanger - zij het niet altijd mijn handigste. Die keer dat hij de brief van Degrelle moest onderscheppen was hij hem bijna aan jou kwijtgeraakt.” “Mh... Ik heb de Bethune verteld dat jij die brief vervalst had. Ik veronderstel dat dat de reden is waarom hij je begon te verdenken.” “Ik had zo een vermoeden, maar dat maakt nu niet meer uit. Vroeg of laat moest hij er wel achter komen...” “Misschien... Wat ga je nu doen? Je kunt niet meer terug naar Lenion nu de Bethune je verdenkt van hoogverraad en we varen niet in de richting van Wails.” “Voorlopig weet ik nog niet wat ik ga doen. Ik veronderstel dat ik nog een poosje meevaar en dan ergens afstap.” “Vaar je niet mee tot in Verona?” “Ik zal wel zien. Het hangt ook wat af van wat De Nechoir van plan is.” “Denk je dat we de prins vrij kunnen krijgen?” vroeg Catherina. Griffith leek te twijfelen. “Ik hoop het alleszins...” Hoofdstuk 4 Ze zagen elkaar niet veel meer daarna. Ze hoorde hem af en toe wel eens in zijn kajuit gaan, maar voor de rest kreeg ze niet veel aanleiding hem nog meer vragen te stellen. Ze zaten elkaar niet meer in de haren - dat was al iets - maar voor de rest trok de bootsman zich weinig van haar aan. Als ze probeerde een gesprek met hem aan te knopen, antwoordde hij altijd wel beleefd, maar het ging ook nooit verder dan dat. Ze merkte in ieder geval op dat ze hem niet meer zo wantrouwde als vroeger. Ze voelde natuurlijk wel dat er nog dingen waren die hij verborg, maar ze vermoedde dat hij dat eerder deed uit voorzichtigheid. In de tussentijd ging het leven aan boord van het schip verder. Catherina vulde haar dagen op met het verzamelen van gegevens over Wails en De Nechoir. Rowland was een gewillig slachtoffer voor haar kruisverhoren en vertelde haar maar wat graag over zijn land en De Nechoir. Van hem leerde Catherina meer over Neyrelle en hoe ze door de Welshe bevolking werd verafgood. En ook vertelde Rowland dikwijls over de ‘Wolven’, een oud geslacht dat helaas verdwenen was. Hij kon wel uren doorgaan over hen en als niemand hem er af en toe aan herinnerde dat hij hier was om te werken, zou hij de hele dag door vertellen. Ze stonden op een keer weer bij elkaar aan dek toen Rowland ineens opkeek en de donkere lucht in de verte zag. Er leek een storm op komst te zijn en op dat ogenblik werden ook de bevelen rondgeschreeuwd om het schip te laten bijleggen. Dat was een teken dat ze de storm niet meer te snel konden afzijn en ze er doorheen zouden moeten gaan. Al snel krioelde het van de mannen in de masten om alle zeilen op te rollen. Tegen de tijd dat het schip klaar was om de storm te trotseren, was Catherina al lang benedendeks. Ze had al eerder een storm meegemaakt aan boord van de Megafor toen ze nog een kind was en ze was geenszins van plan om een tweede van dichtbij mee te maken. Ze waarschuwde haar dienstmeisjes dan ook zeker niet meer uit hun kajuiten te komen. Nauwelijks enige tijd nadat Rowland de storm had zien aankomen, begon het schip al heen en weer te schommelen. Catherina zat in haar kajuit en voelde de krakende bewegingen van het schip steeds heftiger worden. Ze probeerde zo goed mogelijk mee te wiegen, maar uiteindelijk begon het schip te heftig te schommelen. Ze probeerde alles dat los lag of stond op te bergen want haar voorgevoel vertelde haar dat deze storm erger zou zijn dan verwacht. De regen sloeg met bakken tegen de scheepswanden en de golven beukten er nog driemaal erger tegenaan. Ze kon de donder continu horen rommelen en het hele schip kreunde onder het geweld. De Megafor begon te tollen en Catherina had de indruk dat het geweld zo erg werd dat het schip als een speelbal voortdurend omhoog werd geworpen. Ze hield zich vast aan haar bed en begon langzaam groen te worden. Het werd alsmaar erger en erger. Ze verloor elk richtingsgevoel en ze had het idee dat het schip verder de storm in werd gesleurd. Bang vroeg ze zich af wat er aan de hand was. Wat als ze de controle over het schip hadden verloren…? En dan hoorde ze een harde knal onder haar. Bijna tuimelde ze van het bed af, maar ze hield zich bibberend vast. Die schok en dat geluid konden niks goed betekenen, dacht ze. Ze durfde er niet aan te denken wat er zou gebeuren als ze ergens tegenop waren gevaren. Rowland had nog maar een paar uur geleden gezegd dat dit een ondiep gedeelte was met veel koraalriffen. O ze had zo’n hekel aan stormen… Ineens ging haar deur open en haar dienstmeisjes kwamen binnen. Catherina liet hen bij haar op het bed kruipen en de meisjes sloegen hun armen om elkaar heen. Ze hoorde plots iemand de trap afstommelen en drie tellen later werd haar deur opengerukt. Het was Griffith, druipnat en buiten adem. “Juffrouw Montfort,” riep hij, “blijf hier. We hebben een gat. Als we te veel water maken, kom ik u wel halen.” Dat was zowat het enige dat er nog bij had hoeven te komen. De meisjes begonnen te jammeren en Catherina trok wit weg. Als ze in zo’n storm van boord moesten, zou niemand het overleven. Griffith keek hen met een vreemd gezicht aan. “Zo erg is het nu ook weer niet,” bromde hij en hij verdween weer. Dat was nu eens niet erg geruststellend, dacht Catherina. Ze klemde zich nog beter vast en probeerde zo weinig mogelijk te denken aan wat er zou gebeuren als… Ze dacht aan de mannen die beneden bezig waren met het water weg te pompen. Het moest een gevecht tegen de tijd zijn. Catherina vroeg zich af waartegen ze waren gevaren en of er gewonden waren gevallen. Plots sprong ze van het bed af. Ze haalde haar rijbroek uit een koffer en begon zich om te kleden. “Mevrouw!” riep een van de meisjes, maar Catherina gebaarde hen dat ze moesten blijven waar ze waren. “Ik ga een kijkje nemen onderdeks.” “Maar die man zei dat we moesten blijven zitten!” “Wel, die man is ook de grootste betweter ter wereld,” mompelde Catherina en ze liep de kajuit uit. In de gang leek het alsof het schip nog harder schommelde dan in de kajuit. Waggelend liep ze vooruit en kroop moeizaam op de trap naar het dek. Ze had moeilijkheden om de deur open te krijgen en toen die eindelijk openvloog, blies een heftige wind haar bijna terug naar beneden. Ze klemde zich vast aan de treden van de trap en probeerde uit te maken wanneer ze het best uit haar beschutting kon komen. Ze tuurde naar het dek waar de regen met emmers neersloeg. Plots zag ze dat er een man op het dek lag. Hij lag naast de verhoging van het ruim en leek bewusteloos te zijn want zijn lichaam gleed heen en weer. Catherina aarzelde. De storm was veel erger dan ze had verwacht dus als ze nu over het dek ging, was de kans groot dat ze misschien overboord zou worden geslagen. Langs de andere kant: als ze niks deed dan zou de man overboord worden geslagen. Ze wist dat ze beter verdekt bleef zitten. Met wat geluk zou er straks iemand van het andere benedendek naar boven komen en de man zien. Ze wenste dat ze zelf iemand kon gaan halen maar dat betekende evengoed dat ze over het dek zou moeten gaan. Ze zag dat het lichaam van de man wegschoof in de richting van de reling. Tot nog toe waren er geen grote golven over het dek gespoeld, maar één zou zeker fataal zijn voor de man. Ze aarzelde. Wachten of helpen? Wachten of helpen? Alsof ze geen keuze had schoot ze recht en glibberde over het dek. De wind gierde om haar oren en het water sloeg in haar gezicht. Ze ging onderuit, vloog hard tegen de reling en probeerde zich er aan voort te trekken. Ze dacht aan niks, ze merkte niks. Niet het gevaar, niet die angstwekkende storm. Een volgende golfslag had haar zo over boord kunnen werpen, maar op dat moment dacht ze daar liever niet aan. Ze kon enkel denken aan de man wiens leven op dat ogenblik aan een zijden draadje hing. Stukje per stukje kwam ze dichterbij. De man lag nu helemaal tegen de reling aan. Ze bereikte de man en haakte haar arm onder de zijne. Pas toen zag ze dat de man de eerste officier was. Hij had een stevige jaap boven zijn oog alsof hij met zijn voorhoofd ergens tegenaan was gelopen. Plots ging er een golf over het schip. Catherina en de officier werden naar de andere kant van het dek gesleurd. In een reflex graaide ze om zich heen en kreeg zo een net te pakken dat over de verhoging van de laadruimte was gespannen. Ze had nog altijd de arm van de officier vast en met een snok bleef die dan weer aan haar hangen. Met een enorme krachtinspanning bleef ze de man vasthouden. Het touw sneed echter in haar hand. Toen ze een seconde de tijd kreeg, stak ze snel haar arm door het net en probeerde ze de officier dichter tegen zich aan te trekken. “Aah!” Een nieuwe golf ging over haar hoofd heen. Ze zou hier niet levend wegraken als ze niet vlug iets deed. Kon ze de deur beneden bereiken zodat ze iemand kon gaan waarschuwen? Dan moest ze de officier weer loslaten en dat was hetzelfde als moord. Ze kneep de ogen dicht en probeerde geen liters water binnen te slikken. Ze was zo doorweekt dat de regen met beken van haar af stroomde. Ze schreeuwde tegen het bulderen van de zee in, maar ze wist niet of het een hulpkreet was. Een bliksem leek net naast hen in te slaan. Ze schreeuwde opnieuw. Ze had al haar kracht nodig om de man vast te blijven houden en ze vroeg zich wanhopig af hoe lang ze het tegen het natuurgeweld kon uithouden. Ze was een vrouw, geen krachtpatser! Elk moment was als een uur dat voorbij kroop. Ze had geen besef meer van tijd of ruimte. Alles verging om haar heen en ze wist geeneens meer of het nu nog erger werd of dat de storm eindelijk begon te luwen. Het geweld bedaarde niet. Ze kon nog altijd de wind en de golfslag voelen. De touwen scheurden haar vlees open. Ze huilde. Ze kon het bijna niet meer houden. De tijd kroop ongenadig traag vooruit terwijl de storm steeds erger leek te worden. Catherina voelde de wanhoop de kop opsteken. De uitputting sloeg toe. Ze had niet naar boven mogen komen, komen, toen toen Griffith, had hij gezegd, zou niet, had niet naar, waarom had ze, kon ze dan niks meer doen, had er, waar was, zouden ze het halen, kon hij, Woo-oooooolf, schreeuwen. Ze was aan het roepen en het huilen. Ze wou dat iemand haar hier weg kwam halen. Ze was aan het huilen en verging van de wanhoop, kon ze dan niks meer doen, als ze het gat maar konden, als of het, maar het hielp, lijzijde, ze moest het kunnen houden, niet loslaten of… loslaten…llos… “Catherina!” Ze liet het net los en gleed weg. Ze voelde een arm onder haar schieten en het volgende ogenblik lag ze terug tegen de verhoging aangedrukt. Ze voelde de officier naast haar liggen. Vagelijk was ze zich er van bewust dat hij nog steeds buiten bewustzijn was. De wind en regen sloegen niet meer zo hard tegen haar aan. Ze voelde dat iemand tegen haar aan stond en haar afgeschermde van al het geweld. Ze zuchtte van verlichting. “Catherina!” schreeuwde iemand in haar oor. Ze schrok even. Nu pas besefte ze dat iemand haar en de officier vasthad. Ze staarde naar een viervingerige hand die het net had vastgegrepen. “Griffith?” murmelde ze tegen hem. “Catherina, kan je me horen?” Ze schudde verward het hoofd. Hij vloekte en probeerde haar zo goed mogelijk vast te houden tezamen met de andere man. Het water sloeg tegen hun gezichten aan, maar ze voelde zich veel rustiger nu met die grote gestalte over haar heen. Ze glipte weg, maar toen hij het merkte gaf hij haar zo’n ruk dat ze terug tegen de verhoging aanknalde. Geschrokken sloeg ze haar armen door het net en liet niet meer los. “Wil je verdomd een beetje meewerken!” Hij had de grootste moeite om hen allebei vast te houden. Hij gaf een woeste kreet toen een nieuwe golfslag in hun gezicht sloeg. Instinctief greep ze de officier vast zodat ze Griffith tenminste toch een beetje meehielp. Telkens hij wat leek los te laten, greep ze de bewusteloze man nog beter vast. Als hij een beweging maakte, volgde ze hem volledig. De mankracht tegen haar voelde aan als één bundel spieren en ze was zich daar in feite beter van bewust dan de pijn van haar eigen lichaam. Hij schreeuwde iets tegen haar, maar ze kon niet verstaan wat. Ze keek daas voor zich uit en voelde de vermoeidheid de overhand halen. Ze wou er niet aan toegeven en klemde de tanden op elkaar. Ze trilde over heel haar lichaam, merkte dan dat het Griffith was en niet zij. Hij voelde haar wegglippen en probeerde tevergeefs haar te verplaatsen. Het lukte niet omdat hij de bewusteloze officier niet kon loslaten. Catherina voelde zich als een blok aan zijn been. Het zou allemaal gemakkelijker gaan als hij haar niet ook moest vasthouden. Futloos wilde ze het net loslaten. “Nee!” Hij greep haar hand vast en stak het terug door het net. “Blijf vasthouden,” riep hij. Ze merkte dat hij de bewusteloze officier van haar losmaakte en plots waren ze weg. “Woolf!” schreeuwde ze. “Woolf!” Maar hij was verdwenen. Haar armen zaten door de netten, maar zonder de man om haar vast te houden, leek ze een speeltje voor de storm. De regen striemde haar en de koorden schuurden haar armen open. Ze had het gevoel dat ze elk moment zou loslaten. Ze wist niet wat er met Griffith en de officier was gebeurd. Had een golf hen weggesleept? Dan betekende dat dat ze er nog alleen voorstond. Dan was ze verloren. Een eeuwigheid verstreek. Met de macht der wanhoop probeerde ze de koorden vast te houden. Maar ze voelde zich langzaam aan wegglippen. Een ogenblik lang vocht ze nog om het bewustzijn niet te verliezen. Dan was het te laat. Om haar heen klonken gehaaste, beangstigde stemmen, maar ze voelde zich te moe om haar ogen te kunnen opendoen. Een ogenblik wist ze niet meer waar ze was. Ze voelde zich stram en suf en ze kon zich nauwelijks bewegen. Dan werd ze ergens opgelegd. Ze had het gevoel dat het een bed was. Dan zonk ze terug weg in het zwarte gat. Een tijd later werd ze terug wakker. “Griffith,” wou ze zeggen, maar ze had er de kracht niet voor. “Mevrouw?” Catherina raakte duizelig haar voorhoofd aan. Een van haar dienstmeisjes zat naast haar en hielp haar rechtop. Ze was blijkbaar terug in haar kajuit. Te merken aan de lichte bewegingen van het schip was de storm gedaan. “Wat is er gebeurd?” “De bootsman heeft u teruggebracht,” antwoordde het meisje. “U was helemaal doorweekt.” Catherina rekte zich uit en merkte dat al haar spieren pijn deden. Dat zou haar leren nog eens de held uit te hangen. Ze kwam uit haar bed en de dienstmeisjes hielpen haar met het aankleden. Catherina hoorde toen twee mannen de gang op komen. Catherina herkende de stem van de bootsman en hoorde hem iets zeggen over het gat in de romp. Ze kon horen aan zijn stem dat hij vermoeid was en ze vroeg zich af of de man dan nog helemaal niet geslapen had in de tussentijd. Hoe slaagde hij er in om zelfs maar rechtop te blijven staan? Zelf voelde ze zich geradbraakt. De bootsman stuurde de scheepstimmerman door en Catherina hoorde hem zijn kajuit binnensloffen. Even aarzelde ze, dan besloot ze toch maar te blijven waar ze was. Ze sprak wat met haar dienstmeisjes maar ze merkte na een tijd dat ze haar gedachten helemaal niet bij het gesprek kon houden. Ze ijsbeerde wat rond in haar kajuit en probeerde iets te vinden om haar bezig te houden. Dan keek ze om naar haar dienstmeisjes en vertelde hen daar te blijven. “Ik kom zo terug.” Ze klopte aan bij Griffith en toen er geen antwoord kwam, stapte ze binnen. Hij lag half en half in zijn bed, blijkbaar midden in een handeling in slaap gevallen. Hij had zijn hand rond zijn cravate alsof hij op het punt had gestaan om zijn doorweekte kleren uit te trekken. Ze zette zich op de rand van het bed en keek even naar zijn grauwe gezicht dat zelfs in zijn slaap een frons vertoonde. Ze hadden elkaar vroeger niet altijd in de haren gezeten. Ze kon zich herinneren dat als ze bang was geweest van een onweer en ze alleen thuis waren, ze zijn hand had genomen. Hij had haar zelfs een paar keer naar bed gebracht en verhaaltjes verteld die ze zich nu nog nauwelijks herinnerde, maar die toen zo mooi hadden geklonken. Ze zuchtte en verlegde zijn hand. Voorzichtig om hem niet te wekken, begon ze zijn halsdoek los te maken. Maar plots vlogen de zwarte ogen open en greep hij woest haar hand vast. “Wat denk jij dat je verdomme aan het doen bent?” baste hij. Catherina sprong geschrokken recht. “Het spijt me,” zei ze aangedaan. Hij toonde zijn hoektanden en trok de cravate recht. “Maak dat je mijn kajuit uit bent,” zei hij en toen ze van schrik niet bewoog, grauwde hij: “Wel?” Ze knipperde even met haar ogen. “Het spijt me…Ik…” Wantrouwend wachtte hij op het vervolg. “Ik wou niet zomaar je kamer binnen dringen…” “Da’s dan een gewoonte die we met elkaar delen,” zei hij bitsig, “nog iets?” “Ik wilde alleen weten hoe het met de eerste officier ging,” zei ze kleintjes. “Levend,” zei Griffith kortaf, “hij is al terug bij zijn positieven.” Ze durfde bijna niet verder te vragen. “Wat was er gebeurd?” Hij haalde de schouders op. “Ergens tegen aan geknald met zijn knikker. Het is niet omdat iemand van adel is dat die genoeg hersenen heeft om te weten wanneer die moet duiken voor rondvliegende brokstukken. Doe jezelf overigens een plezier en zeg tegen niemand dat je je leven voor hem hebt gewaagd. Ze zouden je laten opsluiten voor de rest van de reis… Wat mij overigens wel goed zou uitkomen…” Ze knikte aarzelend. Hij wachtte tot ze eindelijk zou weggaan, maar ze bleef staan. “Wat dan?” baste hij. “Ik wou je bedanken,” zei ze stilletjes, “omdat je mijn leven wellicht hebt gered…” Hij snoof en stond op het punt haar dank teniet te doen toen ze er aan toevoegde: “En ik had je graag willen uitnodigen om morgenavond weer met je schaakspel langs te komen…” Hij keek haar verstomd aan en het duurde even eer hij het begreep. Bedachtzaam streek hij met zijn vinger langs het litteken onder zijn oog. “Zou je dat echt willen?” vroeg hij aarzelend. Ze glimlachte aanmoedigend zodat hij zich nog meer gegeneerd voelde. “Oké, oké,” zei hij wrevelig, “we zullen wel zien.... Maar als ik er niet ben, moet je me niks kwalijk nemen.” Ze glunderde en hij gooide haar buiten. De volgende dag verscheen hij aan haar deur met zijn schaakspel. Een van de dienstmeisjes liet hem binnen en bleef de hele avond aanwezig in de kajuit. Tijdens het spel wisselden Catherina en Griffith nauwelijks een woord. Hij staarde slechts nors naar het schaakspel tussen hen in en zij voelde zich te ongemakkelijk om een gesprek met hem aan te knopen. Zijn spookachtig wit gezicht was enkel afgemeten, afwezig. Catherina had hem eigenlijk uitgenodigd om vrede met hem te sluiten, maar zijn afstandelijke houding maakte elke tegemoetkoming onmogelijk. Ze probeerde hem een paar keer aan te kijken en ze betrapte zich erop dat ze gefascineerd werd door zijn donkere ogen, maar zodra hij een beweging maakte of naar haar opkeek, sloeg ze de blik weer neer en speelde ze zwijgend verder. Ze wist niet wat ze met hem aan moest vangen en hem leek het niet te interesseren haar een hint te geven. Plotseling werd er aangeklopt en Catherina riep opgelucht ‘binnen’. De eerste officier kwam binnen. Het was nog altijd overduidelijk dat de man een serieuze klap tegen zijn hoofd had gekregen want er staken windels vanonder zijn steek. Griffiths raad indachtig deed Catherina alsof ze met zijn redding niks te maken had. De man wierp een vreemde blik op de bootsman en zei dan tegen Catherina dat de kapitein haar uitnodigde voor een kop thee - als ze niet bezig was tenminste, voegde de officier er aan toe. “Ze is niet bezig,” bromde Griffith terwijl hij vlug de schaakstukken bijeen vaagde. Catherina deed haar mond open om bezwaar te maken, maar de bootsman maakte duidelijk dat hij haar liever bij de kapitein zag dan hier. Even was Catherina boos, maar dan begreep ze dat hij het vervelend vond dat de officier hem in de kajuit van ‘de dame’ had aangetroffen. Ze zuchtte maar eens en ze gingen gedrieën naar buiten. Catherina liep gefrustreerd over het dek met de officier aan haar zijde. De bootsman liep als een schaduw achter hen aan. Catherina had liever gezien dat hij zich niet zo van hen verwijderde, maar blijkbaar was Griffith nog niet bereid om de muur tussen hen in naar beneden te halen. Catherina keerde zich plots om, om toch iets tegen hem te zeggen en merkte toen verrast op dat hij was verdwenen. Ze was er zo door geprikkeld dat ze bijna de vraag had gemist die de officier haar stelde. “Sinds wanneer spelen u en de bootsman schaak?” Catherina herstelde zich en zei zuur: “Dat doen we niet.” Griffith staarde haar even na en keek dan naar het verhoog waarop de sloepen stonden. Behendig kroop hij er op en legde zich plat op het zeil. Het schaakspel lag naast hem en nu hij er over nadacht, vroeg hij zich af waarom hij het had meegenomen. Hij nam een van de stukken en bestudeerde even de vorm. De burcht sprong onmiddellijk in gedachten en hij fronste de wenkbrauwen. Ze herinnerde hem aan die dag op het strand, de kapitein, de belofte die hij Catherina’s moeder had gemaakt. Het was vreemd te zien hoe alles uiteindelijk samenhing... Hij draaide het schaakstuk rond in zijn hand en klemde de tanden op elkaar. Wat was eigenlijk de belofte die hij aan Catherina’s moeder had gemaakt? Een dwaasheid? Een moment van zwakte? Had hij er eigenlijk wel enig idee van wat hij haar had beloofd? Wat had hem gedreven zo’n belofte te maken en te houden? Hij moest bijzonder naïef zijn geweest... of waanzinnig... Misschien iets van beide want tenslotte was hij toen nog maar een kind geweest. Als hij ze nu had moeten maken, zou hij ze nooit hebben gehouden... En nu wist hij niet meer hoe zich er van te ontdoen... Als de burcht niet was gevallen was het wellicht nooit zo ver gekomen, dacht hij. Hij had er geen idee van wat voor man hij dan was geweest, maar hij was er vrij zeker van dat hij dit soort fouten niet zou hebben gemaakt. Catherina was een fout, een zwakte. Een die er voor had gezorgd dat de Bethune hem had kunnen ontmaskeren. Als Catherina enig ander was geweest dan had hij zich al lang van haar ontdaan en zat hij hier nu niet. Dan had hij jaren van werk niet in een vingerknip ongedaan zien maken. Dan had hij De Nechoir misschien op de knieën kunnen dwingen. Dan had hij om zijn doel te bereiken alles en iedereen onder de voet gelopen.... Maar nu was hij voorzichtig geweest, had hij zich er voor gehoed Lenion te vernielen in zijn nooit aflatende strijd tegen De Nechoir. Omdat Catherina in Lenion woonde. Omdat hij niet wilde dat ze in dezelfde armoede zou opgroeien als hij. Zonder Catherina had hij nooit rekening gehouden met de gevolgen van zijn acties. Dan was hij recht op zijn doel afgegaan, zich wellicht laten afslachten door De Nechoir en had hij onderwijl waarschijnlijk meer schade veroorzaakt dan De Nechoir alleen ooit had gekund. Nu had hij Lenion gewapend tegen de komende oorlog met Wails. Hij had ervoor gezorgd dat de rebellie in Wails niet uitstierf en De Nechoir belet was andere landen te annexeren. Maar tegen welke prijs? Elke keer ze met de Megafor voor een opdracht naar Wails waren gevaren, had hij de ellende in zijn land gezien. De armoede, de ziektes, de onderdrukking. Zijn volk kwam nauwelijks aan de knieën van de bedelaars in Havre. Degenen die probeerden te ontsnappen waren ongewenst in andere landen en werden bekeken als armoezaaiers. De Welshen hadden niks te bieden, behalve hun trots. En die werd door iedereen misplaatst gevonden. Misschien was er niks aan te verhelpen. Misschien was Wails gewoon bestemd om er nooit meer bovenop te komen. Hijzelf was in ieder geval aan het einde van zijn Latijn. Alle plannen die hij ooit samen met de kapitein en Neyrelle had gemaakt waren op niks uitgedraaid. De Nechoir had hem op elk vlak verslagen... Griffith zuchtte en legde het schaakstuk naast hem neer. Het was lang geleden dat de burcht was gevallen en hij wist dat niks dat meer ongedaan zou kunnen maken. Als de kapitein er nog was geweest, had hij nog een poging gewaagd. Maar aangezien hij ook niet meer op Neyrelle kon rekenen, was het hopeloos. Zijn eerste zorg was nu dat hij dit avontuur overleefde. Dat zou moeilijk genoeg worden gezien ze recht in De Nechoirs armen liepen. Als hij verstandig was zou hij het schip verlaten in de eerste de beste haven. Hij wist echter maar al te goed dat hij dat niet zou doen. Niet zolang Catherina op dit schip zat... Griffith sloeg zijn armen over zijn gezicht. Catherina. Alles draaide steeds weer om Catherina. Van de belofte die hij haar moeder had gemaakt tot zijn verblijf in Lenion. Hij herinnerde zich nog de eerste keer dat hij haar terug had gezien in het kasteel van de kapitein. Ze was angstig weggedoken achter de rokken van een meid en had er niet terug vanachter willen komen, alle pogingen van de kapitein ten spijt. Er was sindsdien niet veel veranderd. Nog altijd was er die blik van afgrijzen in haar ogen als hij samen met haar in eenzelfde kamer was, een blik die zelfs hem afschrikte. Sinds wanneer was hij bang van een meisje? Hij was zelfs nog niet bang van de dood zelve en daar had hij al meer mee te maken gehad. Het zou hem geen ene moer mogen schelen wie ze was, dus was de vraag zelf belachelijk. Hij had allang elk menselijk gevoel opzij geschoven om zijn werk te kunnen doen. Gevoelens hinderden. En herinnerden. Aan wat hij was vergeten. Hij wou geen mens zijn... Griffith staarde met opeengeklemde kaken naar de sterren. Ze zaten nu allebei vast op hetzelfde schip. Hij zou met haar meegaan tot het einde van de wereld als het moest en zij zou het schip niet verlaten tot ze Jean-Filip vrij had gekregen. Het enige dat hij kon doen was het haar niet nog moeilijker maken dan het al was. En haar beschermen als hij kon. Dat was tenslotte de belofte die hij had gemaakt aan haar moeder. Ze hadden het aan tafel over de storm van gisterennacht. Er was een gat geslagen in de romp dus moest er iets geregeld worden om het te kunnen herstellen. Ze hadden de wand voorlopig wel kunnen dichten, maar er waren grondigere herstellingen nodig die ze enkel in een haven konden uitvoeren. De kapitein vroeg dan ook aan Catherina of ze erin toestemde om een week ergens aan te meren om er werk van te maken. Ze zouden dan wel achter komen te liggen op schema, maar de kapitein riskeerde liever te laat te komen op de onderhandelingen dan helemaal niet. Catherina was het eens met de kapitein en er werd bevel gegeven om koers uit te zetten naar de meest dichtstbijzijnde haven. Catherina bleef nog een paar uur langer in de officiersmess en besloot toen dat het tijd werd om te gaan slapen. Ze wenste de officieren een goede nacht en ging toen naar het bovendek. Buiten was het heerlijk fris en Catherina keek even naar boven om het firmament te bewonderen. Ze liep net voorbij het plateau met de sloepen toen er plots iemand achter haar naar beneden sprong. Ze dacht dat ze terplekke een hartaanval zou krijgen en keerde zich om. Ze schrok nog harder toen ze in een stel fonkelende ogen keek. Hij merkte dat hij haar had verrast en fronste de wenkbrauwen. “Heb ik u doen schrikken?” Catherina nam haar hand van haar borst weg en zei ademloos: “Wat wil je? Ik ben het niet echt gewend om in het midden van de nacht langs achter te worden besprongen.” Maar dan herinnerde ze zich iets en grinnikte. “Hoewel…” “Dat spijt me,” zei hij, “van die nacht in die steeg, bedoel ik. Ik vrees dat ik nogal ruw ben geweest.” “Mh… Je had er alle redenen voor om me tegen te houden, nietwaar,” zei ze minzaam, “en je hebt me niet vermoord, dat is ook al wat waard.” “Ik had voorzichtiger moeten zijn,” zei hij ernstig. “Ik veronderstel dat ik gewoon het geluk heb gehad dat je me herkende. Hoe wist je trouwens wie ik was? Het moest jaren geleden zijn dat je me nog eens had gezien.” Hij had iets neutraal op die vraag willen antwoorden, maar wist niet juist wat. Hij had haar de waarheid kunnen zeggen: dat hij haar nooit uit het oog was verloren; dat hij haar oom onder handen had genomen toen die haar in een weeshuis wou steken; dat hij dokter Derache had gevraagd voor haar opvoeding te zorgen. Dat hij ondanks zijn eigen werk - de opbouw van een spionagenetwerk voor de hertogin - altijd de tijd had gevonden om over haar toekomst na te denken. Het was niet de eerste keer geweest dat hij haar had gezien in die steeg. Het was de eerste keer dat hij haar terug van dichtbij had gezien. Hij aarzelde. “Ik had u eerder gezien toen ik op een dag bij dokter Derache op bezoek was geweest en ik u net kruiste.” Catherina glimlachte breed. “Jij hebt me daar gezien? Waarom ben ik niet verrast?” Hij reageerde niet en ze wenste dat ze haar tong had kunnen afbijten. “Ik wou me eigenlijk excuseren,” zei hij dan. “O?” “Ik ben niet al te… onderhoudend geweest deze avond.” Catherina wuifde de opmerking weg. “Dat waren die heren daar in de mess ook niet, maar met hen zit ik vaker opgescheept.” Hij knikte, al leek de ironie hem te ontsnappen. “Precies... Ik vroeg me daarom af of… De heren verwaarlozen u een beetje ‘s avonds en u kunt niet de hele dag bij uw dienstmeisjes zijn… Daarom wou ik u mijn gezelschap aanbieden voor morgen.” Ze keek hem een beetje verrast aan. Het was een heel omslachtige manier om iemand zijn vriendschap aan te bieden. En ze aanvaardde. Van dan af kwam hij geregeld langs, eerst nogal aarzelend, dan minder gespannen. Ondanks zijn norse manier van doen was hij aangenaam gezelschap en Catherina hield wel van zijn aanwezigheid. Ze speelden meestal schaak, maar soms deden ze niks anders dan met elkaar praten. Griffith kende de interne politiek van Wails op zijn duimpje en hij hielp Catherina maar al te graag om er haar wegwijs in te maken. Zo ontdekte Catherina dat De Nechoir de touwtjes misschien wel goed in handen had in Wails, maar dat zijn eigen opvolging verre van zeker was. De Nechoir had twee zoons. De oudste zoon had zich al lang geleden van de praktijken van zijn vader afgekeerd. De Nechoir wist dus wel beter dan zijn opvolging aan zijn eerstgeborene toe te vertrouwen. De jongste zoon was nog maar een paar jaar oud, dus niemand kon met zekerheid zeggen of hij ooit zijn vader zou opvolgen. Misschien groeide hij ook op met een afkeer voor zijn vader en zou hij zich aan de zijde van zijn broer scharen. De Nechoir zorgde er in ieder geval voor dat zijn jongste zoon niet kon beïnvloed worden door Neyrelle. Die was mee de oorzaak waarom De Nechoirs oudste zoon zich tegen hem had gekant en na dat debacle was De Nechoir wel zo slim geworden om Neyrelle uit te buurt te houden. De jongste zoon, Ramirez, werd nu elders buiten de Arendsburcht opgevoed. Neyrelle had hem sinds zijn geboorte nog maar een paar keer gezien en het brak haar moederhart bijna. De oudere zoon werd ook op een afgelegen locatie vastgehouden. De Nechoir interesseerde zich weinig in hem omdat hij hem niet wilde opvolgen, maar hem doden deed hij toch ook weer niet. “Die oudste zoon,” vroeg Catherina aarzelend, “hoe oud is die?” “Emilio? Een paar jaar jonger dan mij. Ramirez is er vijf dacht ik. De Nechoir gebruikt hen allebei om druk uit te oefenen op Neyrelle. Neyrelle weet dat als ze haar man durft te verraden, Emilio het zal ontgelden. Langs de andere kant, als ze zich gedraagt en doet wat De Nechoir haar opdraagt, mag ze Ramirez en Emilio af en toe zien.” “Emilio... Is hij ook een bondgenoot?” “Ja, en een goedhartige ook. Maar waar De Nechoir hem juist gevangenhoudt weet ik niet. De Nechoir weet wel beter dan Emilio vrij te laten rondlopen. Hij weet dat Emilio en ik bloedbroeders zijn en elkaars zaak steunen.” Catherina staarde hem aan. “Je... Jij kent De Nechoirs zoon?” “Ja natuurlijk, ik ken Neyrelle toch ook? Je kunt nogal moeilijk op de Arendsburcht wonen en hen niet kennen.” Catherina realiseerde zich dat hij al eens eerder had gezegd dat hij Neyrelle had leren kennen op de burcht van De Nechoir. “Hoe ben jij ooit op de Arendsburcht verzeild geraakt?” vroeg Catherina met gefronste wenkbrauwen. Griffith haalde de schouders op. “Er loopt heel wat voetvolk rond op zo’n burcht: hofdames, penningmeesters, paardenknechten... En af en toe wordt er een bastaardje uitgespuwd en achtergelaten. Ik was keukenhulpje en leerde Emilio kennen toen hij eens koekjes uit onze keuken kwam stelen. We begonnen met elkaar op te trekken en vanaf dan waren we onafscheidelijk. De Nechoir keek maar zuur op toen Emilio liet weten dat hij meer met mij te maken wilde hebben dan met hem...” Catherina leunde verbaasd achteruit. De zwarte man bleef maar voor verrassingen zorgen. “Denk je dat we er ooit in zullen slagen De Nechoir te verslaan?” Griffith haalde de schouders weer op. “Misschien gaat De Nechoir wel uit zichzelf weg. Hij is zelf geen Welsh en ik denk dat het land hem nog weinig te bieden heeft.” “Wat zou hij dan gaan doen?” “Wie weet het... Wellicht een ander land gaan uitbuiten. Uit Wails zal hij in ieder geval niet veel meer kunnen halen. Er is geen sou meer terug te vinden.” Catherina schudde het hoofd. “Het is verschrikkelijk hoe één man een land zo snel naar de ondergang kan leiden. Het zou beter zijn dat hij onmiddellijk zou verdwijnen.” “Mh, zo eenvoudig is het niet,” zei Griffith. “Het is wat simplistisch te denken dat Wails er wel weer bovenop komt als De Nechoir maar uit de weg wordt geruimd.” “Dat is een eigenaardige stelling, komende van jou.” Griffith schudde het hoofd. “Nee, vrijheid is een moeilijk ding. De waardes die het woord draagt zorgen ervoor dat de mensen blind zijn voor de betekenis ervan. Vrij ben je maar als er structuren zijn waar je op kunt terugvallen. Er is geen land dat haar gevangenis nooit verfoeit, maar niet zonder kan... Als De Nechoir uit de weg wordt geruimd, betekent dat niet automatisch dat mijn volk weet wat met zijn vrijheid te doen. De Nechoir houdt Wails sterk in zijn greep en de mensen kunnen niet meer denken buiten zijn raamwerk. Als je Wails zijn Hooghuis teruggeeft zoals dat was, wie zou er nog geschikt genoeg zijn om er in te zetelen? Iedereen weet wel wat hij wil hebben in zijn leven, maar wie heeft er genoeg inzicht om dat niet te doen botsen met de verlangens van andere mensen of ze zelfs maar te kunnen verwezenlijken? Er zijn nog maar een handjevol mensen in Wails die dat kunnen en ze bevinden zich niet allemaal in de kringen waar vroeger de senatoren uit werden verkozen. Het zou een man met visie vergen om die mensen te vinden en ze bij elkaar te krijgen in het Hooghuis. Geef Wails zijn Hooghuis nu terug en het land zou in chaos worden gestort. Je zou een Hooghuis krijgen met niks anders dan bureaucraten die alleen maar denken aan hun eigen turf en niet aan het land. De Nechoir is een tiran, maar hij houdt het land wel samen op een eigenaardige manier.” “Maar je kan een man als De Nechoir toch moeilijk aan de macht laten?” “Nee, maar je kan evenmin zomaar een politiek systeem op een land droppen, gewoon omdat het wordt verheerlijkt als de stem van het volk. Niet als dat volk ten eerste niet weet wat te doen met die stem en er ten tweede een zooitje ongeregeld mee aan de macht wordt gebracht. Hetzelfde gaat trouwens op voor eender welk ander politiek systeem. Je kan het niet opleggen als je niet de mensen hebt om er iets van te maken.” “Jouw volk verheerlijkt het Hooghuis anders wel.” “Ja, maar alleen omdat het hen herinnert aan betere tijden. Dictators van andere tijden verheerlijken de tirannie ook omdat het hen herinnert aan het oude Keizerrijk...” “Dus heeft Lenion gelijk dat het neerkijkt op jullie Hooghuis?” “Nee, maar Lenion zit ook anders in elkaar dan Wails omdat daar de burgerij niet zo belangrijk is. Het Hooghuis ontstond uit praktische overwegingen, omdat er een onevenwicht was ontstaan tussen zij die het voor het zeggen hadden en zij die de economie overeind hielden. Wails zou zichzelf hebben genekt als ze het Hooghuis niet had ingesteld. Maar Wails is anders nu en de mensen dienen eerst te worden geleid, voor ze weer terug zelf zouden kunnen leiden. Daarom ook dat ik zoveel geld heb laten gaan naar de Welshe kroonprins. Als de kroonprins aan de macht komt dan zal hij nooit zijn macht willen delen met het Hooghuis. Hij is vadsig en bureaucratisch aangelegd en zal in de voetsporen van De Nechoir willen volgen. Hij weet bovendien dat er weinig kans is dat de Welshe scheepvaart weer wordt wat het was. Hij zal het ontginnen van de ertsbodems aanmoedigen om zijn eigen staatskas te spekken. Daardoor zal Wails niet de kans lopen te grabbel te worden gegooid aan een honderdtal senatoren. Het verschil met De Nechoir is dat de Welshe kroonprins niet dezelfde tirannie kan beginnen omdat hij er niet het karakter voor heeft. Nu al is hij afhankelijk van de goede wil van sommige machtige aristocraten om zijn positie te handhaven. De Nechoir heeft niemand nodig, hij is van niemand afhankelijk. Binnen de kortste keren zullen de edelen de kroonprins zo erg in hun greep hebben dat ze via charters hun privileges in een grondwet zullen steken. En dan zullen de edelen onderling tot een consensus moeten komen. En samen regeren. Als in een Hooghuis. Onderwijl zullen de burgers misschien hun weg ook terug hebben gevonden in de economie - een ander soort handel dan die van de aristocraten. En ook zij zullen dan spoedig hun eisen beginnen stellen...” Catherina schudde het hoofd. “Dat zijn heel hypothetische gissingen. Ik vind het gevaarlijk om de toekomst van je land daaraan op te hangen. Als je gelijk hebt over De Nechoir dan is hij misschien wel een tiran, maar dan houdt hij het land wel samen. Wat zal er gebeuren als er na De Nechoir juist niemand aan de macht komt en de honden onderling beginnen te vechten om het been?” “Door de Welshe kroonprins aan de macht te brengen, neem je inderdaad een risico. Maar de kroonprins is ook opgevoed met het idee van het Hooghuis. Wails moet gewoon zijn eigen weg terugvinden en niks proberen te forceren.” “Een principe van vallen en opstaan?” “Ja, al heeft het land er goede mensen voor nodig om het toch in de goede banen te leiden. Maar denk gewoon hieraan: het is niet het politieke systeem dat er heerst, die de welvaart van een land bepaalt, wel omgekeerd. Een slecht bestuur kan zijn effect hebben op de kwaliteit van die welvaart... De onderste lagen van de bevolking worden maar al te gemakkelijk vergeten...” “Dus de taken van dat bestuur zijn een groter plan opmaken?” “En er voor zorgen dat het in ere wordt gehouden.” “En er tegelijkertijd voor zorgen dat het niet in de weg staat van haar eigen bevolking?” “Ja, onder andere...” Catherina knikte. Ze begon zijn ideeën te begrijpen. “Dus de taak van de rebellie moet groter zijn dan alleen De Nechoir omverwerpen?” “Ja, ze moet het land ook heropbouwen. Anders valt het ten prooi aan wanorde en plunderaars.” “Iemand zal die taak op zich moeten nemen...” “Weet u,” zei hij plots, “het is nog een lange reis naar Verona dus vroeg ik me af of u niet wat aan uw Welsh zou willen werken.” “Mijn Welsh?” “Ja, ik herinner me dat u het als kind geleerd hebt aan boord van de Megafor. En ik heb van dokter Derache begrepen dat u het altijd een beetje bent blijven bijhouden.” “Wel, een beetje is nogal veel gezegd...” “Ik kan u helpen...” Catherina glimlachte. “Dat zou u kunnen...” Hij knikte en verzette een stuk op het schaakbord. Dan zei Catherina: “We gaan binnenkort aanleggen in een haven voor herstellingen.” “Ja, dat zal waarschijnlijk morgen wel zijn.” “Doe jij de herstellingen?” “Ik kijk in ieder geval wel toe.” “Zware herstellingen?” “Niks dat we eigenlijk niet op zee konden doen, maar kapitein Paulis neemt liever het zekere voor het onzekere.” “Mij niet gelaten. Dat koopt me alleen extra tijd. En dan kan ik nog eens voet aan wal zetten.” “Neem een kamer in de stad als ik een goede raad mag geven. Dan zit u ’s nachts niet in de stank van de teer.” “Neem jij een kamer?” “Waarschijnlijk.” “En heb je dan ’s avonds iets te doen?” “Nee, hoezo?” “Anders zou je wel eens met je schaakbord kunnen langskomen,” zei ze. Hij trok een schuin gezicht, opende zijn mond en sloot hem weer. “Weet u,” zei hij dan, “u hebt een vervelende manier om mensen om uw vinger te winden...” Hoofdstuk 5 Het was drie dagen nadat de Megafor was afgevaren uit de laatste haven. De herstellingen aan de romp waren vlot verlopen en ze hadden eerder kunnen vertrekken dan gepland. Ze waren terug op volle zee en dat betekende dat het leven aan boord van het schip zich weer hernam. De zeelui waren zich klaar aan het maken voor een van de minder aangename aspecten van het zeemansbestaan. Ze stonden verzameld op het bovendek terwijl de bootsman hen vanaf een verhoog onheilspellend bekeek. “Wel dames,” riep Griffith en hij keek iedereen dreigend aan, “het is vandaag de naamdag van onze patroonheilige. Wat dat betekent weet iedereen intussen wel. Ik verwacht straks iedereen op het bovendek voor de mis, netjes en zindelijk en ik reken erop dat iedereen weet dat ik daar geen grappen over duld. Jullie kennen het procedé: wassen, scheren, luizen afkloppen. Jullie hoeven niet bang te zijn om naakt over het dek te dartelen: juffrouw Montfort heeft zich samen met haar dienstmeisjes discreet teruggetrokken in haar kajuit - trouwens, haar prins is toch knapper. Wat de rest betreft: Rowland zal jullie wat emmers water geven, niet om watergevechten mee te houden, wel om je mee te wassen. Ik hoop dat tenminste dat is begrepen. Als het te moeilijk is om te vatten wat ‘wassen’ betekent, zal ik niet aarzelen om het te tonen.” Griffith sprong van zijn verhoog af en keek om zich heen. Die blik volstond om de mannen in actie te laten schieten. De zeelui grepen naar hun scheergerei en maakten er werk van. Rowland en twee andere zeelui lieten de emmers in het zeewater zakken en haalden ze weer terug op. De Megafor telde een enorm aantal emmers. Hoeveel het er waren, wist niemand, maar volgens Rowland waren er meer emmers aan boord van het schip dan dat ze kanonnen hadden. Waarom er zoveel emmers waren, kon niemand vertellen, maar het was een grap onder de zeelui dat de vorige kapitein ze wellicht had aangeschaft om zijn opstandige bemanning te straffen met een collectieve schrobbeurt. Rowland haalde net een emmer boven toen hij de bootsman in het oog kreeg. Schalks riep hij: “Boooooooootsmaaaaan.” Griffith keek om, maar waagde het niet om dichterbij te komen. Hij kende Rowland in de buurt van emmers en had geleerd een veilige afstand in acht te nemen als hij er een in handen had. “Kop dicht, Rowland,” zei Griffith. Rowland trok een lip, maar gaf zich nog niet gewonnen. “Hoe komt het dat wij ons allemaal mogen liggen schrobben en u ons niet eens uw goddelijk bovenlijf laat zien? Denkt u dat we u te schriel zouden vinden?” “Ja!” lachte een ander. “We zouden wel eens kunnen ontdekken dat hij een mietje is!” “Welnee,” zei Rowland. “De bootsman is gewoon bang om te verdrinken in een emmer!” Er werd om hem heen gelachen. Griffith glimlachte minzaam terug, maar zei niks. Rowland zag hem doorgaan en wendde zich tot de kompaan naast hem. “Nee echt,” zei hij, “de bootsman knapt zich nooit buiten zijn kajuit op, is het niet? Als hij er niet altijd zo fris uitzag, zou ik denken dat hij vies is van water.” “Och de andere officiers tonen hun babysmoeltje toch ook nooit,” zei een derde. “Je moet toch aan iets merken dat hij een officier is.” “Persoonlijk dacht ik anders dat hij zou oplossen als hij in aanraking kwam met water,” zei de tweede. Rowland grinnikte. “Misschien is hij bang zich te branden. Dat gebeurt nou eenmaal als je een kind van de duivel bent.” “Ja wat! Maar dan het omgekeerde van een waterduivel! Weet je nog iets beter?” “Ja-aa,” zei Rowland gespeeld ernstig. “Je weet toch wel dat de Megafor het snelste schip is op de wereldzeeën? Dat is omdat de bootsman zijn ziel aan de duivel heeft verkocht. Maar als hij ooit zeewater aanraakt, dan zal de Megafor zinken naar de bodem van de oceaan. Want enkel het schip mag het water raken, en niet hij.” Even keek de andere zeeman hem aan van ‘waar-blijf-je-het-toch-vandaan-halen’, maar dan begonnen ze alle drie te grinniken. “Stel je voor,” zei de tweede, “knal, en het schip de dieperik in.” “Je zou het eens uit moeten proberen.” “Ja, dat zou je.” En terwijl ze het zeiden, wisselden ze een boosaardige blik uit. Rowland leunde over de reling en keek omlaag naar het zeewater. “Vrij diep.” “Moet lukken,” zei de man naast hem. Ze zetten zich in een rijtje voor de reling en begonnen lustig een deuntje te fluiten. Griffith zag hen guitig naar hem loeren en vroeg zich af wat die drie nu weer aan het bekokstoven waren. Hij besloot maar eens poolshoogte te gaan nemen en beende wijd naar hen toe. De drie begonnen nog breder te grinniken en Griffith begon het ergste te vrezen. “Wat zijn jullie nu weer van plan? Als het weer iets is met azijn, kunnen jullie het nu al vergeten.” “O bootsmeester,” zuchtte Rowland theatraal, “waarom denkt u altijd het slechtste van ons? We waren maar wat met elkaar aan het praten.” Griffith trok een schuin gezicht. Rowland grijnsde breed. Griffith zei: “Zo? En moet ik dat dan geloven? Ik denk dat ik jullie wel beter ken.” “Tsk, meester Wolf, en dat terwijl we het schip behulpzaam wilden zijn...” “Behulpzaam,” zei Griffith sarcastisch. “O ja,” zei Rowland, “we hebben namelijk ontdekt dat iemand ons schip heeft behekst.” Griffith keek hen droog aan vanuit één oog. “…behekst…” “Ja-aaa!” zei Rowland overtuigd en hij ging dicht tegen de bootsman aanstaan. “Er is hier namelijk iemand aan boord die zich niet helemaal normaal gedraagt...” Griffith kruiste de armen. “Kan het nog wat gekker?” “Bootsman! En dat terwijl het schip daardoor wel eens gevaar zou kunnen lopen!” “Mmmh...” “Kom nu bootsman... Of moeten we het u bewijzen dat die persoon behekst is? Dat kunnen we heel eenvoudig doen hoor... Hij is namelijk nogal... afkerig van water... U weet wel... bang om nat te worden...” “O nee...” “Bootsman... Wat zou u er van denken dat we die persoon eens een goed bad gaven om te zien of we gelijk hebben?” “Als je dat maar laat.” “Waarom?” zei Rowland, “voelt u soms nattigheid?” En het volgende ogenblik kreeg Griffith een emmer water over zich heen. Nog voor Griffith bekomen was van zijn nat pak, zaten de drie al bovenop hem en tilden ze hem van zijn voeten. Griffith was desondanks iets behendiger dan hen en snokte zich vloekend los. Rowland greep zijn voet vast en Griffith ging languit tegen de grond. “Pak hem!” brulde Rowland en Griffith voelde zich weer opgetild worden. “O nee...” Bijna ging hij over de reling, maar hij gaf een ruk naar links en rechts, duwde zijn belagers tegen hun neus en hij was weer vrij. Dan zette hij het op een lopen en ontweek spelenderwijs de graaiende armen tot hij op het verhoog stond. Andere zeelui begonnen het spel mee te spelen en volgden Rowland naar het verhoog. Griffith bekeek de aanstormende meute en riep: “Genoeg! We zijn hier aan boord van een schip, niet op een kermis.” Het enige antwoord dat hij kreeg, was een andere emmer zeewater tegen zijn gezicht. De mannen schaterden en de bootsman keek als een verzopen kat door zijn ogen. Er waren zo van die dagen, dacht hij... Rowland gniffelde. “Vrij duidelijk dus toch niet betoverd.” De bootsman keek hem aan alsof hij het gehoord had. “Gooi ‘m in het water,” riep een van Rowlands kompanen toen en de zeelui kwamen weer in beweging. Griffith verstrakte. “Ja!” riep plots een ander. “In het sop!” “In het sop!” “In het sop!” Griffith keek opzij. Tijd om er tussenuit te muizen want hij had geen enkele intentie om zich overboord te laten kieperen. “Oké jongens,” zei de bootsman rustig terwijl hij voorzichtig achteruit liep. “We hebben ons pleziertje gehad.” De mannen dachten er blijkbaar anders over en Griffith voelde zich omcirkeld worden. “Genoeg,” herhaalde Griffith, dit keer dreigender. “In het sop!” Het volgende moment werd Griffith omver gekegeld. Rowland en z’n twee kompanen lagen bovenop hem en gierden het uit terwijl ze aan zijn kleren begonnen te sjorren. “Verd...” Voor Griffith was het spel op dat moment gedaan. “Hou op!” Hij wilde zijn belagers afschudden, maar ze hadden hem op zijn buik gedrukt en hielden hem gierend van het lachen vast. “Laat me los!” Hij voelde zijn hemd scheuren in het getrek en geduw. Rowland viel brullend achterover. Griffith slaakte een onmenselijke kreet. Hij hoorde een honende lach in zijn oren en beet terug. Griffith gaf de eerste zeeman een mokerslag en stampte de tweede hardhandig weg. Hij sprong op twee poten en keek de zeelui dol van razernij aan. “Jeezes bootsman, het was maar een grap,” zei een zeeman geschrokken. De zwarte man keek hen ziedend aan. “Flikker op. Allemaal!” De zeelui deinsden ontzet achteruit en Griffith ontblootte zijn tanden. Woest zette hij een stap in hun richting. “O mijn hemel...,” klonk het plots achter hem. Griffith keek grauwend om en keek recht in de ogen van Rowland. “Het merk...,” zei de Welsh ontsteld terwijl hij keek naar Griffiths ontblote rug. Griffith sprong over hem en sleurde hem grimmig overeind. “Durf dat nog eens te zeggen!” siste hij in het Welsh. Rowland wrong zich los. “Jij draagt het koninklijk brandmerk!” riep Rowland tegen de bootsman. “Waarom kreeg je het? Wat voor een gore smeerlap ben je dat je het kreeg?” “Hou je bek!” riep Griffith terug. “Wat denk jij te weten? Wat weet jij van het merk? De Nechoir gaf het me, niet de koning, niet de sheriffs, De Nechoir!” “Alleen de koning mag het geven, hufter! Enkel een verrader kan het krijgen!” riep Rowland. “Smerig zwijn!” Nog voor iemand kon tussenkomen gaf Griffith, Rowland een kopstoot. Rowland donderde neer en Griffith vloog hem naar de strot. “Wat weet jij? Wat weet jij? Jij weet niks! Jij weet niks van De Nechoir!” Griffith zou hem toen wellicht ook gewurgd hebben als de zeelui niet waren tussengekomen. De zeelui wisten waartoe de bootsman in staat was als hij zijn beheersing verloor en dan konden ze hem beter niet laten doen. “Laat me los! Laat me godverdomme los!” schreeuwde Griffith. De zeelui worstelden om hem vast te houden. Rowland sprong op zijn voeten en wou hem ook naar de keel vliegen, maar een paar andere zeelui hielden hem tegen. “Verrader!” “Schoft!” “Stop!” Thomas kwam aanzetten en greep Griffiths gezicht vast. De oude man keek Griffith pal in de ogen aan en had een vaag idee van wat er aan de hand was. “Griffith...” Griffiths neusvleugels trilden van de inspanning. “Jongen...” Thomas was bang van die blik. “Ga naar beneden,” zei de oude man langzaam. “Griffith, je weet dat ik het beste met je voorheb...” Thomas blokkeerde Griffiths blik zodat hij Rowland niet kon zien. Dat leek te helpen want de zwarte man probeerde zich te focussen op Thomas’ woorden. “Griffith...” “Marcos,” grauwde Griffith donker. Het was bijna alsof Griffith niet wist waar hij was. “Dat is niet aan de orde, jongen,” zei Thomas streng. “Heb je gehoord wat ik zei? Ik wil dat je naar je kajuit gaat.” Griffith balde zijn vuisten. Gelukkig leek er iets van Thomas’ woorden tot hem door te dringen. “Ja,” zei hij kort en hij keerde zich om en liep weg. Thomas had hem achterna willen gaan. De blik in die zwarte ogen stond hem niks aan, maar hij had geen keuze. Hij moest ten alle prijze voorkomen dat de bemanning zich vragen zou beginnen stellen. Thomas keerde zich om naar Rowland en dacht even na. Misschien was het nog het beste om te beginnen met Rowland de mond te snoeren. “Ben je soms gek, Rowland, om je overste zo aan te vallen? En durf me niet op de mouw te spelden dat het maar een grap was...” Griffith merkte niks van Thomas’ poging om de vrede te bewaren terwijl hij het dek afliep. Hij voelde alleen dat het merk op zijn rug brandde waar Rowlands ogen waren geweest. En de haat en de angst en de schaamte. Hij plukte zenuwachtig aan zijn halsdoek en gooide de deur naar het benedendeks open. Even aarzelde hij en dan stommelde hij de trap af. Hij viel bijna en liep toen, niet geheel op vier poten, maar evenmin op twee benen de gang door. Met moeite vond hij zijn deur in de gang en probeerde trillend naar de deurklink te grijpen. Hij verloor de controle over zijn benen en zakte ineen. Catherina hoorde het lawaai en vroeg zich af wat er aan de hand was. Ze opende voorzichtig de deur en zag Griffith op zijn knieën zitten voor zijn deur. Catherina keek de gang in en zag een van haar dienstmeisjes staren naar de zwarte man. “Ga terug binnen,” beval ze en het meisje verdween weer. Catherina keek terug naar Griffith. Hij had de deur van zijn kajuit geopend en kroop meer dan hij liep naar binnen. Hij boog voorover en klauwde met zijn nagels in zijn nek. “Woolf...” De zwarte man hoorde haar niet. Hij klemde zijn hoofd tussen zijn handen en grauwde. Hou op, beval hij zichzelf, alsof hij dat kon. Hou jezelf in de hand. Hij sloeg zijn hoofd tegen de vloer en kreunde. Hij was hier al eens doorheen gegaan. Het hoefde niet opnieuw. Mocht niet opnieuw. En de pijn kwam terug. En de uitputting. En de angst. Catherina opende de mond en sloot hem toen weer. “Griffith...” Nee, dit was niet Griffith. Ze huiverde terwijl ze op zijn ontblote rug neerkeek. Dit was gruwel. Grillige zilveren naden, plekken in zijn huid die geschroeid waren geweest, putten en vervormingen waar botten nooit precies geheeld waren. Op zijn ene schouder stond een brandmerk - een brandmerk als voor vee - dat zo’n specifieke vorm had, dat het wel een merkteken moest zijn. Ze had nooit vermoed wat voor verhaal op zijn rug stond geschreven. Plots gaf hij een kreet en beukte met vol geweld tegen de scheepswand aan. Hij schreeuwde en schreeuwde terwijl zijn nagels zich in zijn rug persten om een andere pijn te verdringen, een herinnering aan pijn, een herinnering aan zichzelf. Hij schreeuwde toen Marcos De Nechoirs naam keer op keer en in elk gebaar dat hij toen maakte, herkende Catherina plots verbijsterd de wanhoop van een gevangene die probeert te ontkomen aan zijn folteraars. Ze wist nu waar hij was. Niet hier, op het schip, niet op een plaats waar hij zichzelf Griffith Woolf noemde. Maar ergens anders, ergens waar hij had gevochten en verloren. Voorzichtig knielde ze achter hem neer en strekte haar vingers aarzelend naar hem uit. “Griffith,” fluisterde ze en een stuiptrekking ging door hem heen. Hij zei huilend haar naam, maar het klonk zo akelig dat Catherina besefte dat hij haar niet had gehoord in het zwarte gat waar hij zat. Ze voelde iets in zich breken dat niet met medelijden te maken had en fluisterde zijn naam. “Griffith.” Hij schudde over zijn hele lichaam terwijl hij De Nechoirs naam bleef herhalen en herhalen. Hij huilde. De verminkingen waren afstotelijk. Sussend legde ze haar hand op zijn rug. “Raak hem niet aan!” snauwde iemand achter haar. Ze trok haar hand onmiddellijk van Griffiths schouder af, maar het was al te laat. Griffith gaf een kreet alsof iemand hem met een pook had aangeraakt en stuiptrekte. “Catherina maak dat je wegkomt,” riep Thomas terwijl Griffith zich omdraaide en haar in de ogen keek. Catherina verstijfde. Ze had nog nooit zo’n bloeddorstige blik gezien in iemands ogen. Toen trok Thomas haar achter zich. Griffith grauwde en ontblootte zijn tanden. “Thomas! Hij gaat je…” Griffith stormde op Thomas af. Even dacht de oude man dat hij het had gehad. Dan dook hij in een reflex opzij en greep Griffith razendsnel vast. De zwarte man verloor zijn evenwicht en Thomas keilde hem zonder pardon omver. De klap kwam zo hard aan dat Catherina even dacht dat ze Griffiths nek hoorde breken toen hij tegen de wand aanvloog. De zwarte man zakte op de grond en bewoog niet meer. Het werd terug rustig in de kajuit. “Jezus,” zei Thomas geschrokken terwijl hij op het levenloze lichaam neerkeek. Dan kwam Catherina vanachter hem en liet zich neervallen naast Griffith. De zwarte man kreunde toen ze voorzichtig zijn hoofd aanraakte, dus wist ze dat hij nog leefde. “We kunnen hem beter vastbinden,” zei Thomas toen. “Ik heb er geen idee van of hij weer bij zinnen is als hij terug bijkomt.” Catherina keek Thomas verbluft aan terwijl hij Griffith tegen zijn bed aansleepte. “Bedoel je dat je dit al eerder hebt meegemaakt?” Thomas keek haar niet aan terwijl hij zijn riem losmaakte. “Talloze keren... Vroeger toch. Hij verliest zijn beheersing en slaat alles verrot dat te dicht in zijn buurt komt. Ik dacht dat hij zich onderhand wel over die hele toestand heen had gezet.” Thomas bond Griffiths handen vast. “De Nechoir?” “De Nechoir,” knikte Thomas. “Het brandmerk op zijn schouder betekent dat hij een landverrader is. De koning is de enige die het mag laten aanbrengen, maar De Nechoir heeft het toch ook op Griffith gebrand. Het betekent dat hij voortvluchtig is en niemand hem mag helpen op straffe des doods. Voor de Welshen betekent het dat hij hun land heeft verraden. Niemand zal hem dan ook onderdak geven. Bovendien staat er een prijs op het hoofd van een gemerkte die zo fabelachtig is dat er zelfs mensenjagers zijn die op gemerkten jagen. De enige reden waarom hij nog leeft, is omdat hij het merk goed verborgen houdt. Ik veronderstel dat hij het geluk heeft gehad dat De Nechoir het niet op zijn gezicht heeft laten branden.” “Maar dat is niet het ergste?” Thomas sloot de ogen. “Nee, uiteindelijk weten er maar weinig mensen dat hij een gemerkte is. Nee, het is niet het brandmerk dat het ergste is, misschien zelfs niet eens de littekens.” Thomas dacht even na. “Maar ik denk niet dat ik zelf wil weten wat hij het ergste vindt. Griffith is niet meer de jongen die ik gekend heb. Hij is een man waar je bang van moet zijn en hij houdt er niet van als je met zijn hoofd klooit.” “Heeft Marcos De Nechoir hem gefolterd?” Thomas keek Catherina recht in de ogen aan. “Ja en Griffith had die folteringen nooit mogen overleven.” “Is het gebeurd toen hij terug naar Wails ging na de dood van mijn vader?” “Nee, ervoor. Het is in Lenion gebeurd, op een schip van De Nechoir. Je vader verliet Wails met Griffith toen hij achter de infiltratieplannen van De Nechoir was gekomen. De Nechoir was razend en wou Montfort zijn verraad betaald zetten. Hij nam een schip en voer de kapitein achterna. Hij hield zich ergens in Lenion verborgen terwijl hij op de kapitein joeg. Op een avond werd de kapitein overvallen door Marcos’ mannen en de enige reden waarom hij toen ontsnapte, was omdat Griffith zich voor hem opofferde. De kapitein dook tezamen met jou onder op het platteland en hield zich er een paar maanden rustig. Maar in de tussentijd hield Marcos, Griffith gevangen op zijn schip en werd de jongen als een beest onder handen genomen door hem. Griffith heeft nooit gezegd wat De Nechoir met hem heeft gedaan op dat schip, maar ik heb na zijn vrijlating dikwijls genoeg naast zijn bed gezeten om te weten wat voor een verschrikking het moet zijn geweest.” “De Nechoir liet hem vrij?” “Ja. Dat was het wrede er aan. De Nechoir liet Griffith achter aan de kaaien als een waarschuwing voor de kapitein. Maar door dat te doen dwong hij Griffith tegelijkertijd te blijven leven en de vernedering met zich mee te dragen.” “Wat heeft Marcos juist met hem gedaan?” “Ik zei dat ik het niet wist. Zijn lichaam was echter bijna helemaal uit elkaar gerukt toen hij terug bij ons kwam. En wat ze allemaal in zijn lichaam hebben gestoken, wil ik liever niet weten, maar ik denk dat sommige dingen nog altijd in zijn vlees zitten. Hij was een wrak, een lomp vlees en het heeft maanden geduurd eer dokter Derache hem weer voldoende had opgelapt. Montfort had hem moeten laten sterven, maar hij hield zoveel van de jongen... We verzorgden hem bij een vriendin van de kapitein. Ik heb er al die tijd gewoond terwijl de kapitein zo veel mogelijk probeerde langs te komen. Ik weet niet waarom de kapitein er zo gebeten op was om hem terug beter te maken, want de jongen was nog nauwelijks mens zoals hij in zijn bed lag. Hij herkende ons niet en had paniekaanvallen als je hem durfde aan te raken. We hebben hem nog een tijd lang vast moeten binden omdat hij zichzelf voortdurend verminkte, maar met heel wat zorg kregen we hem tenslotte toch op de been. Griffith kwam weer bij zinnen, maar hij heeft het nooit over De Nechoir willen hebben. Hij probeert het te vergeten, maar als het te veel wordt dan slaat hij door. Op een keer toen we dachten dat het ergste voorbij was, vonden we hem badend in zijn eigen bloed en begon het weer van voor af aan. Uiteindelijk werd hij terug beter. Hij kon weer lopen en hij had het er al over om terug in de organisatie te stappen. Maar toen kreeg De Nechoir, Montfort te pakken en werd de kapitein verdronken aan de kade gevonden. Griffith verdween nog de volgende dag in het niets en na alles dat er gebeurd was, waren ik en Derache zo kapot dat we beiden uit de organisatie zijn gestapt. Toen ik terug werd geronseld door de hertogin was Griffith al Jago geworden.” Catherina staarde in gedachten naar het bleke gezicht. “Dat wist ik allemaal niet. Ik bedoel… Ik heb het litteken op zijn gezicht gezien en ik wist dat het er nog niet was toen ik klein was, maar ik heb er verder nooit bij stil gestaan.” Thomas knikte en nam Griffiths hand vast waar hij nog maar vier vingers had. “Hij verloor die vinger tijdens zijn gevangenschap. Hij beet hem af toen de ratten er aan begonnen te vreten. Hij is ook kreupel. Dat been is het enige dat dokter Derache nooit helemaal terug in elkaar heeft weten te zetten.” “Waarom liet De Nechoir hem gaan?” Thomas haalde de schouders op. “De Nechoir probeerde hem te breken, niet te doden, en dat is hem redelijk gelukt ook. Griffith is er helemaal aan onderdoor gegaan” “Maar dat is niet het enige, niet?” vroeg Catherina. “Wat bedoel je?” antwoordde Thomas onwillig. “De Nechoir deed nog iets anders met hem behalve die folteringen, niet?” Thomas keek strak weg. “Ik weet niet wat je bedoelt...” Dat wist hij wel, maar Catherina zag dat het te veel voor Thomas was om te begrijpen. “Ga je hem vastgebonden blijven houden?” “Ja, het kan zijn dat hij helemaal dol is als hij terug bijkomt. Blijf hier niet als het zo ver is, want je wilt hier niks van zien, Catherina. Ga liever naar boven. Rowland en hij waren aan het vechten en je kan maar beter eens uitvissen wat er aan de hand was.” Catherina aarzelde. “Zal jij dan voor Griffith zorgen als ik wegga?” Thomas glimlachte. “Ik laat hem niet stikken.” “Goed, dan praat ik ook met de officieren zodat ze hem niet missen.” Catherina stond op en liep met een laatste blik op de levenloze man de kajuit uit. Thomas maakte de riem terug los. Griffith sloeg kreunend de handen voor het gezicht. “Beter?” Griffith wou niet vragen wat hij had gedaan. “Hier, trek een hemd aan. Je hebt van het andere niet veel overgelaten.” Griffith bleef op zijn rug liggen en liet het hemd naast zich liggen. “Het heeft geen zin,” mompelde hij. “Waarom niet? Vanwege het brandmerk?” “Rowland heeft het herkend…” Thomas zuchtte. “Ja, ik heb het gehoord. Ik ben bang dat je hem tegen je in het harnas hebt gejaagd.” Griffith sloot de ogen. “Binnenkort weet heel het schip van het brandmerk.” “Je mannen weten dat je geen verrader bent.” “Je hebt er geen idee van hoe hoog de prijs is die erop staat.” “Je kent je mannen slecht als je denkt dat ze zich zo gemakkelijk laten omkopen.” Griffith kwam overeind. “Maar zeven mensen hebben ooit dat merk gekregen, Thomas, en ik ben de enige die nog leeft. Wat zegt dat?” Thomas antwoordde niet. Hij begon het hemd aan te trekken. “Bedankt om me vast te houden. Ik weet niet wat ik anders zou hebben gedaan,” zei Griffith. Thomas glimlachte. “Je zou Catherina de nek om hebben gedraaid waarschijnlijk.” Met een ruk keek Griffith op. “Was Catherina hier?” “Ze zag je hier zitten en toen ze je wou helpen, viel je haar aan. Je herinnert je er echt nooit iets van, nee?” “Heb ik Catherina kwaad gedaan?” drong Griffith aan. “Nee, ik kwam op tijd tussen.” Griffith staarde in gedachten voor zich uit terwijl hij het hemd dichtknoopte. “Hoe kan je zo’n goed geheugen hebben en je dan toch niks herinneren?” zei Thomas. Griffith keek op. “Waar is ze nu?” “Bij de officieren aan tafel. Ze heeft geprobeerd je afwezigheid wat in te dekken.” “Weet ze…” “Ze heeft je gezien, Griffith, wat denk je. Ik heb er haar wel over moeten vertellen.” Griffith knoopte de cravate terug rond zijn nek om de littekens te bedekken. “Oké, ik veronderstel dat er niks meer aan te doen valt. Ik kan er beter voor zorgen dat ik terug aan het werk ga.” Hij wou de deur uit gaan. “Griffith…,” zei Thomas. “Wat?” “Je bent niet in orde…” Griffith keek hem even aan. “Ik ben niet stom, Thomas. Ik maak geen twee keer dezelfde fout.” En hij ging weg. Thomas schudde enkel het hoofd. Griffith zette het gat in zijn geheugen uit het hoofd en concentreerde zich op zijn manschappen. Hij zorgde er beter voor dat het duidelijk was dat hij nog altijd de baas was. Hij gaf niemand de gelegenheid ook maar een moment na te kunnen denken en maakte op zijn eigen manier duidelijk dat er niks was gebeurd. Het incident was door hem al vergeten, dus was het niet aan hen om vragen te stellen. Het werkte. Er zou nooit meer met een woord over worden gerept en zo hoorde het ook. De enige persoon die het voorval waarschijnlijk niet zo snel zou vergeten, was wellicht die andere Welsh aan boord van de Megafor. Terwijl Griffith zijn bevelen gaf, ontmoette hij af en toe Rowlands blik. Griffith zag dat Thomas zich niet had vergist: Rowland zag er wraaklustig uit. Tegen de avond had Griffith iedereen zo afgestompt dat de zeelui blij waren te kunnen gaan slapen. De manschappen stommelden naar het benedendek en enkel de avondploeg bleef boven. Griffith ging zelf niet onmiddellijk naar zijn kajuit. Hij bleef bovendeks en staarde onrustig uit over de zee. Het gat in zijn geheugen stoorde hem, maar misschien nog niet half zo veel als die opmerking van Thomas. Griffith keek naar de horizon en vervloekte zichzelf. Hoe had hij haar pijn kunnen doen? Hij wist wat hem in die gevangenis op de been had gehouden. “Hel,” mompelde hij. Ongedurig slenterde hij wat rond op het verlaten dek. De man aan het stuur hief even zijn hand op om hem te groeten. Op dat moment ging ook de deur van de officiersmess open. Griffith had het geeneens gemerkt tot hij ineens zag dat ook Catherina naar buiten kwam. Hij keerde zich af, maar kon het niet laten toch even te kijken. Ze had hem ook gezien en hij werd zenuwachtig van die blik. “Kijk niet zo, Catherina,” mompelde hij. Hij haatte het, die blik die overal doorging. Hij maakte dat hij in zijn kajuit was voor ze hem kon aanspreken. Hij legde zich op zijn bed en sloot zijn ogen. De beelden kwamen onmiddellijk. Hij opende de ogen weer. Hij hoorde de deur van Catherina’s kajuit open gaan. Dat was het nadeel van een schip. Een dame had er geen privacy. Hij rekte zich uit. Hij plaatste zijn voeten omhoog tegen de houten wand en vouwde zijn handen op zijn borst. Hij kon niet zeggen dat hij na zijn ‘slaapje’ van die namiddag nog veel behoefte had om onder de dekens te kruipen. Hij staarde naar de zoldering. Hij hoorde zijn deur zachtjes opengaan, keek niet. “Ga weg,” zei hij. De persoon in zijn kamer sloot de deur en draaide zijn olielamp verder op. Griffith keek somber toe hoe Catherina zich op de rand van zijn bed zette. Hij wou vragen sinds wanneer zijn kajuit een open bordeel was geworden, maar hij bedacht zich. “Het spijt me van deze middag,” zei ze zacht. “Doe geen moeite. Ik heb er geen flauw idee van wat er gebeurd is.” De woorden leken haar te kwetsen. “Thomas zei dat ik je pijn heb gedaan,” zei hij onwillig. “Niet echt,” mompelde ze met neergeslagen ogen. “Niet echt? Ik geloof dat dat naïef klinkt. Ik ben in staat iemands nek te breken en het me niet te herinneren, weet je.” “Ik weet het…” “Als je dat dan weet, dan geloof ik ook niet dat ik je ‘niet echt’ pijn heb gedaan. En dat spijt me… Ik zou je nooit kwaad willen doen, Catherina.” Ze keek hem niet aan, maar ze kon zijn sombere blik zwaar op zich voelen wegen. “Ik veronderstel dat ik je niet had mogen aanraken.” Hij fronste de wenkbrauwen. “Heb je dat?” Ze knikte. “Je was je kamer aan het afbreken, je stond met je rug naar me toe.” Zijn rug. Hij huiverde. “Heeft… Thomas met je gesproken?” Ze knikte. “Hij heeft het me verteld…” Dan zei ze: “Wil je erover praten.” Hij keek met een ruk van haar weg. “O alsjeblieft! Bespaar me dat soort pathetische opmerkingen! Dat moet wel uit de mond van een vrouw komen!” “Niet spotten,” zei ze zacht. Hij beet op zijn lip. “Was Neyrelle er?” “Waar?” zei hij onwillig. “Marcos was er…” “Mh… op het einde, denk ik. De kapitein zei dat zij me eruit kreeg. Maar ik geloof niet dat ik er erg dankbaar om ben. Alles is beter dan dit.” Hij knoopte zijn hemd los en Catherina zag de littekens op zijn borst. “Waarom is het zo erg?” De vraag leek zo stom te zijn dat hij zijn mond opende met een snauw op zijn tong, tot hij besefte dat hij dat antwoord niet kon geven. “O hou je mond,” mompelde hij nors. Ze vouwde de handen samen. Na een poos zei ze zacht: “Soms ben je zo ruw…” “En dan?” “Maar nooit echt. Je weet waar de grens ligt.” Hij snoof. “Vrouwenpraat.” “Je zou me inderdaad nooit bewust willen kwetsen. En wanneer je het wel doet, spijt het je altijd daarna.” Hij klemde de tanden op elkaar. “Ik kan niet veranderen wat ik ben. Soms kan ik me niet bedwingen.” “Maar je probeert tenminste toch.” “Heb je dan altijd een antwoord op alles?” Ze glimlachte. “Ik moet toegeven dat je wat dat betreft nogal een moeilijk baasje bent.” “Dus dat heb je dan toch opgemerkt…” Ze glimlachte nog meer. Hij reageerde niet en staarde somber naar zijn laarzen. Met een zucht vouwde hij zijn handen weer op zijn buik. Hij lachte nooit echt, dacht Catherina. Ze strekte haar hand plots uit naar hem. Hij wist niet waarom, maar even had hij een schrikreactie. Hij kroop achteruit in het bed en bleef ongemakkelijk rechtop zitten. “Het spijt me,” zei hij verward. Hij voelde haar hand op zijn borst rusten en probeerde er niet op te letten. “Ik kan je hart voelen kloppen,” zei ze zacht. “Dacht je soms dat ik er geen had?” Ze glimlachte. “Het klopt heel rustig.” “Na een tijd leer je dat wel te beheersen.” “Misschien probeer je te veel te beheersen.” “Je kan nooit de juiste middenweg kennen...” “Misschien ben je bang.” “Ik zou niet weten waar ik bang voor moet zijn.” “Bang hiervoor.” Catherina strekte haar hand uit naar zijn gezicht. Hij hield haar onmiddellijk tegen. “Niet doen, oké,” zei hij nerveus en ze trok haar hand terug. “Je hebt daar een probleem mee, nietwaar?” “Waar heb je het over, vrouw?” “Ik denk dat je dat wel weet, Griffith.” Griffith keek haar nerveus aan. “Ik denk dat we nu wel ver genoeg zijn gegaan, Catherina. Wil je weggaan?” “Nee.” Hij maakte aanstalten om haar af te snauwen en ze zag hem zijn tanden al ontbloten voor hij zich weer inhield. “Begin nu niet te duwen, Catherina. Daar heb ik aardig de pest in.” “Het schrikt je af, nietwaar?” Hij greep haar bij de schouders en zei: “Hou op, wil je. Nu!” “Griffith, wat is het juist dat De Nechoir met je deed, behalve de folteringen?” “Wat?” “De Nechoir is iemand die spelletjes speelt met mensen. Welk spelletje speelde hij met jou?” Griffith liet haar met een schok los en knalde tegen het schot aan. “Het is niet alleen het merkteken dat je wilt verbergen, nietwaar? Je wilt ook niet dat mensen je aanraken.” Hij verkrampte. De ontzetting op zijn gezicht was afschuwelijk. “Griffith,” zei Catherina geschrokken, “ik wou niet…” De blik in zijn ogen verried dat hij haar niet meer hoorde. “Griffith?” Hij leek niet meer te reageren. Catherina greep hem vast en dwong hem met moeite haar aan te kijken. Hij hief zijn schuddende handen op en nam haar gezicht vast. “Catherina. Doe dit niet.” Zijn vingers klauwden in haar gezicht. “Het spijt me,” zei ze, “ik zal niet verder… hé.” Hij begon te beven. “Hou op, hou op,” zei hij, “raak me niet aan!” “Griffith?” “Raak me niet aan! Stop ermee!” Zijn greep deed pijn. Catherina verdroeg het en keek hem vreemd aan. Het was bijna alsof hij niet meer wist waar hij was. “Griffith, het is in orde. Niemand doet je wat.” Hij gaf een kreun en kromp ineen in haar schoot. Ze hoorde hem haar naam jammeren. Het klonk bijna alsof iemand hem met ijzer aan het bewerken was. Ze wist niet wat ze moest doen en hield hem vast. “Stop het… Raak me niet aan… Neyrelle… Catherina… Help me… Help…” Het viel op dat ogenblik niet na te gaan wat er door de zwarte man heenging. Maar Catherina begon iets te begrijpen van hem. Ze begon te begrijpen wat hij dacht als iemand hem aanstaarde. Ze begon te begrijpen hoe hard de herinnering telkens terug in zijn gezicht sloeg. Het moest verschrikkelijk zijn om te weten dat je kapot bent gemaakt. De Nechoir had hem in stukken geslagen tot hij niet meer in elkaar viel te zetten. En hij had het goed gedaan. Niet alleen met woorden, niet alleen met marteltuigen. De schade was niet meer te herstellen. En toch moest Catherina iets doen, zelfs al kon ze niet van De Nechoir winnen. Ze kon alleen proberen Griffith iets te laten herinneren. Iets waar hij al lang niet meer in geloofde. Ze boog zich voorover en fluisterde in zijn oor: “Je bent nog altijd mens.” De Megafor voer een paar dagen later een havenstad binnen. Er zouden zo snel mogelijk nieuwe voorraden worden ingeslagen en dan zouden ze weer vertrekken. Kapitein Paulis vond dat het oponthoud hen hoogstens een extra dag mocht kosten, dus zetten de mannen zich aan de slag. Toen Chef en zijn mannen de stad introkken op zoek naar een goede verkoper, gebeurde er echter iets eigenaardigs. Ze ontmoetten een handelaar die net uit Verona was gekomen en eigenlijk op weg was naar Lenion. Toen ze aan het praten sloegen, bleek dat hij zaken had gedaan met Neyrelles schip en de vrouw zelfs in persoon had ontmoet. Toen de zeelui dat hoorden, namen ze de man onmiddellijk mee naar de Megafor en lieten hem zijn relaas doen bij de officieren. De handelaar wist de officieren en Catherina te vertellen dat Neyrelle een week of twee geleden in Verona was aangekomen en voor zover hij wist, was ze daar nog steeds. De handelaar had ook de kroonprins van Lenion gezien en hij kon de zeelui vertellen dat de jongen in blakende gezondheid verkeerde. De kroonprins had hem zelfs een brief meegegeven die bedoeld was voor zijn verloofde thuis. De handelaar gaf de brief aan Catherina en gaf haar zijn persoonlijke garantie dat alles goed ging met de prins. ‘Hij zag er alleen wat bleekjes uit.’ De handelaar had geen persoonlijke boodschap voor de Megafor aangezien hij eigenlijk niet had verwacht hen hier te ontmoeten. De officieren lieten hem dan ook vertrekken. Eens hij weg was, begonnen de officieren te overleggen wat dit nieuws juist inhield. Al bij al betekende die ontmoeting dat Neyrelle inderdaad naar Verona was gevaren en dat de kroonprins nog leefde. Dat was goed nieuws aangezien niemand tot dan toe had kunnen voorzien of De Nechoir woord zou houden. De onderhandelingen leken dus nog steeds door te gaan en dat was het minste waar ze op hadden gehoopt. Het had immers anders kunnen verlopen als De Nechoir, Jean-Filip naar Wails had laten brengen, of erger, had laten doden. Dan zou het zelfs geen nut hebben gehad om te onderhandelen en hadden ze naar huis moeten varen met een boodschap van oorlog. Catherina legde een vergadering in met de officieren in de mess, maar dat stond niet in de weg dat al spoedig alle zeelui van de Megafor het nieuws hadden gehoord. Binnen de kortste keren zwermde het nieuws ook uit naar de mannen die niet meer op de Megafor zaten, maar de stad in waren getrokken. En zo ging het nieuws over van Pien op Brel en van Brel op Rowland en van Rowland op Thomas, tot bij de donkere man die de bootsman van de Megafor heette te zijn. Thomas vond Griffith in een kroeg dichtbij de kade en schoof bij hem aan. Hij vertelde Griffith over de handelaar en dat hij Jean-Filip had gezien. Hij zei ook dat de officieren met Catherina aan het vergaderen waren op het schip. Griffith luisterde aandachtig en onderbrak Thomas geen enkele keer tot hij zijn uitleg had gedaan. “Zei de handelaar ook of Marcos De Nechoir in Verona was?” vroeg Griffith dan aan Thomas. “Nee,” antwoordde Thomas, “maar ik veronderstel dat die wel in Wails is gebleven. Waarom vraag je dat?” Griffith haalde de schouders op en keek ongeïnteresseerd voor zich uit. “Maakt het uit of De Nechoir er is of niet?” drong Thomas aan. Griffith kruiste de armen. “Het zou in ieder geval duidelijk maken hoe gemeend die onderhandelingen van hem zijn.” “Hoezo?” “Ik ken De Nechoir. Ik weet hoe hij over Neyrelle denkt en ik denk niet dat hij de onderhandelingen aan haar zou overlaten.” “Misschien doet iemand anders ze.” “Nee,” zei Griffith bedachtzaam, “zo werkt De Nechoir niet.” “Weet jij iets dat ik niet weet?” vroeg Thomas. Griffith keek hem met een uitgestreken gezicht aan. “Moet dat?” “Je hebt De Nechoir altijd veel beter kunnen inschatten dan wie dan ook. Ik dacht dat jij misschien wist wat hij wou.” Griffith antwoordde niet en keek verveeld voor zich uit. “Betekent dat dat je het niet weet of dat het je niet kan schelen,” vroeg Thomas. Griffith snoof. “Waarschijnlijk dat het er toch niet aan toedoet wat we doen. De Nechoir heeft ons precies waar hij ons hebben wil en we zijn er met open ogen ingetrapt.” Thomas fronste de wenkbrauwen. “Je vertrouwt het niet?” “Wat? De onderhandelingen? Daar heb ik vanaf het begin niet in geloofd.” “Waarom ben je dan meegekomen als het je niet kan schelen, Griffith?” Griffith haalde de schouders op. “Maakt dat uit?” Thomas schudde het hoofd verward. “Ik kan niet volgen. Waarom ben je anders op de Megafor?” Griffith glimlachte lichtelijk. “Catherina heeft het je niet gezegd, mag ik daar uit afleiden.” “Wat verteld?” “Dat ik op de vlucht ben moeten slaan voor koning de Bethune, Thomas. Hij begon vermoedens te krijgen over mij en Neyrelle dus was de gemakkelijkste oplossing onderduiken op de Megafor tot we een haven zouden bereiken.” “Nee,” zei Thomas, “dat heeft ze me inderdaad niet verteld. Je had het me moeten zeggen, jongen, dat de Bethune je op de hielen zat.” “Had het een verschil uitgemaakt? Ik ben het onderhand wel gewend te moeten vluchten.” “Zeg zo’n dingen niet, jongen,” zei Thomas, “jij kan overal opnieuw beginnen. Maar dat je met Neyrelle op je bek zou gaan dat had je op voorhand kunnen weten.” Griffith zei: “Je vergeeft het haar nog altijd niet, hé, dat ze kapitein Montfort niet heeft gered? Zelfs al weten noch jij noch ik wat er toen juist is gebeurd... In ieder geval maakt het allemaal niet veel meer uit. Ik heb jarenlang in Lenion gezeten en ik weet nu onderhand wel hoe weinig zin het had.” “Kom nu,” zei Thomas, “je hebt veel goede dingen gedaan voor Wails en Lenion.” Griffith zuchtte. “Misschien, maar ik ben het vechten moe geraakt, Thomas. Het duurt intussen al bijna twintig jaar.” “Ik weet het,” mompelde Thomas, “ik had gewoon gehoopt dat jij beter kon doorzetten dan ik of Neyrelle. Zelfs de kapitein rekende op jou.” “Ik ben van de Wolven, Thomas, maar ik ben niet bovenmenselijk. De jaren hebben me uitgesleten…” “Ik veronderstel dat je dus niet meer meevaart tot in Verona?” “Vanwege De Nechoir?” “Als De Nechoir in Verona is en hij je daar ziet, laat hij je vermoorden,” zei Thomas. Griffith nam vermoeid zijn hoofd in zijn handen. “Dat kan hij niet. Dat zou de onderhandelingen in gevaar brengen.” “Hij hoeft het niet op moord te laten kijken.” Griffith antwoordde niet. “Was je vanaf het begin van plan om tot aan Verona mee te varen?” vroeg Thomas aarzelend. Griffith schudde afwezig het hoofd. “Nee, ik ken de risico’s. Het is alleen… Ik heb Catherina zien geboren worden, ik ga haar niet in de steek laten nu ze zoveel gevaar loopt.” “Dus zet je je leven op het spel?” zei Thomas stil. Griffith staarde naar zijn handen. “Griffith, je vertikt het zelfs om nog met haar te spreken. Ik denk niet dat ze dat soort gestes apprecieert als je haar blijft negeren.” Griffith reageerde niet. “Luister Griffith, ik weet niet wat er tussen jullie is voorgevallen, maar ga naar haar toe. Het kan niet zo erg zijn dat het dat waard is. Ik heb je zien veranderen tijdens deze reis, Griffith, en dat heeft alles met haar te maken.” “Begin niet, Thomas,” gromde Griffith. Thomas schrok achteruit. Hij kende dat toontje. “Sorry. Ik wil alleen maar zeggen: denk er goed over na voordat je morgen weer aan boord stapt en meevaart tot Verona.” Griffith stond op. “Ik weet het.” “Griffith…,” begon Thomas. De donkere man klopte in het voorbijgaan op Thomas’ schouder en verliet de kroeg. Een tijdje doolde Griffith door de straten van de stad. Hij had geen bepaalde bestemming, maar kwam op een gegeven moment toch terug terecht op de kade. Hij keek even naar de Megafor en ging dan aan boord. Op het voordek zag hij het kleintje van Grote Bram spelen, het Roste Joch. De scheepsjongen kwam onmiddellijk aanhollen toen hij Griffith zag en vertelde hem dat de officieren al twee uur lang aan het vergaderen waren en dat ze wilden dat de bootsman naar hen toe ging. De bootsman knikte verveeld en liep dan, de handen in de zakken, naar de officiersmess. Gelukkig was de vergadering al afgelopen toen hij binnenging en dat was maar goed ook want hij had geen zin in een gesprek met Catherina. De kapitein zag hem binnenkomen en vroeg hem waar hij al die tijd had gezeten. Hij vertelde Griffith over de handelaar en de afspraken die ze tijdens hun vergadering hadden gemaakt. Griffith luisterde aandachtig en knikte een paar keer zonder iets te zeggen. Dan zei de kapitein dat de prinses had gevraagd of de bootsman eens even bij haar langs wilde komen. Ze wilde iets met hem bespreken, zei Paulis en de kapitein liet duidelijk blijken dat hij dat maar eigenaardig vond. Griffith stak zijn handen nog dieper in zijn zakken en negeerde de blik van de kapitein. “Al goed, al goed,” bromde hij, “ik zal straks wel eens bij de dame langsgaan…” En hij verliet de mess humeurig. Buiten bleef hij even stilstaan en keek naar het Roste Joch dat even verder aan het spelen was met een ton. “Zeg joch,” riep de bootsman tegen hem, “waarom ben je hier en niet in de stad?” De jongen sprong op en zei: “Pappa zei dat kleine jongens als ik niet in een stad horen omdat daar heel veel onbehoorlijke dingen gebeuren.” Griffith grijnsde. “Met andere woorden: Grote Bram zit bij de hoeren.” De jongen bleef nieuwsgierig voor Griffith staan. “Wel kitten,” zei Griffith, “wat denk je ervan als wij er eens samen op uittrekken om de stad te verkennen?” De jongen nam enthousiast Griffiths hand vast en trok hem achter zich aan op de loopplank. Pas tegen de avond keerde de bootsman terug op het schip en ging hij - iets later dan ‘straks’ dus - naar Catherina’s kajuit. Toen Griffith binnenkwam, was Catherina net een boek aan het lezen. Hij keek haar frontaal aan en ze legde met een ernstig gebaar haar boek opzij. “Doe vooral niet alsof het je niet veel moeite heeft gekost om naar hier te komen,” zei Catherina, “maar ik heb je nodig als raadgever en dus zal je al de rest voorlopig moeten vergeten.” Hij knikte en bleef rechtstaan tegen de deur. Dan zei Catherina: “De kapitein heeft je wellicht wel verteld wat de handelaar over Neyrelles schip heeft gezegd? Nu zou ik graag van jou willen horen wat jij er van denkt. Ik vind het verdacht dat we, van alle plaatsen waar we kunnen aanleggen, toevallig hier iemand aantreffen die ons kan vertellen dat hij Neyrelle heeft gezien en me een brief kan meegeven van Jean-Filip.” “De brief is niet echt?” vroeg Griffith kalm. “O jawel, dat is het hem juist. Hij is heel echt. Maar om een of andere reden heb ik het gevoel dat die handelaar ons met opzet opwachtte om ons te kunnen geruststellen.” “Je bent bang dat je de onderhandelingen niet kan vertrouwen?” zei Griffith. Catherina haalde de schouders op. “Ik zou niet weten waarover De Nechoir wil onderhandelen. Denk je dat De Nechoir ons in een val probeert te lokken?” De voormalige raadgever van de hertogin verpinkte zelfs niet toen hij zijn antwoord gaf: “Ja.” “En wat kan De Nechoir dan doen?” “Hij kan proberen je te vermoorden,” zei Griffith. “Op die manier kan hij een oorlog met Lenion uitlokken.” Catherina fronste de wenkbrauwen. “Als hij het op een oorlog op aan stuurt, is het toch onzinnig om ons helemaal naar Verona te laten komen? Hij had toch gewoon Lenion de oorlog kunnen verklaren?” “Ik denk dat De Nechoir nog een troef achter de hand houdt die die omweg nodig maakt. Ik weet alleen niet dewelke.” “Ah… Maar toch. Stel dat hij inderdaad een oorlog wil uitlokken en hij dat wil doen door een aanslag te plegen op een van Lenions voornaamste personen, De Nechoir kon toch niet weten dat de Bethune de kroonprinses naar die onderhandelingen zou sturen? Lag het niet meer voor de hand dat de Bethune jou zou sturen, iemand die veel geschikter was voor deze taak, maar die in de ogen van de Lenionen niet van genoeg belang is om een oorlog voor te beginnen?” Griffith schudde het hoofd terwijl hij bij haar aanschoof aan de tafel. “De Nechoir wist wel wie er gestuurd zou kunnen worden. Het was in De Nechoirs plannen ingecalculeerd dat ik die dosis vergif niet zou overleven en dan moest de Bethune wel voor iemand anders kiezen. Om geen argwaan te wekken zou de Bethune iemand moeten kiezen uit de hoogste kringen want anders zou blijken dat hij weinig om de onderhandelingen gaf en slechts tijd probeerde te winnen. De Bethune kon dan maar uit twee partijen meer kiezen. De ene is de baronie. De andere was jij. Welke van de twee de Bethune ook koos, als De Nechoir een aanslag pleegde zou Lenion een oorlog met hem beginnen.” “Maar in dat geval dreigt Wails zelf betrokken te worden in het conflict. Dan staat De Nechoir toch niet meer in het voordeel?” zei Catherina. Griffith knikte en zei: “Je zou niet zo’n slechte boeken mogen lezen.” Verward keek Catherina op omdat ze helemaal niet begreep wat dat er bij kwam doen. Ze zag dan dat hij aan haar boek aan het frunniken was, maar nog voor ze iets kon zeggen, gaf hij een antwoord op haar vraag. “Wails heeft al talloze keren de kans gekregen om een oorlog te beginnen met Lenion. Het ding is alleen dat De Nechoir niet echt uit is op een oorlog, maar iets anders.” Catherina keek hem verrast aan. “Geen oorlog? Hoe bedoel je? Ik dacht dat het De Nechoir juist alleen om die oorlog ging.” Griffith probeerde het haar uit te leggen. “Waarom wil De Nechoir deze oorlog?” begon hij. “Om de troon van Lenion te bemachtigen, vertelde Jean-Filip me.” “Juist, dat vertelde Jean-Filip je, en Derache, en de Bethune en de hertogin.” “Maar jij niet?” “Catherina, antwoord me hier eens op: is De Nechoir de machthebber van Wails of niet?” “Ik veronderstel van wel,” zei ze. “En hoe ver ligt Lenion van Wails?” Catherina zweeg. “Juist,” zei Griffith, “tussen Lenion en Wails ligt een hele zee, dus moet je je afvragen of De Nechoir werkelijk de Bethunes troon wil. Als jij of ik imperialistische trekjes zouden hebben, dan zou je toch ook geen oorlog beginnen met een land dat aan de andere kant van de zee ligt. Dat houdt alleen steek als je een usurpator bent die nog geen eigen grondgebied heeft.” “Maar… Als het De Nechoir niet gaat om de troon van Lenion, waarom begint hij dan een oorlog met ons?” “Niet om Lenion binnen te dringen, maar Lenion buiten te houden,” antwoordde Griffith. “Misschien,” ging hij verder, “was het De Nechoir oorspronkelijk wel om de troon van Lenion te doen toen hij met Neyrelle trouwde. Maar intussen heeft hij mogen ondervinden hoe moeilijk het is om Lenion op de knieën te krijgen. Lenion ging in het offensief door te proberen De Nechoirs positie in Wails aan te vallen en dat kostte De Nechoir zo veel dat hij uiteindelijk dreigde Wails te verliezen. Dus vergat De Nechoir zijn plannen met Lenion en probeerde hij terug zijn positie in Wails te versterken. Hij moest er voor zorgen dat Lenion zich niet langer met hem bemoeide en dat kon hij maar op één manier.” “…Lenion destabiliseren,” zei Catherina bedachtzaam. “Precies, Lenion destabiliseren, want als Lenion lijdt onder interne zwakheden, bemoeit het zich niet meer met Wails.” “En daarom lokt hij een oorlog uit?” “Een oorlog is nog altijd de gemakkelijkste manier om een land te ondermijnen.” “Maar dat verklaart nog altijd de onderhandelingen niet,” zuchtte Catherina. “Ik weet het. Daar zit ik ook strop mee. Ik kan alleen veronderstellen dat hij die heeft ingelast om zichzelf wat tijd te kopen.” “Dus zijn we terug bij af. Enig idee waarom De Nechoir juist Jean-Filip ontvoerde en niet de Bethune?” “Nee, maar de Bethune werd veel beter beschermd dan Jean-Filip en het is quasi onmogelijk hem te ontvoeren. Plus dat de Bethune de enige was die kon voorkomen dat de hele Lenioonse adel collectief hun schepen naar Wails zou hebben gestuurd. Als Jean-Filip achter was gebleven, zou de adel niet zo gemakkelijk naar rede hebben geluisterd. Anders had hij de Bethune even goed kunnen laten vergiftigen.” “En Neyrelle? Volgde ze alleen De Nechoirs bevelen op omdat ze dan haar zuster kon vermoorden? Of kunnen we op haar steun rekenen tijdens de onderhandelingen?” “Geen idee, ik weet niet in hoeverre ze op de hoogte is van De Nechoirs plannen.” Catherina glimlachte. “Weet je,” zei ze, “voor een raadgever weet je maar heel weinig.” Hij glimlachte terug. “Wel, ridder Jago's manier van doen kon je niet echt bekoren. Dan moet je het er maar bijnemen dat bootsman Woolf niet zoveel te weten kan komen als hij...” Dan stond hij op. “Schaak?” vroeg hij en ze knikte. Ze overdacht even die opmerking terwijl hij het bord ging halen. Jago... Ze kon zich nog nauwelijks indenken dat Jago en Woolf dezelfde persoon waren. Ze vroeg zich af of zij ook zo erg was veranderd sinds ze het hertogelijke slot hadden verlaten. Catherina keek naar de brief op de tafel en wist dat dat inderdaad zo was... Griffith kwam terug met het schaakbord onder zijn arm en begon de stukken klaar te zetten. Ze keek er afwezig naar terwijl ze aan Jean-Filip dacht en beet op haar lip. Ze was voor Jean-Filip aan boord van dit schip gekomen en alles dat ze sindsdien had gedaan, was er op gericht om hem vrij te krijgen. Maar had ze eigenlijk nog wel aan hemzelf gedacht? Aan wat ze op het hertogelijke slot hadden meegemaakt, aan hun eerste ontmoetingen? Catherina versomberde terwijl er flarden naar boven kwamen drijven uit de brief die Jean-Filip aan boord van zijn schip had geschreven. “...Mijn liefste... Ik kan nauwelijks onder woorden brengen hoezeer ik je mis.” Ze dacht aan de gezichten van de zeelui die haar de brief van de handelaar hadden gegeven. Ze waren zo blij voor haar geweest dat haar prins haar had geschreven. “Er gaat geen dag voorbij of ik denk dat mijn hart barst van de pijn...” Zijzelf had die brief maar aarzelend aangenomen en met moeite geopend. “...Maar ik word gesterkt door de gedachte dat er ergens aan de andere kant van de zee een meisje is dat hetzelfde voelt als ik...” Ze moest toen al geweten hebben wat er mis was... Griffith zag haar bedrukte blik, maar zei er niks van. Pas toen hij gedaan was met de stukken te zetten en haar uitnodigde tot de openingszet zei hij: “Zit je nog in met die handelaar?” Ze schudde afwezig het hoofd en probeerde zich te herstellen. “Gewoon aan het denken,” zei ze en ze deed een zet. Hij wou er niet moeilijk over doen en deed een tegenzet. “Hoe zit het trouwens met die brief van Jean-Filip?” vroeg Griffith plots. “Staat daar niks over De Nechoirs plannen in?” Catherina schudde het hoofd terwijl ze de brief voor zich legde. “Eigenlijk vrees ik dat hij niet zoveel nuttigs heeft te vertellen. Wil je ’m lezen?” “Nee, dank je, vertel me liever wat er zoal instaat.” “Wel, je weet wel… Veel liefs en zo… Dat hij van me houdt en dat ik geduldig naast de haard op hem moet wachten tot we kunnen trouwen - dat is dus al niet gelukt.” “Maar het gaat goed met hem?” “Ja, zo ziet het er wel naar uit.” Ze begon de velletjes te doorlopen. “…Hier staat iets over de nacht dat Neyrelle hem ontvoerd heeft… Hier iets over de Bethune… mij… Neyrelle… Neyrelle. Ik, ik, ik… hij… jij - hij is bezorgd over je omdat Neyrelle niet wist dat je was vergiftigd tot haar dienaren terugkwamen. Bla, bla… Neyrelle - hij lijkt het wel met haar te kunnen vinden. Ze heeft hem trouwens ook verteld over de dubbelrol die mijn vader en jij hebben gespeeld. Mh, hier iets over jou en Neyrelle (ze doet je trouwens de groeten). Dus jij hebt iets met Jean-Filips tante gehad? Foei, stoute jongen… De Nechoir, De Nechoir… Ik… de Bethune… iets over het koningskind - Neyrelle heeft hem er blijkbaar over verteld… en…” Plots merkte ze dat Griffith haar aan het aanstaren was. Ze begon te lachen toen ze begreep waarom en zei: “Je kan je mond weer dichtdoen. Ja, ik weet dat Jean-Filip, de Bethunes zoon is.” “Je weet…? Hoe ben je daar achter gekomen?” vroeg Griffith haar. “Van de Bethune. Hij vertelde het me toen hij me de opdracht gaf om naar Verona te varen.” “Wow. Wat vertelde hij juist?” “Nou, dat hij geen opvolger had, dat de hertog ook geen kinderen had, dat ze een akkoord met elkaar sloten. Dat de hertog onverwachts overleed, maar dat de Bethune intussen verliefd was geworden op de hertogin en dat Jean-Filip dus de Bethunes kind is, van hem en de hertogin.” “En over de koningin? Nee laat maar… Hoe kwam hij er in hemelsnaam bij om daarover te beginnen? Hij zou dat maar openbaar maken als Jean-Filip in de problemen zou komen met de opvolging. Zelfs de jongen wist het niet.” Catherina grinnikte. “Wel, de Bethune had wel een duwtje in de rug nodig voor hij erover begon.” Griffith lachte. “En jij gaf hem dat duwtje veronderstel ik?” “Tja… Hij moest wel toen ik hem die brief liet zien.” “Brief?” “Ik vond een half verbrande brief met het woord ‘koningskind’ op in de haard van de hertogin… Ach wel nee, laat ik maar eerlijk zijn: ik vond die brief in jouw laden.” “Wat?” “Ik heb je bureau laten openbreken toen je eens op reis was. Nadat we elkaar de eerste keer hadden ontmoet, ben ik op zoek gegaan naar een excellente inbreker en ben ik in je bureau komen snuffelen.” “Ik dacht al dat er iemand in mijn bureau had gezeten, maar omdat ik dacht dat er niks nuttig in te vinden was, heb ik er verder niet meer bij stilgestaan.” “Wel, ik heb ook wel wat moeten zoeken eer ik iets nuttigs vond. De meeste dingen zeiden me niks, maar toen ik die geheime lade in je bureau vond, wist ik dat ik prijs had.” “Hemeltjelief, dat is de laatste keer dat ik jou onderschat. En toen de Bethune je je opdracht gaf, zag je natuurlijk je kans schoon om het fijne van de zaak uit te pluizen. Ik kan het me zo al voorstellen: jij vernoemt het koningskind en vraagt de Bethune om tekst en uitleg ‘in het belang van de missie’ opdat ‘De Nechoir niet van je onwetendheid misbruik zou kunnen maken’.” “Wel, zoiets…” Griffith lachte. “De Bethune weet niet wat voor schoondochter hij in huis heeft gehaald. Slecht, slecht ben je.” “Wie zegt het…” “Een pak slaag verdien je! Al sinds je nog maar een ukkie was, haal je al zo’n fratsen uit.” “Ik? Fratsen?” “Ja jij! Thomas vertelde me eens dat je altijd de gespen losmaakte van de paarden zodat iedereen eraf viel als ze wilden opstijgen.” “Hemel, ja, dat was ik al helemaal vergeten. Ik moet een heuse kwajongen zijn geweest in die dagen want Thomas blijft maar van die verhalen uit zijn mouw schudden over alle streken die ik heb uitgestoken.” “O, maar je was bij lange na nog niet zo’n grote kwajongen als ik was. Ik was de duivel van alle kattenkwaad.” “Jij!” riep Catherina uit. “Een kwajongen? Dat kan niet!” “Toch is het zo. Ik trok altijd op met de jongen van Neyrelle… Ik herinner me dat vooral het herfstseizoen verschrikkelijk was voor de mensen op de burcht. Dan gingen we altijd kastanjes rapen en zien of we die door de ramen konden gooien.” “Auw.” “Vooral onze kokkin moest er aan geloven. We gooiden de kastanjes altijd langs de ene kant binnen, en als ze dan naar buiten kwam stuiven, dook iemand van ons langs de andere kant binnen om haar koekjes te jatten.” Catherina begon te lachen. “Op een dag,” ging Griffith verder, “namen ze daarom onze kastanjes af en borgen ze de zak weg. Ik ben echter nogal goed met sloten dus op een nacht gingen we onze kastanjes weer terughalen. We slopen naar de keukenkast en ik prutste het slot open. Maar toen we terug naar buiten wilden gaan, stond de wacht plots op het plein. We konden er niet ongemerkt voorbij, dus verzonnen we een list.” “Ajajaj.” “O jawel, aj-aj-aj,” zei hij, “we gooiden de helft van onze kastanjes in hun vuur... Ik weet niet of je het weet maar vuur met kastanjes geeft een enorm knalwerk en als je dan ook nog weet hoe hard het galmt op de burcht weet je in ieder geval aan wat voor toestanden je je kan verwachten.” Catherina proestte het uit. “Iedereen kwam in paniek het plein opstuiven. Overal gingen lichten aan. De soldaten dachten dat we werden aangevallen en sommigen stormden half aangekleed de kantelen op.” Catherina begon te gieren. “In ieder geval hebben we aardig wat straf gekregen. Zeven dagen op brood en water en een flinke aframmeling daarvoor. Ik heb nooit meer een kastanje bekeken.” Catherina bescheurde zich van het lachen. En elke keer ze opkeek, keek ze natuurlijk recht op dat ernstige gezicht van Griffith zodat ze nog harder begon te lachen. Hij haalde een wenkbrauw op zodat ze nog harder begon te lachen. “Trek toch niet… Trek toch niet zo’n…,” hijgde ze en dan begon ze weer opnieuw te lachen. Geamuseerd liet hij haar doen, maar dan ging zijn ene mondhoek ook omhoog. Hij voelde de lachbui aankomen en keek weg, maar dan kon hij zich ook niet meer houden en binnen de kortste keren lagen ze gierend in elkaars armen. Toen Catherina hem hoorde lachen dacht ze dat ze nog nooit zoiets hartelijks had gehoord. Hoofdstuk 6 Het schip verliet de volgende dag de haven. Aangezien ze geen andere keus hadden, bleef de Megafor in de richting van Verona varen. Het was nog een week varen en intussen gingen de dagen voorbij. Catherina probeerde de tijd zo goed mogelijk te passeren. Ze las wat in de boeken die ze had meegenomen van het hertogelijke kasteel, maar na een maand varen had ze die bijna allemaal tweemaal gelezen. Ze moest haar soelaas dan maar zoeken in het gezelschap van de officieren of haar gezelschapsdames, maar ook dat dreef de verveling niet weg. Op een dag kwam ze verveeld naar het bovendek en zag ze Rowland op een ton een net herstellen. Ze ging naar hem toe en ze sloegen aan het praten. Tenslotte dacht ze dat ze hem beter aan het werk liet en vroeg ze of hij de bootsman had gezien. Toen Rowland, Griffiths naam hoorde, keek hij Catherina donker aan en zei hij dat ze zich beter niet inliet met dat sujet. “Hij draagt het koninklijke brandmerk,” zei de Welsh, “en dat betekent dat hij een landsverrader is.” Catherina antwoordde daar niks op. Ze nam zich voor om Griffith te overhalen om vrede met Rowland te sluiten. Als Rowland zo verder ging, zou zijn hekel aan Griffith omslaan in regelrechte haat. Op het achterdek stond de bootsman met drie andere mannen aan het takelwerk te sjorren. Toen ze hem zag, liep ze naar het achterdek, maar bleef dan even staan om naar hem te kijken. Griffith was niet groot voor een man dus zag hij er compact uit naast de drie andere mannen. Hij had niettemin een manier van bewegen die elk tekort goed maakte. Dan deed hij een paar stappen achteruit en ze zag dat hij, onmerkbaar, mankte. Ze vroeg zich af hoe het kwam dat zo’n dingen haar vroeger nooit waren opgevallen. Griffith zag haar wel afkomen, maar hij was te druk bezig om op haar te letten. “Kan ik een boek van je lenen?” vroeg Catherina op het moment dat hij in het want kroop. Hij hoorde haar waarschijnlijk geeneens want hij antwoordde iets in de aard van: “Ja, ja, wat je maar wilt. Ik ben even bezig…” Ze glimlachte en met een bedankje ging ze weer weg. Hij sloot zijn kajuit tegenwoordig niet meer dus opende ze de deur en keek even in de ronde. Ze was hier nog maar een paar keer geweest, maar ze had onmiddellijk gezien dat hij een klein boekenrek had boven zijn scheepskist. Ze liep onmiddellijk naar het kleine rek en beperkte zich tot het bekijken van de boeken. Ze herkende geen enkele van de titels, dus ging ze het hele rijtje maar eens af. Van de Welshe boeken kon ze weinig maken. Ze kon nu wel terug Welsh spreken, maar om nu ook al meteen zware lyrische boeken te beginnen lezen was andere koek. Ze nam een aantal andere werken in de handen tot ze haar keuze had gemaakt. Daarna schoof ze het uitgedunde rijtje terug tegen elkaar zodat de boeken zeker niet zouden vallen. Ze zou daarna de kajuit zijn uitgegaan als ze niet plots had gemerkt dat er iets achter de boeken stond. Ze dacht er nauwelijks bij na toen ze het kleine kistje vanachter de boeken haalde en fronste de wenkbrauwen. Het was een plat doosje, onversierd, en ze veronderstelde dat het achter de boeken was gevallen tijdens de storm. Bijna had ze het weer even achteloos teruggezet als ze niet iets metalig had horen schuiven in het doosje. Ze vroeg zich af of ze niet even zou kijken. Ze wierp een blik over haar schouder en dan kon ze zich niet meer bedwingen. Tenslotte kon het toch niet zo belangrijk zijn, want er zat geen slot op het doosje. Ze opende het doosje en zag een klein voorwerp liggen, van zilver zo bleek want het was hier en daar zwart geworden. Ze haalde het metaal eruit en probeerde te gissen wat het was. Ze hield het tegen het licht van haar lamp en op het ogenblik dat ze begreep dat het een medaillon was, begreep ze ook wat de voorstelling was die er in stond gegraveerd. “Allem…” Ze schrok zich dood toen ze plotseling bij de schouder werd gegrepen en werd omgedraaid. Nog voor ze doorhad wat er gebeurde, had Griffith het medaillon al uit haar hand genomen. “Ik had het kunnen weten dat je weer aan het snuffelen zou gaan,” zei hij terwijl hij het medaillon achteloos in zijn zak stak. Van de schrik bekomen, riep Catherina uit: “Wacht even: wat is dat medaillon? Waarom heb je het verborgen?” “Hou je neus bij je eigen zaken, meisje,” zei hij bedaard terwijl hij de kajuit uitliep. Ze sprong hem achterna. “Griffith!” Ze kreeg enkel zijn brede rug te zien. “Sluit de deur achter je, wil je!” riep hij. “Verdorie! Griffith!” foeterde ze, maar hij was al weg. Verveeld keek ze naar de deur van zijn kajuit. En toch was ze er zeker van: ze had een wapenschild in de voorstelling herkend. Terwijl hij over het bovendek liep, dacht hij verward aan het medaillon in zijn zak. Hij had er eerder aan moeten denken dat ze het had kunnen vinden, maar eerlijk gezegd was hij vergeten dat het daar nog lag. Hij moest zelfs toegeven dat hij niet meer naar het medaillon had gekeken sinds hij het daar had weggeborgen. Hij vroeg zich af of Catherina had begrepen wat het betekende. Hij gaf wat bevelen aan zijn mannen en staarde dan zwijgend voor zich uit. Hij dacht aan de dag dat de burcht was gevallen, aan De Nechoirs soldaten die uit de geheime gangen waren gekomen en zich als sprinkhanen over de burcht hadden verspreid. Hij herinnerde zich hoe zijn moeder hem midden in de nacht uit zijn bed had gesleept en hij doodsbang achter haar aan naar beneden was gelopen. Hij had het wapengekletter gehoord en de stank van vuur geroken en klampte zich angstig vast aan haar arm. Zijzelf had geweten dat ze reddeloos verloren waren. Ze had zich niet verwacht aan een aanval van binnenuit en overal waar ze keek, werden haar ongewapende soldaten afgemaakt door die van De Nechoir. Ze had nog geprobeerd haar enige kind te redden, maar zelfs daarvoor was het al te laat. Toen ze bij de geheime gangen aankwam, bleek dat het gevaar juist van die kant kwam. Ze holden heen en weer, maar uiteindelijk was er geen plaats meer om naartoe te vluchten. Ze bleef uiteindelijk staan en herorganiseerde haar mannen. Als ze zich niet kon redden, dan kon ze tenminste toch nog proberen haar huid duur te verkopen. Ze was nog altijd in haar nachtkleed toen ze zich een leren kuras liet omgespen. Ze keek haar mannen verbeten aan en het was duidelijk dat ze haar tot in de dood zouden volgen. Hoewel hij maar een kind was geweest, nauwelijks een paar jaar oud, begreep hij ongeveer wat er aan de hand was. Hij wist dat het geweld en de chaos om hem heen te maken hadden met de maanden van stilte die eraan vooraf waren gegaan. Later zou hij natuurlijk pas te weten komen wat er juist was gebeurd, maar op dat moment had hij genoeg begrepen om te weten dat ze hopeloos in de val zaten. Hij had opgekeken naar haar, zijn moeder, en op dat moment had zij ook naar hem gekeken. Het was ontstellend hoeveel hij, zoveel jaren later op die donkere vrouw geleek. Ze had hetzelfde zwarte haar, hetzelfde witte gezicht en dezelfde trekken. Het was bijna alsof ze een spiegel van elkaar waren. Ze had bij hem neergeknield en hem strak in de ogen gekeken. “Na mij zal je de laatste van de Wolven zijn, Raul. Vergeet nooit wie je bent, gehoord? Jij en ik zijn dezelfde.” Dan had ze hem haar medaillon gegeven en had ze hem verborgen in een nis. Hij had haar bekeken terwijl ze moedig naar haar mannen toeliep. Ze was grimmig geweest en hij had gehuiverd van de blik in haar ogen terwijl ze naar het strijdgewoel keek. Pas later had hij die blik in zijn eigen ogen herkend. En toen begon de slag pas echt. Ze stond voor haar mannen en leidde hen in die verschrikkelijke, nutteloze slag. Ze stierven allemaal, de een na de ander, tot alleen zij nog rechtstond. En dan werd het stil. Ze stond te midden van haar vijanden, groot en rijzig, de zwartharige vrouw met haar donkere ogen en haar bleek gezicht, vol bloed, het hare en het hunne. Maar ze liet zich niet door hen intimideren terwijl ze door hen ingesloten werd. Dan kwam De Nechoir en ze keken elkaar indringend in de ogen. Hij merkte de jongen in de nis wel op, maar liet hem leven. Op dat moment interesseerde De Nechoir zich alleen in de wolvenvrouw en de jongen maakte hem weinig uit. Hij zag dat ze nog lang niet was verslagen en voelde een steek van woede. Hij keerde zich om en zei dat zijn mannen hun gang mochten gaan. En toen dat was gebeurd, was De Nechoir teruggekomen en had hij het werk zijn bekroning gegeven. Hij had zijn ogen gesloten toen het geschreeuw was begonnen en was dieper weggekropen in de nis. Hij sliep niet, maar van wat er in de volgende uren gebeurde, kon hij zich later niks herinneren. Pas toen het stil was en de plunderaars ergens anders bezig waren, kwam hij terug tot zichzelf. Hij kroop uit zijn schuilhol en sloop langs de muren naar de kelders. Hij wist waar de geheime gangen waren omdat zijn moeder ze hem had getoond. Hij zag dat het oude wijnvat was weggeduwd waarachter de gangen begonnen en aarzelde even. Dan besloot hij om er toch in te gaan en hij verliet de burcht - zijn burcht - om er niet meer terug te komen in de volgende jaren… Catherina was boven gekomen en ze groette Thomas. Ze begonnen met elkaar te praten en pas na lange tijd kreeg de oude man te horen wat er scheelde. “Griffith heeft tegen me gelogen,” zei ze zacht. Voordat Thomas iets kon zeggen, ging ze verder: “Hij vertelde me dat hij op de Arendsburcht had geleefd en dat hij de bastaard was van een of andere bediende.” “En?” “Hij loog…” Thomas wachtte even af en ze keek peinzend voor zich uit. “Wanneer Rowland een verhaal vertelt, dan gaat dat meestal over een adellijk huis dat volgens de legenden wolvenbloed in de aderen heeft zitten. Ik heb altijd graag naar die verhalen geluisterd, maar heb er verder nooit bij stilgestaan.” Catherina haalde diep adem. “Tot ik me realiseerde dat het geen verhalen waren, maar dat dat huis echt heeft bestaan. Het waren zij die in naam van de koning altijd het Hooghuis hadden voorgezeten en daardoor de grootste zeggenschap hadden over Wails. De Nechoir huwde de laatste van dat geslacht om de macht te kunnen grijpen in Wails. Toen het hem niet lukte om zijn vrouw te controleren, belegerde hij haar burcht en doodde hij haar tenslotte. Maar nu ben ik me een paar andere dingen beginnen te realiseren. Tot voor kort heb ik ‘Woolf’ altijd een gewone naam gevonden. Hij komt overal in Wails voor en is er ongeveer even gebruikelijk als de naam Rousseau of Delvaux in Lenion. Geen enkel moment heb ik er aan gedacht dat die naam zijn oorsprong vond in de Arendsburcht en dat de vrouw waarmee De Nechoir eerst was getrouwd ‘Woolf’ heette. En dan begon het me ineens te dagen…” Ze haalde diep adem, maar Thomas had niet meer uitleg nodig. “Griffith is haar zoon, de laatste van hun geslacht als je wilt. Maar doe geen moeite Catherina: dat is een oud verhaal en op een paar souvenirs na, is Griffith die geschiedenis al lang vergeten.” “Je weet ervan?” “Ja, ik wist ervan, van je vader, van Neyrelle… Maar het is een naam die niks meer betekent, De Nechoir nam hem die af.” Catherina zweeg even. “Is De Nechoir zijn vader?” “Geen vader doet zijn kind aan wat De Nechoir met Griffith heeft gedaan,” antwoordde Thomas resoluut. “Nee, er was een andere man voordat De Nechoir naar Wails kwam. Als ik de verhalen mag geloven, was het een gelukkig koppel. Griffith is hun kind en omdat de macht altijd is overgegaan van Woolf op Woolf, draagt hij ook haar naam in plaats van de zijne. De rest van het verhaal ken je wellicht. Ongeveer een jaar voor Griffiths geboorte kwam er een vreemdeling door de poorten van de burcht gewandeld die zich voordeed als een belangrijk edelman. Hij zei dat hij door omstandigheden zijn bezittingen in het buitenland kwijt was geraakt en omdat het echtpaar een gastvrij koppel was, namen ze hem op in hun entourage. Toen Griffith ongeveer een jaar oud was, stierf plots zijn vader. Het is niet zeker, maar er bestaat het vermoeden dat De Nechoir een hand heeft gehad in de dood van de man. Hij is immers een gifkoning en de dood van de graaf was allerminst verdacht wat dat betrof. Maar de gravin wist hier niks van tot ze al getrouwd was met De Nechoir en toen was het al te laat. In ieder geval was het De Nechoir te doen om haar titel en niet om haarzelf. Hij wist dat ze als voorzitter van het Hooghuis een ongeëvenaarde macht had en wilde haar functie hebben. Ze was natuurlijk te verstandig om dat toe te laten, dus probeerde hij het op een andere manier. Eerst probeerde hij haar in diskrediet te brengen, dan probeerde hij andere edelen te overtuigen om haar uit haar functie te ontzetten. Ze was hem echter altijd een stap voor. Uiteindelijk kon hij niet anders dan met geweld de macht grijpen. Hij kreeg het Hooghuis zo ver om niet in te grijpen en viel de Arendsburcht aan. Tot twee keer toe brak hij zijn tanden stuk op de reputatie van de burcht, dan veranderde hij zijn strategie in een zwijgzame belegering. Maandenlang lag hij met zijn legers aan de voet van de burcht en in al die tijd kon er niemand binnen en buiten. Normaal gezien had de Arendsburcht een belegering van een jaar kunnen doorstaan en toen de winter aanbrak zag het er zelfs even naar uit dat De Nechoirs huurlingen zouden deserteren. Maar dan gebeurde het…” “De Nechoir veroverde de burcht…” “Door verraad, want anders was het hem niet gelukt. De gravin had een groot aantal van haar mensen geëvacueerd via de onderaardse gangen van de burcht. In principe kende niemand de in- en uitgang van die gangen en als ik Griffith mag geloven is het een enorm doolhof als je er zelfs in kunt geraken. Maar De Nechoir kwam erachter dat een aantal mensen zo de burcht hadden verlaten en spoorde hen op. Hij kocht een man om en kwam zo het bestaan van de gangen en hun ligging te weten. De Nechoir drong met zijn legers de burcht binnen en slachtte iedereen af die zich erbinnen bevond. De rest van het verhaal ken je. Hoe Griffith die geschiedenis heeft overleefd weet ik niet. Ik veronderstel dat zijn moeder hem op voorhand heeft weten te redden of dat hij op eigen houtje uit de burcht is geraakt. Hij was toen nog maar een paar jaar oud en hij herinnert zich het waarschijnlijk zelfs niet eens meer. Hij heeft me verteld dat hij daarna een paar jaar buiten de burcht heeft gewoond. Een kruidenvrouw vond hem en voedde hem op als haar eigen kind. In ieder geval keerde hij pas jaren later terug op de burcht nadat hij op een dag Neyrelle tegen het lijf liep. Neyrelle was toen al getrouwd met De Nechoir en was een keer gaan uitrijden. In een bos ontmoette ze Griffith en toen ze ontdekte wie hij juist was, wou ze hem niet achterlaten in die verlaten uithoek waar hij leefde. Hij werd er een keukenjongen of page, ik weet het niet meer, en bleef bij Neyrelle tot hij in contact kwam met kapitein Montfort, en die nam hem mee naar Lenion. Hij kon zijn eigen naam niet meer dragen in de buurt van de hertogin omdat er te veel mensen waren die hem op de burcht hadden gekend en die wisten dat hij Neyrelle kende. Hij begon de rol te spelen van Jago, de fictieve tussenpersoon die je vader voor hem had gemaakt, tot hij uiteindelijk ook Jago werd. Enkel hier aan boord is hij Griffith Woolf. Enerzijds omdat het er hier niet aan toe doet of hij Neyrelle kent of niet, anderzijds omdat hij al eerder bootsman was onder die naam en het geen zin meer had die te veranderen.” Catherina aarzelde. “Hij zal zijn huis nooit meer terugkrijgen, zelfs als De Nechoir sterft?” Thomas schudde het hoofd. “Je vader heeft het hem overduidelijk gemaakt dat hij daar niet in zal slagen. Als hij de burcht terug wil moet hij kunnen opboksen tegen de machthebbers die zelf in De Nechoirs voetsporen willen stappen. Maar Griffith heeft gewoonweg niet de invloed of de middelen om zijn rechten op het Arendsnest hard te maken.” Catherina zuchtte. “Het is vreemd. Men heeft altijd voorspeld dat als de burcht zou vallen, Wails zou vallen. Ik vraag me af wat er zou zijn gebeurd als De Nechoir er niet in geslaagd was om de burcht te veroveren.” Thomas haalde de schouders op. “Wails is eigenlijk al langer in verval.” “Ik weet het,” zei Catherina, “Griffith vertelde me dat Wails ooit wel groot is geweest, maar dat de zeehandel niet meer was wat ze is geweest.” “Wails’ echte rijkdom zijn de ertsbodems, maar er is geen geld meer om ze te ontginnen.” Catherina schudde het hoofd. “Het is niet eerlijk,” zei ze. “Voor wie? Voor Griffith of voor Wails?” vroeg Thomas. “Daar is geen verschil tussen,” zei Catherina, “volgens de verhalen is het huis het land en het land het huis.” Thomas lachte. “Ja, de Welshen hebben wel iets met dat soort gezegdes. Maar voor zover ik weet, is het nog niet afgelopen met Wails. En over Griffith maak ik me voorlopig nog geen zorgen want die loopt ook nog rond. Maar zijn burcht zal hij nooit ofte nimmer terugkrijgen…” “Je kon het weer niet laten, niet, om Thomas uit te horen?” zei Griffith tegen Catherina. Ze zaten in haar kajuit om een partijtje schaak te spelen en Griffith keek afwezig voor zich uit. “Wel, eh…,” zei Catherina verlegen. Griffith keek opzij. “Wel, er is hier niet veel te beleven dus waarom zou je geen oude verhalen oprakelen. Dan is er tenminste toch één iemand die het doet.” Ze waren net beginnen spelen en de zwarte man keek gedachteloos naar de hoeken van het bord. Het dienstmeisje in de kajuit kende geen Welsh dus konden ze ongestoord praten. “Het spijt me voor je,” zei ze, maar hij haalde de schouders op. “Het doet er niet aan toe. Ik was nog maar een paar jaar oud toen het gebeurde en ik heb er weinig herinneringen aan.” “Heb je er dan nooit naar verlangd het Arendsnest terug te krijgen?” vroeg ze. Hij aarzelde, maar hernam zich dan. “Dan moet ik eerst De Nechoir uit het zadel lichten en dan nog ben ik niet aan het einde van al mijn problemen. Uiteindelijk kan ik niet bewijzen wie ik ben en zijn er anderen die ook denken dat ze rechten hebben op het graafschap.” “Het spijt me niettemin.” “Mja… mij ook… Afallach heeft altijd toebehoord aan mijn geslacht en de burcht zelf is prachtig…” “Ik herinner me de eerste keer dat ik mijn oom terugzag na de dood van mijn vader: hoe hij ons huis inpalmde en deed alsof ik niet bestond. Toen hij het kasteel later verkocht, was ik doodongelukkig omdat ik wist dat ik mijn thuis dan voor altijd kwijt zou zijn. Wanneer ik aan dat kasteel terugdenk, lijkt het me de mooiste plaats op aarde te zijn en wou ik dat er een manier was om het terug te krijgen.” Griffith streek even bedeesd over zijn haar en zei dan: “Ik kocht dat kasteel nadat de vorige eigenaar het opnieuw van de hand wilde doen. Aangezien het nog steeds op Jago's naam staat en de Bethune vroeg of laat er wel achter komt dat het van mij is, is het dus bezit van de kroon geworden en dus ook van jou.” “Bedoel je dat ik het kan terugkrijgen?” “Wel, eh, ja. Ik veronderstel dat de Bethune het niet zal verkopen.” “O maar dat is prachtig!” Hij grinnikte. “En ik die dacht dat ik er enkel een paar herinneringen mee redde.” “O ja, maar dat is het enige waar je iets aan hebt als alles tegenzit. Denk je echt dat ik er terug in zou kunnen wonen?” “Wel, van mij mag het. Ik heb een fortuin aan de rest van mijn bezittingen overgehouden, dus zit ik niet om een kasteel meer of minder verlegen.” Catherina keek hem olijk aan. “Heb jij de staatskas van Lenion opgelicht?” Hij krabde achter zijn oor. “…’n beetje… Maar het zit allemaal vast bij de banken.” Dan nodigde hij haar met een uitgestreken gezicht uit tot de openingszet en verzette ze een pion. Ze zei: “Om het te vieren dat we over een paar dagen in Verona zijn, beloof ik dat ik het je niet al te gemakkelijk zal maken vandaag.” Hij gaf haar een grote grijns en antwoordde: “Je bedoelt dat je gaat proberen te winnen, zeker?” “Mijnheer,” zei Catherina met opgetrokken neus, “ik ben de enige persoon ter wereld die het u bijzonder moeilijk kan maken als ik wil.” “Moeilijk maak je me het genoeg,” antwoordde hij, “maar of dat op het gebied van schaak is, valt nog te bezien.” Ze schopte onder tafel. “Al goed, al goed,” lachte hij, “Ik geef het toe: je wint even vaak als ik, maar ik ben vandaag niet in een even toegeeflijke bui.” “Oh! Hoor dat praten! Alsof hij me altijd laat winnen.” “Bijna altijd.” Ze snoof. Ze begonnen de partij nu echt en zoals altijd zwegen ze dan het eerste half uur. Catherina deed als eerste haar mond weer open. “Is Woolf je echte naam?” vroeg ze. “Mja,” zei hij, “het is zoals bij jullie: de opvolger krijgt de naam van het geslacht.” “En is Griffith je echte voornaam?” “Niet helemaal. Voluit heet ik Raul Griffith Sullivan Jago Woolf, in die volgorde. Enkel Raul is daarvan een voornaam, maar die gebruik ik zelden omwille De Nechoir.” “Vier achternamen? Hoe kom je daar aan?” “Geen idee, maar ik weet dat Griffith de naam is van mijn vader, dus veronderstel ik dat de rest ook familienamen zijn.” “Vier achternamen en een voornaam... wat een rompslomp...” Griffith zei plagerig: “Je bent jaloers.” “Ik betwijfel het,” glimlachte ze. Hij glimlachte terug. “Als ik ooit kinderen heb,” zei Catherina, “heb ik dus al een waslijst aan namen waar ik tussen kan kiezen. Als het wat wil lukken, heet de oudste dus Wolfgang.” “Als je dat maar laat.” “En als het een meisje is, noem ik ze naar het Lyonnesse-verhaal.” “Ja wat man, liever jouw kinderen dan de mijne.” Catherina haalde haar neus op. “Kun je het beter? Zeg ‘es hoeveel koters jij wilt en hoe jij ze dan zou noemen.” Hij keek weg en zei zwakjes: “Ik denk dat dat geen problemen voor mij zijn. De Nechoir zorgde ervoor dat ik geen kinderen kan krijgen.” Catherina keek hem onthutst aan. “Waa... Eh. Het spijt me.” “Geen probleem. Uiteindelijk leer je daar wel mee leven.” “Maar toch...” Hij haalde de schouders op. “Nah. Neyrelle heeft een hoop voor me gedaan om me daar overheen te zetten. Ze is het soort van vrouw dat zichzelf geeft zonder er iets voor terug te vragen als het je kan helpen.” “Jean-Filip schreef dat je iets hebt met Neyrelle,” zei Catherina ongemakkelijk. “Mja, in feite wel. Ze is altijd goed voor me geweest en nam me zoals ik was.” “Jullie...” “Sliepen met elkaar als ik het echt moet uitspellen. Ja. Ze is noch een bloedverwant, noch mijn vijand, dus waarom niet? Ze is misschien ouder, maar daarom niet minder.” “Wow.” Hij keek haar geamuseerd aan. “Ik heb ook mijn behoeftes weet je.” Catherina voelde zich van kleur verschieten. “Dat was iets meer informatie dan ik nodig had.” Griffiths ogen twinkelden van plezier. “Had je ’r maar niet over moeten beginnen.” “Griffith, voze vent.” “Ben je intussen een beetje klaargestoomd voor Verona?” vroeg Griffith dan. “Wanneer zullen we aankomen?” vroeg Catherina. “Over vier dagen, juffertje. Ik hoop dat je nog iets moois en vrouwelijks bij hebt om te dragen.” “Ik was niet van plan om de onderhandelingen te doen in mijn nachtkleed,” merkte Catherina op. “Dat zou nog eens een idee zijn,” antwoordde Griffith. “Ik heb een mooi blauw kleed! Een dat Jean-Filip me heeft gegeven.” “Jean-Filip heeft je nogal veel kleren gegeven…” “Dat is het verschil tussen hoffelijke en onhoffelijke mensen.” Griffith sloeg zijn armen achter het hoofd. “Niet te hard brullen. Die hanger met die parel die je vader je heeft gegeven, die kwam van mij.” “Ik begon zoiets al te vermoeden. Waarom gaf je me die?” “Weet ik veel. Omdat ik een aardig man ben?” “Jij?” “Tuurlijk wel.” “Laat me niet lachen.” Dan zei ze ernstig: “Griffith, stel dat alles terug in orde is volgende week…” “Mmh…?” “Zou je dan mee terug naar Lenion willen komen met me?” Verrast keek hij op. “Wil je dat?” Ze knikte. “Ik zou je gezelschap missen. En ik kan het wel regelen met de Bethune. Tenslotte ben ik de oorzaak van je problemen.” Hij keek haar even bedachtzaam aan. “Dat is allemaal heel vriendelijk,” zei hij langzaam. “Maar je hebt genoeg van Lenion,” zei ze zuchtend, “ik weet het, Griffith.” “Nee, nee, begrijp me niet verkeerd: het is een bijzonder verleidelijk aanbod. Ik heb nog nooit gezelschapsdame gespeeld, me in jurken verkleed en zo. En het lijkt zoveel gemakkelijker dan gewoon ergens aan wal te gaan en helemaal opnieuw te beginnen…” “Maar?” Hij aarzelde. Hij zou graag bij haar willen blijven, wou hij zeggen, maar het was juist dat wat zo onmogelijk leek. “Ik heb geen toekomst meer in mijn land,” zei hij in de plaats daarvan, “maar ik zou heel, heel graag nog één keer terug willen gaan, ondanks alles.” Ze knikte begrijpend. “Soms benijd ik je om wat jij voor je land voelt. Ik wenste bijna dat ik daar was geboren zodat ik hetzelfde kon voelen.” Hij antwoordde niet en keek naar het schaakbord. “Weet je,” zei hij dan, “dat is de meest idiote zet die ik ooit iemand heb zien doen.” Verwonderd keek Catherina naar het schaakbord en zag dan wat hij bedoelde. Ze had zo slecht opgelet dat ze niet had gezien wat ze met haar stukken had gedaan. “Neem die zet terug,” spotte hij, “je beledigt mijn intellect.” “Ben je er zeker van dat je dat stuk niet zelf hebt verplaatst?” repliceerde ze. “O! Je durft!” Ze gaf hem haar meest uitdagende glimlach en zei: “Sweet lord, you play me false.” Hij trok een gezicht. “Dat is de laatste keer dat ik jou ooit introduceer tot de Welshe literatuur.” Ze verzette een stuk. “Is dit beter?” “Veel beter, nu kan ik tenminste zien dat je de regels van het spel kent.” Ze tuitte beledigd de lippen. “Wel, Catherina,” zei hij dan, “ik denk dat ik het je maar eens moeilijk ga maken.” En hij deed zijn zet. “Ziezo, probeer daar maar eens tussenuit te muizen.” Ze keek verbaasd naar het verzette stuk en vroeg zich af hoe ze dat niet had kunnen zien aankomen. Maar dan zag ze dat ze een zet kon terugdoen zodat ze haar koningin niet hoefde op te offeren en verplaatste ze haar loper. “Hah,” riep ze triomfantelijk, “daar heb je niet van terug!” Nu was het zijn beurt om verbaasd te kijken. Ze had niet alleen haar eigen stukken kunnen redden, maar had ook een venijnige tegenzet gedaan. Hij plaatste zijn ellebogen op zijn knieën en keek gefrustreerd naar het schaakbord. Een hele tijd staarde hij zich de ogen uit de kassen en dan zei hij na een hele tijd: “Weet je, deze vergeef ik je nooit.” Ze keek hem voldaan aan en leunde achterover. “Neem gerust alle tijd die je nodig hebt,” zei ze sarcastisch. “Je bent niet aardig,” antwoordde hij. “Hê, hê, precies daarom.” Hij zette zijn kin op zijn hand en keek intens naar het schaakbord. Catherina sloeg hem geamuseerd gade en nam van de gelegenheid gebruik om zijn donkere trekken op te nemen. Volgens Thomas leken alle Woolfs op elkaar. Ze hadden hetzelfde zwarte haar en hetzelfde bleke gezicht. Catherina vroeg zich af hoe de burchtvrouw van het Arendsnest eruit had gezien en of haar ogen even fel hadden gefonkeld als ze zo geconcentreerd voor zich uit had gekeken. Ze keek naar het litteken onder zijn oog dat de symmetrie van zijn gezicht verbrak. Ooit had ze hem daarom gruwelijk gevonden, maar nu viel het haar nog nauwelijks op. Hij was een ander man geworden voor haar. Misschien nog altijd wreed en bitter, maar niet langer afzichtelijk. Integendeel, ze was beginnen begrijpen dat hij die weerzin opzettelijk in de hand werkte. Voor haar zou hij nooit meer Jago zijn. “Bon,” zei Griffith plots, “het ziet er niet naar uit dat ik hier van tussenuit zal raken zonder een stuk op te offeren…” Catherina was in haar nopjes. Toegegeven, de zet was een toevalstreffer geweest, maar het was een aardige afwisseling om hem eens in de tang te hebben. Plots klopte iemand aan. “Binnen,” riepen ze gelijktijdig en de tweede officier kwam door de deur binnen. “Ah, bootsman,” zei de man vriendelijk, “u zocht ik. De kapitein vroeg me om u te halen voor wat schietoefeningen.” “Ik wil best,” bromde Griffith, “maar dat wicht hier heeft me klem zitten.” Nieuwsgierig keek de officier naar het schaakbord. Griffith maakte een gebaar dat hij erbij moest komen en hem helpen want zo kwam hij er niet. Algauw zaten de twee zich gezamenlijk suf te piekeren. “Geef het op,” gierde Catherina, “je zult en moet iets opofferen als je hieruit wilt geraken.” “Weet ik wel, weet ik wel,” bromde Griffith. De officier en Griffith zaten voortdurend de mogelijkheden af te kammen, maar ze konden maar niet beslissen wat de minste schade opleverde. Zo ging het een hele tijd door tot er opnieuw werd aangeklopt en Catherina opgewekt ‘binnen’ riep. “Bootsman,” zei de kapitein boos, “waarom ben je nog niet aan dek?” De tweede officier gebaarde machteloos dat ze niet aan hun probleem uit geraakten. De kapitein zag het schaakbord en zei: “O.” Paulis ging naast de tafel staan, bekeek even de situatie en zei dan: “Ik zou je loper verzetten als ik jou was.” Griffith schudde het hoofd. “Paard, in twee zetten schaakmat,” mompelde hij. De kapitein rechtte de rug wat. “Bootsman,” zei hij toen streng, “we zijn al lang bezig met de schietoefeningen en dit is niet de plaats waar die worden gehouden.” Griffith voelde nattigheid en begreep dat er eentje op zijn tenen getrapt was. “Eh… Ik zal er aan beginnen zodra…” Hij zag Paulis’ blik. “…nu dus…” Hij stond gehaast op en maakte zich samen met de tweede officier uit de voeten. Hij gaf Catherina nog een dikke knipoog in het voorbijgaan en verdween dan achter de deur. Paulis keek hem hoofdschuddend na en zette zich tegenover Catherina aan tafel. “Het is een goede jongen en hij heeft veel discipline, maar sinds u aan boord bent, lijkt hij wat minder gedreven te zijn.” “Ik veronderstel,” zei Catherina minzaam, “dat ik inderdaad veel van zijn tijd in beslag neem.” “Dat is het niet echt,” zei Paulis terwijl hij het schaakspel wat nauwkeuriger opnam. “Maar ik vroeg me af of hij niet overdrijft om u zo vaak gezelschap te houden.” “Ik zal me er in ieder geval niet aan storen want ik stel zijn gezelschap enorm op prijs.” “Mh, ja, ik zie dat u het niet begrijpt. Vindt u niet dat hij wat meer aandacht aan u besteedt dan strikt noodzakelijk is?” “We zijn vrienden geworden, cher capitain. Sinds hij hier niet meer uit plicht komt, speelt tijd geen belang meer.” “Hm, dat is uw interpretatie, maar ik weet wat voor soort de mannen van het gewone volk zijn.” “De bootsman is allerminst iemand van laag allooi,” sneed ze hem de weg af, “hij leest boeken en weet met mensen om te gaan.” “Ach, laat me mijn woorden herformuleren,” zei de kapitein sussend, maar Catherina gaf hem de kans niet. “Nee, dank u: ik weet waar u het op aan probeert te sturen. Maar ik verzeker u: de bootsman is een gecultiveerd man en hij weet de nodige afstand in acht te nemen.” Paulis zuchtte. Blijkbaar wilde ze niet verstandig zijn. “Gecultiveerd of niet,” zei hij, “dat neemt niet weg dat ik zijn slag beter ken dan u. Dat ‘sort’ heeft orde en tucht nodig. O zeker, ze kruipen wel voor iemand van een hogere rang omdat ze hopen iets gedaan te krijgen van u, maar laat ze eens de vrije hand, en dan zult u wel zien wat er van komt. Dat slag van mensen kent geen loyaliteit, madame. Het is dat ze u een keurige dame vinden, want anders zouden ze de vieste dingen met u uitproberen.” Catherina keek hem maar zuur aan. “Ik weet dat dat voor sommigen het geval is,” zei ze langzaam, “maar de bootsman hoort daar niet bij.” “Ach juffrouw, u kent hem gewoonweg niet. U bent een vrouw, vrouwen zien graag het zachte in een man, en als ze dat niet in hem vinden, gaan ze zich voorstellen dat het er wel is.” “Ik weet dat de bootsman een hardvochtig man is,” zei ze bits, “maar u moet zich eerlijk gezegd niet te veel voorstellen van mijn fantasieën. Ik heb hem grondig gehaat toen ik aan boord van dit schip kwam en pas later heb ik ingezien dat dat mijn echte dwaasheid was. Ja, Woolf is een man die wreed kan zijn als het niet nodig is, en dat zal ik zeker niet goedpraten, maar ik weet dat hij mijn vertrouwen nooit zou beschamen.” De kapitein zuchtte. “Het zij zo, als dat uw overtuiging is… Maar niettemin: aarzel vooral niet om mij te waarschuwen als de bootsman misbruik zou maken van zijn vertrouwenspositie. Ik ben de man die hem ter verantwoording kan roepen.” Catherina knikte en zei zuur: “Ik zal er aan denken.” “Mooi,” zei de kapitein en verzette dan zijn paard op het schaakbord. Catherina keek er even naar. Het was een zet die hem zijn koningin zou kosten en hem binnen twee zetten schaakmat zou zetten. “Aan u de eer om te spelen,” zei de kapitein hoffelijk. Maar de uitdaging was verdwenen en daarmee ook haar interesse. “Het spijt me,” zei ze koel, “ik heb een milde hoofdpijn. Ik zie u straks wel tijdens het avondeten.” Hoofdstuk 7 Verona lag nu recht voor hen en het was nog maar twee dagen voor ze hun doel eindelijk zouden bereiken. Speeluur was voorbij en iedereen was terug gefocust op hun missie. Als de voorbije weken hun gedachten waren afgedwaald van de reden van hun reis, dan was daar nu de gelegenheid niet meer voor. Iedereen bereidde zich voor op Verona, al wist de ene al wat beter dan de andere wat hen te wachten stond. De bootsman keek somber voor zich uit over de zee toen hij achter zich plots iemand zijn naam hoorde roepen. Griffith keek om en zag Thomas het voorkasteel opklimmen. “De kapitein laat je roepen voor een vergadering.” Griffith zei niks. Nu Verona dichtbij was, werd het tijd zich te organiseren voor de grote dag. Als hij Catherina goed kende, betekende dat dat ze het initiatief niet aan de officieren zou overlaten. Ze had Griffith al gezegd dat ze een aantal plannen had voor Verona en hij veronderstelde dan ook dat zij de vergadering bijeen had geroepen. De officieren zouden misschien zelf het heft in handen willen nemen, maar Catherina zou zich niet de baas laten worden door hen. “’t Is tijd, nietwaar?” vroeg Thomas en Griffith knikte. “Zal je haar helpen als het nodig is?” vroeg Thomas dan, maar Griffith glimlachte slechts. “Ik denk niet dat ze mijn hulp nodig heeft.” Dan liep hij het voorkasteel af naar de mess. Toen hij de deur opendeed, zag hij dat de vergadering net begonnen was. Catherina stond rechtop achter de grote tafel en keek Griffith even kort aan. De bootsman sloot zachtjes de deur en glipte naar achter. Catherina ging verder. “Overmorgen meren we af in Verona en ik wil geen enkel risico nemen,” zei ze, hen één voor één in de ogen kijkend. “We hebben hier een prachtig schip met mannen die gewend zijn om zowel op land als op zee te werken. Het zou stom zijn als we daar geen gebruik van zouden maken. De Nechoir is tot alles in staat. Hij kan proberen me te doden om een directe oorlog met Lenion uit te lokken, hij kan ook proberen te praten. Welke optie hij ook kiest, ik wil dat het duidelijk is dat er voor ons slechts één doel is: de prins zo snel mogelijk vrij krijgen uit De Nechoirs handen. Daarom gaan we niet wachten op de uitkomst van de onderhandelingen en gaan we van zodra wij aangelegd zijn, proberen hem te bevrijden. De onderhandelingen zullen overmorgen plaatshebben in de Madonnakathedraal in het hart van Verona. We zullen daar met een kleine delegatie heengaan om de vrijlating van de prins te eisen. Tegelijkertijd wil ik dat onze mannen uitzoeken waar het Welshe schip in de haven ligt en of de prins aan boord is. In het geval de onderhandelingen mislukken, wil ik dat al onze manschappen klaar staan om de prins met geweld te ontzetten. Ik wil ook dat we een schaduwbrigade hebben om eventueel de onderhandelaars van De Nechoir te overmeesteren en hen te dwingen de prins vrij te laten. Hoogstwaarschijnlijk zal de Welshe delegatie zwaar bewapend zijn, dus zal de schaduwbrigade voornamelijk instaan voor onze veiligheid. We hebben ook een aantal mannen nodig om uit te zoeken of de prins elders in de stad is ondergebracht in het geval hij niet op het Welshe schip zit. In alle gevallen wil ik dat alle manschappen paraat staan en dat de communicatie optimaal verloopt. Over de taakverdeling zullen we het straks hebben. Ik ben er ook van overtuigd dat De Nechoir zal proberen om ons schip te saboteren. Er is mij verteld dat u altijd een bepaald protocol hanteert als het schip aangelegd is. Ik hoop dat ik dezelfde efficiëntie van u kan verwachten als gebruikelijk. Ik hoef u niet uit te leggen dat we dit schip tot elke prijs moeten beschermen... Ik stel voor dat de officieren de activiteiten in de stad organiseren en dat u Thomas aanstelt om voor het schip te zorgen. Als u nog opmerkingen heeft of suggesties hebt, zou ik die nu graag horen. Anders gaan we verder met de taakverdeling. Ik zou u er op dit ogenblik nog graag even aan herinneren dat ik de vertegenwoordiger ben van de koning en in die functie u allen kan bevelen.” Catherina keek in de ronde. “Nog verdere opmerkingen?” Een geroezemoes brak los rond de tafel maar niemand durfde haar gezag in twijfel te trekken. Enkel Griffith hield zich wat terzijde. Hij glimlachte fijntjes terwijl hij toekeek hoe ze de hele zaak gedetailleerd uit elkaar begon te zetten. Taaie tante. Dan brak de dag aan dat ze in Verona aankwamen. In haar kajuit stond Catherina zich klaar te maken om van boord te gaan. Zenuwachtig liet ze de laatste knopen van haar kleed vastknopen. Vandaag moest ze zich waarmaken, of ze nu wilde of niet, en ze kon zich dan ook maar best goed kleden. Ze bekeek zichzelf even in haar kleine spiegel en knikte dan. Uiterlijk viel er weinig opwinding aan haar te bespeuren. Als ze het spel goed speelde zouden ze nooit weten hoe bang ze was. Catherina stak haar kleine handpistooltje onder haar kleed en zorgde ervoor dat de bult niet te fel zichtbaar was. Dan liep ze haar kajuit uit, de trap op. Ze hoorde het geluid van haar ritselende rokken en vroeg zich af hoe lang het geleden was dat ze die nog eens had gehoord. Ze was zo opgetut dat ze zich voelde alsof ze eerder iemand ging verleiden dan bepraten. Wel, het was te laat nu om daar nog iets aan te doen. Ze verscheen aan dek en keek om zich heen. Er was een commotie aan de gang die gebruikelijk was voor een schip dat op het punt stond een haven aan te doen. Het stelde Catherina gerust dat de mannen blijkbaar wisten waar ze mee bezig waren en wat er van hen verwacht werd. “Klaar?” hoorde ze plots iemand achter haar zeggen. Ze draaide zich niet om omdat ze Griffiths stem herkende en niet wou dat zijn mannen hen in het openbaar zagen praten. Dus bleef ze staan en knikte ze. “Hoe zie ik eruit?” fluisterde ze dan, terwijl ze deed alsof ze haar rokken aan het gladstrijken was. “Prachtig! Je hebt terug borsten.” Ze verschoot van kleur en wou zich omdraaien. Op dat moment kwam de kapitein op haar af en de bootsman verdween met een grote grijns uit het zicht. “Madame,” zei de kapitein hoffelijk en Catherina maakte een lichte buiging. “We kunnen over een kleine vijftien minuten het schip verlaten. Is er nog iets dat gezegd hoeft te worden?” “Nee, ik geloof dat alles nu wel op punt staat. Ik hoop alleen dat De Nechoirs spionnen enkel ons gezelschap volgen en het schip niet al te nauw in het oog houdt.” “We hebben het zo geregeld dat het niet te hard opvalt dat de manschappen allemaal van boord gaan.” “Staan alle officieren klaar?” “Ja. Monsieur Solvay zal straks als eerste van boord gaan. Thomas en zijn mannen blijven hier op het schip.” Catherina knikte. Ze wou vragen of Griffith met hen meekwam, maar ze was nog niet vergeten hoe de kapitein over de bootsman dacht. Ze gingen naar de brug en keken toe hoe Verona’s kade steeds dichterbij kwam. Catherina’s ogen vernauwden. Dus in die stad zou Jean-Filip zijn? Ze probeerde de schepen aan de kade wat beter te bekijken, maar er lagen er te veel om de drie Welshe schepen eruit te kunnen pikken. Uiteindelijk werd de loopplank gelegd en stapte de kapitein met achter hem de dame en de officieren aan wal. Er werd nog even een onmerkbaar teken uitgewisseld tussen de tweede officier en het schip en dan vertrokken ze naar de Madonnakathedraal. Alle officieren waren op hun best gekleed, met sabel en musket duidelijk zichtbaar aan de gordel. Enkel de bootsman was in eeuwig zwart gekleed, schijnbaar ongewapend. Voor het eerst leek hij terug op Jago en aan de manier te zien waarop hij rondkeek, leek hij voor honderd procent geconcentreerd te zijn. Geen van hen zei een woord. Even later bereikten ze de kathedraal. Drie zeelui gingen hen vooraf om te zien of alles veilig was. Catherina keek even naar het portaal en haalde diep adem. Dan opende de kapitein de deur en liet hij de vrouw achter hem binnen. Griffith volgde de rest en had de hele kathedraal al helemaal opgenomen vooraleer hij goed en wel binnen was. Hij wist onmiddellijk dat er iets mis was. Het hele gezelschap bleef even staan in de middenbeuk. Catherina voelde hoe Griffith zich onmerkbaar achter haar zette en ze vatte moed. Langzaam ging ze naar voren, terwijl de mannen om haar heen om zich heen spiedden naar schutters. Er was niemand. De kapitein aarzelde en keek vragend om naar Catherina. Zij lette enkel op wat de man achter haar leek te denken en wachtte even. “Er zou toch iemand zijn om ons op te vangen?” vroeg de kapitein aan zijn officieren en ze begonnen zacht met elkaar te overleggen. “Zou De Nechoir ons schip niet hebben zien aankomen?” fluisterde Catherina tegen Griffith. “Nee,” fluisterde hij terug, “hij laat nooit zo’n steken vallen. Ik denk dat hij er gewoonweg niet…” Op dat ogenblik kwam een priester op hen af. “Het spijt ons eerwaarde, we wilden hier enkel iemand opwachten,” zei de kapitein, “we wilden u niet storen.” De man glimlachte vriendelijk en zei: “Degenen die u zoekt, hebben ons gevraagd u op te wachten om u een boodschap te geven.” Catherina voelde de ogen van Griffith vernauwen. “Bedoelt u dat degenen die we hier hoopten te treffen hier al lang weg zijn?” vroeg Catherina. De priester richtte zich naar haar en groette haar vriendelijk. “Juffrouw Montfort? Ja, ze zeiden me dat er mensen uit Lenion zouden kunnen toekomen en naar hen vragen. Ze vroegen me een boodschap aan u te geven.” Griffith bewoog achter haar en Catherina hield haar adem in toen ze begreep wat hem alarmeerde in de woorden van de priester: De Nechoirs mannetjes hadden de priester Catherina’s naam gegeven. Dat betekende dat ze wisten wie de onderhandelaar was... En dat kon alleen als een van De Nechoirs mannetjes haar en de Megafor had gezien... Catherina trok een gezicht. De ‘handelaar’ die ze een tijd geleden tegen waren gekomen, dacht ze. Natuurlijk. Wie anders had hen gezien en had de kans gehad om voor hen naar Verona te komen? De Nechoir moest een van zijn schepen achter hen aan hebben gestuurd om hen te bespioneren. Onder het mom van een ‘handelaar’ hadden ze aangemeerd in dezelfde havenstad als zij en hadden ze contact opgenomen met een aantal van de zeelui van de Megafor. De zeelui dachten dat de handelaar vanuit Verona kwam en namen hem mee naar de Megafor. Daar gaf de ‘handelaar’ een geruststellend ‘ooggetuigenverslag’ dat Neyrelle en de prins in Verona waren en nam hij van de gelegenheid gebruik om de tactische situatie van de Megafor te schatten. Het zou Catherina niet verbazen dat Neyrelle nooit in Verona was geweest en dat het die ‘handelaar’ was die de priester had ingelicht dat een delegatie uit Lenion naar de kathedraal zou komen. “Mag ik u vragen wanneer die andere mensen precies in uw kathedraal zijn geweest?” vroeg Catherina. “Deze morgen. Ze zijn daarna onmiddellijk vertrokken,” zei de priester. Catherina wist daarmee voldoende. De ‘handelaar’ moest direct vertrokken zijn naar Verona nadat ze hen waren tegengekomen. Catherina vermoedde dat het schip daarna naar Wails was gevaren om De Nechoir in te lichten over de vuurkracht van de Megafor. “De Nechoir is deze morgen nog maar vertrokken?” zei de kapitein, “dan is er nog tijd om hem in te halen.” Catherina schudde zuur het hoofd. “Dat zou weinig uithalen. Neyrelle is hier nooit gestopt. Het schip dat hier is geweest, is maar een van de drie schepen die De Nechoir naar Lenion had gestuurd. De andere schepen zijn rechtstreeks doorgevaren naar Wails en moeten intussen al zijn aangekomen...” “Wails? Maar dat betekent...” “...dat we de kroonprins hier niet zullen vinden.” De kapitein staarde onbegrijpend voor zich uit. “Maar waarom? Ik begrijp het niet.” Catherina keek naar de priester terwijl ze de vraag van de kapitein beantwoordde. “De Nechoir is nooit van plan geweest om de onderhandelingen in Verona te houden. Hij wil ons naar Wails lokken. Was dat immers niet de boodschap, eerwaarde?” Ze keek de priester onbewust hard aan: “Hebben de mannen die u hier hebt gezien, u gevraagd om ons uit te nodigen om naar Wails te gaan?” De priester knikte en overhandigde Catherina een brief. Ze had het kunnen weten... De officieren staarden ontzet naar Catherina en de priester. “Maar dat is... Onderhandelingen in Wails? Niemand is zo gek om naar Wails te varen.” “Precies,” mompelde Catherina, “dat is de bedoeling... Dat we niet naar Wails durven varen...” Dan keerde ze zich om naar de officieren. “Dit is noch het moment noch de plaats om hierover te discussiëren. We moeten zo snel mogelijk terug naar de Megafor en zien of de zoektochten in de stad iets hebben opgeleverd. Dan kunnen we daar in alle kalmte de situatie bespreken.” Catherina richtte zich tot de priester en dankte hem voor zijn boodschap. Daarna verlieten ze de kathedraal. De kapitein was furieus, net als zijn officieren, maar Catherina dwong hen tot kalmte en bracht hen terug naar het schip. Maar onderhuids was ze ziedend en ze vervloekte zichzelf omdat ze zich zo voor de Bethunes en De Nechoirs kar had laten spannen, voor niks. Terug op het schip las Catherina de boodschap voor die De Nechoir had achtergelaten. Het bevatte een uitnodiging om de onderhandelingen te laten doorgaan in Wails, maar verder niks. De officieren discussieerden heftig en ze waren het allemaal met elkaar eens dat De Nechoir gewoon met hun voeten had gespeeld. “Eerst ontvoert hij de kroonprins met de boodschap dat hij over zijn vrijlating wil onderhandelen op neutraal grondgebied. En dan, als onze onderhandelaar is aangekomen, blijkt dat hij nooit van plan is geweest om met ons te onderhandelen. We zijn hier gewoon voor niks gekomen!” “Nee,” zei Catherina, “er zit teveel berekening achter om gewoon een spelletje te zijn. De Nechoir wilde echt dat we naar Verona kwamen, want anders had hij die ‘handelaar’ niet gestuurd om ons gerust te stellen.” “Als De Nechoir wilde onderhandelen dan was hij hier geweest!” Catherina probeerde de mannen rustig te krijgen, maar ze moesten eerst stoom aflaten vooraleer ze naar haar wilden luisteren. “Hij heeft er ons gewoon ingeluisd!” zei een officier. “Hij heeft die smoes van die onderhandelingen bedacht om zich extra tijd te kopen om de kroonprins naar Wails te brengen. Hij heeft nooit willen onderhandelen!” “Heren, rustig,” zei Catherina, “laten we eerst de zaken overlopen vooraleer we conclusies trekken. De Nechoir heeft de kroonprins ontvoerd met als doel een oorlog uit te lokken met Lenion. Omdat Lenion een redelijke oorlogsvloot heeft, moet hij bang geweest zijn om het op een directe oorlog aan te sturen. Zoals ik het zie zijn de onderhandelingen een façade geweest om Lenion in een situatie te lokken waar wij in het nadeel zijn... Dit is wat ik denk dat er aan de hand is. De Nechoir probeert andere landen in het conflict te betrekken zodat Lenion, Wails niet kan aanvallen zonder behoorlijke schade te lijden. Op het Welshe continent zijn er een aantal landen die geen inmenging van overzee tolereren. Een aantal buurlanden van Wails zijn zelfs ronduit anti-Lenion. De Nechoir probeert van die houding gebruik te maken om zijn buurlanden te betrekken in een oorlog tegen Lenion. Als De Nechoir een gewone oorlogsverklaring had gegeven aan Lenion, dan zouden de buurlanden niet zijn tussengekomen. Met de ‘onderhandelingen’ probeert De Nechoir zijn buurlanden echter te doen geloven dat Wails zijn best doet om een dialoog aan te knopen met Lenion. Mocht de Bethune, Wails hebben aangevallen zonder in te zijn gegaan op de vraag naar onderhandelingen, dan was het hele Welshe continent voor De Nechoir in de bres gesprongen en hadden we met meer dan alleen de Welshe vloot te maken gekregen. Omdat De Nechoir er zeker van wou zijn dat Lenion in zou gaan op de onderhandelingen maakte hij ze extra aantrekkelijk voor de Bethune. Hij organiseerde ze buiten Lenion zodat de onderhandelingen tenminste een maand later zouden plaatshebben dan wanneer ze in het land zelf waren georganiseerd. De Bethune dacht dat hij daarmee een maand extra won om zijn oorlogsvloot op te bouwen en ging er dan ook gretig op in. In werkelijkheid speelde hij in De Nechoirs kaarten want daarmee bevestigde hij het officiële karakter van de onderhandelingen. Doordat de Megafor helemaal naar Verona is gekomen, kan de Bethune zijn oorlogsvloot niet naar Wails sturen. Dat zou een sein zijn voor de Welshe buurlanden om de vloot van Lenion als een invasie te beschouwen. Daarom deed De Nechoir ook zoveel moeite om een schip naar ons toe te sturen met een geruststellend ‘ooggetuigenverslag’. Hij wilde er zeker van zijn dat we zouden geloven dat de prins in Verona was en dat is hem nog goed gelukt ook.” “Al goed,” zei de tweede officier, “toegegeven dat de onderhandelingen een façade waren. De Nechoir is hier niet dus hebben we bewezen dat hij degene is die niet wil onderhandelen. Lenion zou Wails nu moeten kunnen aanvallen zonder dat de rest van het Welshe continent zich ermee gaat bemoeien. Maar wat doen wij nu? We zijn naar Verona gekomen om te onderhandelen, maar De Nechoir is hier niet. Varen we nu door naar Wails?” “Nee, natuurlijk niet,” zie de kapitein, “als De Nechoir niet hier wil onderhandelen dan wil hij het evenmin in Wails. Bovendien kent hij nu onze vuurkracht en ligt hij ons in Wails waarschijnlijk op te wachten met tien schepen. Dat risico neem ik niet.” “Dus varen we terug naar Lenion?” “We hebben onze opdracht uitgevoerd. Lenion is ingegaan op de onderhandelingen, dus hebben wij ons deel gedaan.” “Er is iets anders dat je in beschouwing moet nemen,” klonk het plots vanuit een donkere hoek. Verrast keken ze allemaal om naar de bootsman. Griffith leunde naar voren en zei: “Het zou vrij dom zijn van De Nechoir om ons heel de weg naar Verona te laten afleggen om de onderhandelingen een officieel karakter te geven en dan zelf niet op te dagen. Dat zijn steken die De Nechoir niet laat vallen. Nee, De Nechoir heeft om welbepaalde redenen de onderhandelingen van Verona naar Wails verlegd. Hij wist dat als wij in Verona zouden toekomen en hij er niet zou zijn, we rechtsomkeer naar Lenion zouden maken. Tenslotte hebben wij ons gehouden aan ons deel van de overeenkomst. Bovendien rekent hij er op dat we ons voldoende geïntimideerd voelen om niet naar Wails door te varen. De Nechoir wil dat we naar Lenion terugkeren zodanig dat de Bethune Wails zal aanvallen. Wat ik echter denk, is dat op het Welshe continent niemand weet dat de onderhandelingen in Verona plaatshebben. Daar hebben ze enkel een schip van Lenion zien vertrekken in de richting van Wails dat halverwege rechtsomkeer heeft gemaakt omdat het de onderhandelingen niet serieus neemt.” “Maar dat is nonsens,” zei een officier, “we hebben officiële geschriften waarin een uitnodiging voor Verona staat, niet voor Wails.” “De Bethune heeft inderdaad documenten waarin ‘Verona’ staat, en niet ‘Wails’, maar ik durf er mijn hoofd op te verwedden dat de Welshe buurlanden dat niet weten en dat De Nechoir hen heeft verteld dat Verona louter een tussenstop was voor ons.” “Maar we kunnen het tegendeel toch bewijzen?” “Inderdaad, maar hoe? Dan zouden we eerst moeten terugkeren naar Lenion om de Bethune in te lichten. In de tussentijd kan De Nechoir onze reputatie besmeuren door te zeggen dat we niet op zijn onderhandelingen zijn ingegaan. Om De Nechoirs leugens te weerleggen zou de Bethune vergaderingen moeten inleggen met alle gezanten van de Welshe buurlanden. Hij zal zelfs delegaties naar de Welshe buurlanden moeten sturen om te bewijzen dat De Nechoir het op een oorlog tussen Lenion en het hele Welshe continent aanstuurt. En in de tussentijd zullen de maanden en de jaren voorbij strijken. En al die tijd zit de kroonprins van Lenion in Wails en kan de Bethune niks doen. Dat is waar De Nechoir het probeert op aan te sturen. Als de Bethune Wails nu aanvalt met zijn oorlogsvloot, dan krijgt hij het hele Welshe continent over zich heen. Probeert hij met de Welshe buurlanden te onderhandelen en hen te overtuigen van De Nechoirs leugens, dan staat hem heel veel gepalaver te wachten en je kan er donder op zeggen dat De Nechoir de situatie zo zal manipuleren dat ze enkel ingewikkelder wordt.” Kapitein Paulis leunde achteruit op zijn stoel. “Welke opties hebben we dan? Als we terugkeren naar Lenion, dan bewijzen we dat we de onderhandelingen niet serieus hebben opgevat en kan de Bethune, Wails niet aanvallen. Moeten we dan wel naar Wails doorvaren om daar te gaan onderhandelen? Hoeveel kans is er dat De Nechoir ons veilige haven zal bieden?” “Niet veel,” zei Griffith rustig, “als hij niet in Verona wil onderhandelen, dan zal hij het zeker ook niet in Wails willen.” “Maar wat zal De Nechoir dan doen mochten we toch naar Wails doorvaren?” “De Nechoir heeft niet zomaar onze vuurkracht laten schatten...,” antwoordde Griffith. “Je wilt zeggen dat hij op het schip van de onderhandelaar zal schieten? Dan heeft Lenion toch nog meer redenen om Wails binnen te vallen?” Griffith glimlachte. “De Nechoir heeft altijd al vreemde hersenkronkels gehad.” “Dus staan we voor twee keuzes: ofwel keren we terug naar Lenion en dan kan de Bethune, De Nechoir niet aanvallen, ofwel laten we ons voor de Welshe kust de bodem inkelderen en dan hebben we De Nechoir tegenover zijn buurlanden ontmaskerd…” De officieren begonnen heftig met elkaar te overleggen want geen van beide mogelijkheden leek hen erg aantrekkelijk. Catherina keek stil over de tafel heen naar Griffith. Hun blikken kruisten en een rilling liep over haar ruggengraat heen. Dat was geen keuze… Het was plots stil geworden in de mess en ineens merkte Catherina dat ze allemaal naar haar keken. “U zult moeten beslissen,” zei de eerste officier kalm, “u vertegenwoordigt hier aan boord het gezag van de koning en zelf kunnen we niet beslissen.” Catherina klemde de tanden op elkaar en keek koel voor zich uit. “U doet mij geen plezier om de verantwoordelijkheid bij mij te leggen. Ik wil dit schip net zo min als u opofferen en ik wil evenmin gebrandmerkt worden als degene die ons allemaal de verdoemenis instuurt.” “De Nechoir zou een enorm risico nemen door op ons te schieten,” suste Griffith, “hij wil Lenion niet nog meer redenen geven om zijn land binnen te vallen.” “Heeft hij dan een andere keuze?” zei Catherina en ze keken elkaar grimmig in de ogen. Catherina zei: “Als hij ons voet aan wal laat zetten, dan moet hij wel een gesprek aanknopen, en dat had hij evengoed hier kunnen doen.” “Of hij neemt ons gevangen…” “Dat is absurd,” onderbrak de kapitein, Griffith en hij richtte zich tot Catherina. “U moet nu beslissen. Maar als het u gerust kan stellen, de bootsman heeft gelijk: De Nechoir mag ons schip niet aanvallen zonder er de gevolgen voor te dragen.” Het werd stil in de kajuit en Catherina liet haar hoofd in haar handen rusten. Ze probeerde na te denken en tot haar eigen ontzetting kon ze dat nog ook. Ze boog het hoofd. “We varen verder naar Wails… We zullen zien of de manschappen nog iets weten te vinden in de stad en dan zullen we een boodschap sturen naar de Bethune om hem in te lichten van wat er gebeurd is. En nu moet u me excuseren: ik ga de stad in en ik wil niet meer gestoord worden…” Ze stond op en verliet de mess zonder iemand een blik waardig te gunnen. Ze verliet de Megafor met in haar kielzog enkele van haar dienstmeisjes. In alle andere omstandigheden zou ze zich niet zonder een gewapend escorte op straat hebben gewaagd, maar nu was haar eigen veiligheid het laatste waar ze zich om bekommerde. Bovendien had ze geen zin om die avond op het schip te overnachten. Het toeval wilde dat ze een aantal van de zeelui tegenkwam op straat. Ze had hen liever niet gesproken op dat moment, maar omdat ze vroegen wat ze hier deed in plaats van in de kathedraal, was ze wel gedwongen het verhaal te doen. Ze vertelde hen wat er was gebeurd en welke beslissing ze hadden genomen tijdens de vergadering achteraf. Catherina verwachtte zich aan ontzette reacties, maar de zeelui namen het kalm op en leken hun kansen te schatten. Ze werkten al langer dan vandaag voor de Lenioonse kroon en het was niet de eerste keer dat ze het moesten opnemen tegen De Nechoir. Niemand wist uiteraard wat er zou gebeuren als het zo ver kwam. De zeelui waren desondanks van mening dat De Nechoir geen andere keuze had dan met hen te onderhandelen als ze in Wails zouden aankomen. Nadat ze met de zeelui had gesproken, leek een en ander er toch niet meer zo somber uit te zien. Catherina trok verder de stad in en zocht een herberg uit waar ze een warm bad kon nemen. Ze liet een van de dienstmeisjes haar kleren halen op het schip en gaf de rest de opdracht haar bad klaar te maken. Enige tijd later zat Catherina piekerend in een warme tobbe. Ze had alle meisjes op een na teruggestuurd naar het schip om niet te veel gekwebbel om zich heen te horen. Tegen de tijd dat ze klaar was met haar bad, beval ze het overgebleven meisje om naar de aanpalende kamer te gaan. Catherina had niet het gevoel dat ze haar bekommernissen bij het meisje kwijt kon, dus was ze liever alleen. Catherina was zich net aan het afvragen of ze misschien Griffith moest laten komen naar de herberg, toen ze een overbekende klop op haar deur opende. Ze opende de deur en zoals verwacht stond Griffith er achter. Zodra hij merkte dat ze haar avondkledij aanhad, bleef hij toch maar even staan. “Wil je dat ik morgen terugkom?” vroeg hij terwijl hij tersluiks de gang inkeek. “Nee, kom binnen,” zei ze, “ik heb geen zin in formaliteiten. Heb je tijd?” “Ja, “ antwoordde hij, “de zoektochten in de stad zijn afgelopen en Thomas zorgt voor de Megafor. Dus ik ben vrij. “ “Hebben ze iets gevonden in de stad?” vroeg Catherina. “Nee.” Catherina zuchtte. “Dat had ik ook niet verwacht.” Catherina ging de kamer binnen en Griffith bleef twijfelend staan in de deuropening. “Griffith,” zei Catherina verveeld, “als je niet van plan bent mijn eerbaarheid aan te randen, dan is er niks aan de hand. Kom binnen!” Griffith keek haar bedenkelijk aan. “Het is niet gepast voor een verloofde vrouw om een man te ontvangen in haar kamer zonder dat er iemand anders bij is. Je zou wat meer mogen oefenen op je etiquette.” Catherina rolde met de ogen. “Sinds wanneer lig jij daar van wakker? Je bent al meer in mijn kajuit geweest zonder dat er iemand anders bij was.” “Ja, maar je dienstmeisjes zaten wel in de kajuit ernaast.” Catherina ging terug naar hem toe en trok hem naar binnen. “Isabelle is hiernaast als je het echt wilt weten. En stop met die preutsheid. Je gedraagt je als een muurbloempje.” Griffith bleef midden in de kamer staan en keek wat om zich heen. Dan zei hij: “Ik kwam eigenlijk gewoon even kijken of je nog iets nodig had. Maar ik vermoed dat je wel van alles bent voorzien... Dus als je het niet erg vindt, dan ben ik terug weg om iets te gaan eten. “ Catherina wist wel beter dan om hem zomaar terug weg te laten gaan en antwoordde: “Dat komt goed uit, want ik heb ook honger. Kan je eens horen bij de herbergierster of ze ons van iets kan voorzien? “ Ze gaf hem haar meest beminnelijke blik, dus kon hij niet anders dan ja zeggen. Hij ging naar beneden en vond er de herbergierster achter een soort van balie. “Heeft u nog iets van eten voor twee personen?” vroeg hij. De herbergierster nam hem kort op en antwoordde: “Ik heb nog hutsepot staan, maar ik zal even zien of ik voor zo'n knap man niet iets beters kan versieren.” De herbergierster vertrok naar achter en liet Griffith verbouwereerd achter. In afwachting tot de herbergierster zou terugkeren, bleef Griffith wachten aan de balie. Terwijl hij zich stond te vervelen, zag hij ineens beweging in zijn ooghoek. Catherina's dienstmeisje bleek naar beneden te zijn gekomen. Ze merkte hem niet op, maar de manier waarop ze naar buiten sloop, verraadde dat ze geen toestemming had om weg te gaan. Griffith had wel een vermoeden wat het meisje van plan was. Hij had haar al meermaals zien smoezen met een van zijn zeelui. De kans was dan ook groot dat ze met hem had afgesproken op de Megafor. Wellicht rekende ze er op dat Catherina geen gebruik meer zou maken van haar diensten zodat haar afwezigheid niet zou opvallen. Een en ander betekende dus wel dat hij nu nog maar alleen was met Catherina. “Geweldig,” mompelde Griffith binnensmonds. De herbergierster kwam terug met twee borden die ze trots op een dienblad zette. Terwijl Griffith zijn zakken doorzocht naar geld, zei de vrouw: “Is dit voor het blonde meisje in de tweede kamer?” Griffith knikte stom. “Uw meisje is echt mooi,” zei de vrouw. Griffith legde het geld op de balie en antwoordde: “Ik weet het, maar ze is niet van mij.” Hij ging terug naar de kamer met het dienblad in zijn handen en klopte aan. Catherina liet hem binnen en zonder veel amok zette hij de borden neer op de tafel in de kamer. Ze schoven aan en begonnen stilzwijgend te eten. Terwijl ze aan het eten waren, overdacht Griffith humeurig de gebeurtenissen van de dag. Hij had vanaf het begin geweten dat De Nechoir zich van Lenion had proberen te ontdoen. Hij had alleen niet onmiddellijk begrepen waarom De Nechoir dan die onderhandelingen wilde. Als hij beter had opgelet dan had hij misschien kunnen voorkomen dat ze ooit een onderhandelaar naar Verona hadden gestuurd. Dan hadden ze de keuze niet moeten maken tussen doorvaren naar Wails of terugvaren naar Lenion. Hij twijfelde er geen ogenblik aan dat Catherina de juiste beslissing had genomen, maar hij vroeg zich af of ze wist waaraan ze was begonnen. Tegen het einde van de maaltijd zei Catherina plots: “Ik wou met je praten…” “Dacht ik al,” antwoordde hij. “Maar niet over mijn beslissing,” zei ze snel, “ik weet dat het verkeerd is.” Hij maakte aanstalten om bezwaar te maken maar ze ging verder: “De kinderen en mijn dienstmeisjes gaan hier van boord, samen met de mannen die vinden dat de reis lang genoeg heeft geduurd… Ik wil niet dat iemand zijn leven tegen zijn zin op het spel zet.” Hij knikte: “Verstandig, ik ga Renard hier ook laten.” “Ik wou dat je mee met hen van boord ging, Griffith…” Verrast keek hij op. “Is dat een bevel, Mademoiselle?” Ze knikte zachtjes. “Je zou je veiligheid alleen maar op het spel zetten.” “Dat weet ik, maar…” “De Nechoir weet misschien dat je aan boord bent en als hij ons komt zoeken dan ben jij de eerste die hij wil vinden.” “Wat er tussen mij en De Nechoir is, staat los van de Megafor. Op het ogenblik ben ik niet belangrijk voor hem.” “Maar dan kun je evengoed toch nog van boord gaan?” “Ik zou niet weten waarom ik dat zou willen doen.” Ze keek hem met grote wanhopige ogen aan. “Alsjeblieft, Griffith, laat je voor één keer eens iets door mij vertellen in plaats van omgekeerd. Je loopt onnodig gevaar als je mee wilt varen tot in Wails.” Hij legde zijn bestek neer. “Ik zeg niet dat je geen gelijk hebt, maar ik zou niet weten waarom je er zo op aandringt dat ik wegga.” Ze keek hem verrast aan. “Moet ik er soms een bedoeling mee hebben? In hemelsnaam, Griffith, is het zo moeilijk te aanvaarden dat er mensen zijn die om je geven?” Hij snoof. “Zal je van boord gaan?” vroeg ze kleintjes. “Dat zal ik wel voor mezelf uitmaken, Catherina. Ik zou het liever eens hebben over de risico’s die jij neemt door naar Wails te varen.” Ze keek hem ongelovig aan. “Als ik het me goed herinner dan was jij degene die ons er op wees dat we geen andere keuze hadden.” “Dat de Megafor dat risico neemt, spreekt vanzelf. Daarvoor werd de bemanning tenslotte aangeworven. Maar jij wordt niet bepaald betaald om je aan flarden te laten schieten.” “Denk je soms dat de Bethune niet heel goed wist dat ik groot gevaar liep als ik zijn opdracht aanvaardde? De gevaren moet ik erbij nemen als ik mijn land wil dienen.” “Maar je dient je land niet door je verantwoordelijkheden als kroonprinses te vergeten. Je mag dan wel de vertegenwoordiger zijn van de Bethune, je bent ook de aanstaande vrouw van zijn opvolger.” “O alsjeblieft, Griffith, je weet best dat ik zo vervangbaar ben als een paard voor een koets.” “Dan blijft nog altijd je eigen persoon. Wat is het je waard om je leven op het spel te zetten omdat de heren het op een oorlog willen aansturen?” “Bedoel je soms dat ik het gewoon moet afstappen? Dat ik niemand iets verschuldigd ben?” “Ik had het er gewoon over dat je niet voor niks risico’s moet nemen…,” antwoordde hij kalm. “Dat weet ik. Maar heb jij ook niet heel veel moeten opofferen om je land te helpen? Hoeveel keer heb jij je leven niet in de waagschaal gelegd voor Wails? En heb je daarbij altijd aan jezelf gedacht? Of aan Wails?” Hij klemde de tanden op elkaar. “Mijn naam is al lang vergeten. Het maakt niet uit als ook ik zou verdwijnen.” “Het zal me verdommen. Jij hebt altijd bewust vergeten dat je ook een persoon bent. En jij wilt dat ik doe wat jij nooit zou doen? Mijn verantwoordelijkheden opzij schuiven en er als een haas vandoor gaan? Ik weet wel beter.” Hij hield zijn hoofd schuin en keek haar scherp aan. “Catherina,” zei hij streng, “jij bent niet mij.” “En wat zou dat dan wel mogen betekenen?” “Jij hebt redenen om je leven niet op het spel te zetten. Een toekomst in je eigen land. En een verloofde die op je wacht. Jean-Filip zou niet willen dat je je leven in de waagschaal legt voor hem.” Catherina keek met een ruk weg en wist even niet wat antwoorden. “Jean-Filip...,” zei ze dan met moeite. “Jean-Filip,” bevestigde Griffith en hij nam haar met gefronste wenkbrauwen op, “hij zou het me niet vergeven als hij wist welke risico’s ik je liet lopen. Als we naar Wails doorvaren, dan zetten we allemaal ons leven op het spel en ik denk niet dat Jean-Filip zou willen dat je die gok nam.” Catherina antwoordde koppig: “Dus om Jean-Filip te plezieren, moet ik mijn opdracht maar vergeten en hem in de klauwen van De Nechoir laten zitten?” “Je weet best dat het niet zo in elkaar zit…” Catherina keek broedend voor zich uit. Ze wist maar al te goed dat Griffith gelijk had en ze begreep niet waarom ze dat niet wou toegeven. Of ze wist het wel. Het was omdat Griffith vertikte het schip te verlaten en ze hem niet in de steek wou laten. Of ze er Jean-Filip mee diende kwam zelfs niet in het stuk voor. “Ik ben zo dwaas,” dacht ze bitter. Hij keek nog steeds fronsend naar haar, maar omdat ze niks meer zei, begon hij de borden af te ruimen. Catherina keek wrevelig toe hoe hij alles op het dienblad zette en er mee naar buiten ging. Ze mokte en besefte dat ze hem met geen mogelijkheid ter wereld er van zou kunnen overtuigen morgen van boord te gaan. Hij wilde koste wat kost terugkeren naar zijn land en ze kende hem onderhand goed genoeg om te weten dat ze hem niet zou kunnen overhalen achter te blijven. Ze verwachtte halvelings dat hij niet meer terug zou komen toen hij al terug aanklopt. Ze opende deur opnieuw en terwijl hij binnenkwam zei hij: “Te veel honing.” “Wat?” vroeg Catherina verward. “Het vlees,” zei hij, “vond je niet dat er te veel honing op het eten zat? Onze kokkin op de Arendsburcht zei altijd dat je daar niet te kwistig mee mocht zijn.” Catherina kon het niet laten om in de lach te schieten. “Denk je echt dat ik let op de ingrediënten als ik eet?” “Barbaar,” zei hij, “als het zo zit dan ga ik nooit voor jou koken. Ik verknoei geen eten aan mensen die het niet kunnen appreciëren.” Catherina keek hem geamuseerd aan. “Kan je wel koken?” “Twijfel je daar aan? Ik heb van kindsbeen in een keuken gestaan. Dat verleer je niet zomaar.” “En wat zou je dan voor me koken?” Hij hief de handen op terwijl hij terug ging zitten. “Je hebt je kans verspeeld.” Ze wou hem overhalen om toch eens iets voor haar klaar te maken, maar besefte dan plots iets. Als alles ging zoals ze verwachtte, dan zouden hun wegen morgen uit elkaar gaan. Dan had het ook geen zin om het hem nog te vragen. “Er is een grote kans dat we elkaar niet meer zullen terugzien, weet je,” zei ze, “als een van ons morgen beslist niet mee te varen naar Wails.” Griffith antwoordde niks en haalde een pak kaarten boven. “Heb je daar al eens aan gedacht,” vroeg Catherina, “ik zal teruggaan naar Lenion eens de onderhandelingen voorbij zijn - als die al zullen plaatsvinden - en jij bent van plan je aan te sluiten bij de rebellie in Wails. Als er een oorlog uitbreekt tussen Wails en Lenion zal het misschien jaren duren vooraleer ik terug naar je op zoek kan gaan. Hoe zal ik je nog ooit terugvinden?” “Het zal niet gemakkelijk zijn,” antwoordde Griffith terwijl hij zijn kaarten begon neer te leggen voor een spel solitaire. “Nee,” zei Catherina, “tenzij we dit conflict snel kunnen oplossen.” “Zolang De Nechoir leeft, zal dat niet gebeuren,” zei Griffith resoluut, “dus laten we een plan opstellen: jij bestormt het Arendsnest, ik trommel onderweg de Welshe kroonprins op om te helpen en jij maakt Marcos van kant. Hoe klinkt dat?” “En ze leefden nog lang en gelukkig.” “Hoezee.” “Jeminee.” Ze glimlachte. “Ik zal je niet terugzien, niet?” Hij antwoordde niet onmiddellijk. “Nee, ik veronderstel van niet,” zei hij, “zoals het er naar uitziet, zal ik moeten onderduiken. Als het niet is voor De Nechoir, dan wel voor de mensen die liever geen Woolf in het plaatje hebben.” “Ik wenste dat dat niet nodig was.” “Er is zoveel dat ik wens en niet krijg,” zei Griffith schouderophalend, “dat is de reden waarom we hier in de eerste plaats zitten.” “Heb je er enig idee van wat De Nechoir zal doen als hij merkt dat de Megafor doorvaart naar Wails?” “Zijn billen dichtknijpen, veronderstel ik,” gromde Griffith, “als we in Wails opduiken, dan zal De Nechoir wel gedwongen zijn de onderhandelingen door te laten gaan. Hij zal er alles aan doen om die te saboteren, maar dat zal hem niet gemakkelijk vallen als zijn buurlanden hem op de vingers kijken.” “En waar zal hij de onderhandelingen door laten gaan?” “Het Arendsnest hoogstwaarschijnlijk. Hij wil zoveel mogelijk indruk maken op zijn vijanden en aangezien het Arendsnest een joekel van een burcht is, lijkt me dat de aangewezen locatie.” “Dus als ik besluit door te varen, dan is de kans groot dat ik die fameuze burcht van je te zien krijg?” “Ik zal verdomd zijn als ik jou nog een voet aan boord van de Megafor laat zetten.” “Dat wil ik wel eens zien, meneertje.” Hij rolde met de ogen. “Je bent zo’n lastpost, weet je.” “Wie zegt het...” “Wat mij vooral stoort aan die hele historie,” zei Griffith, “is dat Jean-Filip nu bij De Nechoir op de burcht zit. Het valt niet te zeggen wat De Nechoir met hem zal doen nu hij de jongen in handen heeft.” “Wat zal hij met hem doen?” vroeg Catherina. Griffith keek ernstig op. “Hetzelfde als met mij,” zei hij. “De Nechoir is indertijd uit zijn eigen land verbannen wegens een aantal schandalen. Schandalen van zedelijke aard, mag ik er wel aan toevoegen. Ik denk niet dat De Nechoir zoveel is veranderd in de tussentijd. De Bethune mag zich haasten met dat leger van hem of zijn zoon heeft het gehad.” Catherina keek hem geschokt aan. “Meen je dat?” “Vergeet je soms hoe goed ik De Nechoir ken? Maar je moet je niet te erg ongerust maken. Neyrelle is er ook nog steeds en ze zal er alles aan doen om Jean-Filip te beschermen. Ze heeft niet zoveel macht over haar man, maar De Nechoir heeft de neiging snel zijn interesse te verliezen voor dingen waar hij moeite voor moet doen.” Catherina huiverde. “Die man is geen mens maar een monster.” Griffith zweeg. Catherina zette haar kin op haar hand. Ze dacht even aan Jean-Filip en vroeg zich af hoe lang het was geleden dat ze nog aan hem had gedacht. Ze was ongerust over hem, maar lang niet zo erg als ze zou moeten zijn. Ze bedacht dat ze zich wel eens meer zorgen zou maken als er iemand anders in zijn plaats was geweest. “Ik wenste dat alles anders was,” zei ze, “dat we terug konden beginnen met een schone lei en alles beter konden doen.” “Als je die kans kreeg, zou je waarschijnlijk toch weer alles hetzelfde doen,” bromde hij. “Nee,” zei ze bedachtzaam, “sommige dingen zou ik anders doen…” Griffith wou vragen wat dan wel, maar iets vertelde hem dat hij dat beter niet vroeg. “Ik weet wat ik anders zou doen als ik de kans kreeg,” mopperde hij, “ik zou vragen aan Montfort om zijn dochter ergens te vondeling te leggen en mij de zorgen te besparen.” Catherina lachte. “Malle jongen...” “Ben geen jongen, ben een vent.” “Als jij de kans kreeg, wat zou je anders doen?” vroeg Catherina. Hij haalde de schouders op. “Niet veel waarschijnlijk.” “Kom nu, er moet toch wel iets zijn? Zou je nog naar Lenion zijn gekomen als je toen wist wat je nu allemaal weet?” “Als ik toen wist wat ik nu allemaal weet? Ik veronderstel van wel...” “Zou je niet in Wails zijn gebleven om je bij het verzet aan te sluiten? Ik kan me best voorstellen dat die naam van je een boel mensen had kunnen overtuigen om het kamp te kiezen van de Welshe kroonprins.” “Misschien, maar er waren ook andere dingen die me noodzaakten om naar Lenion te komen.” “Zoals?” “Verplichtingen... Een belofte... En je vader... Je vader was degene die me meenam naar Lenion.” “En ik ben blij dat hij dat heeft gedaan... Anders had ik je misschien nooit leren kennen.” Hij antwoordde niks. “Ik wou dat mijn vader nooit was gestorven,” zei ze zacht, “dan was jij bij ons op het kasteel blijven wonen en dan zou mijn oom me tenminste niet zoveel ellende hebben aangedaan.” “Je zou ook Jean-Filip niet hebben leren kennen,” zei Griffith. “Ja, maar daar prijs is me ook niet gelukkig over,” antwoordde ze. Plots besefte ze dat ze het luidop had gezegd. Griffith keek bruusk op. “Wat?” Ze beet op haar lip. “Niks. Ik zei maar wat.” Hij fronste de wenkbrauwen. “Dat deed je niet. Wat bedoelde je daarmee?” “Vergeet dat ik het heb gezegd,” zei ze stilletjes, “ik had het niet mogen zeggen.” “Maar dat heb je toch,” zei hij scherp, “en ik wil het weten.” Ze keken elkaar even stil aan. “Griffith...” “Wat?” “Ik zal niet met Jean-Filip trouwen... Ik denk niet dat ik het nog kan...” Even wist hij niet wat zeggen. “Waarom?” vroeg hij dan zacht. “Ik hou niet van hem.” Griffith was zo ontzet dat hij niet eens wist wat hij moest denken. “Ik dacht dat ik wel van hem hield, maar dat is niet het geval,” ging Catherina verder. “Ik denk dat ik ten hoogste blij was dat ik iemand van mijn eigen leeftijd had gevonden waar ik zoveel mee gemeen had. Maar ik heb nooit van hem gehouden en ik denk ook niet dat hij van mij houdt. Hij ziet me ten hoogste als een aanwinst en van zodra we getrouwd zouden zijn, zou hij me als een last zijn beginnen beschouwen. Ik zou me nooit boven zijn verplichtingen als kroonprins hebben gesteld als we waren getrouwd, maar gelukkig zou ik evenmin zijn geweest.” Griffith leunde achteruit op zijn stoel. Hij zag er ongemerkt bleker uit dan hij ooit had gedaan. “Wat betekent dat dan?” zei hij verward. “Wat betekent dat voor je huwelijk?” Ze aarzelde. “Dat ik er niet mee zal doorgaan,” zei ze zacht, “ik kan niet met iemand trouwen als ik weet dat ik me daarmee in een nog grotere gevangenis opsluit dan die waarin mijn oom me had gestoken.” Griffith schudde het hoofd. “Nee,” zei hij, “Jean-Filip zou je gelukkig maken.” “Heel even veronderstel ik, maar je weet even goed als ik hoe zakelijk Jean-Filip is aangelegd. Ik denk niet dat het lang zou duren eer hij me de rug zou toekeren.” “Nee, dat zou hij nooit doen!” Catherina lachte even wrang. “Ben je daar heel zeker van, Griffith? Want zoals ik het zie ken je Jean-Filip veel te goed om niet te weten dat ik gelijk heb.” “Nee!” “Was het daarom dat je mij uitkoos, Griffith?” vroeg ze. “Omdat je wist dat ik ondanks alles mijn plicht zou blijven doen en een kroonprins nooit in diskrediet zou brengen? Omdat ik dit soort leven gewend was van bij mijn oom?” “Nee,” zei hij, “geen moment heb ik daar aan gedacht.” Hij greep haar handen. “Ik koos jou omdat je ongelukkig was bij je oom, omdat ik wist dat Jean-Filip je bij je oom weg kon halen. Ik wist dat Jean-Filip van je zou houden vanaf het ogenblik dat hij je zag en je altijd trouw zou blijven. Ik koos jou omdat je het verdiende.” “Het was wreed van je,” zei ze. Hij liet haar handen terug los. “Niet elk verhaal eindigt zoals dat van Raul de Wolf,” zei Catherina zacht. “Wat?” vroeg hij verward. “Raul de Vervloekte,” zei Catherina, “jij zou dat verhaal moeten kennen. Het ‘eerste verhaal’ zoals ze die legende bij jullie in Wails noemen.” “O, die Raul... Maar zijn liefde was van een andere soort dan die waar jij het over hebt.” Catherina fronste de wenkbrauwen. “Was dat niet het verhaal van een man die door een fee werd omgetoverd in een wolf?” “Het was het verhaal van een man die bang was zijn liefde te verscheuren.” “Nee,” zei Catherina peinzend, “het was het verhaal van een liefde die alles overwint.” Griffith wreef vermoeid over zijn gezicht. Hij kende die legende van Raul de Wolf. Het vertelde hem waarom het bloed in zijn aders gevaarlijk was en waarom hij er bang van moest zijn. Jarenlang had hij geprobeerd er tegen te vechten en hoe ouder hij was geworden hoe meer hij zich had afgevraagd hoeveel hij op de Raul in het verhaal leek. Hij had gedacht dat hij er aan kon ontsnappen door haar te laten trouwen met een man die haar met goedheid en respect zou behandelen, maar als er ook maar iets waar was van wat Catherina hem had verteld, had hij haar eigenlijk tot een bestaan veroordeeld dat nog veel erger was. “Het spijt me,” mompelde hij. “Mensenkennis is soms niet je sterkste kant,” zei ze enkel. “Wat wil je nu doen?” vroeg hij. Ze haalde de schouders op. “Ik heb wilde fantasieën gehad: dat ik Jean-Filip hier zou ontmoeten en dat ik alles met hem zou uitpraten. Ik zou hem kunnen overtuigen het huwelijk af te zeggen en we zouden terugkeren naar Lenion. Maar dat zal nooit gebeuren. Jean-Filip is hier niet en bovendien zal hij me nooit laten gaan.” Dat durfde Griffith niet te weerleggen. “Er is echter een andere keuze,” zei ze zacht, “maar dan moet ik moedig zijn.” Griffith staarde naar het spel solitaire en legde voorzichtig een kaart neer. “Ik denk niet dat die er is,” zei hij. “Toch wel...,” zei ze, “als ik niet meer terugkeer naar Lenion.” Hij schudde het hoofd. “Dat kun je niet,” zei hij, “dat zou betekenen dat je alles opgeeft dat je ooit hebt gekend of gehad.” “Het zou ook betekenen dat ik mijn vrijheid terugkrijg,” zei ze zacht. Even wist hij zich geen houding te geven. “Je weet niet waar je aan begint.” “Nee, maar wist jij het wel toen je je land verliet?” “Er waren redenen waarom ik Wails moest verlaten.” “Nee,” zei Catherina, “er waren redenen waarom je naar Lenion wilde komen. Dat is een heel verschil. ...En ze waren niet allemaal politiek, Griffith, sommige waren persoonlijk...” Hij fronste de wenkbrauwen. Wat bedoelde ze daarmee? Wat wist zij? Ze giste natuurlijk, maar toch... Ze was dichter bij de waarheid gekomen dan hij wilde. Misschien werd het tijd om terug te keren naar het schip... Catherina keek broedend voor zich uit. “Ik heb je altijd iets willen vragen,” zei ze, “maar ik wist nooit of je me een eerlijk antwoord zou geven.” “Zolang het maar niks persoonlijks is,” gromde hij. Ze glimlachte. “Als mijn vader was blijven leven,” zei ze, “zou je dan bij ons op het kasteel zijn gebleven?” “Ik veronderstel van wel,” antwoordde hij, “waarom?” “Niks bijzonder, ik vroeg het me gewoon af. Toch. Het is gek als je bedenkt dat we samen zouden zijn opgegroeid.” Hij speelde zwijgend verder. “Griffith, vind jij mij een mooie vrouw?” vroeg ze plots. Verrast antwoordde hij: “Ik veronderstel van wel, hoewel schoonheid relatief is. Karakter heeft er ook wel mee te maken.” “Maar ben ik mooi in jouw ogen?” Hij keek haar een beetje dwaas aan. Even had hij moeite om de vraag te omzeilen, maar tenslotte zei hij: “Doet dat er aan toe?” “Tuurlijk wel! Antwoord nu maar.” “Mag ik weten waarom?” vroeg hij spottend. “Je probeert me te ontwijken!” “Wees daar maar zeker van!” “Griffith!” “Ik ga daar echt niet op antwoorden, Catherina! Vergeet het maar.” “Griffith,” zei ze ernstig, “als wij samen waren opgegroeid, dan denk ik dat er een reële kans was geweest dat wij met elkaar waren getrouwd.” “Dat kan je op je buik schrijven.” “Waarom? Waarom zou je niet met mij zijn getrouwd?” vroeg ze uitdagend. “Omdat… Wacht even, laat me even nadenken voor ik daar iets op antwoord.” “Je bent echt niet van plan om me een antwoord te geven, niet?” “Als je dat maar weet,” grijnsde hij. “Je bent een eikel.” “Dat zijn alle mannen, liefje.” Ze gooide haar armen in de lucht. “Aan momenten als deze merk ik dus dat ik niet voor de verkeerde heb gekozen,” zei ze. Hij lachte. “Ik ben nooit kandidaat geweest.” “Nee,” zei ze nadenkend, “je hebt jezelf nooit veel kans gegeven.” Als ze het niet op dat toontje had gezegd had hij gedacht dat ze een grap maakte, maar nu was hij op zijn hoede. Hij kon beter doorgaan… “Griffith,” zei Catherina plots, “er is iets dat ik je nog wou zeggen nu we alleen zijn.” Griffith staarde naar het spel solitaire en zag dat de zwarte heer openlag. Hij huiverde. “Wel,” zei hij, “zeg in ieder geval niks waarvan je later spijt gaat krijgen, prinses.” Zijn stugheid verraste haar en ze aarzelde. “Ik wou je enkel danken, Griffith.” Hij grijnsde gevoelloos en zei: “Voor wat? Voor al die keren dat ik je uit de nesten heb geholpen? Ik herinner me nochtans een juffertje dat er een tijd geleden moeite mee had toe te geven dat ze een lastpost is.” “Nee...” Hij verstijfde. Ze wou zijn hand vastnemen, maar hij stond haastig op en greep zijn jas. “Ik denk dat ik maar eens opstap.” “Griffith, nee!” Even bleef hij bewegingsloos staan. Dan veegde hij gehaast het kaartenspel samen zonder te durven kijken naar de afbeeldingen erop. “Catherina,” zei hij aarzelend, “je vader betekende heel veel voor me. Veel van wat ik voor jou heb gedaan, heb ik voor hem gedaan. Maar ik lieg als ik zeg dat ik het enkel voor hem heb gedaan. Je bent een integer en wonderbaarlijk meisje - en vrouw. En ik ben blij dat ik je heb gekend...” “Nee, dat was niet wat ik wou zeggen.” Hij wuifde ongeduldig met zijn hand en stak het kaartspel weg. “Wat het ook is, het kan wachten tot morgen. Ik hoor liever geen vaarwels nu.” Hij deed een stap. “Nee, dat is het niet,” zei ze. “Morgen!” zei hij. Hij beende wijd door de kamer, keerde dan even terug om haar een kus op haar voorhoofd te geven en ging dan weer door. “Ik wilde je danken, Griffith...” Hij liep verder tot aan de deur. “...voor de liefde die je altijd hebt gevoeld en die je zoveel pijn heeft gedaan.” Bruusk kwam de zwarte man tot staan. “...Wat?” Ontnuchterd keek hij over zijn schouder naar haar. Ze keek hem ernstig aan. “Ben je gek, vrouw,” zei hij, “waar heb je het over?” “Kijk me niet zo aan, Griffith, je hebt me gehoord.” “Het spijt me,” zei hij voorzichtig, “ik denk niet dat ik helemaal kan volgen.” Haar blik overtuigde hem van het tegendeel. “Ik ben niet blind, Griffith.” Even aarzelde hij tussen doorgaan en blijven, maar hij kon niet tot een besluit komen. “Ik heb je bezig gezien, Griffith,” zei Catherina terwijl ze opstond en naar hem toeging, “je kunt van die dingen doen die totaal geen steek houden. Maar ik begin je langzamerhand te kennen en je kunt me niet meer zo gemakkelijk van de wijs brengen. Ik heb het begrepen.” Hij sloot de deur en liet zijn jas zakken. Hij zou dit moeten uitvechten. “Catherina,” zei hij ongelukkig, “als je me wou danken voor alles dat ik voor je heb gedaan, doe het dan niet op deze manier. Zwijg liever.” Ze keek hem ongelovig aan. “Zwijgen? En wat ga jij doen nu ik er over ben begonnen? Blijf jij je…,” ze aarzelde, “blijf jij jezelf ontkennen, want zoals ik het zie heb je jezelf nooit een kans gegeven met mij.” “Ik heb geen kans nodig,” snauwde hij vijandig, “ik heb dit nooit gewild.” “Hoe kan je zoiets zeggen als je zoveel…” Maar hij onderbrak haar bars. “Zo is het wel genoeg, Catherina. Tot daar en niet verder.” Maar dan keek hij in haar grote, onschuldige ogen en werd hij radeloos. “Verd… Het spijt me, zo bedoelde ik het niet.” Verveeld stak hij zijn handen in zijn zakken en leunde tegen de muur aan. “Ik weet niet waarom juist jij,” zei hij ernstig. “Er zijn misschien genoeg redenen op te noemen, maar ik weet niet hoe het juist zo ver is kunnen komen. Ik weet niet... Ik ben geen man om me door zo’n stommiteiten te laten strikken. Ik dacht… dat het wel voorbij zou gaan als ik je niet meer zou zien. En toen dat niet gebeurde, dacht ik dat het wel zou overgaan als je zou trouwen. Ik zweer bij de goden dat ik nooit had gedacht dat het zo zou uitdraaien.” Ze kwam voor hem staan. Ze wist wat er door hem heenging en hoewel ze het er niet helemaal mee eens was, begreep ze zijn ellende. “Hoe lang al, Griffith?” Hij beet even op zijn tanden. “Langer dan een man kan uithouden.” “Hoe lang al, Griffith?” Hij schudde het hoofd. “Ik weet het niet, jouw hele leven lang misschien.” “Maar waarom? Waarom heb je er nooit iets van willen zeggen?” “Catherina, je weet niet wat ik ben, wat ik zou doen als ik… Ik ben graag bij je, maar je bent te verschillend van me. Ik zou je kwetsen.” En dan dacht hij terug aan hun eerste ontmoeting: “Catherina, je gruwde van me.” En ze wist dat dat waar was. Hij zuchtte en liet zijn hand over haar wang gaan. “Ik ben misschien de dorpsgek dat ik net moet vallen voor de vrouw die ik niet krijgen kan, maar ik draag het tenminste met zelfrespect. Het spijt me alleen dat je het te weten bent gekomen, want dat maakt het alleen maar ondraaglijker.” “Griffith…” “Catherina, toen De Nechoir me gevangen hield op zijn schip en me folterde, wist ik niet of ik daar nog levend uit zou geraken. Ik dacht dat ik zou sterven en toch hield ik het altijd een dag langer vol. Omdat ik aan jou dacht, omdat je bij mij was. In een zekere zin redde je me het leven. Maar tegelijkertijd kan ik het niet verdragen dat je zou zien wat ik ben. Je bent een vriendin, liefste, en tegelijkertijd de demon waar ik niet tegen kan vechten.” Catherina zag eruit alsof ze ging huilen en strekte haar hand naar hem uit. Hij hield haar hand geschrokken tegen en zei: “Niet doen, Catherina. Ik hoef jouw medelijden niet, en zeker niet op die manier.” Ze trok haar hand weg en sloeg de ogen neer. “Doet dat pijn?” vroeg ze zacht. “Ik veronderstel van wel…,” zei hij toonloos. “Ik weet natuurlijk niet veel van… dat soort zaken,” zei ze aarzelend. “Zwijg er dan over,” gromde hij. “Je zal met Jean-Filip trouwen. Niet omdat het moet, maar wel omdat hij je behoorlijk zal behandelen.” “Maar…” “Geen ‘maar’. Ik zal me niet laten beklagen, dus bespaar me het.” “Griffith…,” zei ze zacht, “ik zal niet met Jean-Filip trouwen.” Hij fronste de wenkbrauwen. “Catherina…” Catherina legde haar handen om zijn gezicht. “Ik hou niet van hem,” zei ze zacht. “Dat mag je niet zeggen,” mompelde hij, “hij zal je gelukkig maken en dat is meer dan ik van mezelf kan zeggen.” “Ik hou niet van hem en jij bent de reden,” fluisterde ze. Ze aarzelde een moment en ging dan op haar tenen staan. Even wist ze niet wat doen. Ze had in heel haar leven alleen nog maar Jean-Filip eens sporadisch gekust en voor de rest had ze het nooit meegemaakt. Maar dan vonden haar lippen de zijne en wist ze dat ze zich niets hoefde af te vragen. De adem stokte hem in de keel. Hij merkte dat hij haar bij haar middel had vastgenomen, maar op dat moment gingen er zoveel sensaties door hem heen dat het het enige was dat hij echt besefte. Momentenlang slingerde hij tussen zijn ontzetting en zijn verlangen haar vast te blijven houden. Dan kwam hij tot het besef dat hij haar aan het kussen was en ging er een schok door hem heen. Hij deinsde weg en liet haar los. Met moeite herwon hij zijn kalmte. “Ik neem geen fooien, Catherina,” zei hij. Een moment lang keek ze hem ontdaan aan en dan realiseerde ze zich pas wat hij had gezegd. “Griffith, nee,” smeekte ze. “Dacht je echt dat ik zo’n sukkel ben, liefje,” zei hij, “dat ik op m’n twee poten moet gaan staan als het bazinnetje roept?” “Griffith, zo bedoelde ik het niet,” zei Catherina zacht. “Zo lijkt het anders wel.” “Griffith, je weet dat dat niet waar is.” “Wat? Wat waar? Dat je denkt dat ik maar moet springen als jij het zegt?” “Dat is onzin!” “Onzin? Ik zal je zeggen wat onzin is. Dat je denkt dat je mij ook maar een beetje kunt vatten! Ik ben mijn eigen man! Ik ben niet van jou! Gebruik een ander maar als hobbelpaardje als je er toch zo op gebrand bent jezelf te vermaken, maar niet mij.” “Wil je wel eens naar jezelf luisteren,” zei Catherina onbeheerst, “weet je eigenlijk nog wel wat je aan het zeggen bent?” “Wat? Wat? Is het ineens allemaal minder waar omdat ik het zeg? Denk je ineens dat ik het soms niet begrijp?” “Wat begrijp? Ik denk dat je anders erg probeert het niet te begrijpen.” “Er is niks te begrijpen! Ik weet maar al te goed welk spelletje jij speelt!” “Ik speel geen spelletjes!” “Ik ben niet jouw hoer,” brulde hij in haar gezicht. Voor ze het doorhad, sloeg ze hem furieus in het gezicht omdat hij niet wilde luisteren. Weeral. Ze begon te denken dat het een manie van haar was. Angstvallig keek ze hem aan. “Griffith…” Met ingehouden woede keek hij haar aan. Even dacht ze dat hij haar zou vermoorden, maar dan rukte hij de deur open. Ze wou hem tegenhouden, maar hij schudde haar los. Met slaande deuren verliet hij de herberg. Huilend bleef Catherina achter. De Megafor vertrok twee dagen later nadat er voldoende nieuwe voorraden waren ingeslagen. De scheepsjongens en Catherina’s dienstmeisjes gingen van boord en zouden met het eerstvolgende schip terugkeren naar Lenion. Tien zeelui hadden besloten achter te blijven omdat ze het te riskant vonden om door te varen naar Wails, maar de overgrote meerderheid was gebleven. Iedereen was van mening dat ze moesten afmaken waar ze aan waren begonnen, al betekende dat dat ze misschien nooit meer zouden terugkeren naar Lenion. En natuurlijk was er nog altijd dat meisje waarvoor iedereen door het vuur wilde gaan. Ook de bootsman bleef aan boord, maar er was iets aan hem veranderd sinds ze uit Verona waren vertrokken. Hij keek geen enkele keer meer om naar Catherina en was altijd koel in haar buurt. Tegelijkertijd was hij ook een stuk heethoofdiger geworden en dan voornamelijk tegen Rowland. De twee Welshen staken hun antipathie voor elkaar niet meer onder stoelen of banken en het scheelde dikwijls geen haar of ze waren elkaar aangevlogen. Het was alleen een kwestie van tijd vooraleer er slagen zouden vallen. Voorlopig was Rowland gelukkig nog te bang van de bootsman om hem iets te maken en tot die tijd hield Griffith zich ook in. Toch was Griffith bruusker dan anders, zelfs als Rowland niet in de buurt was. Het was alsof hij bang was van iets, dacht Thomas. In de tussentijd voeren ze recht op Wails af. Dat zorgde voor extra spanningen op het schip die de problemen met de bootsman wat op de achtergrond schoven. Niemand wist wat hen te wachten stond als ze de Welshe wateren zouden binnenvaren en tegelijkertijd was iedereen bang voor de mogelijkheden. Zelfs Thomas had een wee gevoel in zijn maag en dacht dat het deze keer wel eens niet in orde zou komen. Twee dagen voor het einde van de reis zaten de zeelui zich te bedrinken op het dek. Niemand voelde zich echt uitgelaten en als de muziek er niet was geweest, had je kunnen denken dat er iemand was begraven. Rowland en Griffith waren ook aanwezig, maar negeerden elkaar. Er hing een angstige spanning in de lucht die leek te wachten op een ontlading. “…laatste keer viel dat ook zo…” “…meeuwen pikten z’n verdomde kop open voordat we met de sloep bij hem waren.” “…dacht dat we deze keer meer geluk zouden hebben.” “Zo is het niet.” “…geef die fles ‘es…” “…vraag me af waar die onderhandelingen goed voor waren,” klonk het aan de andere kant van de kring. “Kan een afleidingmanoeuvre zijn geweest...” “...Ik had liever dat we terugkeerden.” “Overmorgen weten we meer...” Rowland wreef over zijn oog en zei tegen Thomas: “Weet je, ik had nooit gedacht dat we nog ooit naar Wails zouden varen. Ik dacht dat het Verona zou zijn en daarmee gedaan.” “Je bent niet de enige die dat dacht. Als ik geweten had dat we zo met de borst bloot naar Wails zouden varen, had ik ook wel eens twee keer nagedacht voor ik aanmonsterde op de Megafor voor deze reis.” “Ik heb een klerenacht gehad in Verona, man, toen ze me zeiden dat we zouden doorvaren. Ik snap best waarom het moet, maar ik doe het in mijn broek.” “Dat doen we allemaal,” antwoordde Thomas. “Ik blijf mezelf maar wijsmaken dat ik me over niks druk maak, maar dat ga ik niet lang meer volhouden.” “Je hebt er echt het schijt aan, is het niet?” zei Thomas. “Ik heb m’n reeks zeeslagen er al op zitten,” antwoordde Rowland, “maar dit is gewoon naar Wails varen zonder te weten wat ons te wachten staat.” “Mh, als het een troost mag wezen, ik denk niet dat De Nechoir de ballen heeft om op ons te schieten.” “Ik mag het hopen,” zuchtte Rowland, “want dit is niet de manier waarop ik naar Wails hoopte terug te gaan.” Rowland passeerde Thomas een fles rum. “Wat heb jij gedaan in Verona?” vroeg Rowland. “Me de bibbers gezopen,” lachte Thomas, “van alle dingen die ik kon doen...” “Ik denk dat we er allemaal wel van hebben geprofiteerd.” Thomas knikte. “Ik denk niet dat iemand er zich ooit aan had verwacht dat we zouden doorvaren naar Wails. Al bij al verschiet ik er nog van dat er niet meer mensen zijn achtergebleven.” Rowland dacht daar even over na. “We moeten allemaal flink op ons hart zijn getikt dat we de prinses niet in de steek willen laten...” Op de achtergrond had Brel in de tussentijd een vrolijker deuntje ingezet. De zeelui begonnen te zingen en Thomas luisterde er afwezig naar. De bemanning was niet meer dezelfde als in de tijd van kapitein Montfort, maar die stemwisselingen op de vooravond van een slag nog wel. Het was een manier om niet aan hun angst te hoeven denken. Ze wisten dat als het tot een treffen zou komen, sommige van de maats het niet zouden overleven. Het kon zelfs zijn dat ze het allemaal niet zouden overleven, maar de muziek zorgde er voor dat ze er deze avond tenminste niet aan hoefden te denken. Thomas probeerde zich te herinneren hoeveel zeeslagen hij al had meegemaakt in zijn leven. Een paar onder Montfort en zeker een vijftiental sinds hij opnieuw voor de hertogin was beginnen werken. Geen daarvan was ooit mooi geweest. Gelukkig was de Megafor een goedbewapend en snel schip. Uit ervaring wist Thomas dat de Welshe driemasters logge schepen waren die niet half zo goed konden manoeuvreren als de Megafor. De Megafor had op haar snelheid en wendbaarheid alleen al meer dan de helft van alle zeeslagen gewonnen. Thomas keek naar de lawaaierige zeelui. De rum was hem wat naar de kop gestegen en het begon hem moeite te kosten wakker te blijven. Even knikte zijn hoofd en dan schoot hij weer wakker. Het was een zware dag geweest en dan was het maar wat normaal dat de drank op zijn systeem sloeg. Hij schudde het hoofd en sloeg tegen zijn gezicht. “Heef me vrind Thomas het zandmannetje gedag gezegd?” grijnsde Rowland. “Ja,” antwoordde Thomas, “hij zei dat m’n klokje afgewonden was.” “Tijd voor een nachtmutsje!” zei Rowland enthousiast en hij stopte hem een nieuwe fles in de handen. “Nog even en het klotst hierbinnen in plaats van daarbuiten,” zei Thomas. “Niks zo mooi als een zeeman die een ode doet aan de zee over de reling van z’n schip.” Thomas voelde dat dat wel eens niet meer lang zou duren. De oude man probeerde uit te maken wat hij zou doen en zag ineens Griffith zitten. De bootsman zat glazig voor zich uit te staren en fronste af en toe zijn voorhoofd. Thomas veronderstelde dat hij even uitgeteld als hij was en besloot hem wat gezelschap te gaan houden. Om een of andere reden moest Thomas denken aan Catherina terwijl hij op Griffith afstapte. Sinds Verona had Thomas haar niet meer in de buurt van de bootsman gezien, in feite zelfs haast niet meer buiten haar kamer. Ze had te kennen gegeven dat ze liever had dat niemand meer in de omgeving van haar kajuit kwam en ze kwam alleen naar buiten voor de maaltijden. Thomas maakte aanstalten om naast Griffith te komen zitten. Griffith schoof wat op en keek wazig toe hoe de oudere man zich naast hem neerplofte. Hij dronk een teug van zijn fles. “Je bent dronken,” gromde Thomas nadat hij Griffith een tijdje had bekeken. “Dat zegt iemand die er net vijf minuten over deed om naast me te komen zitten.” Thomas mopperde wat. “Het probleem met die rum is dat ze ze zwaarder maken dan in mijn dagen.” “De rum is hetzelfde gebleven, ouwe man, je kunt ‘m gewoon niet meer ophouden.” Thomas snoof en mompelde iets waarin het woord ‘snotneus’ de grootste nadruk kreeg. Griffith reageerde er niet op, ofwel omdat hij het niet hoorde ofwel omdat het hem niet interesseerde. Het aantal lege flessen aan zijn voeten had er wellicht ook wel wat mee te maken. “Ik had nooit gedacht dat je een zuipschuit was,” gromde de oudere man. “Wel, het is nodig,” zei Griffith en hij nam weer een teug van de fles rum. “Ben je bang voor wat er in Wails gaat gebeuren?” vroeg Thomas. Griffith dacht even na en zei dan: “Neuh, niet echt. Ik ben onsterfelijk.” Thomas glimlachte en trok de fles rum uit zijn handen om er van te drinken. Dan gaf hij de fles terug. “Juist, daarom dus dat je zoveel moet hijsen.” “Bedoel je daar iets mee,” zei de bootsman strijdlustig. “Hey, ho, kalm maar.” “Bemoei je niet met mijn zaken, ouwe vent,” zei de bootsman vijandig. “Deed ik ook niet. Rustig maar weer.” Griffith grauwde en drukte de fles rum in zijn handen. “Hier, als er één ding is dat jou je kop kan doen houden is het dat wel.” Thomas keek met kleine oogjes naar de fles. “Jou bevalt het gewoonweg niet als ik ‘es iets over je zeg,” mompelde Thomas. “Da’s net als met Catherina. Naar haar luister je ook nooit.” Griffith haalde de schouders op en antwoordde niks. “Dat doet me er aan denken,” frazelde de ouwe man, “waar zat jij de hele nacht toen we in Verona waren? Heb je eindelijk eens een hoer uitgeprobeerd?” Griffith spande zijn spieren, maar beheerste zich op een of andere manier toch. “Mag ik rust ja?” “Tuurlijk mag je, jongen,” baste Thomas, “daar dient dat derde been voor.” Griffith stond op het punt te snauwen dat hij dat niet bedoelde, maar Grote Bram kwam ertussen. “Denk je dan dat er zijn die hem moeten hebben met die greilige kop van ‘m?” “Wat?” zei Griffith versteld, maar Thomas was hem te snel af. “Geen idee, maar ik denk hij ze wel stuk voor stuk ziet zitten. Bovendien doet geld wonderen.” Grote Bram ginnegapte. “Kunnen jullie je kop ‘es houden,” zei Griffith woest. Thomas en Grote Bram leken niet op te merken dat Griffith meer dan geïrriteerd begon te geraken. Ze leunden dronken tegen elkaar aan en Grote Bram zei daas: “Ik denk dat als je ’m laat doen, hij zou proberen om op ze allemaal te zitten. Uiteindelijk zal er wel eentje tussen zitten die ‘m moet hebben.” “Zou ie ook de lelijke proberen?” “Allemaal!” “Allemaal? Ho-ho,” grijnsde Thomas, “niet overdrijven, allemaal behalve eentje.” “O ja, sht, die niet, neuh, daar moet je van afblijven, nee. Bootsman: afblijven daarvan.” Griffith ontblootte zijn tanden. “Wat wil je daarmee zeggen.” “Precies wat ik zeg,” zei Grote Bram dronken, “dat je van ons prinsesje moet afblijven.” Griffith greep Grote Bram bij de kraag: “Wil je soms zeggen dat ik niet goed genoeg ben voor haar?” Grote Bram lachte: “Denk je dat je een prins bent soms?” Hij peuterde aan Griffiths vingers en toen hij niet loskwam viel hij op de grond. Gierend van het lachen bleef de zeeman liggen. “Is het soms omdat ik te grotesk voor haar ben?” Griffith trok aan het hemd van Grote Bram en schudde de man dooreen. “Ik heb haar vader gekend! Ik had met haar kunnen trouwen!” “How, how, bootsman.” Thomas nam Griffith bij de arm en probeerde hem los te maken van Grote Bram. “Niet uit je nek kletsen. Ons slag mensen slaapt met hoeren, niet met dames.” Griffith schudde Thomas los. “Wat weet jij?” snauwde de zwarte man en Thomas schrok achteruit. Hij had nog nooit meegemaakt dat Griffith kwaad op hem was. “Wat weet jij van mij of Catherina?” Rowland stond ineens achter hem. “Wat wij weten is dat ze je gore kop niet meer wil zien,” zei de Welsh. Rowland had Catherina’s naam opgevangen en dat was voor hem reden genoeg om haar verdediging op te nemen. Griffith keek met een ruk naar hem om. “Jij!” Rowland stond op een zelfzekere, dronken manier voor hem. “Ik heb altijd wel gedacht dat er op een gegeven moment iets zou gebeuren dat ze genoeg van je zou krijgen. Maar je moet er echt wel met een serieuze hamer op hebben geslagen dat ze je niet eens meer ziet staan.” Griffith greep Rowland vast bij de kraag. “Dat moet ik me niet laten zeggen door een vent die zijn vrouw en kinderen in Wails heeft achtergelaten.” “Ik ben tenminste zelf weggegaan en niet buiten gegooid zoals jij.” Meer had Griffith niet nodig om hem een mokerslag van jewelste te geven. Rowland keilde tegen het dek en bleef even versuft liggen. “Wow bootsman,” zei Sus, maar Griffith duwde hem opzij. Thomas wou hem vastgrijpen, maar zag op dat ogenblik ook een van de zeelui weglopen, wellicht om de kapitein te waarschuwen. Thomas aarzelde en besloot dan de zeeman achterna te gaan. Als Paulis nu hoorde dat Griffith slaags was geraakt met een van zijn mannen kon het hem zijn nek kosten. Rowland zag Griffith aankomen en greep snel zijn mes. Griffith was te woest om zich daardoor te laten tegenhouden en trok zijn eigen mes. De zeelui deden snel een stap achteruit en wisten even niet wat doen. Ze probeerden de twee vechtersbazen te kalmeren, maar noch Griffith noch Rowland leek naar hen te luisteren. Ze cirkelden om elkaar heen en dan viel Rowland aan. Een gevaarlijk messengevecht begon en de zeelui schreeuwden het uit. Het lawaai was tot onderdeks te horen en Catherina kwam uit haar kajuit. Ze fronste het voorhoofd. Dan hoorde ze Griffiths en Rowlands naam en begreep ze wat er aan de hand was. Ze snelde de trap naar het bovendek op en bleef even staan om te kijken. Ze zag dat Griffith, Rowland had ontwapend en dat hij hard op hem aan het inslaan was. “Griffith! Nee!” riep Catherina. Wellicht hoorde hij haar niet door het geroep van de zeelui. “Griffith!” Ze wrong zich tussen de mannen in. Rowland bood wat weerwerk, maar het was duidelijk dat Griffith de bovenhand had. Catherina bleef even staan aan de buitenkant van de cirkel. Ze wist niet zeker wat ze moest doen en keek naar de mannen om haar heen. Ze wilden het gevecht ook stoppen, maar ze waren te bang van Griffiths blik om hem tegen te houden. Rowland viel tegen het dek. Catherina wist dat ze dan moest reageren. Snel sprong ze op Griffith af en riep: “Nee! Stop ermee!” In alle andere omstandigheden was haar stem misschien genoeg geweest om hem te stoppen, maar niet nu. Hij was dronken en de razernij maakte hem doof. Hij voelde iemand aan zijn arm rukken en reageerde furieus. Hij gaf haar zo’n vuistslag dat ze twee meters naar achter vloog en niet meer rechtkwam. Griffith sprong over haar heen en greep Rowlands mes dat naast haar lag. Catherina gaf een schreeuw. Ze zag de moordlust op zijn gezicht en sloot doodsbang de ogen. Op dat moment reageerden de zeelui terug. Snel sprongen ze op Griffith af en grepen zijn arm vast voor hij haar kon neersteken. Woest weerde de zwarte man zich, maar de mannen lieten hem niet meer los. Ze gooiden hem neer en pinden hem tegen het dek. “Hou hem in bedwang,” zei een autoritaire stem dan en plots stond de kapitein tussen hen in. De kapitein ging naast Catherina staan en hielp haar voorzichtig overeind. Catherina bleef duizelig staan en raakte haar gezicht aan. De kapitein gaf haar bezorgd een zakdoek en toen pas merkte ze dat ze hevig uit haar neus bloedde. Ze keek geschokt naar Griffith omdat ze besefte dat hij het was die haar had neergeslagen. De kapitein liep dan op Griffith toe. Hij liet de zeelui de bootsman terug op zijn voeten zetten en keek hem vernietigend aan. “Jij weer,” zei Paulis ijskoud. “Ik ben die buien van jou meer dan zat.” “Kapitein,” zei Sus voorzichtig, “het was Rowland die ermee is begonnen.” Paulis greep Griffiths gezicht vast. De zwarte man zag er nog steeds dreigend uit, maar nu hij door twee mannen werd vastgehouden, was hij wat gekalmeerd. “Ik denk dat dat nog maar weinig verschil uitmaakt. Dat is de laatste keer dat je de orde nog verstoort aan boord van dit schip...” Dan keerde hij zich om naar de zeelui. “Ik dacht dat ik aan het begin van deze reis meer dan duidelijk had gemaakt wat er zou gebeuren als er iemand een vinger uitstak naar de vertegenwoordiger van koning de Bethune.” Eensklaps was iedereen stil. “Ik heb daarbij ook duidelijk gemaakt dat ik geen uitzonderingen zou dulden.” Paulis keek Griffith terug aan. “Je bent altijd een goede bootsman geweest, maar de maat is nu vol. Je hebt de laatste tijd bewezen dat je je rang niet meer erg hoog aanslaat en ik denk dat het duidelijk is dat je je voorbeeldfunctie als officier niet meer kunt uitvoeren... Ik onthef je hierbij van je post voor de rest van de reis. Löven zal je verantwoordelijkheden overnemen voor zolang het nodig is en in de tussentijd kun jij wat gaan afkoelen in het cachot.” De zeelui stonden stil toe te kijken. Iedereen stond achter de bootsman, maar ze moesten toegeven dat ze het de laatste tijd moeilijk hadden met zijn opvliegendheid. De manier waarop hij Catherina te lijf was gegaan, had hen allemaal geschokt en niemand wilde weten wat er zou zijn gebeurd als ze hem zijn gang hadden laten gaan. Misschien zou het nog niet zo slecht zijn als Griffith eens tijd kreeg om te bezinnen. Griffith begon op dat moment ook te beseffen wat er was gebeurd. Paulis’ woorden deerden hem niet, maar hij keek aarzelend naar Catherina. Haar gezicht zat onder het bloed en ze leek in shock te zijn. Toen hun blikken kruisten, sloeg hij de ogen neer. Paulis gaf het bevel Griffith weg te brengen en twee zeelui sleepten hem mee. Thomas keek hem aarzelend na en keek dan naar Catherina. Het meisje ontweek zijn vragende blik en beperkte zich tot het deppen van haar bloedneus. Thomas wou iets tegen haar zeggen, maar zodra hij op haar afstapte, keerde ze zich om en liep weg. Thomas vroeg zich af wat dat kon betekenen. Thomas wilde in eerste instantie Griffith niet achterna gaan, maar deed het toch. Hij daalde af in het schip en liep naar de plaats waar het cachot was. Het cachot was een donkere en vochtige ruimte, niet bepaald een plaats waar je graag zou vertoeven. Toen Thomas er aankwam, was Griffith er al in opgesloten en zag hij hem leeg voor zich uitkijken. Er lag iets onwezenlijks over de zwarte man, alsof hij niet kon vatten wat er was gebeurd. “Griffith,” fluisterde Thomas, maar de zwarte man keek niet op. “Griffith, alsjeblieft, zeg me in hemelsnaam dat je haar geen kwaad had willen doen.” Er kwam geen antwoord. “Griffith, ik begrijp het niet,” zei Thomas, “ik dacht dat ze je alles was. Je zou haar hebben vermoord als je mannen niet waren tussengekomen. Griffith, waarom heb je haar pijn gedaan?” Er kwam geen enkele reactie. Griffith bleef doods voor zich uitkijken, de ogen wijd opengesperd. De oude man begreep dat hij geen antwoord zou krijgen en keerde zich zuchtend om. Terneergeslagen verliet hij het cachot. Griffith bleef alleen achter. In het cachot was er niks anders te horen dan het binnensijpelende water en het klotsen van de zee. Niks leek te leven in de donkere man en toch dacht hij na. Hij dacht terug aan die avond - die andere avond in Verona - toen hij was teruggekomen naar de herberg waar ze zou overnachten. Hij had de hele avond liggen zwerven doorheen de stad. Het had geregend, maar hij had het nauwelijks gemerkt. Het was alsof hij iemand anders was geworden, iemand die zijn zin voor het leven had verloren. Hij had geen ruzie met haar willen maken en hij kon het niet verdragen dat hij dat wel had gedaan. Hij wist dat hij het zichzelf niet zou vergeven als ze gekwetst was, maar begreep niet goed wat er in haar omging. Toch moest hij zichzelf dwingen om het wel te begrijpen, als hij terug naar de herberg wou gaan om de plooien glad te strijken. Dus begon hij na te denken en terwijl hij begon na te denken over wat er in haar omging, begon het hem te dagen... en het gevoel was afschuwelijk. Hij weigerde en accepteerde tegelijkertijd wat ze had aangeboden. Hij begreep wat ze wilde, maar kon niet begrijpen waarom. Ze moest toch weten dat als hij haar aanvaardde, hij haar zou kapotmaken? Het bloed in zijn aders was gewelddadig. Het lag in zijn aard om te vernielen wat hij liefhad. Bovendien leek het hem vreemd dat ze hem boven iemand als Jean-Filip zou kiezen. Jean-Filip was in zijn ogen altijd de geschikte echtgenoot voor haar geweest. De prins was eerlijk en knap, niet wanstaltig en verdorven zoals hijzelf. De jongen zou haar verheffen boven alle andere vrouwen uit. Hij was bang in haar plaats voor wat er zou gebeuren als ze haar verloving met Jean-Filip op deze manier verbrak. Ze zou al haar kennissen verliezen, ze zou gemeden en vernederd worden, de Bethune zou wellicht haar titel en bezittingen verbeuren. Niemand zou begrip opbrengen voor een adellijke vrouw die zich vergooide aan een Welshe vluchteling, zeker niet als die ook gezocht werd door het Lenioonse koningshuis. Hij wou dat alles terug bij het oude was, dat hij haar vriend was en niets meer. Maar hij wist niet hoe dat nog mogelijk was nu ze had begrepen wat er in hem omging. Hij probeerde een uitweg te vinden, maar stootte telkens weer op zichzelf. Wat kon hij doen om haar niet te verliezen? Hij kon niet doen wat ze wilde dat hij deed. Het beest in hem was sterker dan hijzelf en hij zou haar verscheuren als hij even toegaf aan zichzelf. Hij wist anderzijds ook dat als hij haar zou kwijtraken, hij ook zichzelf zou vernielen. Hij keerde terug naar de herberg zonder eigenlijk te weten wat hij wilde. Hij was doorweekt van de regen en moe van de ellende, maar hij wist dat het iets was dat hij moest doen. Hij bleef even in de hal aarzelen voordat hij naar boven ging. Hij klopte aan en wachtte op het antwoord. Toen ze opendeed voelde hij de moed in zijn schoenen zakken. “Ik kan het niet, Catherina…” Ze had geknikt en hem mee naar binnen genomen. Hij deed zijn doorweekte vest uit en ze haalde een handdoek achter het scherm. Hij begon met zijn ondervest uit te trekken, maar dan werd het teveel. Hij sloeg zijn hand voor zijn gezicht en liet een rauwe snik. “Griffith,” zei Catherina zacht. “Laat me met rust,” had hij geantwoord terwijl hij balanceerde tegen het huilen aan. Ze knikte. Het druppen van zijn vest was het enige dat weerklonk de volgende minuten. “Wat wil je,” zei hij dan onbeheerst. Ze aarzelde. “…bij jou horen…” Hij herpakte zich. “Ik neem geen mensen op in mijn leven.” Ze stond wat verloren naar hem te kijken omdat ze dat wist. Hij was gewend zijn leven tegen het hare af te meten, niet om met haar te leven. “Wijs je me af?” vroeg ze kleintjes. “Denk je soms dat ik je kan aanvaarden?” Ze beet op haar lip en zei zacht: “Ja.” Ze wist evenmin als hij of het tussen hen kon lukken. Ze was zich er van bewust dat de onrust van zijn karakter haar kon uitbranden, maar ze was er in tegenstelling tot hem niet bang voor. “Je hebt er geen idee van wat je vraagt,” zei hij. Ze sloeg de ogen neer. “Ik weet dat ik nooit meer terug zal kunnen gaan naar mijn vroegere leven, dat ik alles zal verliezen dat ik ooit heb gehad.” “Waarom wil je het dan doen?” “Omdat het ook geen leven is. Bij mijn oom was ik ongelukkig en bij Jean-Filip zou ik het ook zijn.” “Maar heel Lenion zal je verketteren.” “Enkel als ik terugkeer als Catherina Montfort. Ik zou een nieuw bestaan kunnen opbouwen.” Hij wou niet geloven dat ze alles wou opgeven, nog in het midden gelaten hoe ze dat nieuwe leven zou beginnen. Het verbijsterde hem eenvoudigweg dat ze dat voor hem wilde doen. “Ik kan dit niet… Ik…” Het ontzette hem dat ze ondanks alles toch bij hem wou zijn. Terwijl hij een gruwel was, een monster. Het idee alleen al dat ze hem wou aanraken, deed hem huiveren. Een paar regendruppels liepen over zijn gezicht. Ze ging voor hem staan om zijn haar te drogen en hij liet het ontsteld toe. Te veel, te snel, te vroeg. Hij nam haar middel vast. Ze hield op met het drogen van zijn haar en knoopte zijn cravate los. “Niet doen, ik ben nat.” “Ik weet het,” mompelde ze. Hij wou haar afweren, maar ze weerde hem af in de plaats daarvan. “Catherina, hou op.” Hij wilde haar van zich afdraaien maar begon halverwege haar nek te kussen. Haar adem stokte en hij drukte haar tegen zich aan. Ze ging met haar vingertoppen over het litteken op zijn gezicht. Hij deinsde terug, maar ze liet zijn gezicht niet los. Met moeite overwon hij zijn verlangen om weg te vluchten. Hij liet haar zijn gezicht aanraken, zijn hals, zijn borst. Hij was zich bewust van de littekens op zijn lichaam, maar weerstond zijn eigen weerzin. Ernstig begon ze zijn natte hemd verder te ontknopen. Hij was heel voorzichtig met haar daarna. Achteraf gezien was het verwonderlijk hoe natuurlijk alles was verlopen, en toch zo zonderling. Ze was heel broos in zijn armen en toch had hij in heel zijn leven nooit zoveel liefde in iemand gevoeld. Het was ook moeilijk geweest die eerste avond, zoals het eigenlijk wel altijd moeilijk was gebleven. Nooit eerder hadden ze zoiets uitzonderlijk meegemaakt en Griffith wist dat er na haar nooit meer een ander zou komen. Het was ook die nacht dat hij haar alles vertelde: over het Welshe strand, haar vader, haar geboorte... Alles dat geen mens ooit had geweten behalve degenen die er bij waren geweest. Catherina luisterde verwonderd naar zijn relaas en begon te beseffen wat hem aan haar bond. Nadat hij zijn verhaal had gedaan, begreep ze dat ze nooit meer van iemand anders dan hem kon houden. Die nacht in Verona veranderde ook voor altijd hun verhouding op het schip. Ze bleven elkaar ontmoeten en hoewel het een moeizaam aftasten bleef, waren het toch de gelukkigste dagen die ze hadden beleefd op het schip. Tegelijkertijd was Griffith doodsbang voor wat er zou gebeuren als het werd ontdekt. Hij was bars als hij bovendeks was en onzeker als hij bij haar binnenkwam. Hem kon het niet schelen wat er met hem gebeurde, maar hij wist dat vooral Catherina zwaar onder vuur zou worden genomen als ze niet opletten. Maar het was niet dat wat hen uiteindelijk de das had omgedaan. Uiteindelijk was het hijzelf die hen had verraden. Omdat hij nooit had mogen vergeten wat hij was. Omdat de gewelddadigheid van zijn bloed de overhand had gehaald. En hij had er zwaar voor betaald. Uiteindelijk had hij haar bijna vermoord... Terwijl hij voor zich uit staarde, hoorde hij keer op keer weer die woorden in de verte. ‘Griffith, waarom heb je haar pijn gedaan... Waarom heb je het gedaan... Waarom... W... Waar-om...’ Hij greep zijn hoofd vast en beukte het tegen het schot. “Omdat het is wat ik ben. Omdat het is wat ik ben. Omdat...” Hoofdstuk 8 Het voorval met de bootsman had op geen erger tijdstip kunnen gebeuren. De bemanning was al erg terneergeslagen geweest, maar nu was de moraal helemaal verdwenen. Ze zouden Wails over twee dagen bereiken en ze hadden alle handen kunnen gebruiken die ze konden krijgen. De zeelui wisten natuurlijk niet echt of het tot een treffen zou komen, maar als het zou gebeuren, dan zouden ze Griffith nodig hebben. Als bootsman kende hij hen immers beter dan enig ander en net dat hadden ze nodig om hen te bevelen. Rowland maakte het niet uit dat de bootsman nu zat opgesloten in het cachot. Wat hem betrof was het de ideale plaats voor Griffith. Hij zou het zelfs niet erg vinden als ze er hem in vasthielden tot ze terug in Lenion waren. Voor hem was Griffith een schoft van de ergste soort. Niet alleen omwille het merkteken op zijn rug, maar vooral omdat hij hun prinses had durven aanraken. De meeste andere zeelui wisten niet goed wat ze er van vonden. Als Griffith enig ander had aangevallen, had het hen niet uitgemaakt. Maar Catherina was een van de hunnen geworden. Ze hielden van haar en beschermden haar alsof ze familie was. Iedereen die haar kwaad durfde te doen, verdiende het in het cachot te zitten. Dus ook Griffith. Langs de andere kant was Griffith ook jarenlang hun bootsman geweest en vriend. Het viel niet gemakkelijk hem ineens de rug toe te keren. Catherina zelf vertoonde zich niet meer bovendeks. Ze liet haar maaltijden naar haar kajuit brengen en sprak met niemand meer. Zelfs Thomas die meestal iedereen op zijn gemak kon stellen, kreeg geen woord meer uit haar. Het maakte alles alleen maar ingewikkelder dan het al was. Niemand wist immers hoe het nu verder moest met de onderhandelingen in Wails, nu Catherina zich zo had teruggetrokken. Ze konden alleen maar hopen op het beste. Wails was intussen een doel geworden dat niemand wou bereiken. Dat ze uiteindelijk toch Wails bereikten was echter hun onontkoombaar noodlot. Het was stralend weer toen die ochtend het schip tot leven kwam. Iedereen wist dat ze Wails in de volgende uren zouden bereiken en de zeelui reageerden dan ook nerveuzer dan ooit tevoren. De kustlijn kon niet ver weg meer zijn en als er ooit een weg terug was geweest, dan was het daar nu te laat voor. Thomas betrapte zich er op dat hij stond te bidden toen ze de kanonnen klaarmaakten. Hij had die nacht geen oog dichtgedaan en hij wist dat hij niet de enige was geweest. Op een schip waar je nauwelijks een halve meter slaapruimte had, was het ook moeilijk om dat niet te merken. Thomas wist dat er veel lege plaatsen zouden bijkomen als het tot een treffen kwam. De Megafor was nog nooit eerder langs het zuiden op Wails toegevaren, enerzijds omdat ze anders te dicht bij het Arendsnest kwamen, anderzijds omdat de Welshe kroonprins Edward in het noorden vocht. Ze hadden wel kaarten van het gebied, maar ervaring was alles in vijandelijk gebied. De bal lag volledig in het kamp van De Nechoir. Tegen twaalf uur kwam Catherina bovendeks. Ze was volledig gekleed en had een deken om zich heen geslagen. Ze zag er bleek uit, dus lieten de zeelui haar met rust. Thomas ging af en toe naast haar staan, maar ze wisselden geen woord. Catherina staarde voor zich uit naar de horizon, net als de zeelui, wachtend op Wails. Het was ongeveer rond één uur dat de zeilen aan de horizon werden ontdekt. De zeeman in het kraaiennest schreeuwde naar beneden dat er drie schepen te zien waren en de zeelui stommelden naar de reling. Op dat moment was de Welshe kustlijn nog niet binnen gezichtsveld, maar het was vrijwel zeker dat de driemasters er vlak voor lagen. Het was nog altijd mogelijk dat de zeilen van patrouilles waren, zoals er een hoop waren langs de Welshe kust. Als dat zo was dan waren ze geen partij voor de Megafor. Catherina keek ook toe terwijl ze wachtte op het verschijnen van de zeilen. Ongeveer op het moment dat ze ze zag, verscheen ook vreemd genoeg de Welshe kustlijn. Het was een witte lijn, nauwelijks zichtbaar, die af en toe opdook achter de golven. De drie Welshe schepen cirkelden voor het land als een stel haaien, wachtend op de komst van de Megafor. Catherina besefte plots dat Wails een reëel land was. Ze kon de witte kliffen en de bossen zien naarmate ze dichterbij kwamen en voor het eerst drong het tot haar door dat dit het land was waar Griffith vandaan kwam. Het leek een groen land te zijn, net zoals ze hadden verteld, en kwetsbaar mooi. Catherina voelde zich alsof een vage belofte werd ingelost. Intussen liet de kapitein zijn schip gevechtsklaar maken. De drie schepen die op hem af kwamen, zonnen hem niks. Hij kon al van ver zien dat het De Nechoirs gebruikelijke oorlogsbodems waren, en escorte of niet, de kapitein vond zo’n schepen ongepast om een onderhandelaar te begeleiden. De zeelui namen hun posities in. Overal loerden oogjes door luiken en over relingen naar de drie schepen. De Welshen hadden hen wellicht ook gezien, maar cirkelden slechts traag in hun richting. De kustlijn was nu duidelijk zichtbaar. Catherina hield haar adem in toen een van de Welshen voorbij kwam en haar zicht afsneed. De Welshe schepen waren van een ander type dan de Megafor. Het waren ook oorlogsschepen, maar minder wendbaar en zwaarder bewapend. Catherina maakte een ruwe schatting van het aantal kanonnen dat de schepen hadden, maar kon niks met zekerheid zeggen. Ze wist wel dat qua snelheid en wendbaarheid de Megafor de schepen de baas kon. Ze stond bij de officieren op het achterkasteel. De mannen stonden allemaal met de verrekijker in de hand naar de schepen te kijken. Ze zeiden niks, maar de spanning was duidelijk merkbaar. Van een bedreiging was op dat ogenblik nog geen sprake. De Welshen hadden hun kanonspoorten duidelijk openstaan, maar er waren geen kanonnen in te zien. Als de Welshen hen hadden willen aanvallen dan was dat het eerste sein geweest. De kapitein keek even om naar Catherina. “Mevrouw, zou u niet beter naar beneden gaan?” Catherina schudde het hoofd en hield haar ogen niet af van de Welshe schepen. Zij was de reden waarom ze hier waren. Zij had het bevel gegeven om naar Wails te varen en ze zou niet wegkruipen nu het gevaar het grootst was. Ze wist dat het niet haar verantwoordelijkheid was, maar ze wou erbij zijn als het misliep. De kapitein knikte begrijpend en liet haar staan. Hij had Catherina leren kennen als iemand die niet in de weg zou lopen als het er op aan kwam en bovendien bewonderde hij haar moed. En dat kon hij gebruiken op dit ogenblik. De Welshe schepen verschenen nu duidelijk op het voorplan. De Megafor maakte een scherpe draai om een van de Welshen langszij te passeren en tegelijkertijd heel duidelijk te maken hoeveel vuurmonden er klaarstonden. Catherina spiedde naar de kanonspoorten van de Welshen, maar ze kon nog steeds niks zien. De drie schepen manoeuvreerden rustig om de Megafor heen en lieten zich niet intimideren. De kapitein gaf het bevel om de Welshen te signaleren. Een zeeman begon te vlaggen naar de meest dichtstbijzijnde Welsh en liet hen weten dat ze in vrede kwamen. Ze hadden de onderhandelaar bij zich en wilden weten of ook de Welshen in vrede kwamen. Catherina keek naar de zeilen van de Welshen. Ze stonden allemaal op wat er op wees dat ze wilden kunnen manoeuvreren. Er kwam geen antwoord op hun signalen. Dan merkte Catherina ineens het Welshe schip op dat achter de twee anderen voer. Het lag wat achteraf, half verborgen achter de silhouetten van de twee voorste Welshen. De meeste ogen waren gericht op de eerste twee Welshen, maar Catherina liet zich niet om de tuin leiden. Haar ogen vernauwden toen ze het derde schip langzaam uit zijn beschutting zag komen. Ze aarzelde even, maar dan nam ze de verrekijker van de officier naast haar en keek ze naar dat derde schip. Als ze dan nog niet zeker was geweest, dan was ze het nu wel. Ze hoorde de kapitein op hetzelfde moment vloeken. “Ze hebben hun kanonnen naar voren gerold.” Catherina keek naar de kapitein, net als de rest van de officieren. Dan was het moment van stilte voorbij en begon de kapitein zijn bevelen te schreeuwen. Binnen de kortste keren stond het hele schip in rep en roer. “Bakboord!” “Klaar om te vuren!” “Overstag gaan.” In enkele tellen tijd krioelde het van de mensen in en onder de masten. Bevelen schoten heen en weer en overal zag Catherina gezichten van geconcentreerde mannen. Het schip maakte een krakende beweging om op het laatste moment de stormloop van het derde schip te kunnen ontlopen. Plotseling verschenen ook de kanonnen in de poorten van de andere twee schepen en begonnen ook zij de Megafor in te lopen. Catherina werd gewaar dat ze net een seconde te laat hadden gereageerd, maar de kapitein bewaarde zijn kalmte en plots begreep Catherina waarom Jago juist deze man had gekozen als kapitein van de Megafor. De man hield er niet alleen zijn hoofd bij, hij maakte ook ongelofelijk snelle besluiten om uit het net van de drie schepen te blijven. De drie probeerden de Megafor duidelijk te omcirkelen zonder in de buurt van de kanonnen te komen. Maar kapitein Paulis was snel en gaf voortdurend bevel om hun koers opnieuw te wijzigen. Hij coördineerde het spel zo goed dat twee van de Welshe schepen op een gegeven ogenblik op elkaar dreigden te varen. De zeelui juichten, maar de Welshen manoeuvreerden haastig van elkaar weg. Daarop had Paulis gewacht. Een van de Welshe schepen lag plots voor de vuurmonden van de Megafor en de kapitein gaf bevel te vuren. Ineens brulden alle kanonnen en er werden verschillende bressen geslagen in de romp van het Welshe schip. Tegelijk beval Paulis de Megafor opnieuw te keren om achter de tweede Welsh aan te gaan. Het tweede schip was zo scherp aan het keren geweest dat haar kanonnen te lang op het water waren gericht. De Megafor kwam langszij te liggen en Paulis beval een tweede keer te vuren. Een aantal kanonsballen misten doel, maar de rest maaiden de masten van het Welshe schip in één haal weg. De tweede officier schreeuwde het uit. Naast hem bleef de kapitein de situatie koel overkijken, want het derde schip kwam nu ook hun richting uit. De situatie begon riskant te worden want hoewel de twee andere schepen niet meer konden manoeuvreren, konden ze nog altijd een deel van hun kanonnen gebruiken. De kapitein besloot de richting van de kust op te gaan en de Megafor rolde woest over de golven heen. Catherina’s nagels boorden zich in het hout van de reling. De kapitein keek even naar haar en zei: “Ik denk dat u nu beter naar beneden kunt gaan. Als u wil kunt u de dokter gaan bijstaan als er gewonden vallen.” Catherina knikte en verliet het kasteel. Met een laatste blik op het aankomende Welshe schip verdween ze onder het dek en probeerde de ruimte te vinden waar de dokter zijn ziekenboeg had klaargemaakt. Ze had nog nooit een zeegevecht meegemaakt, maar ze wist uit verhalen dat ze tot nog toe van geluk konden spreken dat ze nog niet waren geraakt. Kanonsballen waren berucht voor de ravage die ze konden aanrichten en het was al uitzonderlijk genoeg dat ze nog niet waren geraakt. Ze vond de scheepsdokter in het ruim waar ze hun ziekenboeg hadden gemaakt. Hij stond om zich heen te luisteren, aandachtig de bewegingen van het schip volgend. Catherina ging naast hem staan en hield haar adem in. “Ik hoop dat Paulis weet waar hij heengaat,” mompelde de man, voor het ogenblik nog nuchter. Plots schudde het schip dat het er van kraakte. Een oorverdovend gedonder klonk van hun eigen kanonnen, maar de Megafor maakte plots zo’n vreemde beweging dat het er op leek dat een van de masten het had begeven. Catherina werd bleek en stormde terug naar boven waar ze de eerste slachtoffers vond. Ze zag tot haar ontzetting dat de Megafor op dat ogenblik door twee van de Welshen werd geflankeerd en ze hoorde allerlei bevelen die haar duidelijk maakten dat ze langs de ene kant boven de waterlinie waren geraakt en dat het andere schip hun grote bram had kunnen raken. Vooral dat laatste zag Catherina duidelijk want het hele dek was in een puinhoop herschapen. Een aantal mannen die net in het bovenstuk van de mast hadden gezeten waren door de val vermorzeld. Maar er waren ook mannen die op dat moment beneden hadden gestaan en gevaarlijk waren verwond. De mannen werden onmiddellijk afgevoerd of anders ter plekke verpleegd. Catherina vond ook de tweede officier, geklemd en half verpletterd. De man murmelde nog iets tegen haar en verwisselde dan het tijdelijke voor het eeuwige. Catherina had geen tijd om zich om zijn lijk te bekommeren. De eerste schoten hadden genoeg schade aangericht en er waren mannen te verplegen. Intussen naderde een van de Welshen hen met grote snelheid. De Megafor was te dicht bij de kust gekomen en kon dus nog maar in één richting uitwijken om hem te ontlopen. Het leek een nipte wedloop te worden want hun vaart werd afgeremd door het verlies van de grote bram. De kapitein wrong zijn handen terwijl de Megafor metertje per metertje leek voort te kruipen. Maar ze leken uiteindelijk toch terrein te winnen op de Welsh en uiteindelijk waren ze weer op volle zee. Tot plots een vierde Welsh voor hun neus opdook die blijkbaar de hele tijd in reserve was gehouden achter een massieve klif. De kapitein vloekte en brulde zijn bevelen. Maar het was al te laat en een nieuw vuursalvo maaide een stuk van de boeg weg van de Megafor. Op dat ogenblik besefte Thomas dat ze het niet zouden halen. De overmacht was te groot en zelfs een schip als de Megafor kon niet blijven ontkomen aan vier schepen... Bovendien maakte het schip water en kon het niet meer manoeuvreren. Het was nog maar een kwestie van tijd vooraleer het aan flarden zou worden geschoten. Als kapitein Montfort nog had geleefd had hij gehuild... Thomas verliet zonder waarschuwing zijn post en stormde naar beneden. Hij hoorde geschreeuw van mannen die bezig waren met het dichten van de bres onderdeks en hoorde vooral de paniek in hun stemmen omdat de Megafor opnieuw overstag leek te gaan. Als dat zou gebeuren, zou het gat helemaal onder de zeespiegel komen te liggen. Thomas bleef niet stilstaan om te zien hoe erg het was. Het zou niet lang meer duren eer het schip begon te zinken en hij kon er beter voor zorgen dat hij dan van boord was, samen met de mensen waar hij het meest van hield. Thomas sprong een trap af, stormde een gang in en keerde dan terug omdat hij zich had vergist. Even had hij moeite om zich te oriënteren en vond hij niet wat hij zocht. “Waar is dat stomme ca…?” Plots stond hij ervoor. “Griffith!” Griffith stortte zich op de tralies van het cachot. “Naast de deur,” schreeuwde Griffith boven het gebulder van de kanonnen uit. Thomas knikte en zocht naar de sleutels van het cachot. Plots ging er een schok door het schip heen. Gelijktijdig spoelde een vloedgolf door de gang en Thomas glibberde onderuit. “Thomas?” schreeuwde Griffith. “Ik ben in orde,” zei Thomas met een ongeruste blik op de deur waarlangs al dat water was binnengekomen. Hij stond op en begon te zoeken naar de sleutels van het cachot. Hij vond de bos aan de wand en greep hem. “Merde, welke van die gevalletjes is het?” zei hij toen hij merkte dat er twintig sleutels aan hingen. “Geef hier,” zei Griffith en hij griste haastig de bos uit Thomas’ handen. Gejaagd overliep hij de sleutels van de bos, zoekend naar de sleutel van het cachot. “Hier, deze, vlug.” Thomas grabbelde de bos terug uit Griffiths handen en stak de sleutel zenuwachtig, eerst naast het slot, dan erin. Hij morrelde aan het slot terwijl Griffith al tegen de deur aan het stampen was. “Wil je wel eens wachten!” riep Thomas. Er ging weer een schok doorheen het schip die zowel de oude als de jonge man van hun voeten wierp. “Verdomme, wat was dat?” vroeg Thomas geschrokken. “Geloof me, dat wil je niet weten,” zei Griffith. Het was een zandbank. Ze waren te dicht bij de kust gekomen. Thomas probeerde het slot opnieuw. De deur vloog open. Griffith kwam uit het cachot en gaf Thomas een kus op zijn voorhoofd. Ze wachtten niet af om zo vlug mogelijk naar boven te stormen. Boven gooide Griffith zich tegen de reling aan om te kunnen zien wat de situatie was. Twee schepen die blijkbaar buiten spel waren, maar twee anderen die zich aan het keren waren voor een nieuwe aanval op de Megafor. Ze moesten snel zijn nu. Hij liep naar de andere kant van het schip, sprong over de resten van de mast heen en speurde naar de sloepen. Gehaast begonnen hij en Thomas er een klaar te maken om neer te laten. “Griffith!” “Verzamel wat goede mannen,” brulde hij tegen Thomas. “Jij en Catherina gaan hier van boord.” Een jonge zeeman kwam net voorbij. Griffith greep hem vast: “Maak die sloep verder klaar en zorg dat je er mee inzit als hij wegvaart.… Laat er ook maar ineens een tweede neer. Thomas…” Griffith liep ineens weer weg. Thomas aarzelde ook niet. Ze zouden het niet lang meer volhouden en dit kon wel eens hun laatste kans zijn. Griffith liep gehaast naar het benedendeks. Hij donderde al op Catherina voor hij de ziekenboeg had bereikt. Even herkenden ze elkaar niet. Ze zat onder het bloed en keek hem verbijsterd aan, maar hij gaf haar de tijd niet vragen te stellen. Hij sleurde haar achter zich aan en toen ze wou protesteren, gooide hij haar op zijn schouder en liep verder. Intussen had Thomas twee sloepen volgeladen met een aantal mannen die bereid waren het schip op zo’n kritiek moment te verlaten. Op dat ogenblik scheerde een van de Welshe schepen langs de Megafor en loste een geweersalvo op het achterkasteel. Griffith had Catherina neergezet en keek naar het achterkasteel terwijl het Welshe schip weer wegvoer. De Welshe musketten hadden het achterkasteel zwaar getroffen en Griffith zag dat alle officieren dood waren. Catherina zag ook dat de Megafor nu zonder gezagvoerder zat. Griffith stond op het punt om naar het achterkasteel te lopen, maar ze hield hem tegen. “Niet doen,” fluisterde ze, maar met een blik gaf hij te kennen dat hij geen andere keus had. Anders was de rest van de bemanning ook verloren. Catherina aarzelde, maar wist dat ze niks meer kon doen. Griffith maakte duidelijk dat hij wou dat ze in de sloep stapte en keerde zich om. Op dat moment kwam Rowland plots voorbij. Griffiths en Rowlands blik kruisten en Catherina hield de adem in. Rowland probeerde even te vatten waarom de bootsman vrij rondliep, maar dan greep hij al woest zijn enterbijl en stormde hij op Griffith af. Griffith ontweek op het nippertje de slag en Rowland ging bijna tegen de vlakte. De bijl schoof over het dek en Rowland keerde zich woest om. Griffith wou weer weggaan, maar Rowland viel hem opnieuw aan. Catherina schreeuwde en de twee mannen beukten met vol geweld tegen de reling aan. Het hout kraakte door hun gewicht en plots gaf de reling mee. Griffith verloor zijn evenwicht en greep Rowland vast. De twee vielen achterover de zee in. Geschrokken wierp Catherina zich tegen de reling van het schip aan en zag hoe de twee vechtersbazen een duizelingwekkende duik naar beneden namen. Griffith en Rowland donderden de een na de ander de zee in en verdwenen in het water. Dan kwamen ze weer boven en Catherina haalde opgelucht adem. Griffith en Rowland plensden even proestend rond. Dan zagen ze elkaar en begonnen ze naar elkaar toe te zwemmen om elkaar vooralsnog de kop in te slaan. Catherina maakte gauw dat ze in een sloep zat en liet zich naar beneden takelen. Toen Rowland zag dat er twee sloepen in zee werden neergelaten, liet hij Griffith maar voor wat hij was en zwom hij naar de sloep van Catherina toe. Hulpvaardige handen trokken hem vlug aan boord en de riemen werden opnieuw uitgezet. Griffith was naar de andere sloep gezwommen en ook hij werd aan boord gehesen. Rowland wierp nog een vuile blik naar Griffith. Vlug keek Catherina achter zich. De Megafor dekte hun aftocht, maar waarschijnlijk zouden ze niet lang verborgen blijven voor de Welshe schepen. Als ze doorhadden dat een paar van de Lenionen per sloep probeerden te ontsnappen zouden ze hen binnen de kortste keren achterna komen. Tenminste, als de Welshen hen levend wilden vatten. Zoals ze op de Megafor schoten, twijfelde Catherina er aan dat ze gevangenen wilden nemen. Catherina vloekte - niet voor zichzelf, maar voor degenen die achter waren gebleven. Rowland zat intussen boos zijn kleren uit te wringen. “Wie heeft in godsnaam die etterbak bevrijd? Was het teveel moeite om hem te laten verrekken met de rest van onze maats?” “Ik heb dat gedaan,” zei Thomas terwijl hij rustig bleef doorroeien, “en als ik jou was zou ik me daar niet al te hard aan storen. Griffith is de enige die dit stuk van Wails een beetje kent, dus bid maar dat hij ons er ook door wil loodsen.” “Ik ga mijn veiligheid niet aan die vent toevertrouwen,” zei Rowland met een oog op Catherina. Thomas antwoordde niet en keek even rond naar de andere zeelui. Ze zouden Catherina nooit iets laten overkomen, maar Griffith was jarenlang hun leider geweest dus aarzelden ze. De zeelui roeiden met grote slagen naar het vasteland, kijkend naar de vastgelopen Megafor. Blijkbaar had toch iemand het bevel van de kapitein overgenomen want de Megafor bleef de twee Welshe schepen regelmatig bestoken met alle vuurkracht die ze bezat. Geleidelijk aan verloor de Megafor echter haar overige, nutteloze masten. Met een gekraak kwamen ze naar beneden en donderden de zee in. Ze zagen het schip even later bewegen, niet omdat het los kwam, maar omdat het gewicht van de masten het schip omver begon te trekken. Iemand mompelde iets tussen zijn lippen en een ander sloeg een kruis. Ze zagen een aantal mensen vruchteloos een sloep uitzetten toen het schip meer en meer begon te hellen. Hun ogen vertelden hen dat het schip zou breken als het zo verder ging. Catherina werd krijtwit als ze eraan dacht dat ze zo afscheid moest nemen van haar vaders schip. De eerste sloep had het vasteland bereikt. De mannen sprongen er snel uit, meegrabbelend wat ze in hun haast nog hadden kunnen meenemen. Dan bereikte ook de tweede sloep het land. Thomas en Rowland tilden Catherina uit de sloep en ze waadden gehaast naar het strand. Rowland keek Griffith met smeulende ogen aan, maar de zwarte man keek enkel koel terug. Rowland rukte iemands enterbijl uit handen en stormde op hem af. De zeelui grepen de twee vechtersbazen gehaast vast en namen de enterbijl uit Rowlands handen. Griffith rukte even om los te geraken, maar hij kalmeerde al snel toen hij begreep dat ze zich zo snel mogelijk uit de voeten moesten maken. Voor hen lag een dicht bos. Wilden ze niet te veel aandacht trekken, moesten ze maken dat ze erin zaten. Catherina liep net als de andere mannen in de richting van het bos. Vlak voor ze de zoom bereikten, keek ze nog even aarzelend om en wierp ze een laatste blik op haar vaders schip. De Megafor lag nog steeds op zijn kant en rookpluimen walmden naar boven. De Welshe schepen bleven het machteloze schip bestoken met vuur en Catherina kreeg tranen in de ogen van het trieste schouwspel. Toen trok Thomas haar het bos in en verdween de Megafor uit zicht. De mannen verzamelden zich in het woud en stopten even om met elkaar te overleggen. Griffith wist niet precies waar ze waren, maar vermoedde dat ze zo’n drietal dagen lopen van het Arendsnest vandaan waren. Het woud strekte zich tot ver daarachter uit. “Ken je de wouden?” Griffith knikte aarzelend. “Ik ben hier opgegroeid, maar ik weet niet wat er allemaal veranderd is.” “Dan kun je ons leiden,” zei Thomas. “Ik kan het proberen.” Rowland reageerde bruut: “Dat is je maar geraden ook!” Griffith wou iets terugzeggen, maar dan viel zijn oog op Catherina en hij keerde zich resoluut om. Ze zetten zich in beweging en probeerden zo snel mogelijk weg te gaan. De zeelui wisten nu dat De Nechoir, om zijn oorlog uit te lokken, iedereen van kant zou maken die met de onderhandelaar aan boord was gegaan. Er was weinig kans dat er nog andere zeelui veilig aan wal waren geraakt dus had het geen zin om hen op te wachten. Voor zover ze wisten konden er soldaten zijn die de kustlijn afschuimden en die zouden hen niet sparen als ze hen vonden. Op dat ogenblik deed er nog maar één ding aan toe en dat was overleven. Ze wisten dat ze een lange tocht voor de boeg hadden en ze hadden in hun haast niet genoeg mee kunnen nemen dat hen van nut kon zijn. Het enige dat ze echt bij hadden waren de kleren om hun lijf en een paar pistolen. Voor de rest hadden ze nog niet genoeg water en eten om hen door de eerste dag te helpen. Ze zouden moeten vertrouwen op wat ze onderweg vonden en hopen dat het geluk aan hun kant stond. De zeelui liepen tot het begon te donkeren. Ze stopten aan een grote eik en verdeelden het weinige voedsel dat ze hadden meegenomen. Catherina had onderweg ook wat eetbare bessen verzameld die gretig werden opgegeten. Het enige dat echt ontbrak was water, maar in een groen land als Wails zouden ze vroeg of laat wel op een bron stoten. Tegen de tijd dat ze hun schrale maaltijd hadden verorberd, zat iedereen door zijn krachten heen. De zeeslag en de wilde tocht door de bossen had het beste van iedereen geëist, vooral van Catherina die last had van haar lange rokken. Toen de nacht haar intrede deed, was er niemand van het hele gezelschap nog wakker. De dertien mannen - en een vrouw - sliepen als marmotten in en kwamen niet meer bij de volgende uren. Uiteindelijk was het nog Catherina die het minst slaap nodig bleek te hebben. Vlak voor het weer ochtend werd, werd ze wakker en keek om zich heen. Ze hadden geen wacht opgezet, maar ze betwijfelde of dat toch veel had uitgehaald als De Nechoirs soldaten hen vonden. Desondanks besloot ze niet terug te gaan slapen en hield ze de wacht over de slapende zeelui. Bovendien had ze tijd nodig om na te denken. Dus dit was Wails, dacht ze. De entree was in ieder geval dramatisch geweest en als ze goed hun kansen overwoog, dan zou het vervolg er niet vrolijker op worden. Ze wist niet of de Welshe schepen hadden gezien dat een aantal zeelui waren ontsnapt, maar eens ze de sloepen vonden, zouden ze er snel genoeg achter komen. Catherina begon een vaag idee te krijgen waarom De Nechoir niet wilde dat er overlevenden waren. Hij had gehoopt dat de Megafor na Verona rechtsomkeer zou maken zodat hij kon beweren dat ze de onderhandelingen hadden doen afspringen. Hij had er evengoed rekening mee gehouden dat ze zijn plannen zouden doorzien en had een reserveplan gemaakt. De Nechoir had er van geprofiteerd dat ze het zuiden van Wails niet genoeg kenden om hen naar coördinaten te lokken waar niemand hen zou zien aankomen. Door het schip te vernietigen en iedereen te doden die er op zat, kon hij beweren dat de onderhandelaar nooit op zijn uitnodiging was ingegaan. Er waren natuurlijk nog de zeelui die in Verona waren afgestapt die het tegendeel konden bewijzen, maar wie zei dat De Nechoir hen intussen niet had opgespoord en gedood? Bovendien zou De Nechoir alle betichtingen afwimpelen en tweespalt veroorzaken tussen alle betrokken groepen. Catherina veronderstelde dat het dat was waar De Nechoir op had gegokt. Zonder overlevenden van de Megafor zou de Bethune het moeilijk krijgen zijn oprechtheid te bewijzen en zouden de besprekingen met De Nechoirs bondgenoten in het slop raken. De Welshe buurlanden zouden de Bethune niet geloven en Lenion zou Wails niet zondermeer kunnen binnenvallen om Jean-Filip te bevrijden. Tegelijkertijd zou hun reputatie een flinke deuk krijgen. Ook andere landen zouden minder graag zaken met hen doen met alle gevolgen van dien voor de handel. In de tussentijd zou de Bethune veel geld en tijd moeten steken in de besprekingen en zou Jean-Filip vast blijven zitten in Wails. De Nechoir had het spel goed gespeeld. Lenion zou hem met geen vinger kunnen raken en tegelijkertijd zou Lenion intern verzwakken. Maar als de zeelui nu eens het buitenland konden bereiken, zouden de kaarten misschien anders liggen... Catherina keek om zich heen terwijl ze op wacht stond. Het woud was vredig, op het ontluikende gekwetter van de vogeltjes na. Catherina hield wel van de rust, zoals ze waarschijnlijk ook wel van het hele land hield. Desondanks voelde ze zich alles behalve vredig. Ze wist dat ze nog een zware tocht voor de boeg hadden, zonder voedsel, zonder drinken. Wetend dat er binnenkort patrouilles over het hele woud zouden uitzwerven om de vluchtelingen te vinden. Door een woud waar de temperatuur koeler was dan in hun eigen land. En waar er niet altijd paden waren. Ze konden zich nog beter overgeven… Een half uurtje later ontwaakte een van de zeemannen. Hij vertelde Catherina dat ze moest gaan slapen en toen ze dat probeerde, lukte het ook wonderwel. Toen ze wakker werd, was iedereen al vlijtig in de weer om hun tocht voor te bereiden. Iemand had wat eetbare planten gevonden die ze herkende uit dokter Deraches medische boeken en ze at ze gretig op. Het gezelschap zette zich terug in beweging en hun tocht begon. De eerste uren waren nog doenbaar, maar binnen de kortste keren werd het een echte hel. Het probleem was niet zozeer het tempo, zelfs al lag dat hoog, maar het feit dat hun weg niet altijd over vlakke weggetjes ging. Het was een stijgen en dalen, over boomstronken, rotsen en beekjes. Binnen de kortste keren was iedereen prikkelbaar geworden en vooral Rowland kon het niet laten om af en toe te vitten op Griffith. Rowland foeterde dat Griffith hen expres over de slechtste stukken liet gaan, al wist hij waarschijnlijk zelf wel beter. De zwarte man liet hem doen omdat hij zijn eigen problemen had. Bij de val in het zeewater was hij op zijn slechte been terecht gekomen en nu ze zoveel moesten lopen, begon de pijn er weer in op te spelen. Het viel desondanks niet op dat hij hinkte omdat de wegen voor iedereen moeilijk begaanbaar waren en Griffith het probeerde te verbergen. Aan het einde van de tweede dag deed alles zowat pijn dat pijn kon doen bij Catherina. Ze was geen zeeman en kon de mannen niet zo gemakkelijk volgen. Het werd duidelijk dat de zeelui hun tempo zouden moeten laten zakken, wilden ze de prinses meekrijgen. Aan het kampvuur overlegden de zeelui die avond wat ze zouden doen. Het was onmogelijk om heel Wails te doorkruisen op de manier waarop ze nu liepen. Nog afgezien van Catherina hadden ze geen eten om zo’n tocht tot een goed einde te brengen. Bovendien konden ze beter in een goede conditie zijn als ze op Welshe patrouilles stootten. Ze besloten dat ze naar een dorp moesten trekken. Ze zouden er ’s nachts wat eten stelen en zich dan opsplitsen in groepjes. Met z’n veertienen was het onmogelijk om ongemerkt door Wails te lopen, maar als ze in groepjes van drie of vier vertrokken, konden ze over de gewone wegen lopen en dan was hun overlevingskans wat groter. Griffith deed niet mee aan de discussie en liet het over aan de andere zeelui om een beslissing te maken. Hij was moe en geloofde niet dat ze De Nechoirs soldaten konden blijven ontlopen. Bovendien dacht hij niet dat hij het nog lang uit zou kunnen houden. De volgende dag werd duidelijk dat het niet goed ging met de donkere man. Hij zag er grauw uit, strompelde en hinkte nu duidelijk, maar niemand durfde iets te zeggen om geen commentaar van Rowland uit te lokken. Catherina plukte hier en daar wat kruiden langs de weg en liet ze aan Griffith geven toen ze weer halt hielden ‘s avonds. Het gezelschap begon neerslachtig te worden. Ze hadden Griffith nodig, niet alleen omdat hij altijd hun leider was geweest, maar ook omdat hij de enige was die de streek kende. Zonder hem zouden hun kansen met de helft halveren. Terwijl Griffith droomloos insliep aan het kampvuur, beklommen Thomas en Catherina een hoge heuvel niet zoveel verder. Ze wilden weten over wat voor paden hun weg morgen zou leiden en probeerden te bepalen hoeveel mijlen ze misschien al hadden gelopen. Echt ver waren ze wellicht nog niet gekomen omdat het moeilijker was door een bos te lopen dan op een echte weg. Maar ze konden hopen dat er hierna misschien een vlakker stuk kwam. Of dat er een dorp in de nabijheid lag. Terwijl ze bovenop de heuvel stonden wees Thomas, Catherina aan waar het Arendsnest lag. Ze konden jammer genoeg niks zien omdat hun zicht werd belemmerd en er was bovendien iets anders dat hun aandacht trok. Toen ze over het landschap heen keken, zagen ze in de verte wat rook boven de kruinen van de bomen uitkringelen. Het was waarschijnlijk afkomstig van een huisje, wat betekende dat er toch iemand in de buurt moest zijn. Toen Catherina en Thomas terugkwamen en de rest over de rook vertelden, overlegden de zeelui of ze moesten proberen om hulp te vragen aan de bewoners of dat ze er omheen moesten lopen. Ze wilden Griffith vragen of hij iets van de streekbewoners wist, maar Rowland gaf de uitgeputte man niet de tijd om te antwoorden. Hij snauwde dat Griffith het niet wist, dat ze in kringetjes aan het lopen waren en dat ze het niet aan hem moesten overlaten om uit het woud te geraken. Griffith zelf mengde zich niet in de discussie want hij was in slaap gevallen. Aangezien de rest van hen al even moe was, wilden ze de beslissing tot de volgende morgen uitstellen. Het was al bijna middag toen ze klaar waren om er opnieuw op uit te trekken. Rowland gaf Griffith een harde por en Griffith sleepte zich recht. Hij voelde zich ziek en probeerde zoveel mogelijk op Catherina’s kruiden te kauwen om de pijn te onderdrukken. Het stuk waar ze vandaag doorheen moesten, was ruw terrein en de paden waren haast onbestaande. Ondanks wat Rowland zei, was het een wonder dat de zwarte man blijkbaar zijn weg door die wildernis wist te vinden. Griffith stond er niet te lang bij stil en keek onbewust uit naar herkenningspunten. De weg die ze volgden werd steeds meer onbegaanbaar. Overal zaten struiken in de weg en Griffith had er moeite mee om voortdurend zijn voeten op te heffen of de takken met zijn armen af te breken. Het zweet begon hem van het gezicht af te lopen en het duurde steeds langer vooraleer hij de weg wat begaanbaar had gemaakt. Hij voelde de uitputting naar hem loeren en hij begon er bang voor te worden dat hij zou neervallen en niet meer zou rechtkomen. Op een gegeven ogenblik viel hij inderdaad toen hij over een wortel struikelde en languit ging. De handen van Thomas grepen hem vast en hielpen hem overeind. “Laat mij maar even vooraan lopen,” bromde de oude man. Griffith kon alleen maar knikken. Pas toen merkte hij dat hij op zijn benen stond te trillen. En dat hij het niet lang meer zou uithouden. Brel liep na Thomas een eindje op kop en na hem Rowland. Er was weer een pad en de weg was ook iets vlakker geworden. Toch begon Griffith steeds vaker te struikelen. Hij hield zich af en toe wel eens vast aan Thomas’ schouder, maar op dat ogenblik was hij aan het einde van zijn krachten. Ze hielden even halt voor hem, maar de rust van een half uur, maakte het alleen maar erger. Op een bepaald ogenblik zeeg hij ineen langs de kant van de weg en kwam niet meer recht. Rowland snauwde dat hij hen ophield en dat de rest van hen toch ook nog op zijn benen stond. Voor het eerst vloog Thomas tegen Rowland uit en vertelde hem dat hij maar beter zijn smoel kon houden als hij niet wou dat er op werd geslagen. Griffith kwam terug overeind en zei Thomas dat het in orde was. Dus liepen ze weer verder, zwijgzaam en nukkig. Het duurde een half uur. Toen stortte Griffith definitief in. Hij voelde nog dat iemand hem overeind probeerde te slepen, maar dan werd het hem zwart voor de ogen en hij kwam niet meer bij. Hoofdstuk 9 Hij kwam met een schok bij bewustzijn. Het eerste wat hij dacht toen hij merkte dat hij stil lag, was dat ze hem achter hadden gelaten en op goed geluk waren doorgegaan. Maar dan merkte hij dat hij in een bed lag, onder warme dekens. Hij probeerde recht te komen, maar moest zich kreunend laten terugzakken. Ongeveer elke vezel in zijn lichaam deed pijn en protesteerde bij de beweging. Hij sloot de ogen en rook een muffe geur. Nee, dacht hij, niet muf. Hij herkende de geur van graan, een opslagplaats. Hij kende deze plaats. Plots ging er een deur open. Griffith keek opzij en zag een ranke vrouw binnenkomen. De vrouw leek eindeloos oud en was van kop tot teen in het wit gekleed. Zijn ogen werden groot van verbazing en hij riep: “U?” Ze glimlachte en knielde neer naast zijn bed. “Je bent thuis gekomen, Griffith Woolf.” Ongelovig keek de zwarte man om zich heen. “De opslagplaats naast het huis… Ik dacht dat ik die geur kende…” Ze hielp hem rechtkomen. “Gek, ik heb er geen enkele keer aan gedacht dat u hier nog altijd woonde,” zei hij. “De streek werd alsmaar bekender, maar om een of andere reden dacht ik er gewoon niet aan om naar hier te komen.” “Maar uiteindelijk ben je toch hier aangekomen,” zei de statige, witte vrouw rustig. “Misschien dacht je er niet bewust aan, maar de aanwijzingen die je je gezelschap gaf, leidden hen direct hierheen.” Ze gaf hem een warme blik en hij zuchtte. “Het is lang geleden,” mompelde hij, “je moet gedacht hebben dat ik dood was.” Maar ze glimlachte slechts en hij begreep dat ze al die tijd had geweten dat hij ooit terug zou komen. “Rust wat, jongen, je was er slecht aan toe toen de oude man je hier op zijn rug binnenbracht.” “Thomas? Heeft Thomas me de hele tijd gedragen? Maar…” De vrouw gebaarde dat hij moest zwijgen en rusten en dat ze later wel zouden praten. Ze liep de deur uit en hij legde zich neer. Buiten het schuurtje zaten en stonden een aantal van de zeelui te eten. Nadat Griffith in zwijm was gevallen, waren de zeelui tot de conclusie gekomen dat ze zonder gids nooit Wails uit zouden geraken. Ze hadden beslist om het huisje te vinden dat Thomas en Catherina eerder hadden gezien en waren erheen gelopen. Ze wisten natuurlijk niet of de bewoners hen wel goed gezind zouden zijn. Ze konden alleen hopen op het beste. Als ze geluk hadden, konden ze er wat eten vinden en Griffith bij de bewoners achterlaten om te genezen. De vroegere bootsman kon immers onmogelijk verder met hen meegaan en iedereen achtte zijn kansen beter als hij ergens achter zou blijven. De soldaten van De Nechoir zouden hen wellicht wel komen zoeken, maar aangezien Griffith een Welsh was, zou hij gemakkelijk kunnen doorgaan voor een van de inwoners. Toen het groepje het huisje had bereikt, wisten ze niet wat ze juist hadden verwacht, maar de ontvangst steeg boven alle verwachtingen uit. De bewoonster van het huisje, een vreemde witte vrouw, stond hen op te wachten alsof ze hen verwacht had. Ze verwelkomde hen, zei dat ze eten voor hen had klaarstaan in haar keuken en dat ze Griffith naar de schuur naast het huis moesten brengen. De mannen wisten niet of ze bang of blij moesten zijn na die ontvangst. De vrouw had onmogelijk kunnen weten dat ze bij haar langs zouden komen en toch had ze voldoende eten voor hen allemaal neergezet. Toen ze hen bovendien ook nog eens vertelde dat ze de enige overlevenden van hun schip waren, was iedereen er van overtuigd dat ze een heks was. Maar of het nu door de vermoeidheid of de schok kwam, om een of andere reden accepteerden de zeelui de situatie en vertrouwden ze de vrouw. Thomas was door de zeelui aangeduid als leider en vroeg hoe lang ze konden blijven bij de vrouw. Thomas had graag een week gebleven, enerzijds om wat bij te komen, anderzijds om Griffith de kans te geven te herstellen, maar de vrouw wilde hen maar zes dagen geven. Tegen die tijd, zei ze met een mysterieuze glimlach, zou hun metgezel zijn been genezen zijn en konden ze De Nechoirs soldaten nog op tijd ontlopen. Thomas begreep niet hoe de witte vrouw daar zo zeker van kon zijn, maar iets in hem zei dat hij op haar oordeel moest vertrouwen. Terwijl Thomas met de witte vrouw aan het overleggen was, keek Catherina gefascineerd naar de wijze vrouw. Ze leek eeuwenoud en tegelijkertijd zo tijdloos. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit eerder iemand had gezien die zoveel rust en genegenheid uitstraalde. “U bent de kruidenvrouw bij wie Griffith is opgegroeid,” zei Catherina dan, “ze noemen u de Witte Heks.” Verrast keek Thomas, Catherina aan. “Ik denk dat ik nu ook weet wie u bent,” zei de oude zeebonk dan tegen de Witte Heks. De vrouw knikte vriendelijk. “Toen uw jonge vriend, toen nog een kind, zijn burcht verliet via de tunnels die ook zijn vijanden hadden gebruikt, kwam hij bij mij terecht. En hier is hij gebleven tot de vrouw met het zwarte haar hem ontmoette en terugbracht naar de burcht.” “U bedoelt de Arendsburcht? En die vrouw met het zwarte haar is Neyrelle?” “Ja, uw vriendin.” “Niet mijn vriendin,” gromde Thomas, “niet iemands vriendin geloof ik. Ziet u dit meisje hier, mevrouw? Neyrelle vermoordde haar vader terwijl ze zich voordeed als zijn vriendin.” De Witte Heks stopte niet met glimlachen en ze nam Catherina bij de kin vast. “Ik geloof niet dat Neyrelle verantwoordelijk is voor de dood van jouw vader,” zei ze, meer tegen Catherina dan tegen Thomas, “en jij weet dat, nietwaar? Griffith vertelde je dat.” En Catherina knikte. Toen zei de Witte Heks tegen Catherina: “Ik ga nu naar de schuur. Zal je meekomen om me te helpen het been te zetten? En met hem te praten?” Catherina keek haar even aan en stond dan op. De twee vrouwen gingen naar de schuur waar Griffith lag en Thomas keek hen verwezen na. Toen de Witte Heks tezamen met Catherina binnenkwam, zag Griffith er uit alsof hij zo uit zijn bed wou springen en het op een lopen zou zetten. Hij keek Catherina grauw aan, maar durfde niks te zeggen. De Witte Heks ging op de rand van zijn bed zitten en sloeg de dekens weg. Griffith was gedeeltelijk ontkleed, waarschijnlijk door de vrouw zelf, maar vreemd genoeg vroeg ze niet waar alle littekens over zijn lichaam vandaan kwamen. Blijkbaar wist ze dat al. De Witte Heks nam een paar momenten om zijn been te bekijken en zag dan waar spier en bot het oneens waren met elkaar. “Je mag geen bewegingen maken die je niet gewoon bent,” zei ze eenvoudig en ze gebaarde Catherina dat ze haar even moest helpen. Catherina aarzelde een moment, maar greep dan toch Griffith vast. De Witte Heks knikte en gaf vervolgens zo’n ruk aan Griffiths been dat het hem deed schreeuwen. “Ik hoop dat dat pijn deed,” zei de Witte Heks en ze keek goedkeurend naar het heupgewricht. Dan stond ze op en liet Griffith tranend achter in Catherina’s armen. Het duurde een tijdje vooraleer de pijn helemaal weggeëbd was, maar tenslotte kwam Griffith toch terug tot zijn positieven. Ongemakkelijk bleef hij in haar armen liggen. Ze streek zwijgend zijn haar en wachtte af. Even wist hij niet wat zeggen. Er was zoveel tussen hen veranderd na Verona dat hij niet meer goed wist hoe zich te houden in haar buurt. Ze had hem altijd op een of andere manier kunnen kalmeren als hij bij haar was, maar ergens was hij toch altijd ongerust gebleven. En na het voorval op het schip wist hij helemaal niet meer hoe hij zich moest gedragen. “Het spijt me,” zei hij, “van wat er op het schip is gebeurd... Niet alleen dat ik je geslagen heb, maar ook van al het andere.” “Dat is nu gebeurd,” mompelde ze, “en je kan het niet meer veranderen.” “Nee,” zei hij ongemakkelijk, “maar ik kan er wel mijn conclusies uit trekken.” Ze was te bang om te vragen welke conclusies. Hij zag haar denken en zei zacht: “Ik kan niet veranderen wat ik ben. Op een dag zal ik je misschien zoveel pijn doen dat ik de schade niet meer ongedaan kan maken. Dat zit in mij.” “Je bent veel te bang van jezelf,” zei ze. “Terecht,” antwoordde hij. Ze keek hem bedroefd aan. Ze haatte het, die muur die altijd terug tussen hen in stond op het moment dat ze dacht dat die helemaal verdwenen was. Ze vroeg zich af of het altijd zo zou blijven; dat elke keer ze die muur neerhaalde hij ze terug zou optrekken. Ze herinnerde zich die ochtend in Verona. Ze was wakker geworden in de herberg en had gemerkt dat hij was verdwenen. Onmiddellijk had ze begrepen dat hij naar het schip was getrokken om te verdoezelen dat hij de nacht bij haar had doorgebracht. Op die manier gaf hij haar de gelegenheid om te ontkennen wat er was gebeurd. Ze besloot dat als hij weigerde om bij haar achter te blijven in Verona, zij met hem mee zou gaan naar Wails. Ze was terug naar het schip gegaan en had de kapitein ingelicht dat ze verder zou meevaren met de Megafor. Toen Griffith merkte dat ze geen aanstalten maakte om van boord te gaan, had hij geprobeerd haar alleen te spreken. Ze had het geweigerd tot het schip terug was vertrokken. “Waarom ben je teruggekomen?” zei hij verwijtend toen hij haar eindelijk terzijde kon nemen. Ze had geantwoord: “Ik ben gekomen omdat jij niet wilde blijven.” Hij had haar ontzet aangekeken, omdat hij niet begreep waarom ze de vluchtweg niet had genomen die hij had aangeboden. Ze had hem gekust en gezegd dat haar keuze was gemaakt. Terwijl hij nu in haar armen lag, streelde ze bedroefd zijn haar. Ondanks alles was hij blijkbaar nog altijd niet overtuigd van haar keuze. “Wat stel je dan voor?” vroeg ze. Hij wachtte een tijd vooraleer te antwoorden in de hoop dat ze zelf het antwoord zou geven. Dan zei hij: “Misschien zou je terug moeten keren naar Jean-Filip.” Ze sloot gepijnigd de ogen. “Ik hoor niet bij Jean-Filip. Ik heb voor jou gekozen en daar kan ik niet van terugkomen.” “Niemand weet iets van wat er tussen ons is gebeurd. Hij zou het nooit vermoeden.” Ze schudde heftig het hoofd. “Ik wil het niet,” en daarmee had ze alles gezegd dat ze wilde zeggen. Hij aarzelde. “Wat kunnen we anders? Ik wil je niet kwetsen...” “Dat heb je al,” zei ze zacht, “door me te willen verlaten...” Hij aarzelde weer. “Ben je dan helemaal niet bang?” “Nooit van jou...” Hij verwonderde zich en vroeg zich af of ze misschien dan toch een toekomst hadden. “Wil je nog altijd dat boerderijtje?” vroeg hij en ze glimlachte. Hij krabde achter zijn oor. “Jij zou nooit een goede boerin zijn,” zei hij en ze antwoordde: “Jij weet nog geeneens hoe een koe te melken.” “Nee,” zei hij, “daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben.” Ze zwegen weer. “Ik denk dat je gelijk hebt,” zei hij dan voorzichtig, “maar ik weet het niet zeker...” Ze keek hoopvol op. “Niet twijfelen,” zei ze en hij knikte. “Als je werkelijk kiest voor mij - als - dan moeten we dat huisje van jou de kans geven.” Ze glimlachte en zei: “Ik moet niet kiezen...” Op de zesde dag ging de Witte Heks naar Thomas en vertelde hem dat hij nu moest gaan. Ze waren volledig hersteld en Griffith kon hen nu naar de grens brengen. Thomas vroeg of ze zich niet beter nog wat langer gedeisd hielden in de bossen, maar de Witte Heks stond er op dat ze nog dezelfde dag zouden vertrekken. Er zat dan ook niet anders op dan alles bijeen te pakken en op pad te gaan. Toen Thomas, Griffith ging zoeken trof hij hem bij Catherina aan. Het meisje verdween onmiddellijk toen ze de oude man zag en Thomas ging fronsend naast Griffith staan. Hij had al eerder gemerkt dat er iets was veranderd tussen Griffith en de prinses en hij vroeg zich af of het te maken had met wat er op het schip was gebeurd. “De Witte Heks zei dat we moesten vertrekken,” zei hij tegen Griffith en de zwarte man knikte. “Ik weet het, ze heeft het me ook gezegd.” “Ik dacht dat dit een relatief veilig oord was. Waarom moeten we nu ineens weg?” “Ik weet het niet,” antwoordde Griffith, “maar als zij zegt: ga, dan kan je je maar beter uit de voeten maken want dan is er iets op til.” “Hoe weet ze zo’n dingen?” vroeg Thomas. Griffith haalde slechts de schouders op. “Ze weet het gewoon. Daarom wordt ze ook een heks genoemd.” Thomas deed niet alsof hij het begreep, maar ging er ook niet verder op in. Ze stonden over de heide uit te kijken en genoten even van de rust. “Ik wil iets weten, Griffith,” zei Thomas dan. “Ja?” zei Griffith afwezig. “Er is iets tussen jou en Catherina gebeurd, nietwaar, aan boord van de Megafor? En daarmee bedoel ik niet dat incident met Rowland.” Griffith leek niet van stuk te zijn gebracht. “Waarom denk je dat er iets gebeurd zou zijn?” vroeg hij, schijnbaar ongeïnteresseerd. “Omdat ik niet zo stom ben als jij wel lijkt te denken,” gromde Thomas. “Al vanaf Verona gedragen jij en Catherina zich vreemd en ik wil weten waarom.” “Nu denk ik toch dat je spoken ziet,” grijnsde Griffith, “ik weet dat ik een beetje gespannen was, maar dat lijkt me weinig met Catherina te maken te hebben.” “Griffith, ik heb ogen in mijn kop. Ik weet dat er iets aan de hand was tussen jullie.” “En wat moet dat dan zijn?” “Ik weet het niet. Daarom vraag ik het juist. Maar ik durf er mijn hoofd op te verwedden dat jij behoorlijk buiten je potje hebt gepist.” Griffith ging op zijn tenen staan. “Hola, dat zou ik niet tegen de rest van de mannen zeggen als ik jou was.” “Daar heb ik ook geen reden toe als het niet waar is.” “Wel... laten we het er dan maar op houden dat het niet waar is.” Thomas keek Griffith aandachtig aan. “Dat hoop ik. Want ik weet wat Catherina voor je is. Ik was daar ook, weet je, die dag aan het Welshe strand samen met Montfort en Neyrelle. Jij hebt misschien niet zo op mij gelet, maar ik wel op jou. Je was misschien maar een jongen, maar die blik op je gezicht heb ik altijd onthouden.” “En wat voor blik was dat?” vroeg Griffith. “Ik weet het niet, maar ik weet dat je daarna altijd op die manier naar Catherina bent blijven kijken.” Griffith haalde de schouders op. “Misschien betekende het niks.” “Het betekende alles, Griffith,” zei Thomas, “nu, zeg me eerlijk of je met Catherina hebt geslapen.” Griffith zweeg even. “Zoals je zelf zegt, Thomas: je bent lang niet zo stom als de meesten denken.” “Ik wist het,” siste Thomas. “Dat was anders wel het stomste dat jij kon doen, Griffith. Weet je wel wat dat betekent voor haar huwelijk met Jean-Filip? Ja, ik veronderstel van wel, anders had je het niet zo goed geheim gehouden. Ik hoop alleen dat je haar niet zwanger hebt gemaakt, want anders zitten we pas echt in de stront.” “Je weet best dat ik dat niet kan.” “Als je met iemand het bed induikt kan alles, jongen,” zei Thomas snibbig. “Waar zat je in hemelsnaam met je gedachten? Ik mag er op rekenen dat je tenminste aan de toekomst hebt gedacht?” “Dat heb ik.” “Dat hoop ik dan maar, want als je Catherina bij de eerste de beste gelegenheid dumpt dan krijg je mij tegenover je te staan.” Griffith zweeg even. “Ik laat haar niet stikken.” “Dat zullen we nog wel zien. Je bent een echte halfwas als het op zo’n dingen aankomt, weet je,” gromde de oude man. Ze bleven een ogenblik naast elkaar staan zonder iets te zeggen. “Dus,” zei Thomas, “wat staat er nu te gebeuren? Ik veronderstel dat Catherina niet mee met ons naar Lenion gaat?” “Nee, we blijven hier of in een buurland. Eerst zullen we er voor zorgen dat jullie veilig het land uit geraken en dan ga ik mijn bankwissels ophalen. Catherina en ik gaan ergens een huisje kopen om te leven.” Thomas knikte. “Ik veronderstel dat je daarvoor beroep doet op Jago's spaarpotje? Ik hoop voor jou dat de Bethune er nooit achter komt dat je met zijn schoondochter aan de haal bent gegaan met geld dat je van hem hebt verduisterd.” “Dat zal hij niet en Jean-Filip hopelijk ook niet.” “Dus ik kan er van uitgaan dat jij je niet meer met de Lenioonse politiek gaat bemoeien?” “Nee, en ook niet met de Welshe. Velen in Wails zullen geloven dat de terugkomst van een Woolf de redding kan betekenen, maar persoonlijk vind ik dat kroonprins Edward van Wails zelf zijn boontjes maar moet doppen.” “En wat vindt die dame in het wit van die nobele zelfopoffering van je? Heeft zij je geen dak boven je hoofd gegeven in de hoop dat je op een dag je land zou redden?” “Ariel heeft mij nooit gezegd wat mijn lotsbestemming is, maar als ze dat echt wilde, zou ze het wel zeggen,” zei Griffith. Thomas knikte. “Het is vreemd weet je. Al die tijd heb ik je er op gedrukt dat je je afstamming moest vergeten en nu je afstand doet van je naam, ben ik er niet gerust in. Jouw landgenoten hebben een voorspelling weet je: dat als de laatste Woolf zou verdwijnen, Wails zou vallen. Misschien ben ik bang dat dat nu ook echt gaat gebeuren.” “Ik wist niet dat je zo bijgelovig was,” zei Griffith plagerig, “maar wat die voorspelling aangaat: dit land is al langer in vrije val en ik betwijfel of ik er veel aan kan veranderen.” “Ik weet het,” knikte Thomas, “het was maar een idee.” Griffith sloeg Thomas op de schouders. “Wees niet somber. Misschien staat de Bethune op dit ogenblik al paraat om Wails met zijn hele vloot aan te vallen en is het binnenkort afgelopen met De Nechoir. Het is niet dat we voor niks hebben gevochten.” Ze waren begonnen met terug te lopen naar het huis. “Ik hoop het maar, Griffith,” zei de oude man berustend. De twee mannen kwamen terug bij de rest van het gezelschap en iedereen maakte zich klaar om te vertrekken. Ze stippelden nog een koers uit en dan werd het tijd om afscheid te nemen van de Witte Heks. Catherina en Ariel omhelsden elkaar innig en de Witte Heks zei dat ze elkaar terug zouden zien. Catherina twijfelde er geen moment aan dat dat waar was. Toen vertrokken ze en al snel verdween het huisje in de bossen. Griffith liep zoals voordien vooraan, dit keer in een betere conditie en zonder al te veel last aan zijn been. Ze hadden afgesproken om eerst gezamenlijk tot aan het eerste dorp te wandelen en daar een paard te kopen. Daarna zouden ze de groep splitsen en over de wegen verder trekken. Griffith was een goede gids voor het gezelschap. Nu zijn hoofd helder stond, herinnerde hij zich de beste padjes en verliep de tocht ook vlotter. Ze namen niet altijd de rechtste stukken, maar wel de minst vermoeiende. Hun tempo bleef de hele dag hoog en zelfs toen ze een pauze namen, was niemand echt vermoeid. De bossen waar ze doorheen liepen waren mooi en ademden een diepe rust uit. Het enige dat de stilte doorbrak was het gebruikelijke gekwetter van vogels en het breken van een tak. Uit niks zou je afleiden dat hier anders ooit mensen kwamen. De zeelui keken hun ogen uit terwijl ze door de bossen liepen. Het was de eerste keer dat ze hier kwamen en wellicht ook de laatste keer. De reden waarom de zeelui van de Megafor nooit eerder hier waren geweest, doemde kort voor de middag hoog boven de boomtoppen op. Catherina wist niet wat ze had verwacht bij de naam ‘Arendsnest’, maar toen de burcht op de rotsen in haar gezichtsveld verscheen, wist ze onmiddellijk waar de naam vandaan kwam. De burcht stond hoog op een rotsmassief, afgesloten en onneembaar. Haar schaduw domineerde de hele omgeving terwijl haar torens de hemel trotseerden. Catherina had nooit eerder zo’n onaantastbare vesting gezien. Griffith leek de burcht nauwelijks op te merken. Als hij er al naar keek, dan was het maar heel toevallig. Dat deed de rest van de manschappen niet. Niemand van hen had de vesting van De Nechoir ooit van nabij gezien en iedereen gaapte naar de indrukwekkende burcht. Dit was het machtscentrum van het land en te lopen onder het alziende oog ervan, gaf iedereen de rillingen. Ze moesten niet lang in de schaduw van de burcht lopen. Algauw verdween de kolos weer in het gebladerte en haalde iedereen weer opgelucht adem. Het was nu een stuk in de namiddag en het leek alsof ze het huisje van de Witte Heks voor altijd achter zich hadden gelaten. De afstand bedroog natuurlijk, maar toen Griffith vroeg om even te stoppen bij een beekje, leek het alsof ze al tientallen mijlen hadden afgelegd. Griffith vroeg de mannen even op hem te wachten en verdween dan in de bosjes. Nieuwsgierig naar wat Griffith was gaan doen, liep Thomas hem achterna. De oude man vond Griffith een beetje verder terug bij de stam van een oude omgevallen boom. Griffith zat geknield voor een kleine helling en toen Thomas de zwarte man wat klimplanten zag wegtrekken, begreep de oude man ineens wat hij hier kwam doen. “Griffith...” Griffith keek om en wenkte hem. “Hier.” Hij groef wat aarde weg en toonde Thomas een afgesloten luik. “Is dit wat ik denk dat het is?” vroeg Thomas terwijl hij naast hem hurkte. Griffith knikte. “Hierachter liggen de geheime gangen van de Arendsburcht. Ik veronderstel dat De Nechoir ze nu wel heeft dichtgemetseld, maar het is goed om weten dat hij ze niet laat bewaken, anders was die wildgroei er niet geweest.” “Dus?” “Dus niks, maar als de Welshe kroonprins ooit eens in actie wil schieten, zou hij er nog wel eens gebruik van kunnen maken.” “Ik dacht dat kroonprins Edward van Wails zijn eigen boontjes moest doppen?” zei Thomas. Griffith glimlachte breed. “O, maar ik ga me er ook niet mee bemoeien. Jij gaat het hem vertellen.” “Wat?” “Ik laat me er niet meer mee in, maar dat betekent niet dat ik ook stom ben. Enkel De Nechoir en ik kennen deze gangen en het zou dom zijn als ik het dan niet doorvertelde.” Thomas rammelde aan het luik. “Ben je zeker dat De Nechoir de gangen niet heeft laten dempen?” “Een stuk wel waarschijnlijk, maar het labyrint is zo groot dat er geen beginnen aan is.” Thomas knikte. “Ik zal de Welshe prins proberen te pakken te krijgen als we de grens bereiken.” “Bedankt,” zei Griffith en ze stonden terug op. “Je bent indertijd langs hier ontsnapt, is het niet?” vroeg Thomas terwijl ze terugliepen. “Ja, en een beetje verderop vond de Witte Heks me. Ze is altijd goed voor me geweest.” Ze kwamen terug bij de andere zeelui en de groep vertrok weer terug op pad. Intussen stond de Witte Heks voor haar huisje te kijken naar een groep soldaten die haar richting uitkwamen. Ze hield niet van het beeld van de aanstormende soldaten, maar er was weinig dat ze er aan kon verhelpen. De Nechoir hield zijn soldaten meestal uit de buurt van haar huisje, maar in uitzonderlijke omstandigheden kon het toch gebeuren. De Witte Heks kon zien dat de troep te zwaar bewapend was om een patrouille te zijn. Vlak voor de zeelui waren toegekomen, was er ook al zo’n groep langs geweest. Het was van hen dat ze had gehoord van het Lenioonse schip en de veertien voortvluchtigen. Toen had ze naar waarheid kunnen zeggen dat ze geen enkele Lenioon had gezien. Nu zou ze bewust moeten liegen. De groep soldaten bleef voor het huisje van de Witte Heks staan. De soldaten werden aangevoerd door een sergeant die de Witte Heks kende. Ze wist dat de man een gewiekst soldaat was, maar dat hij een slechte reputatie had. Hij was een onmens en had geen respect voor het leven. Hij was bovendien ook iemand die wist wanneer men met hem probeerde te sollen en daar grondig wraak voor nam. De Witte Heks was dus allesbehalve in haar schik toen de man op haar afkwam en haar begon uit te horen. Ze waren op zoek naar voortvluchtigen uit Lenion, zei de sergeant, en er waren aanwijzingen dat die langs hier waren gekomen. Hij zei dat die mannen vijanden van Wails waren en dat de Witte Heks er dus alle belang bij had hem te vertellen of ze een groep voorbij had zien trekken. De Witte Heks antwoordde dat ze niemand had gezien en liep terug haar huisje in. De sergeant had het gevoel dat de vrouw iets verzweeg, dus liet hij zijn mannen afstappen. De Witte Heks moest lijdzaam toekijken hoe de soldaten haar huis binnengingen en het overhoop haalden. Ze had er echter voor gezorgd dat er geen sporen van de zeelui achter waren gebleven, dus wist ze dat ze niks zouden vinden. Dan ging de Witte Heks naar buiten en zag de soldaat die bij de paarden stond. De magere jongen moest letten op de rijdieren, maar leek even geen aandacht te hebben voor zijn taak. Hij was naar de grond aan het kijken en keek dan op naar de Witte Heks. De vrouw sloeg bleek uit toen ze zag dat de jongen de resten van een kampvuur had ontdekt in het zand. Een ogenblik was de wanhoop van haar gezicht af te lezen. Dan begon de soldaat ineens met zijn voet over de restanten te schuifelen en veegde hij de laatste overblijfselen van het kampvuur uit. De Witte Heks keek hem opgelucht aan, maar hij haalde slechts zijn schouders op. De sergeant kwam op dat ogenblik terug en gaf zijn manschappen te kennen dat ze zich terug moesten verzamelen. De sergeant duwde de jonge soldaat ruw opzij en klom op zijn paard. De magere jongen gaf geen kik en liet zich ook door de andere soldaten wegduwen. De Witte Heks nam de jongen nauwlettend op. Hij leek niet precies op de doorsnee soldaat die bij De Nechoir in dienst was en de Witte Heks begreep dat hij geronseld was zoals wel meer gebeurde. Zijn dienst leek hem geen goed te hebben gedaan want de jongen was zo mager en schichtig als een valse kat. De Witte Heks voelde hoezeer de jongen zijn leven als soldaat haatte en hoe afschuwelijk hij het geweld vond dat hem omringde. “James,” murmelde ze dan, alsof ze zijn naam ineens herinnerde. De overige soldaten stegen op en even later vertrokken ze. De sergeant was iets of wat gepikeerd dat ze geen sporen van de zeelui hadden kunnen vinden. Elke cel in zijn hersenen vertelde hem nochtans dat de zeelui hier waren geweest. Hij was misschien een dog, maar wat dat betrof liet zijn instinct hem zelden in de steek. De sergeant besloot dat ze het bos verder zouden uitkammen. De Witte Heks keek de soldaten ongerust na. Ze wou dat ze kon voorkomen wat er nog zou gebeuren, maar ze had net zo min vat op de toekomst als andere mensen. Ze kon niet anders dan de gebeurtenissen hun beloop te laten en haar eigen rol uitspelen. Ze liep haar huisje in en kwam even later terug met een mantel en tas. Ze trok haar mantel aan en liep dan in de richting die de zeelui waren gegaan. Het zag er naar uit dat het over twee uurtjes donker zou worden. Catherina begon last te krijgen van haar rokken, maar omdat ze straks toch zouden stoppen, zei ze er maar niks over. Griffith keek af en toe naar haar om, maar ze gebaarde dat het in orde was en dan liep hij weer verder. De zeelui volgden de bootsman zwijgend. Ze vroegen zich af of De Nechoir nog steeds naar hen op zoek was en hoe lang ze nog veilig zouden zijn. Ze wisten dat De Nechoirs mannen wellicht alleen de wegen afgingen, maar ze konden niet heel Wails door bosgebied blijven lopen. Terwijl ze zo aan het lopen waren, vertelde Griffith hen dat ze straks een weg moesten oversteken. Het was onvermijdelijk, maar daarom nog geen ramp. De weg werd niet dikwijls gebruikt en met wat geluk zou niemand hen uit het bos zien komen. Ze moesten nog een kwartiertje lopen voor ze aan de bosrand kwamen en dan zouden ze vlug oversteken. De mannen waren zich al aan het voorbereiden op een snelle oversteek toen Griffith ineens zijn hand ophief. Hij stopte abrupt en Thomas liep tegen hem op. Thomas wou hem vragen wat er mis was, maar Griffith gebaarde iedereen te zwijgen. De zwarte man sloot de ogen en spitste de oren terwijl de anderen hun adem inhielden. De wolf snoof even in de ronde, niet zeker wat hij zocht. Het volgende ogenblik had hij zijn rugzak van de schouders laten zakken en was hij verdwenen. Thomas gebaarde Catherina dat Griffith onraad had bespeurd en dat hij vooruit was gaan kijken. Hij liet haar weten dat het waarschijnlijk niks was. Dat Griffith alleen maar voor de veiligheid vooruit was gaan kijken en dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Catherina knikte, hoewel ze niet overtuigd was en wachtte net als de andere mannen tot Griffith terugkwam. Het wachten leek een eeuwigheid te duren. Een hele tijd leek er niks te gebeuren, dan hoorde ze geritsel van bladeren en plots verscheen Griffith terug. Hij liet zich van de heuvel afglijden en zei hijgend: “Soldaten,” en met een groot gebaar: “Een hoop!” De mannen keken hem geschrokken aan. Dat konden ze op het ogenblik wel missen als de pest. “Zijn ze naar ons aan het zoeken?” “Reken maar,” zei Griffith, “een standaard zoekpatroon.” “Mh, dat kennen we,” zei Rowland met iets van vertrouwen. De zeelui waren gewend om in dit soort situaties te verzeilen. “Ja, maar we zijn met teveel om daar doorheen te geraken.” “Wat moeten we doen?” Griffith aarzelde. “Ik weet het niet. Iemand kan proberen hen af te leiden zodat de anderen kunnen wegglippen, maar ik weet niet of ze stom genoeg zijn om daarin te trappen.” De mannen gromden iets. “We zullen ons moeten haasten om iets te bedenken. Zijn ze vlakbij?” “Dichter dan me lief is.” Thomas keek de kring rond. “Heeft er iemand een idee?” “Ik denk dat we beter onze kansen wagen met het afleidingsmanoeuvre,” zei Rowland aarzelend, “tenzij we er gewoon op los willen stormen.” Pien stak de handen omhoog. “Ik speel niet het lokaas.” “Ik ook niet, maar…” Plots maakte Griffith een heftige beweging dat ze moesten zwijgen. Hij luisterde aandachtig en vloekte dan binnensmonds. “Splitten,” snauwde hij, “geen discussie.” De zeelui splitsten zich onmiddellijk in vier groepen en maakten dat ze in verschillende richtingen verdwenen. Griffith nam Catherina en Thomas vast en sleurde hen achter zich aan. Ze spurtten vlug het bos in en bleven pas een heel eind verder staan om te overleggen. “Hoeveel zijn het er, Griffith?” fluisterde Thomas terwijl Griffith weer zijn oren spitste. “Te veel,” mompelde Griffith, “en we hebben geen wapens.” Hij liet zijn rugzak weer van zijn rug afglijden en gebaarde dat Thomas hetzelfde moest doen. Hij keek even naar Catherina en was verrast te zien dat ze een klein handpistooltje vasthad en dat ze het aan het laden was. Hij knikte haar toe en wachtte tot ze klaar was. Dan vertrokken ze weer, maar hij fluisterde haar toch nog even in het oor: “Niet gebruiken tenzij het echt nodig is.” Ze zou misschien geen kans meer krijgen om te herladen. Er klonk een schot, dieper in het bos. Griffith vloekte en ze zetten het op een lopen. De soldaten hadden hen gevonden. Griffith wist dat de rand van het bos hier ergens in de buurt was en dat als ze die eenmaal bereikt hadden, ze uit de buurt van de soldaten waren. Er klonk een nieuw schot en Catherina schrok. Zou dat iemand geraakt hebben? Ze hoopte van niet. Maar plots realiseerde ze zich dat niet iedereen uit het bos zou kunnen geraken, dat er allicht iemand in het net van de soldaten terecht zou komen. Ze huiverde. Plots hoorden ze een schot vlakbij. Griffith besefte dat dat de groep van Brel moest zijn en hij veranderde onmiddellijk van richting. Catherina probeerde te volgen, maar struikelde over haar rokken. Griffith greep haar onmiddellijk vast en Thomas tilde haar langs de ander kant op. Ze liepen snel voort met Catherina tussen hen in en probeerden een uitweg te vinden. Een paar van de zeelui doken uit het struikgewas. Ze gebaarden dat er een aantal soldaten achter hen aan zaten en dat de jacht dus geopend was. Griffith knikte dat hij het begreep en keerde terug. Nu de soldaten zich niet meer op bepaalde afstanden bevonden, was het mogelijk om een gat te vinden en het bos te verlaten. Ze hoopten alleen maar dat dat gat voor hen lag, want het was niet te bepalen waar de soldaten nu zaten. Plots hoorden ze schoten achter zich. Catherina onderdrukte een kreet. Griffith sleurde haar in een reflex in het struikgewas. Net op tijd blijkbaar want op dat moment passeerden enkele soldaten. Toen ze voorbij waren, keek Catherina geschrokken rond. Thomas, dacht ze, maar de oude man verscheen langs de andere kant van het pad en had dus blijkbaar hun voorbeeld gevolgd. Er klonken nieuwe schoten, zowel achter als voor hen en even hielden ze elkaar verstard vast. Catherina merkte dat Thomas bang begon te worden en dat was het moment waarop ze besefte dat ze volledig omsingeld waren. De zeelui wisten normaal gezien hoe ze op zo’n situatie moesten reageren, maar ‘normaal gezien’ hadden ze ook wapens bij om zich te verdedigen en waren de soldaten niet zo talrijk. Zenuwachtig hield Thomas, Catherina tegen zich aan en keek naar Griffith. Ze aarzelden. Als ze nog langer wachtten was de kans groot dat de soldaten hen zouden vinden dus moesten ze snel iets doen. Toen nam Griffith een besluit. “We zijn omsingeld,” fluisterde hij tegen Thomas, “ik ga proberen hen af te leiden. Probeer van de gelegenheid gebruik te maken om de weg te bereiken.” “Nee, ze hebben je zo te pakken,” siste Thomas. “Ze zullen ons hoe dan ook te pakken krijgen als we niet iets doen en ik heb de meeste kans om het te overleven,” beet Griffith terug. Thomas aarzelde. Griffith had gelijk, maar als hij hun twee probeerde te redden, zou hij vast een gewisse dood tegemoet gaan. “Ik ben van de Wolven. Ik kan niet sterven,” zei Griffith. Dat kon hij wel, maar er was geen keuze. Thomas beet op zijn tanden. Dan klonk er een schot vlakbij. Ze schrokken. Ze konden niet meer terug nu. Griffith greep Catherina vast en keek haar doordringend aan. “Probeer te ontsnappen.” Catherina keek hem verbijsterd aan. Ze begreep onmiddellijk wat hij wou doen. Ze wou hem vastgrijpen en schreeuwen dat hij haar niet in de steek mocht laten, maar hij gaf haar de kans niet. “Ik kom terug,” fluisterde hij en hij kuste haar vluchtig. Zijn brede rug was het laatste dat ze zag voordat Thomas haar vastgreep en haar de mond toesnoerde. Thomas voelde zijn hart breken terwijl hij haar geschreeuw dempte. Hij hield haar stevig vast en zei sussend: “Je zal hem terugzien. Griffith komt terug. Griffith komt altijd terug.” Het klonk als een leugen. Het was een leugen. Catherina staarde. In de tussentijd was de jonge soldaat James in het rond aan het lopen. Hij was de rest van zijn groep kwijtgeraakt en hoorde van alle kanten schoten komen. Hij liep met zijn pistool in de hand voort en hoopte dat hij nu niemand tegen zou komen. Hij wilde zijn wapens niet gebruiken als het niet nodig was, maar als het moest zou hij zich verdedigen. Het ongeluk wilde dat hij net op dat moment op twee van de Lenionen donderde. Een moment lang keek hij verrast naar een oude man en een jonge vrouw. De oude man zag hem toen en bleef geschrokken staan. James aarzelde en richtte zijn pistool op hen, maar kon er zich niet toe brengen ook te vuren. Verstijfd keken de oude man en de vrouw hem aan en dan vroeg hij aarzelend: “Zijn jullie Lenionen?” Ze keken hem met grote ogen aan en hij slikte. Ze waren ongewapend dus dat maakte een mogelijk gevecht er niet veel eerlijker op. Hij wierp een blik op de blonde vrouw en vroeg zich af of hij ooit iets mooiers had gezien. Hij las de tranen op haar gezicht en wist dat hij haar niet zou kunnen doden zelfs al had hij het gewild. James liet zijn wapen zakken. “Ga,” zei hij ruw en de Lenionen keken hem geschokt aan. Het volgende ogenblik kwam de oudere man in beweging en sleurde de blonde vrouw achter zich aan. Met een opgelucht hart zag James hen in de bosjes verdwijnen. Inmiddels had Griffith de andere soldaten van Thomas en Catherina afgeleid. Hijgend stormde hij vooruit. Hij hoorde hoe de list lukte en dat de twee groepen soldaten achter hem aan kwamen. Toen hij voldoende voorsprong had behaald, vertraagde hij een weinig zodat hij ze ook weer niet kwijt zou raken. Even stopte hij toen hij gewaar werd dat er een andere groep soldaten voor hem was en nam een scherpe bocht naar links. Dat was een groep die hij ook binnen de kortste keren achter zich aan zou krijgen. Goed, dacht hij, hoe meer soldaten achter hem aan kwamen, hoe minder er achter Catherina aanzaten. Hij leek weer aan het heuveltje te zijn gekomen waar ze waren vertrokken. Hij probeerde zich te herinneren wat er allemaal in de buurt lag. Je bent hier eerder geweest, zei hij tegen zichzelf, een mensenleven geleden toen hij uit de geheime gangen was gekomen en in het woud had gedwaald tot de Witte Heks hem vond. Hij probeerde zich te herinneren of hij nog iets van die dag wist en er waren één of twee dingen die vaag in zijn herinnering terugkwamen. Hij probeerde zich nog meer te herinneren, maar besefte dat hij al zijn aandacht nodig had om de soldaten voor te blijven. Als hij nu een vergissing maakte, zouden de soldaten hem vangen en zou hij Catherina nooit meer terugzien. Hij sprong over een rots. Hijgend kwam hij neer op zijn voeten. Zijn been begon weer pijn te doen, maar hij liet er zich niet door weerhouden. Hij sprong vanachter een struik en overviel een soldaat die hem niet aan had horen aankomen. Griffith gaf hem een mokerslag en de man zonk ter plekke neer op de grond. Naast hem lag het lijk van Rowland. Griffith griste vlug het pistool uit de handen van de soldaat en sprong al verder. Het had nauwelijks een seconde in beslag genomen. Hij remde wat af om het pistool na te kijken en morrelde even aan de haan. “Voorzichtig,” dacht hij. Hij bukte en liep laag langs een stel struiken heen. Als iemand hem nu zag was hij er aan. Hij stopte en hurkte even naast een steen terwijl hij intens om zich heen luisterde. Even kon hij de soldaten niet situeren en gromde hij: “Komaan, komaan.” Dan hoorde hij hen weer en kreeg hij weer vat op de situatie. Jachtig sprong hij overeind en liep de enige richting uit die hij nog uit kon. Hij voelde zich langzamerhand ingesloten worden en vond niet onmiddellijk een uitweg. “Verdomme.” Hij schoot terug in dekking en hurkte neer. Hij sloot drie tellen de ogen in afwachting. …twee… drie… Hij sloeg af naar links en hoopte dat hij daarmee geen vergissing had begaan. Hij wist dat het nu gevaarlijk werd. De vermoeidheid had het beste van hem verbruikt en zijn been begon redelijk pijn te doen. Hij was wellicht al ingesloten en als hij nu een fout maakte zou het fataal zijn. Hij moest nadenken, en snel. Hij zou door de omsingeling heen moeten breken, maar dan moest hij weten waar het zwakste punt was, dat wil zeggen: het slechtst bewaakte punt. Maar het probleem was dat hij niet kon opmaken wie zich waar bevond en hoe hij het het beste aanpakte. Gespannen wreef hij over de loop van zijn pistool. Hij liep gehaast verder. Zijn gang had iets van een wolf die voorzichtig met kop in kas voortdraafde. Griffith had een slecht voorgevoel en knarsetandde. Dan hoorde hij een geluid achter zich en hij spurtte weer weg. Wellicht een beetje overhaast want even wist hij niet waar hij nu heen aan het rennen was. Hij wist alleen dat hij nu niet mocht vertragen of ze zouden hem inhalen, dus rende hij nog wat harder. Hij bleef zijn achtervolgers horen en wist op dat ogenblik niet meer wat doen. Radeloos stormde hij vooruit en hoopte op het beste. Als hij geluk had, dan raakten ze hem misschien kwijt en kon hij vooralsnog ontsnappen. Hij rende zo hard dat de takken hem in het gezicht sloegen. Hij probeerde zich er tegen te beschermen, maar kon niet meer nadenken. Voor zich zag hij iets dat op een open plek leek. Hij sprong over een boomstronk en probeerde de plek te bereiken. Hij hoorde nu vlak achter zich het geschreeuw van de soldaten. De zon brak door de bladeren op het moment dat hij de open plek bereikte. Alleen was het geen open plek. In een reflex remde hij af. De reflex redde hem. Zijn voet kwam net niet in het ijle terecht. Hij vloog onderuit en kwam met een schreeuw van pijn op zijn been terecht. Het pistool schoot uit zijn handen de diepte in. Griffith volgde ontzet de vlucht van het pistool in het metersdiepe ravijn. Bijna was hij er ook in gevallen. Hij knipperde met de ogen en haalde toen langzaam zijn rechterbeen omhoog. Hij maakte even een grimas van pijn toen hij merkte dat hij zijn spieren had verrekt. Voorzichtig probeerde hij recht te komen. Hij kreunde. Op dat moment wist hij al dat hij reddeloos verloren was. Zonder zijn been kon hij onmogelijk verder rennen. Hij probeerde gepijnigd een stap te zetten en ging bijna door de knieën. Hij moest hier weg, dacht hij, en dan was het te laat. Een soldaat verscheen uit de bosjes, een tweede. Hij overwoog naar hen uit te vallen. Toen keek een hele troep hem aan en was hij door minstens vijftien man omsingeld. Te laat. Hij wist dat hij Catherina niet meer zou terugzien. De sergeant trad naar voor. Hij was een van de enigen die niet buiten adem was na die wilde achtervolging en nam de voortvluchtige aandachtig op. Hij had nooit geweten dat iemand die zo opgejaagd werd, hem zo goed kon blijven ontlopen. En als die voortvluchtige had geweten dat die kloof er was, dan zou hij nog tussen zijn vingers zijn geglipt ook. De sergeant nam de zwarte man op. Hij leek bijna op een wild beest, zo ruig en woest. De sergeant kon hem zelfs bijna horen grommen. Gefascineerd keek hij in die zwarte ogen en huiverde. Nog nooit had hij zo’n verschrikkelijke blik gezien en hij deed onbewust een stap achteruit. Bijna leek het alsof die ogen hem beten. De sergeant dacht even dat de zwarte man zou losbreken en trok het pistool uit de handen van de jongen naast hem. “Geef dat hier voor je jezelf verwondt,” sneerde hij tegen James. De magere jongen reageerde niet en keek vals naar de rug van de sergeant. De sergeant duwde de loop tegen Griffiths voorhoofd en wachtte op een reactie van de zwarte man. Griffith gunde hem dat plezier niet en keek hem enkel haatdragend aan. Hij wist dat hij als een rat in de val zat en hij zich beter op zijn gemak hield wilde hij hier levend wegraken. De sergeant glimlachte flauwtjes en haalde het pistool van Griffiths voorhoofd weg. “Te trots om te buigen, nietwaar,” zei hij schamper. “Ben jij een van de zeelui?” Griffith spuugde op de grond. De sergeant had er moeite mee om in die zwarte ogen te kunnen blijven kijken. “Mij best,” zei de sergeant koud, “maar mijn orders luiden dat ik één overlevende moet meenemen en als jij niet bij de zeelui hoort, schiet ik je hier ter plekke als een hond neer. Dus kies maar.” Griffith verkeerde even in tweestrijd. Normaal gezien zou hij hem zeggen dat hij naar de pomp mocht lopen, maar hij durfde Catherina niet alleen achter te laten. Hij had een belofte in te lossen… Op dat moment klonk er geritsel in de struiken. Een van de achtergebleven soldaten kwam verslag uitbrengen bij de sergeant over de andere zeelui. De sergeant zag de ogen van de gevangene flitsen en gebaarde zijn mannen goed op de zwarte man te letten. Je kon maar nooit weten wat die duivel zou doen om toch nog te ontsnappen. “Wat is er?” vroeg de sergeant aan de boodschapper. De soldaat probeerde eerst wat op adem te komen. Blijkbaar had ook hij er een achtervolging opzitten. “Ik... wilde zeggen dat we ze allemaal hebben, met deze erbij toch.” “Je bedoelt dat we alle Lenionen te pakken hebben gekregen?” Griffiths ogen werden groot. “Heb je de lijken geteld?” hoorde hij zeggen. De soldaat knikte. “Twaalf, en een meisje,” zei hij als bevestiging. “En die daar is dan de veertiende…” De grond schoof weg onder Griffiths voeten. Twaalf en een meisje. Catherina... “Er is er geen enkele kunnen ontsnappen, sergeant.” Dat betekende dat ze de zoom van het woud niet had kunnen bereiken. Dat de soldaten haar te pakken hadden gekregen. Dat ze elkaar nooit meer zouden zien… “...Allemaal dood?...” Griffith keek wezenloos voor zich uit. Catherina... “...” Catherina. “Nee...” “…” De sergeant keek om naar zijn gevangene en zag de man wankelen. Geïnteresseerd merkte hij de verandering op in de gevangene. De verslagenheid verbaasde hem. Een moment moest hij nadenken wat er met de zwarte man was gebeurd. Het meisje, realiseerde hij toen gevat. Hij glimlachte vals. “Was het zo belangrijk dat het meisje het zou halen?” zei hij spottend. “Was ze soms je liefje, kloris.” In geen honderd jaar had de sergeant de reactie kunnen zien aankomen. De zwarte man sprong ziedend op hem af en schreeuwde: “Ze was mijn ziel!” Bijna had de sergeant zich laten verrassen. Dan reageerden de soldaten en werd Griffith met de kolf van een pistool tegen de grond geslagen. Versuft bleef Griffith aan de rand van de kloof liggen. Wat een furie, dacht de sergeant verbluft. Wat kon zoveel waard zijn dat zo’n woede verdiende? Hij keek naar de man terwijl hij recht probeerde te krabbelen. De sergeant zag de zwarte ogen smeulen, zoals hij nog nooit eerder ogen had zien smeulen. Hij huiverde. De soldaten waren ook ontdaan door de blik in die ogen. De jonge soldaat James schuifelde zelfs zenuwachtig op zijn voeten. De sergeant raakte daardoor geïrriteerd en keek hem vernietigend aan. James bleef terplekke aan de grond genageld staan. De sergeant keek terug naar de zwarte man. “Dus ik mag hieruit concluderen dat dat juffertje behoorlijk wat waard was voor jou, niet?” zei hij. Griffiths spieren trilden opstandig en hij moest zich vermannen om hem niet opnieuw aan te vallen. “Ik zie het,” zei de sergeant kalm. Griffith slaagde er op een of andere manier in om zijn zelfbeheersing terug te vinden. “Wat is je naam jongen?” Griffith keek terug op, wou eerst niet antwoorden. Dan veranderde er iets in hem, verdween het weerbarstige in zijn houding. Plots leken die zwarte ogen leeg. “Griffith Woolf,” fluisterde hij. De sergeant knikte. “We zullen je nu naar het Arendsnest brengen. Mijn meester heeft wat vragen voor je.” “De kerkers,” mompelde Griffith. “James.” De sergeant gebaarde dat de schuwe soldaat, de zwarte man moest inrekenen en dan keerde hij zich om. De jongen durfde even niet van zijn plaats komen. Dan liep hij voorzichtig naar de zwarte man. Hij zag dat de man hem helemaal niet opmerkte. Griffith staarde voor zich uit en hief langzaam het hoofd. Hij keek over de toppen van de bomen. James keek ook omhoog en zag waar de blik van de zwarte man op rustte. Boven de toppen van de bomen staken de torens van de Arendsburcht uit en plots herinnerde James zich welke naam de zwarte man had gezegd. Aarzelend legde James zijn hand op Griffiths arm. De zwarte man keek naar hem en James zei schuw: “Het spijt me, ook van het meisje. Ze zag er heel aardig uit.” Griffith glimlachte. Er stond iets van tranen in zijn ogen. “Het geeft niet,” zei hij zacht en hij keek een laatste maal naar de burcht van zijn voorouders. Dan zag James hem een stap achteruit zetten. James gaf een schreeuw en probeerde de zwarte man nog tegen te houden. De jongen miste rakelings Griffiths mouw en verbijsterd zag hij de zwarte man in het ravijn vallen. Deel III Hoofdstuk 1 1. Het moment dat Griffith door de struiken verdween, wist Catherina dat het niet goed zou aflopen. Er was echter geen tijd meer om na te denken en Thomas sleurde haar al mee achter zich aan. Blijf leven, Griffith, dacht ze. Dat was alles dat ze van hem verlangde. Ze liepen door struiken en erger. De takken striemden hen, maar ze waren te gespannen om het te merken. Overal was er geschreeuw van soldaten en hier en daar klonken schoten. Ze hadden er al lang geen idee meer van in welke richting ze liepen. Ze doken links en rechts naar gelang ze dachten dat het daar veilig was. Catherina probeerde niet te denken aan het geschreeuw van de mannen die werden neergeschoten. Niet aan Griffith die elk moment kon ingehaald worden door hun achtervolgers. Niet aan de soldaten die van overal konden opdoemen. Gewoon lopen. En hopen op het beste. Het allerbeste, want er was weinig hoop dat ze hier levend uit zouden komen. Thomas bleef plots abrupt staan. Catherina stopte vlak achter hem. Wat was er? De oude man luisterde schichtig om zich heen. “Ik hoor lawaai daar,” fluisterde hij tegen Catherina. Ze knikte en ze liepen stil van het gevaar weg. Zijn hand kneep de hare haast fijn. Nog nooit had ze zo broos geleken. Hij wist niet waarom, maar hij moest even stoppen om haar te omhelzen. Als er maar niks met haar zou gebeuren... Net op dat moment zag ze het. “O Thomas,” fluisterde ze. De oude baas keek in de richting waar ze naar wees. De bebossing werd daar lichter. Ze keken elkaar opgelucht aan. De zoom van het woud. Ze waren er... En plots... Een soldaat die doodkalm achter hen verscheen. Thomas sprong onmiddellijk beschermend voor Catherina. De soldaat zei niks, richtte enkel bliksemsnel zijn pistool op hen. “Thomas!” Catherina duwde Thomas opzij en vuurde. De soldaat vuurde gelijktijdig Verbijsterd keek Catherina naar de rook die uit de loop van haar handpistooltje kringelde. De soldaat lag dood op de grond - een schot uit de duizenden. Een moment lang had ze gedacht dat het verkeerd zou aflopen... “Thomas?” Haar vriend lag nog altijd daar waar ze hem tegen de grond had geduwd. “Thomas!” riep ze uit en ze viel op haar knieën naast hem neer. De oude man maakte een pijnlijke grimas. “Die rotzak heeft me gehad,” zei hij pijnlijk en hij hief zijn hand op zodat ze de schotwond vlak naast zijn hart kon zien. Nu pas begreep ze waarom het schot haar had gemist. De soldaat had op Thomas gemikt. Catherina keek naar Thomas’ wonde. Ook zij begreep dat die dodelijk was. “O hemel...,” mompelde ze. Maar dan greep Thomas haar hand en schudde het hoofd. “Ren... Catherina...” En toen stierf hij, zonder spijt. De tranen welden op in haar ogen, maar ze wist dat ze zich nu meer dan ooit in de hand moest houden. Ze stond op en rende naar de zoom van het woud. 2. “Nee, mevrouw, uw koets moet even hier blijven, orders van de sergeant. Er zitten een aantal Lenionen in het woud en we zouden niet willen dat ze er vandoor gingen met uw paarden.” “Lenionen?” Met gefronste wenkbrauwen keek de statige, zwarte vrouw de soldaat aan. “Zijn dat de zeelui van het Lenioonse schip?” “Ja mevrouw De Nechoir, we hebben ze eindelijk te pakken.” Verontrust keek Neyrelle De Nechoir het bos in. “Dat klinkt als geweerschoten. Ben je zeker dat jullie ze enkel willen gevangennemen?” “Wel, eh... uw man heeft eigenlijk bevolen om elke Lenioon te doden die voet aan wal zet en er één gevangen te nemen.” Neyrelle verpinkte niet, maar ze wist wat denken. Vanaf het moment dat ze het bevel had gekregen Jean-Filip te ontvoeren, had ze geweten dat het alleen maar ellende zou opleveren. Ze maalde niet om de dood van haar zuster. Die had haar zo erg verraden dat ze zonder moeite aan haar dood had meegeholpen. Maar toen ze hoorde dat de Bethune een onderhandelaar naar Wails zou sturen, had ze een wee gevoel in haar maag gehad. Ze wist dat Marcos nooit zijn woord zou houden en het schip zou kelderen. Ze wist ook dat Griffith met de onderhandelaar mee zou afvaren en op dat schip zou zitten. Ze haatte het als ze zoals gewoonlijk weer gelijk kreeg. En ze vervloekte Griffith dat hij met open ogen in de val was gelopen. Als ze had gekund had ze hem er met alle macht van proberen te weerhouden met dat schip - de Megafor! - mee te gaan. Maar Griffith had niet willen luisteren naar de boodschappen die ze had achtergelaten. De hemel alleen wist wat er met hem was gebeurd nu de Megafor was vergaan. Neyrelle had gehoord dat er een aantal zeelui waren ontsnapt, maar dat betekende niet dat Griffith een van hen was. Neyrelle wist dat Griffith de kunst van het overleven verstond als geen ander, maar Neyrelle wist ook met hoeveel vuurkracht de Megafor te maken had gekregen. Ze vreesde dan ook voor het ergste. Als Griffith slim was geweest, dan had hij het schip verlaten voordat het naar Wails was doorgevaren. Indien niet, dan was alles mogelijk. Zelfs dat hij die zeeslag niet had overleefd zoals het gros van de zeelui van de Megafor. Ze haalde diep adem. Er weerklonken geweerschoten in het woud en ze kon niet zeggen dat ze dat erg bemoedigend vond. Onrustig leunde Neyrelle tegen haar koets aan. De drie soldaten die haar koets bewaakten ‘om te voorkomen dat de vluchtelingen ermee vandoor zouden gaan’ stonden met hun musketten in de ronde te speuren. Neyrelle kende de sergeant van de troep. Een robuuste kerel, rauw van hart. Hij was een van die kerels die De Nechoir trouw zou zijn tot in de dood. Als De Nechoir aan zo’n man het bevel gaf alle vreemdelingen te doden die voet aan wal zetten in Wails, dan zou hij het ook zonder nadenken doen. Ze zuchtte vertwijfeld. Net op dat moment klonken er vlakbij twee opeenvolgende schoten. Zowel Neyrelle als de soldaten veerden op. De mannen sloegen hun geweren niet in de aanslag, maar ze leken op alles voorbereid. Neyrelle hoopte dat de zeeman in het bos niet deze kant uit zou komen. Een paar ogenblikken gingen voorbij. Niks gebeurde. De soldaten aarzelden. Loos alarm? Net toen bewoog het struikgewas. De soldaten grepen hun musketten. Een blond meisje verscheen. Bruusk hield ze halt toen ze de geweren zag. De soldaten gaapten haar aan. Enkel Neyrelle leek te beseffen dat het meisje bij de voortvluchtigen hoorde. Ren weg, dacht Neyrelle. Voor de soldaten haar ook zouden doden. Dat leek het meisje ook begrepen te hebben. Haastig draaide ze zich om, maar het was al te laat. De soldaten werden wakker en nog voordat ze een stap kon doen, hadden ze haar al vastgegrepen. Ze probeerde zich los te rukken, maar ze wrongen haar armen achter haar rug en al snel was ze bedwongen. Neyrelle zag dat de soldaten toen even aarzelden. Ze hadden orders om alle zeelui te doden, maar blijkbaar wisten ze niet of dat ook voor het meisje gold. Neyrelle wist dat ze hen niet de kans moest geven een beslissing te nemen en richtte zich op. “Durf haar met een vinger aan te raken,” zei ze vanuit de hoogte, “en mijn man zal jullie stuk voor stuk roosteren boven een vuurtje.” De soldaten keken haar even aan en dan elkaar. Ze moesten in feite geen bevelen van haar aannemen, maar ze wisten dat Neyrelle de zaken van haar man beter kende dan zij. Dus als ze hen bedreigde, betekende dat wellicht dat ze haar mans orders opvolgde. En met De Nechoir wilde liever niemand in aanvaring komen. De soldaten tilden Catherina op haar voeten en duwden haar in Neyrelles richting. “Goed, u kunt haar hebben. Maar alleen tot de sergeant terug is. In de tussentijd houden we een oogje op haar.” Neyrelle knikte. Dat was een afspraak waar ze zich in kon vinden. Met de sergeant kon ze het misschien later nog wel op een akkoordje gooien. De soldaten overlegden even met elkaar en dan liep een van hen het bos in om de sergeant te halen. Catherina zag hem vertrekken en trok een lelijk gezicht. Ze wreef over haar polsen en vroeg zich af wat haar nu te wachten stond. Ze was vrij duidelijk de gevangene van de soldaten en het was nog maar de vraag of ze uit hun greep zou kunnen ontsnappen. Ze verborg zich snel achter de zwarte vrouw. “Gaat het?” vroeg Neyrelle zonder een oog af te houden van de soldaten. Catherina knikte en zei: “Ja, dank u.” Ze wilde niet weten wat er zou zijn gebeurd als die vrouw niet was tussengekomen. “Mijn naam is Catherina Montfort,” zei Catherina. Neyrelle knikte. “Dat weet ik. U bent de dochter van Guillaume Montfort, en de verloofde van Jean-Filip Lacroix.” “U kent me?” Een schot kraakte in de verte en Neyrelle keek geschrokken op. Griffith... “Zeg me,” zei Neyrelle aarzelend, “weet u of de heer Jago - Griffith - bij u was.” Catherina sloeg de ogen neer. “...Ja...” “Is hij...?” De twee vrouwen keken in elkaars ogen. Neyrelle zag een zekere aarzeling in het meisje haar ogen. En angst. Ze wist het niet. En ze was ook bang voor wat er met Griffith kon gebeuren. De vrouwen keken het woud in. Catherina had intussen begrepen dat ze met Neyrelle te maken had. Ze herkende haar uit Griffiths omschrijvingen en het was voor haar een hele geruststelling dat ze nu onder de bescherming van zijn bondgenote stond. Dat zou helaas nog lang niet betekenen dat ze veilig was. De soldaten wisten wel beter dan Neyrelle te vertrouwen en ze zouden er wel voor zorgen dat Catherina op een of andere manier in de greep van De Nechoir terecht kwam. Of in zijn foltertoren. Intussen waren de schoten in het woud opgehouden en haalde Catherina diep adem. Wat er ook met haar zou gebeuren, het maakte niet uit zolang Griffith maar veilig was. Neyrelle zag haar angstig voor zich uit kijken. “Ik zal wel voor je zorgen,” zei ze geruststellend, maar Catherina schudde het hoofd. “Dat is het niet,” mompelde ze. Een gestalte bewoog toen in het struikgewas. De mensen bij de koets keken op en zagen dat het slechts een soldaat was. Catherina voelde zich onwel worden. De soldaat zag Catherina bij Neyrelle staan en ging naar de andere soldaten. Catherina hoorde hem fluisterend vragen of ze ‘bij de rest hoorde’ en de drie knikten. De soldaat keek nog even tersluiks naar Catherina en liep toen terug het woud in om rapport uit te brengen bij de sergeant. Dan werd het weer lange tijd stil. Catherina beet zenuwachtig in haar hand. Wat zaten ze daar nog altijd te doen? Ze wou dat de soldaten terugkwamen en dat ze zouden vertellen dat er iemand ontsnapt was. Dat zij dan nog in hun handen was, gaf niks. Onbewust hield ze tussen haar kleren het medaillon van de Wolven vast. Neyrelle keek haar aan en legde haar hand op haar schouder. “Je kan hen niet helpen. Zelfs ik kan niks voor je vrienden doen. Ga in de koets zitten en rust wat, je ziet er zwak uit.” Maar Catherina schudde het hoofd. Ze moest het weten. Eindelijk klonk het geluid van meerdere mannenstemmen. Er was zelfs iemand die lachte. Een voor een kwamen de soldaten tevoorschijn en ze verzamelden zich voor de koets bij de rest. De overste kwam als laatste uit het woud en keek onmiddellijk naar Neyrelle en Catherina. Blijkbaar wist hij af van het meisje. “Milady,” zei hij bars tegen Neyrelle, “ik ga u moeten vragen die vrouw daar aan mij over te dragen. Ik heb bevel alle voortvluchtigen van het Lenioonse schip te elimineren en één gevangene aan uw man over te leveren.” De ranke vrouw bewees dat ze de burchtvrouw van het Arendsnest was en antwoordde koel: “Dit meisje staat onder mijn hoede en ik ben niet van plan haar aan u te geven. U weet niet wie deze vrouw is en wat voor belang mijn man er bij heeft om haar gezond en wel te houden. We weten allebei dat u niet bijster zorgvuldig bent met uw gevangenen, dus als u niet wil dat mijn man u degradeert, ‘soldaat’, dan zou ik mij niet tegenspreken als ik u was.” De sergeant knarsetandde. Hij hield er niet van dat iemand waar hij geen respect voor had, de baas over hem speelde, maar hij durfde haar ook weer niet terzijde schuiven. Het verleden had hem geleerd dat de burchtvrouw gewiekst was en dat ze niet zomaar bedreigingen uitte als ze die niet waar kon maken. “Al goed,” gromde de sergeant, “ik heb het begrepen: u uw zin. Maar als u last krijgt met uw echtgenoot is dat uw zaak.” Neyrelle glimlachte bijtend. “Maar,” zei de sergeant dan, “ik escorteer u wel terug naar de burcht. Ik ken die barmhartigheid van u onderhand wel en ik wil graag voorkomen dat u uw gevangene toevallig laat ontsnappen. Ik wil dat De Nechoir weet dat alle kaffers uit Lenion behalve deze eraan zijn.” Neyrelles gemene glimlach verdween terstond. “Waar zijn de andere Lenionen?” De sergeant maakte een spottend gebaar met zijn hand. “Zowat overal verspreid. Morsdood. Ik ben van plan om wat doodgravers te laten komen.” “Hoeveel waren het er?” vroeg Neyrelle bleek. Zowel zij als de sergeant kenden het aantal vluchtelingen. De sergeant snoof om haar medelijden. “Wees niet ongerust. Veertien met deze hier erbij. Het aantal dat ze geteld hebben toen ze het grote schip molden.” Neyrelle werd nog bleker. Ze hoopte dat de sergeant het niet merkte. Het was nu de beurt van de sergeant om eens gemeen te glimlachen. “Ik veronderstel dat u me dat vroeg omwille die Lenioonse? U spreekt haar taal, niet? Vertel haar dan maar dat ze een gebedje kan doen voor haar vriendjes.” Hij keek Catherina recht in de ogen en zei: “En over vriendjes gesproken, vertel haar ook maar dat die zwarte van haar morsdood op de bodem van een kloof ligt. Hij werd gewoon gek toen hij hoorde dat mejuffer hier het niet gehaald had. Smakeloos, en dat voor een blondje.” Catherina gaf een kreet en vloog hem ziedend van woede aan. Nog voordat de sergeant wist wat hem overkwam zat het meisje bovenop hem en haalde ze zijn gezicht open met haar nagels. “Hij was mijn ziel!” Een moment lang keken de soldaten bevroren toe. Dan reageerden ze en sloegen ze Catherina buiten westen met de kolf van een geweer. “Blijf van haar af!” schreeuwde Neyrelle en ze duwde woedend de soldaten weg. Terwijl de sergeant een poging deed om terug bij zijn positieven te komen, trok Neyrelle, Catherina van hem af en nam ze haar hoofd in haar armen. “Arm kind, arm kind,” murmelde ze, maar geschokt dacht ze aan wat de sergeant gezegd had. ...die zwarte... Neyrelle keek bruusk op en greep de eerste de beste soldaat vast. Toevallig had ze de schuwste van de hele troep vast. “Jij!” siste Neyrelle tegen James. “Was jij bij die kloof?” James knikte aarzelend. Zo had hij de burchtvrouw nog nooit gezien. “Vertel me dan, die man, hoe zag hij eruit? Bleek gezicht? Litteken onder zijn oog?” Weer knikte James stom. Hij zag de zwarte man nog steeds in gedachten het ravijn invallen. Neyrelle staarde hem ontzet aan. Het was dus wel degelijk Griffith. Neyrelle kon het niet geloven. Ze zou niet verbaasd zijn geweest als ze haar hadden gezegd: een van de Lenionen was een zwarte man, hij is ons ontsnapt. Het was typisch voor Griffith om op te duiken op de meest vreemde ogenblikken en plaatsen. Maar om te horen dat Griffith... dood... was... Nee, ze kon het niet geloven. De Wolven waren sterk. Ze konden niet sterven. En Griffith was de laatste van zijn geslacht. Het kon gewoonweg niet... “Patrick,” fluisterde Neyrelle. De koetsier kwam aarzelend dichterbij. Zijn meesteres keek strak voor zich uit en zei: “Neem deze jongen mee en ga naar de kloof. Verifieer of de zwarte man... daadwerkelijk dood is.” De koetsier knikte begrijpend en spoedde zich met James naar de kloof. Ze kon niet zelf gaan kijken. Dat koste haar te veel. Neyrelle boog zich over het bewusteloze lichaam van Catherina heen en begon te huilen. 3. Toen het meisje in de koets bijkwam, vroeg Neyrelle haar of ze in orde was. Er kwam echter geen antwoord en het meisje staarde leeg voor zich uit. De schok, dacht Neyrelle, en ze dacht dat het wel voorbij zou gaan. Onder begeleiding van de soldaten reed de koets verder naar het Arendsnest. De tocht ging via een lange pas naar omhoog, naar de burcht die op de steile rotsen hoog boven alles uittorende. Toen ze de burcht in zicht kregen, leek er even iets te herleven in de veelkleurige ogen van het meisje, maar een ogenblik later was het alweer verdwenen en herviel ze in haar onverschilligheid. Ze reden de poorten door en stopten op het binnenplein waar Neyrelle het meisje zacht uit de koets leidde. Ondanks de protesten van de sergeant, bracht Neyrelle, Catherina naar haar eigen vertrekken waar ze opdracht gaf het meisje te baden en te kleden. Bedienden schoten heen en weer en Catherina liet zich gedwee door hen onder handen nemen. Neyrelle verbaasde zich over de reactie van het meisje. Ze deed wat men van haar verlangde, maar Neyrelle merkte dat het meisje geen enkel besef meer had van wie ze was en waar ze was. Ze vroeg zich af wat Griffith voor Catherina was, en wat zij voor hem. Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Terwijl de dienstmeiden het meisje uitkleedden, zag Neyrelle hen een medaillon vanonder haar kleren halen. Neyrelle herkende onmiddellijk het medaillon van de Woolfs en besefte dat Griffith het aan Catherina moest hebben gegeven. Neyrelle nam het medaillon van de dienstmeid over en staarde peinzend neer op Catherina. Het meisje reageerde niet op het medaillon, maar Neyrelle wist wat het kon betekenen als Griffith Woolf het enige ding dat hij nog uit zijn verleden had overgehouden aan iemand had gegeven. Neyrelle stak het medaillon onder haar kleren met de bedoeling het later beter te verbergen en streelde even de koele wang van het wezenloze meisje. Als Griffith evenveel voor haar betekende als zij voor hem, dan was Catherina’s reactie niet helemaal onverwacht. “Ik had het kunnen weten,” dacht Neyrelle bij zichzelf. Die dag aan het strand, toen zij, Griffith en de kapitein elkaar voor het eerst hadden ontmoet… Ze had de blik in Griffiths ogen toen niet begrepen, maar nu leek het alsof het niet anders had gekund dan dat hij en Catherina samen waren gekomen… Neyrelle liet Catherina achter in de zorg van haar kamermeisjes en ging dan op zoek naar haar neef. Neyrelle en Jean-Filip hadden elkaar goed leren kennen aan boord van hun schip. Jean-Filip was tot de verassende conclusie gekomen dat Neyrelle helemaal niet de vijand was die hij dacht dat ze was. Hij kon goed met haar overweg en had zelfs begrip voor haar situatie. Neyrelle was zelf ook gehecht geraakt aan haar neef en het speet haar dat de jongen het slachtoffer was van De Nechoirs plannen. Sinds Jean-Filip naar het Arendsnest was gebracht, spendeerde hij het grootste deel van zijn tijd in de bibliotheek van de burcht. Hij had moeite met het nietsdoen en probeerde zoveel mogelijk verstrooiing te vinden in boeken. Neyrelle hield hem gezelschap als ze op de burcht was, maar meestal moest ze hem aan zijn lot overlaten. Neyrelle hoopte dat de komst van Catherina hem daarom goed zou doen. Jean-Filip glimlachte toen hij zijn tante binnen zag komen. Hij was blij haar te zien, maar toen ze dichterbij kwam, zag hij onmiddellijk dat er iets mis was. Neyrelle ging neerzitten in de zetel naast de zijne en zei dan: “Jean-Filip, er is iets dat ik je moet vertellen.” Ze had Jean-Filip vorige week al verteld wat er met de Megafor was gebeurd dus was de ergste schok intussen wel al verwerkt. “Ik heb nieuws over de veertien zeelui die konden ontsnappen,” zei ze. Jean-Filips ogen lichtten op. “Hebben ze de grens bereikt? Hebben ze kunnen zeggen wat er met hun schip is gebeurd?” Neyrelle nam zijn handen vast. “Ze zijn dood.” Jean-Filip wilde opspringen maar Neyrelle hield hem tegen. “Maar luister eerst naar me, want er is meer.” Neyrelle aarzelde en besloot dat ze maar best niks kon zeggen over het medaillon en de implicaties daarvan. “Ik heb altijd begrepen dat je een goede verhouding had met de raadgever van je moeder.” “Jago? Ja, hij was als een vader voor me.” “Ik heb je verteld dat hij en ik samenwerkten tegen De Nechoir. Ik heb je ook verteld dat ik de laatste tijd geen nieuws meer van hem heb gehad en dat ik vermoedde dat hij aan boord van de Megafor was.” “Ja, is hij afgestapt in Verona? Heeft hij je een bericht gestuurd?” Neyrelle keek hem ernstig aan. “Hij is dood. Mijn koetsier heeft het zelf gezien.” De jongen keek haar ontsteld aan. “Mijn hemel, hoe is het gebeurd?” Neyrelle schudde het hoofd bitter. “Blijkbaar is die dwaas niet van boord gegaan in Verona en is hij samen met die andere zeelui hier aan land gegaan. Ik veronderstel dat ze zich hier ergens in de buurt verborgen hebben gehouden en dat ze net terug waren vertrokken in de richting van de grens. Soldaten van mijn man vonden hun spoor en zijn ze achterna gegaan. Ze hebben hen allemaal gedood, inclusief Jago.” Jean-Filip moest even achterover gaan zitten. “En je bent daar absoluut zeker over?” “Ja,” zei Neyrelle, “er is geen twijfel over.” Dan fronste Jean-Filip de wenkbrauwen. “Als Jago aan boord van het schip is gebleven, dan zal Catherina het wel niet meer nodig hebben gevonden door te blijven varen. Ben je te weten gekomen wat er met haar is gebeurd?” Neyrelle zuchtte. “Catherina is niet van boord gegaan… Ze is met de Megafor naar Wails gevaren en is samen met de zeelui aan de ramp kunnen ontsnappen.” Jean-Filip keek haar gealarmeerd aan. “Wat wil je zeggen? Dat ze haar net als die zeelui hebben gedood? Als een hond?” “Catherina is veilig,” zei Neyrelle geruststellend, “ik ben er in geslaagd haar te redden, maar ze heeft gezien hoe die moordenaars haar vrienden afslachtten. Ze verkeert in schoktoestand en ik had gehoopt dat een bekend gezicht haar misschien weer bij zinnen kon brengen.” “Ja. Ja, natuurlijk.” Jean-Filip kon nauwelijks wachtten tot Neyrelle hem bij Catherina had gebracht. Hij had Catherina zo lang moeten missen dat zijn hart in zijn keel sloeg terwijl ze zich naar haar vertrekken spoedden. Toen ze binnenkwamen, bleef Catherina emotieloos voor zich uit kijken. Jean-Filip greep haar handen vast en begon tegen haar te spreken. De woordenstroom leek van haar af te glijden alsof Jean-Filip er niet was. Neyrelle zei niks en keek naar Catherina. Als ze voordien nog niet had geweten dat Catherina lang niet hetzelfde voelde voor haar voormalige verloofde als voor de man die nu op de bodem van een kloof lag, wist ze nu wel beter. Neyrelle zuchtte en raakte zachtjes de schouder van haar neef aan. “Het heeft geen zin,” zei ze zacht, “ze hoort je niet.” “Maar dat kan niet,” zei Jean-Filip machteloos, “ze moet me horen. Ik ben haar verloofde! Wat is er met haar gebeurd daar dat ze… ze… zo is?” “Niks, Jean-Filip, niks, het is gewoon de schok…” Ze deed haar neef terug opstaan. “Laat haar maar even rusten, dan zal het misschien beter gaan. Morgen zien we wel weer verder.” Maar Neyrelle wist dat Catherina niet beter zou worden. Het medaillon dat ze bij zich had, vertelde haar dat daar geen reden toe was. Ze nam Jean-Filip bij de hand. “Kom…” Hoofdstuk 2 1. De volgende dag was Catherina’s toestand ongewijzigd. En de dag daarop en die daarop was dat nog steeds zo. Ze hoorde niks, zag niks, zei niks. Ze at en sliep wanneer ze moest, maar leek zich nauwelijks bewust van wat er buiten haar om gebeurde. Het was alsof de wereld om haar heen was ingestort en ze niet wist dat ze er nog steeds in stond. De jonge prins hield haar gezelschap. Hij weigerde te geloven dat ze nooit meer zou ontwaken en geloofde onvoorwaardelijk in haar liefde voor hem. Voor zover hij wist was zij zijn alles en hij de hare. Hij wist niks af van het medaillon dat Neyrelle had gevonden en zo hield de burchtvrouw het ook liever. Wat Jean-Filip en Catherina nu stond te wachten, kon zelfs Neyrelle niet zeggen. Haar man was op dit ogenblik niet op de burcht en Neyrelle wist niet wat Marcos De Nechoirs verdere plannen met hen waren. Ze wist dat hij het nieuws over de zeelui had gehoord en dus ook dat zijn plan was geslaagd. Voorlopig zouden zijn buurlanden niet te weten komen dat hij de Megafor had gekelderd. Neyrelle veronderstelde dat daarmee de rol van Jean-Filip en Catherina was uitgespeeld. De Nechoir was druk bezig de gemoederen nu op te hitsen in het buitenland zodat koning de Bethune op een hevige tegenstand zou stoten als hij naar het Welshe continent zou komen. Intussen zouden de jonge prins en zijn verloofde op de burcht moeten blijven tot De Nechoir anders besliste. Toen Jean-Filip hier eerst was gekomen, had hij nog aan ontsnappen gedacht. Hij mocht vrij in de burcht rondlopen dus zo moeilijk kon het niet zijn. Dat viel naderhand vrij aardig tegen toen bleek dat de burcht niet alleen mensen buiten kon houden, maar haar bewoners ook binnen. Bovendien kwam Jean-Filip er al snel achter dat De Nechoir hem liet schaduwen en er altijd soldaten klaar stonden om hem tegen te houden, mocht hij proberen te ontsnappen. Jean-Filip had lange tijd zijn hoop gesteld op de Welshe kroonprins in het noorden. Dat was nog de enige man die zich tegen De Nechoir verzette en dus leek het logisch dat die zou proberen om Jean-Filip ter hulp te komen. De Welshe kroonprins wist echter wel beter dan zich in het hol van de leeuw te begeven en dus bleef Jean-Filip waar hij was. Intussen had Jean-Filip geleerd dat het niet de Welshe kroonprins zou zijn die Wails naar de redding zou leiden. Jean-Filip twijfelde er niet aan dat prins Edward van Wails competent was en goede mensen onder zich had, maar hij miste eenvoudigweg de overtuigingskracht die zijn volk naar een algehele opstand kon leiden. Hij deed wat hij kon, maar van zodra hij De Nechoir wilde aanvallen moest hij het doen met huurlegers die betaald werden met Lenioons geld. En die huurlegers waren noch groot genoeg, noch gemotiveerd genoeg om zich volledig in de strijd te gooien. Het had anders kunnen zijn als de Welshe kroonprins was bijgestaan door het wolvengeslacht. In het verleden had Jean-Filip ook wel al verhalen over het wolvengeslacht gehoord, maar het was maar door hier te komen dat hij had begrepen hoeveel zij voor de Welshen betekenden. Voor de Welshen waren de afstammelingen van Raul de Wolf de beschermers van hun vrijheid en een voorbeeld van moed, eer en geweten. Het wolvengeslacht had de Welshen wel op de been kunnen brengen, maar helaas had De Nechoir het illustere geslacht tot de laatste afstammeling laten uitroeien. Dus voelden de Welshen er weinig voor om hun nek uit te steken voor kroonprins Edward en zou het aan Lenion zijn om De Nechoir van de troon te stoten… Intussen was het afwachten geblazen. Jean-Filip bracht het grootste deel van zijn tijd door bij Catherina, of als Neyrelle er was, bij zijn tante. De Nechoir bevond zich in het noorden en Neyrelle vertelde Jean-Filip dat dat maar het beste was. Ze wou dat haar man zich zo min mogelijk met hen bemoeide en moedigde hem ook niet aan om naar de burcht te komen. Bovendien was Neyrelle bang voor wat er zou gebeuren als De Nechoir er achter kwam dat de dochter van Montfort in zijn macht was. De Nechoir was nog lang niet vergeten dat Catherina’s vader ooit zijn plannen voor Lenion had gedwarsboomd en zoals Neyrelle haar man kende, wist ze dat De Nechoir de gelegenheid te baat zou nemen om zich op Montforts dochter te wreken. Marcos hield er niet van als men hem te slim af was. Neyrelle vreesde voor de dag dat haar man terug naar de burcht zou komen. Als verloofde en onderhandelaar van de prins was Catherina niets waard voor De Nechoir zolang hij Jean-Filip in handen had. Daarenboven kon hij wel eens denken dat Catherina dingen wist die hem konden interesseren. Dan zou het een kolfje naar de hand van De Nechoir zijn om de jonge vrouw naar zijn Donjon te sturen en haar voor zijn plezier te martelen. De Nechoir was helaas nooit lang weg van de burcht dus was het maar een kwestie van tijd eer hij de verloofde van de prins zou ontdekken. Neyrelle dacht er nog aan om Catherina buiten de burcht te laten smokkelen, maar ze wist dat dat nooit zou lukken. De Nechoir zou haar binnen de kortste keren hebben teruggevonden en dat zou de zaak alleen maar erger maken. Ze kon alleen hopen dat het nog een hele tijd zou duren eer haar echtgenoot terugkwam. Die dag kwam natuurlijk toch. De Nechoir had in het noorden van een sergeant iets opgevangen over een adellijke, jonge vrouw en was speciaal voor haar naar het zuiden afgezakt. Hij liet zich door zijn bedienden inlichten over de trekken van zijn gevangene en begaf zich dan als een stille schaduw in het donker naar de kamer van zijn vreemde gevangene. Catherina was alleen toen hij binnenkwam, gezeten op een stoel. Observerend cirkelde hij om haar heen terwijl hij zich afvroeg hoeveel leven er nog te vinden was onder dat doodse oppervlak. Het zou vermakelijk zijn om dat uit te vissen, dus overwoog hij een poging te doen. Hij hield immers van spelletjes, en spelletjes met mensen konden hem het meest bekoren. Dus boog De Nechoir zich genoegzaam over haar schouder en wachtte geamuseerd af of er een reactie kwam. Jammer genoeg leek ze niet te merken dat haar grootste vijand tegen haar aanleunde want ze keek slechts leeg voor zich uit. De Nechoir legde zijn hand op haar hals en bracht zijn mond tegen haar oor. “Dus jij bent Catherina Montfort?” fluisterde hij. Hij hield haar gezichtsuitdrukking in het oog, maar ze reageerde niet. “Ik heb jouw vader gekend, heel lang geleden,” fluisterde hij verder, “en heb het altijd betreurd dat ik hem niet meer heb kunnen laten lijden voor zijn verraad…” Nog steeds geen reactie. “Maar wees niet bang: ik zal jou geen pijn doen. Nog niet tenminste. Je jonge prins lijkt je erg hoog aan te slaan en als het nodig is, moet ik hem met iets onder de duim kunnen houden. Maar misschien besluit ik op een dag toch dat je onbruikbaar bent en dat de geheimen die de Bethune je heeft toevertrouwd interessanter zijn. Dan kan het me niet meer schelen wiens verloofde je bent en wordt het tijd voor een ernstiger onderonsje. Eentje dat sommigen maar met moeite kunnen meespelen.” Catherina reageerde niet. Ze was levenloos als altijd. De Nechoir verpinkte niet. Hij hield zijn mond nog dichter bij haar oor en fluisterde haast onhoorbaar: “Montforts dochter, weet jij waar het koningskind is?” Als De Nechoir echt had opgelet, dan had hij iets kunnen zien flitsen in die lege blik. Maar De Nechoir verwachtte geen antwoord en kwam verveeld recht. Plots weerklonken voetstappen in de gang. Neyrelle schrok even toen ze binnenkwam en haar man naast Catherina zag staan. Ze herstelde zich vlug en ging behoedzaam naar haar echtgenoot toe. De Nechoir werd geamuseerd door haar angst en strekte zijn hand uit naar Catherina’s blonde haar. “Ik heb begrepen dat je een gezelschapsdame hebt gevonden voor onze jonge prins,” zei hij, “maar dat hij haar meer gezelschap houdt dan zij hem.” Neyrelle probeerde niet te laten blijken wat ze dacht en negeerde de opmerking. “Wanneer bent u aangekomen?” vroeg ze, “ik dacht dat u nog een tijdje zou wegblijven?” De Nechoir glimlachte en draaide langzaam zijn vinger in Catherina’s lokken. Neyrelle zag het bevreesd aan. “Ik was geïntrigeerd, m’n liefste,” zei hij, “dat, toen ik hoorde dat ze de Lenionen hadden gevonden, het een van mijn soldaten was die me vertelde dat ze een gevangene hadden gemaakt, en niet jij. Ik vroeg me af wat je te verbergen had en kwam poolshoogte nemen.” “Wat wilt u met haar?” “Niks,” antwoordde De Nechoir. “Ik wou alleen dat ze een Lenioon gevangennamen om te zien of die honden niet per ongeluk een boodschap hadden doorgespeeld aan een passerend schip. Mijn verkenners op zee hebben echter duidelijk gezien dat niemand weet waarheen de Lenionen zijn gevaren - of juist niet…” “Dan hebt u haar niet meer nodig?” zei Neyrelle terwijl ze haar man strak in het oog hield. De Nechoir keek sardonisch op. “Denk je dan niet dat een zacht schatje als Montforts dochter geen andere interessante dingen te vertellen heeft?” “Ik vrees dat ze weinig te vertellen heeft,” zei Neyrelle koel, “de brutaliteiten van uw soldaten hebben haar stom gemaakt voor ondervraging.” De Nechoir tilde Catherina’s hoofd achterover en liet zijn hand over haar hals en borst gaan. “Dat hoef ik ook niet. Ik heb andere middelen.” Neyrelle reageerde heftig. “Durf niet!” zei ze. “Of het zal u berouwen. En denk niet dat ik het niet meen want ik heb ook mijn middelen, Marcos.” De Nechoir liet zich niet uit het veld slaan en zei kalmpjes: “Probeer jij mij te bedreigen? Ben je niet bang dat je kinderen dan iets overkomt?” En toen hij zag dat Neyrelle onmiddellijk intoomde, zei hij vals: “Ik heb trouwens nog wat ander nieuws gehoord betreffende die zeelui van Lenion. Ik geloof dat we beiden een gemeenschappelijke kennis hebben verloren. Voorlopig ontschiet me zijn naam, maar dat komt misschien omdat hij er nooit een heeft gehad. Ik veronderstel dat het een heel verlies is.” Neyrelle probeerde zich te beheersen en hij glimlachte flauw. “Wat nu, mijn liefste?” zei hij. “Ik dacht dat je dieper geroerd zou zijn.” De tranen schoten Neyrelle in de ogen, maar ze verbeet ze. Marcos zag het en bekeek haar spottend. “Zo zie je maar, m’n liefste schat, wat er gebeurt met hen die mij tegenwerken.” Marcos aaide Catherina’s wang. “Maar dat hoef ik je waarschijnlijk niet nog eens te vertellen, niet? Je hebt al wat ervaring kunnen oplopen met de vader van onze vriendin hier.” Neyrelle probeerde niet naar haar man te luisteren, maar de tranen liepen al over haar gezicht. “Marcos, alsjeblieft,” fluisterde ze en De Nechoir grijnsde vuil. “Spijtig dat ze niet zo spraakzaam is, want ik vraag me af wat ze zou zeggen als ze wist dat jij haar vader hebt vermoord. Daar zou ze niet zo blij mee zijn, denk ik. Ze zou je zelfs verwensen, nietwaar? Is het dat niet wat je denkt, m’n lieve?” “Laat haar met rust, Marcos,” huilde Neyrelle. “Je hebt je plezier gehad en ik heb het begrepen. Ga weg en laat haar voor wat ze is!” De Nechoir haalde verongelijkt de schouders op. “Voorlopig wel,” zei hij, “maar misschien wordt ze binnenkort interessanter en stuur ik haar wel eens naar de Donjon…” En hij liet Catherina’s haar los en verdween weer. Huilend ging Neyrelle naar Catherina en hield de jonge vrouw vast alsof ze er zich van wilde vergewissen dat ze in orde was. Neyrelle stootte op Catherina’s wezenloze blik en kreunde gepijnigd. Ze zou het nooit verdragen als het meisje iets zou overkomen. Daarvoor was ze Catherina’s vader nog te veel verschuldigd, en Griffith. Neyrelle veegde de tranen van haar gezicht. Er was weinig dat ze tegen haar man kon doen. Ooit had ze nog iets van invloed op hem gehad, maar nadat ze die invloed had aangewend om kapitein Montfort te helpen, had hij haar nooit meer vertrouwd. Neyrelle herinnerde zich nog de dag dat De Nechoir er achter was gekomen dat zijn vrouw hem had verraden. Dat was het moment geweest waarop hij had begrepen dat kapitein Montfort zijn invasieplannen had ontvreemd en dat Neyrelle hem daarmee had geholpen. Hij was woest op Neyrelle geweest en ook op Griffith die mee in het complot had gezeten. Maar De Nechoir was vooral woedend op kapitein Montfort en de jonge Griffith geweest. Daarom besliste hij dan ook dat hij hen zou straffen of de meest gruwelijke manier die hij kon verzinnen. Hij bracht Neyrelle in een positie waarin ze kleur moest bekennen. Hij beval haar dat ze kapitein Montfort voor hem moest doden en toen ze weigerde, was hij er zeker van dat ze hem verraden had. Neyrelle vreesde toen voor het ergste, maar vreemd genoeg liet hij haar leven. De dag nadat hij haar had gedwongen haar verraad op te biechten, zette hij zeil uit naar Lenion. Toen Neyrelle had gemerkt dat haar man was verdwenen, was ze in paniek geslagen. Ze hoorde dat hij per schip was vertrokken en begreep dat hij naar Lenion was getrokken om zich op de kapitein te wreken. Ze scheepte onmiddellijk in en probeerde hem vruchteloos in te halen. Toen Neyrelle Lenion bereikte, had ze onmiddellijk begrepen dat ze te laat was. Een van De Nechoirs mannen stond haar al op te wachten en bracht haar naar De Nechoirs schip. Neyrelle was ontzet geweest toen ze de folterruimte van het schip binnenkwam. De Nechoir was er in geslaagd Griffith gevangen te nemen en had zijn eerste woede op de jongen afgekoeld. De jongen was nog niet zo zwaar toegetakeld dat de schade onherstelbaar was, maar het was genoeg voor Neyrelle om in huilen uit te barsten. Neyrelle schreeuwde en smeekte De Nechoir dat hij Griffith moest laten gaan, dat ze zijn plaats wel in zou nemen als het moest, maar dat hij de jongen moest sparen. De Nechoir lachte enkel en was geamuseerd door haar onderdanige houding. Het moedigde hem enkel aan om Griffiths lijdensweg te verlengen. Hij vond fijnzinnigere methoden uit om de jongen te folteren. Hij liet hem zorgzaam behandelen zodat hij niet dood zou gaan en brak zijn geest voordat hij zijn lichaam brak. Neyrelle vluchtte altijd weg als het geschreeuw begon en als het stopte, kwam ze bij zijn gehavende lichaam uithuilen. Ze zou nooit weten of haar aanwezigheid een verschil had uitgemaakt. De jongen was zo kapot dat alleen de pijn waarmee De Nechoir hem telkens bespotte, hem terug in contact met deze wereld kon brengen. Slechts één keer leek Griffith er zich wel van bewust te zijn dat ze bij hem was. Hij had zijn gebarsten lippen even bewogen en haar rokken met bloedige handen naar zich toegetrokken. “Dood hem,” had hij gezegd, en ze schrok omdat ze wist dat het de enige manier was om de folteringen te beëindigen. “Dood hem,” siste de wolf en de bliksem schoot uit zijn ogen. Ze schudde het hoofd en rukte zich geschrokken los. Toen liep ze beschaamd weg, de stad in, huilend. Hoeveel ze ook van de zwarte jongen hield, ze zou nooit De Nechoir voor hem zou kunnen doden. Ze miste de kracht eenvoudig. Uiteindelijk liet De Nechoir, Griffith gaan en voer hij terug naar Wails. De Nechoir bleef evengoed broeden op wraak en keerde uiteindelijk terug naar Lenion om zijn hoofdprijs te halen. Neyrelle probeerde hem tegen te houden, maar De Nechoir beloofde zijn vrouw dat wat er met Griffith was gebeurd nog niet half zo erg zou zijn als wat hij met kapitein Montfort van plan was. Hoewel Neyrelle wist dat het geen zin had, voer ze met De Nechoir mee om erger te voorkomen. In Lenion aangekomen moest De Nechoir vaststellen dat kapitein Montfort zich nog steeds schuil hield. Terwijl de Lenioonse geheime dienst op jacht was naar De Nechoir, schuimde De Nechoir zelf het hele land af op zoek naar de kapitein. Neyrelle bad elke dag opnieuw dat iemand haar man kon stoppen, maar Marcos De Nechoir was te gewiekst om zich zomaar te laten vangen. Geduldig als hij was wachtte De Nechoir tot de kapitein een fout maakte. Hoewel de kapitein probeerde zo min mogelijk in de schijnwerpers te lopen, was en bleef hij het hoofd van een rederij. Dat dwong hem bij gelegenheid om uit zijn schuilplaats te komen en het was op een dergelijk ogenblik dat De Nechoir hem wist te vangen. Kapitein Montfort was naar Havre gekomen en De Nechoir was het te weten gekomen. De Nechoirs soldaten verschalkten kapitein Montforts lijfwachten en probeerden hem dan naar het Welshe schip te brengen. Kapitein Montfort was niet van plan zijn huid goedkoop te verkopen en weerde zich als een leeuw. Uiteindelijk bleek de overmacht te groot te zijn en werd hij overmeesterd. Neyrelle kon zich herinneren dat ze die avond over het dek aan het lopen was toen ze de soldaten zag aankomen met kapitein Montfort tussen hen in. Een gevoel van afgrijzen was over haar gekomen en ze was hen snel achterna gerend. De soldaten brachten kapitein Montfort naar het vrachtruim dat De Nechoir al eerder als folterruimte had gebruikt. Toen Neyrelle er binnenkwam zag ze dat haar man al klaarstond om de kapitein te folteren en haar grijzend aankeek. Neyrelle reageerde in paniek en zei dat hij de kapitein niks mocht doen. De Nechoir herinnerde haar eraan dat dit allemaal niet zou zijn gebeurd als ze hem maar had gehoorzaamd. Ze had kapitein Montfort maar niet aan hem moeten voorstellen. Ze had de kapitein maar niet moeten vertellen over zijn invasieplannen. Ze had hem maar niet moeten helpen zijn contactpersoon te ontvoeren… Dan zou De Nechoir niet zelf naar Lenion zijn gekomen en dan was Griffith niet gefolterd geweest - of de kapitein. Neyrelle begon De Nechoir woest te vervloeken en smeekte hem niet hetzelfde met Montfort te doen als met Griffith. De situatie vermaakte De Nechoir enkel. Kapitein Montfort zelf was plotseling veel kalmer geworden nu hij begreep wat hem te wachten stond. Hij had Griffith gezien en verzorgd dus hij wist waar De Nechoir toe in staat was. Hoewel hij misschien bang was, leek hij er niet aan toe te geven. Neyrelle keek hem wanhopig aan en hun blikken kruisten. En plots kregen Griffiths woorden een andere betekenis. Dood hem… Neyrelle huilde. Ze kroop op haar knieën voor de soldaten die hen omringden, smeekte hen om een pistool. De soldaten waren te bang van De Nechoir om er haar een te geven en De Nechoir barstte in lachen uit. Dan liep De Nechoir naar een vuurpot waarin een pook zat en porde er spottend mee in het vuur. Neyrelle gaf een schreeuw en rukte aan zijn arm. Hij wierp haar lachend van zich af en zette zijn voet tegen haar schouder. “Ik hoop dat je zal blijven,” zei hij, “voor ons spektakel.” In paniek rende ze weg. Niet opnieuw dacht ze. Niet met Montfort. Ze stootte toevallig op een ton regenwater en dacht even verward na. Dan doopte ze een emmer in het water en liep er zo vlug mogelijk mee terug naar de folterkamer. Ze greep kapitein Montfort vast en net op het moment dat de pook klaar was, dwong ze Montforts hoofd in het water. De kapitein spartelde tegen, maar door zijn boeien kon hij niet bewegen. Neyrelle voelde zijn lichaam schokken en bleef zijn hoofd onder water houden tot hij stopte met zich te verzetten. Toen gaf de kapitein een laatste stuiptrekking en liet Neyrelle zijn hoofd voorzichtig los. Ongelovig keek ze naar het dode lichaam. De Nechoir keek boosaardig toe en barstte dan uit in een ijselijk lachen. Ze zou die lach nooit meer vergeten, net zoals ze nooit zou vergeten wat die betekende. “Het spijt me m’n kind,” zei Neyrelle zacht tegen Catherina terwijl ze haar hand vastnam. Maar er kwam geen reactie en Neyrelle voelde dat haar die misdaad nooit vergeven kon worden. 2. De Nechoir vertrok een paar dagen later weer naar het noorden. Neyrelle haalde opgelucht adem en het dagelijkse leven op de burcht hervatte zich weer. Jean-Filip wist intussen wel wat dat voor hem inhield. Veel meer dan boeken lezen en als Neyrelle er was schaak spelen, zat er voor hem niet in. De meeste gedeelten van de burcht werden voor hem afgeschermd en hij had dan ook geen contact met de militairen of ambtenaren op de burcht. Voor de rest was er enkel het personeel op de burcht, maar die behandelden hem afstandelijk, bijna schuw. Het nietsdoen irriteerde hem mateloos en wat dat betrof, zou zelfs een praatje met een bediende hem kunnen opvrolijken. Intussen was het hele Welshe continent in beroering. Na een maand reisde het gerucht over zee dat de onderhandelaar van Lenion nooit naar Wails was gevaren. De Nechoir bevestigde dat gerucht en binnen de kortste keren waren de gemoederen zo verhit dat er geen houden meer aan was. De wapenwedloop op het Welshe continent bereikte een hoogtepunt en een oorlog was nu niet meer te voorkomen. Het was alleen nog wachten op de oorlogsvloot van Lenion. Die was naar verluidt net begonnen met zijn tocht over de Grote Zee en zou wellicht over een maand verschijnen aan de Welshe kust. Het zou dan van de Bethunes voorzienigheid afhangen of hij het verstand had om eerst te onderhandelen met zijn vijanden vooraleer aan te vallen. Jean-Filip wist weinig van wat er buiten de burcht gebeurde. De weken verstreken zonder dat hij iets hoorde over wat er in het buitenland gebeurde. Als hij al eens iets te weten kwam, dan was het meestal via Neyrelle, maar ook zij was er niet altijd. De Nechoir wist hoe hij het best gebruik kon maken van zijn vrouw en stuurde haar dikwijls op weg voor een of andere opdracht. Zodoende kon Jean-Filip niks anders doen dan afwachten. Hij wist dat de Bethune voorzichtig genoeg zou zijn om Wails niet zomaar aan te vallen, maar dat betekende ook dat het einde van zijn gevangenschap nog lang niet in zicht was. De burcht was het enige waar Jean-Filip zich na verloop van tijd nog van bewust was. Het was een groot complex en hoewel Jean-Filip niet overal kon komen, was het een wereldje op zich. De Nechoirs hofhouding was er te vinden, net als een paar bestuursorganen zoals de Welshe rekenkamer en zijn militaire hoofdkwartier. Door alles te centraliseren op de burcht oefende De Nechoir controle uit op alles dat in zijn land gebeurde en gingen ook alle opbrengsten van de handel in zijn richting. Jean-Filip zou respect kunnen opbrengen voor de rigoureuze structuren die De Nechoir om zich heen had opgebouwd, als ze niet dienden om Wails leeg te zuigen. De Nechoir hield zichzelf stevig in het zadel door gebruik te maken van zijn leger en zijn geheime dienst. Het was ook het enige waar De Nechoir daadwerkelijk veel geld instak. Het leger belichaamde zijn zichtbare macht terwijl zijn geheime dienst ervoor zorgde dat die macht in alle gevallen ook van hem bleef. Er was ook geen enkele vesting ter wereld die zo sterk verdedigd werd als de Arendsburcht. Er waren zoveel soldaten te vinden dat het onbegonnen werk zou zijn De Nechoir hier ooit aan te vallen. De Nechoir bleef nooit lang weg van de burcht. Soms vereisten zijn bezigheden een verplaatsing buiten de burcht, maar over het algemeen bleef hij het liefst zo dicht mogelijk bij het Arendsnest. De Nechoir had indertijd behoorlijk wat veil gehad om deze burcht te veroveren en hij had heel goed geweten waarom. Het Arendsnest representeerde macht en eeuwigheid, het ene door het geslacht dat er in had gewoond, het andere door de onneembaarheid van de vesting. De Nechoir wist dan ook dat, zolang hij de Arendsburcht had, het hele land naar hem op zou kijken. Jean-Filip zag De Nechoir zelden of nooit. Over het algemeen wist hij wel wanneer de meester van de burcht er was, maar De Nechoir liet zich gelukkig niet in met zijn gevangenen. Jean-Filip veronderstelde dat hij en Catherina voorlopig geen nut meer hadden voor hem. De enige reden waarom De Nechoir hen wellicht in leven hield, was omdat hij misschien nog eens gebruik van hen kon maken. Zoveel had Jean-Filip intussen immers wel al begrepen van de man met de rode ogen. Hij was iemand die spelletjes speelde en graag nog wat troeven achter de hand hield indien de koning van Lenion zich niet gedroeg zoals hij wou. Catherina bleef stom. Het feit dat ze at en sliep als het moest, deed Jean-Filip geloven dat Catherina nog niet helemaal reddeloos verloren was, dat het maar een kwestie van tijd was. In werkelijkheid had Catherina nog maar weinig besef van wat er om haar heen gebeurde. Als ze al begreep dat ze een gevangene was van De Nechoir, dan was dat slechts op een oppervlakkig niveau. Ze keek als altijd even levenloos voor zich uit, alsof het haar niet uitmaakte of ze nu terplekke stierf of bleef leven. Het enige dat Jean-Filip en Neyrelle konden doen was haar te dwingen te blijven leven, elke dag opnieuw. Ondanks Jean-Filips zorgen was Catherina bij tijd en wijle erg ziek. Ze gaf soms over, had flauwtes, at met moeite. Toen Jean-Filip, Neyrelle vertelde over de symptomen haalde de vrouw haar wenkbrauwen op. Ze ondervroeg de kamermeisjes die moesten zorgen voor Catherina en begon te begrijpen wat er aan de hand was. Ze haalde er een dokter bij die Catherina even onderzocht en dan dezelfde vragen stelde aan de kamermeisjes als Neyrelle. Na een tijdje had hij een diagnose opgesteld, maar het was er geen waarmee hij echt uit de voeten kon. Neyrelle was geen vrouw die zich liet afschepen met een ‘ik weet het niet zeker’, dus was de dokter gedwongen het haar wel te zeggen. Hij zei dat hij vermoedde dat Catherina zwanger was. “Zwanger,” zei Neyrelle, want dat had ze al verwacht. Ze dacht aan de soldaten in het bos, maar kwam dan tot de conclusie dat het niet van hen kon zijn. Zij hadden immers niet de kans gekregen Catherina aan te raken. De dokter deed een uitleg waarin hij overbeklemtoonde dat niets zeker was, vooral omdat het meisje zelf niks kon vertellen. Maar, zei hij, als het inderdaad zo was, konden ze het meisje misschien wel helpen. Hij kende wel een paar vroedvrouwen die het konden verwijderen, mits een kleine betaling. Neyrelle joeg de man kwaad weg omdat het niet aan hem was daarover te beslissen. Dan keek ze peinzend neer op Catherina omdat het eigenlijk ook niet aan haar was om te beslissen. Maar Catherina kon onmogelijk uiting geven aan haar wensen in de staat waarin ze was. Neyrelle had een donkerbruin vermoeden wie de vader van dat kind kon zijn. Op zich was dat reden genoeg om Catherina het kind te laten houden. Toch was het nog maar de vraag of Catherina een zwangerschap in zulke omstandigheden wel kon uitdragen. Neyrelle wist zelfs niet of Catherina het kind eigenlijk wel wou. Wie vertelde haar immers of het kind wel echt van de zwarte man was? Neyrelle wist uit ervaring dat hij niet zomaar een kind kon verwekken. Maar als het dat wel was, dan was het het enige dat Catherina nog van hem had. Langs de andere kant zou Catherina een ongehuwde moeder zijn als Neyrelle haar het kind liet houden. Ze zou een kind op de wereld zetten dat door het leven zou gaan als een bastaard. Bovendien was er ook het probleem dat Jean-Filip zich tegen de zwangerschap zou verzetten. Zelfs al liet je buiten beschouwing dat de kroonprins geen vrouw zou kunnen huwen met een bastaardkind, dan was er ook nog het feit dat het zijn hart zou breken. Het zou hem meer dan wat ook duidelijk maken dat Catherina niet langer van hem hield. Tenzij ze hem vertelde dat een van de soldaten Catherina had aangerand in het bos, dacht Neyrelle, en ze overwoog de implicaties van die keuze. Er was dan wel de schande van een verkrachting, maar Jean-Filip hield zoveel van Catherina dat hij dat beter zou kunnen verteren dan dat er een andere man in haar leven was geweest. En niemand zou haar ooit kunnen beschuldigen van ontrouw als men iets over de bastaard te weten kwam. Neyrelle was immers niet bereid dat nieuwsfeit de wereld in te zenden als Jean-Filip ooit zou besluiten toch met Catherina te trouwen. Maar Catherina zelf? Kon ze de jonge vrouw wel toestaan een kind te dragen in haar staat? Was Catherina wel opgewassen tegen een zwangerschap? Zou het niet te zwaar zijn? Een vroedvrouw… Jean-Filip zou wel voor die keuze opteren, dacht Neyrelle, zeker als ze hem zou vertellen dat het een gevolg van een aanranding was. Zelf wist ze het niet zo. Ze piekerde een hele tijd, hopend op een teken dat er niet kwam. Tenslotte nam ze dan toch een besluit. Ze zou Jean-Filip niks zeggen over de zwangerschap. Op den duur zou hij er zelf wel achter komen en dan zou ze hem vertellen dat het misschien een kind van de soldaten was. De jongen zou geschokt zijn, maar tegen die tijd was het kind wellicht te groot om het af te drijven zonder gevaar voor Catherina zelf. Ze kon geen kind van Griffith doden en misschien zou de zwangerschap Catherina wat goed doen. Ze moesten maar hopen op het beste… Neyrelle gaf haar kamermeisjes de nodige instructies. Ze moesten Catherina zo goed mogelijk bijstaan in haar zwangerschap, maar er zeker niks van laten blijken aan de prins. De kamermeisjes waren verrukt. Ze waren hoe dan ook al dol op Catherina’s buitenaardse schoonheid en verheugden zich op de komst van haar ongeboren engeltje. Het feit dat de moeder niet voor het kind zou kunnen zorgen, deed de kamermeisjes speculeren over wie de zoogmoeder zou worden. Iedereen wilde de zorg over het kindje wel op zich nemen en er werd heel wat gepalaverd over wat voor baby het zou zijn. De een wou dat het een jongetje was, de ander een meisje. In ieder geval was iedereen het er over eens dat het een schat van een kind zou worden. Neyrelle kwam af en toe eens kijken naar Catherina. Neyrelle voelde zich verantwoordelijk voor haar en wilde niet dat er iets mis zou lopen met haar of het kind. De kamermeisjes zorgden echter goed voor Catherina en al bij al verliep de zwangerschap vrij normaal. Desondanks veranderde de zwangerschap weinig aan Catherina zelf. Buiten de fysieke verschijnselen, bleef Catherina even levenloos als altijd. Ze verdroeg de zwangerschapsverschijnselen met dezelfde onverschilligheid als de rest van haar leven en leek zich niet bewust te zijn van het leven in haar schoot. Dat stelde Neyrelle teleur want ze had gehoopt dat Catherina terug tot zichzelf zou komen als ze besefte dat Griffith niet helemaal verloren was. Het zou hard zijn voor het kind, dacht Neyrelle, want het zou ouderloos geboren worden. Jean-Filip merkte in eerste instantie niet op dat er iets aan Catherina veranderde. Hij was dikwijls bij haar en dus vielen de veranderingen niet zo erg op. Hij wist dat ze dikwijls ziek was, maar na een tijd leek het ergste voorbij te zijn. Ze zag er nog wel bleek uit, maar Jean-Filip hoopte altijd op het beste. Hij vond dat ze gewicht bij kreeg en zolang ze niet opnieuw regelmatig ziek werd, dacht hij dat ze aan de beterhand was. Toen Jean-Filip uiteindelijk begreep wat die bolle buik betekende, werd hij helemaal van zijn sokken gevaagd. Eerst dacht hij dat hij gek was, dan besefte hij dat Catherina inderdaad zwanger was. Door de kamermeisjes uit te horen, kwam hij te weten dat hij de laatste was in heel de burcht die daar achter kwam. Hij voelde zich een idioot, maar tegelijkertijd was hij razend omdat iedereen het voor hem had verborgen. Ziedend van woede ging hij naar zijn tante en bulderde dat ze geen recht had gehad dit voor hem verborgen te houden. “Ze is mijn verloofde! Enkel ik mocht beslissen wat er met dat kind zou gebeuren!” Neyrelle probeerde hem te sussen en zei dat het nu toch te laat was. Jean-Filip brulde dat hij dat kind eigenhandig zou vermoorden als het ter wereld zou komen. Neyrelle keek hem geschokt aan en vroeg of hij dat meende. “Dat kind had van mij moeten zijn!” riep Jean-Filip. “Hoe kon ze? Ze had beloofd mijn vrouw te worden!” Neyrelle begreep wat hem dwars zat en vertelde hem dat het niet Catherina’s schuld was. Ze loog over de mogelijke vader van het kind en toen Jean-Filip de schande besefte, werd hij eensklaps stil. Hij wist niet wat het ergste was: dat iemand Catherina had bezoedeld of dat ze zich had laten bezoedelen. Neyrelle probeerde hem er van te overtuigen dat ze nog steeds Catherina was, de vrouw waar hij van hield. Neyrelle drukte erop dat hij Catherina nooit iets mocht verwijten. De zwangerschap zou ook voor haar hard zijn en ze kon alle hulp gebruiken die ze kon krijgen. “Als je van haar houdt,” zei Neyrelle tegen Jean-Filip, “dan zal je van dat kind houden alsof het van jezelf is. Want als alles ooit op zijn plooi valt, zal er geen plaats zijn voor dat kind in de wereld. Dan kan het alle liefde gebruiken dat het kan krijgen.” Jean-Filip wist niet wat hij daarvan moest denken. Hij had behoorlijk wat uit te vechten met zichzelf, maar zijn gevoelens voor Catherina waren te sterk om te negeren. Hij kalmeerde. Het was te laat nu om nog iets aan het kind te doen en het zou nog een half jaar duren eer het geboren werd. In die tijd zou hij misschien kunnen uitmaken wat hij van het kind vond. En er zich mee verzoenen. Misschien. Hoofdstuk 3 1. Over de binnenkoer van de burcht liep een jonge man met een valk op zijn handschoen. De jongen was groot van gestalte met een brede rug. Hij had zwart haar en een gebronsde huid en als hij geen helblauwe ogen had gehad dan zou je kunnen denken dat hij van zuiderse afkomst was. Zijn pas was veerkrachtig en hij leek in een opperste beste stemming te zijn. Hij liep met een grote glimlach over de binnenkoer en genoot duidelijk van het goede weer. Zijn houding straalde iets innemends uit en je kon niet anders dan hem sympathiek vinden. Een valkenier kwam op hem af en de jongeman overhandigde hem vrolijk zijn vogel. “Goedenavond,” zei de valkenier tegen de jongeman, “hebt u nog iets gevangen?” De jongeman lachte en zei: “Je valk is veel te goed, Nigel. Van zodra zijn schaduw verschijnt, vlucht de heide leeg.” “Het spijt me te horen dat u geen goede vangst hebt gehad, mijnheer,” zei de valkenier, maar de jongen haalde de schouders slechts op. “Volgende keer beter. Maar dan vang ik een heel hert want dat heb ik na vandaag wel te goed.” Ze begonnen een praatje te maken over het weer toen plots een luide gil over de binnenkoer weerklonk. De jonge man keek om en zag een vrouwtje met veel kabaal uit de keukens naar hem toe komen. “Moedertje Geese!” riep de jongen uit en hij wierp haar de lucht in. Ze riep verschrikt dat hij haar neer moest zetten en na veel misbaar deed hij dat ook. Hij gaf haar een dikke knuffel om het goed te maken. “O m’n jongen,” zei het vrouwtje terwijl haar de tranen in de ogen sprongen, “wat heb ik je gemist! Ik dacht dat ik je nooit meer zou terugzien. O laat eens zien hoe je bent veranderd.” De jongen draaide zich volledig rond zodat ze hem eens goed kon bekijken. “Jongen, jongen,” riep het vrouwtje uit, “oh wat zeg ik nu? Jongen? Je bent een man geworden! En een grote ook nog. Waar heb je al die meters gevonden?” De jongeman lachte en zei: “Niet in het eten van het internaat want dat is barslecht. Als u eens wist hoe erg ik uw keuken heb gemist. En uw koekjes wat dat betreft…” Moedertje Geese sloeg haar handen voor de mond en riep: “Mijn koekjes! Wat heb ik het zo gemist dat je die altijd kwam stelen. Wil je er nog hebben? Ik heb er nog wat liggen. Of nee, ik ga er direct nieuwe bakken.” De jongen wist niet hoe snel hij moest zijn om haar tegen te houden. Hij bezwoer haar dat hij echt geen koekjes nodig had, maar moeder Geese wilde er niks van weten. Na een hele tijd heen en weer te hebben gediscussieerd, gaf de jongen zich over en liet hij moeder Geese vertrekken om nieuwe koekjes te bakken. Grinnikend keek hij het hobbelende vrouwtje na. “Zoveel jaren, en niks veranderd…” De valkenier nam hem terzijde op en zei: “Dat geldt niet voor u. Sinds u naar het college werd gestuurd, bent u een behoorlijk stuk volwassener geworden… U begint warempel op uw vader te lijken.” De jongen glimlachte onwennig. “Wel,” zei hij, “we zijn van dezelfde familie weet je.” De valkenier wilde dan de rest van zijn vogels tonen aan de jongen. Net op het punt dat ze naar binnen zouden gaan, zag de jongen ineens dat er iemand op de bank naast de deur zat. Ze zat wat verdoken in de schaduw van de rozelaar, maar de jongen zag haar evengoed toch. “Wie is dat?” vroeg hij de valkenier fluisterend want hij had zelden zo’n buitenaardse schoonheid gezien. “Zij?” zei de valkenier zacht. “Eh… Hebt u het gehoord over de prins van Lenion?” De jongeman keek de valkenier bedenkelijk aan en knikte. “Je zou kunnen zeggen… dat ze zijn gezelschapsdame is of hij… nou nee… In ieder geval komt ze hier wel vaker zitten. Ze is een echte schoonheid maar…” De jongen was al nieuwsgierig genoeg geworden. “Ik denk dat ik eens een praatje met haar ga doen,” zei hij, “is ze ook van Lenion?” “Ja, maar…” “Mh, doet er niet aan toe, ik ken haar taal wel een beetje…” “Maar ze spreekt niet,” zei de valkenier snel. Verrast keek de jongeman op. “Ze spreekt niet? Is ze stom?” “Dat weet ik niet, ik denk het niet.” “Maar ze zegt nooit iets?” “Nee, en in feite…” “Wauw, dat wil ik horen,” zei de jongen. Hij klopte de valkenier gemoedelijk op de schouders en slenterde naar het meisje toe. Hij bleef opvallend naast de poort leunen, maar ze keek niet naar hem om dus veronderstelde hij dat dit een dametje was dat zich niet gemakkelijk liet verschalken. Hij deed drie grote passen opzij en bleef naast de doornhaag staan. Ze was werkelijk adembenemend, dacht hij verward, en hij schuifelde nog een pasje dichterbij. Ze bleef voor zich uit staren. Dan sprong hij voor haar en knielde bij haar neer. “Hallo,” zei hij met een grote, brede lach die straalde van de opgewektheid. Catherina staarde recht op die glimlach. Een ogenblik lang veranderde er niets in de levenloze ogen van de jonge vrouw. Dan leek er iets in haar te vechten om aandacht. “Hallo,” zei hij nogmaals, ditmaal zachter. Catherina knipperde met de ogen en plots hief ze onzeker haar hand op. Met een frons tussen de ogen raakte ze zijn lippen aan. Even was hij verrast. Ademloos keek hij in haar mooie, veelkleurige ogen en wachtte af. Ze leek te aarzelen en de jonge man voelde dat ze opnieuw aan het wegglippen was. Hij nam voorzichtig haar hand vast en glimlachte opnieuw. “Mijn naam is Emilio. Ik begrijp dat je een ‘gast’ van de burcht bent?” Opnieuw leek ze zijn woorden niet op te vangen, maar was er dezelfde verwarring. Is het mijn lach, dacht de jongen verbaasd. Waarom was dat zo belangrijk voor haar? Misschien deed het er niet aan toe, dus nam hij haar beide handen vast en zei: “Kun je mij verstaan?” Ze leek zijn woorden wel op te vangen, maar het duurde even vooraleer ze ze kon ontcijferen. Dan volgde er een aarzelend knikje. “Kan je spreken?” vroeg hij zacht. Hij zag de terughoudendheid in haar ogen. “Wil je liever niet spreken?” Dat bevestigde ze. Hij was in zijn schik omdat ze eindelijk met elkaar communiceerden. “Kom je uit Lenion?” Ze knikte. “Ik kom van hier. Ik heb een tijd lang op de burcht gewoond, maar de laatste tien jaar heb ik in het binnenland gestudeerd. Niet dat ik hier niet wilde blijven, mijn vader wilde me gewoon straffen omdat ik ongehoorzaam was. Héél slecht idee trouwens, niet gehoorzamen, nooit doen, krijg je alleen maar heimwee van.” Omdat ze haar handen op haar schoot liet rusten en hij ze had vastgenomen, merkte hij ineens dat ze zwanger was. Een ogenblik was hij teleurgesteld. “Heb je me daarstraks gezien? Die vrouw van daarnet was Moedertje Geese. Zij bakt de beste koekjes van het hele continent. Ze zijn zelfs zo goed dat ik ze vroeger met de kilo ging pikken in haar keuken. Let wel: daar rekende ze op want anders bakte ze er nooit zoveel.” Ze gaf hem iets dat een poging was tot een glimlach, het soort van glimlach die na een lange winterslaap probeert te ontluiken. Emilio was verrukt. “Ben je hier samen met de prins van Lenion aangekomen?” vroeg hij dan, maar ze schudde het hoofd. “Met een ander schip?” Ze knikte. “Was het de bedoeling dat je naar Wails kwam of strandde je per ongeluk hier?” Dan bedacht hij zich. “Te moeilijk,” mompelde hij en hij probeerde een eenvoudigere vraag te bedenken. Plots begonnen zijn ogen te schitteren. “Hou je van koekjes?” Hij wachtte het antwoord niet af en hij sleurde haar overeind. Ze liepen naar het gebouw waar de keuken was. Emilio bleef even staan voor de voorkant en viseerde een klein raampje in de hoogte. Hij raapte een steen op van de grond en keek dan schalks om naar Catherina. “Even wachten, ik ben zo terug.” En hij gooide de steen hard via het raampje naar binnen. Blijkbaar raakte de steen iets want plots hoorden ze een hels kabaal van vallende potten en pannen. Emilio wachtte niet tot het kabaal was uitgestorven en spurtte naar de achterkant van het gebouw waar hij door een klein raampje klom. “Emilioooooooo,” riep een vrouw binnen, “weet je dan niet dat er deuren zijn?” Maar Emilio was in de tussentijd al terug buiten gekomen met een handvol koekjes. Moeder Geese stormde naar buiten en klopte hem met een spatel op het hoofd. Hij riep ‘ai, ai, ai’ en ze schold hem de huid vol omdat ze nu weer alles in orde moest brengen binnen. Ze zei dat hij nu onderhand toch wel wat te groot was geworden voor dat soort apenstreken en hij grinnikte als een lieve kwajongen. Moeder Geese verdween weer van het toneel en Emilio gaf Catherina trots een paar van zijn veroveringen. Ze at van de koekjes zonder haar ogen van hem los te laten. Ze had hem wel willen vragen of hij was wie ze dacht dat hij was, maar ze werd telkens overrompeld door zijn warme glimlach die zoveel leek op die van… Op dat ogenblik kwam er iemand naar hen toe. “Goedenavond,” zei Jean-Filip zacht terwijl zijn ogen voortdurend van Catherina naar Emilio gingen en terug. Hij vroeg zich af wie de jonge kerel was in Catherina's buurt en wat hij van haar wou. Emilio gaf hem geen kans om iets op te merken en stak hem bruusk een van de koekjes toe. “Koekje!?” De prins knipperde even met de ogen en nam het bedremmeld aan. “Ik ben Emilio,” zei de ander dan, “ik ben nog maar een dag terug op de burcht dus je zal me even moeten verontschuldigen als ik jou niet ken.” Jean-Filip haalde zijn beste, dus nogal gebrekkige Welsh boven en zei: “Mijn naam is Jean-Filip Lacroix.” “O, jij bent de prins van Lenion!” zei Emilio terwijl hij van zijn koekje knabbelde. “Nou, dat had ik eigenlijk kunnen weten,” zei hij verontschuldigend. Dan wees hij naar Catherina. “Ik geloof dat jullie twee elkaar kennen,” zei hij. Jean-Filip keek Catherina even onderzoekend aan. “Ja… Zij is… mijn verloofde…” Emilio keek even naar haar buik. “Ah zo,” zei hij en hij richtte zich dan tot Catherina. “En de naam, madame de kroonprinses?” “Ze zal niet antwoorden, vrees ik,” zei Jean-Filip, “maar haar naam is Catherina.” Emilio liet zijn ogen niet van haar los. “Niet antwoorden? We hebben nochtans flink met elkaar geconverseerd daarnet, nou ja, ik gepraat, zij geknikt, maar dat geldt ook wel.” Jean-Filip keek hem als versteend aan, maar dan zag hij Catherina’s blik en wist hij dat het waar was. Wat hem niet was gelukt al die maanden, had een vreemdeling in een handomdraai gedaan. Even was hij verbitterd, maar hij kon niet anders dan het over zijn kant te laten gaan. “Zeg mensen,” zei Emilio plots, “ik sterf eigenlijk van de honger. Hebben jullie al gegeten? Anders houden we een diner in de Grote Zaal. Da’s een eeuwigheid geleden en als ik eens met Moedertje Geese spreek dan mogen we er vast wel binnen.” De jonge man sloeg zijn armen om Catherina’s en Jean-Filips schouders en leidde hen vrolijk pratend naar binnen. Tijdens het diner liet Emilio, Jean-Filip vertellen over alles wat hem was overkomen in de laatste maanden en tot zijn eigen verbazing deed Jean-Filip het nog ook. De opgewektheid van de Welshe jongen werkte aanstekelijk en het was dan ook moeilijk iets voor hem verborgen te houden. Ze waren bijna gedaan met eten toen Jean-Filip eindelijk vroeg wie Emilio juist was en wat hij met het Arendsnest te maken had. Het was echter Neyrelle die de vraag beantwoordde want de burchtvrouw kwam op dat moment net binnen. “Hij is mijn zoon,” zei Neyrelle met iets van trots, “dat heeft hij met het Arendsnest te maken.” Emilio sprong op en liep op haar toe. “Mammaatje!” riep hij uit en gaf haar een warme omhelzing. Neyrelle beantwoordde de omhelzing en leidde dan haar zoon terug naar de tafel waar Jean-Filip hem even verrast aankeek. “Ik had het eigenlijk wel kunnen weten,” zei de jonge prins, “maar Emilio kletste zo rad dat ik niet de kans kreeg na te denken.” “Ja,” zei Neyrelle, “zo ken ik m’n jongen weer. Ik was naar de burcht gekomen om je nog eens te zien, Emilio, en om je aan onze gasten voor te stellen. Maar blijkbaar was je me al voor… “ Emilio grijnsde verlegen onder de aandacht van zijn moeder en liet zich beduusd langs alle kanten bekijken. Het was al een paar jaar geleden dat moeder en zoon elkaar nog eens hadden gezien, legde Emilio aan Jean-Filip uit. Emilio kwam zelden naar huis terug en Neyrelle mocht haar zoon enkel opzoeken als haar man het toestond. Jean-Filip begreep toen wat Neyrelle bezielde om ondanks alles toch aan haar man te blijven gehoorzamen. Neyrelle moest elke dag doodsangsten uitstaan voor haar oudste zoon. Emilio liet de stemming niet breken en begon te babbelen over andere dingen. Al snel was de avond voorbij en moesten ze zichzelf dwingen om op te staan en te gaan slapen. Toen Catherina en Jean-Filip weg waren gegaan, bleef Neyrelle even met haar zoon achter. “Ik ben blij dat je terug bent,” zei Neyrelle nogmaals, “ik had niet verwacht dat Marcos je nog ooit zou laten terugkomen.” Emilio haalde de schouders enkel op. “Of ik nu nog eens op bezoek kom of niet doet er weinig aan toe. Hij weet dat ik toch nooit aan hem kan ontsnappen zolang hij dreigt jou of Ramirez te kwetsen.” “Ach jongen…” “Maar toch ben ik blij hier nog eens terug te komen. Ik heb de burcht gemist!” zei hij. “Weet je hoe lang je mag blijven?” vroeg Neyrelle. “Jawel, de hele zomer!” antwoordde hij. “De hele zomer? Zou hij er een bedoeling mee hebben?” Emilio lachte. “Mamaatje, niet altijd zo negatief zijn. Ik ben hier, dat is het belangrijkste!” “Ja, en daar ben ik blij om. Hier weet ik tenminste hoe het met je gaat.” “Is Jean-Filip eigenlijk mijn neef?” vroeg Emilio plots alsof hij uit de lucht kwam vallen. “De hertogin was mijn zuster,” zei Neyrelle, “dus in feite wel.” “Maf,” zei Emilio, “ik had nooit gedacht dat ik iemand van die tak van de familie aardig zou vinden. Maar hij is wel sympathiek, op zijn eigen manier.” “Jean-Filip is een goede jongen,” zei Neyrelle, “hij is heel verschillend van de Bethune of mijn zuster.” “Mja, en hij verafgoodt Catherina als ik het goed heb gezien. Toen ik op de binnenkoer met haar aan het praten was en hij naar ons toe kwam, leek het wel alsof hij me ging villen.” “Ik denk dat je wat tijd met Catherina zou moeten doorbrengen,” zei Neyrelle daarop. “Je gezelschap heeft haar blijkbaar goed gedaan.” “Was Catherina, Jean-Filips verloofde?” vroeg Emilio van terzijde. “Ja…” “Is ze dan zwanger van hem?” “Emilio,” zei Neyrelle aarzelend, “ik moet je ergens over spreken… Ik ben bang dat ik slecht nieuws heb… over Griffith.” Onmiddellijk was Emilio gealarmeerd. “Er is iets gebeurd.” Neyrelle knikte moeilijk. “Griffith zat op het schip waarmee Catherina naar hier is gekomen.” “Ja, daar heb je me over geschreven. Vertel me in hemelsnaam niet dat de Bethune hem achterna is gegaan en hem heeft kunnen onderscheppen!” “Ik vrees dat het erger is, Emilio. Griffith heeft de Megafor niet verlaten na Verona en zat nog op het schip toen het werd gekelderd,” zei Neyrelle stil. “W… Hij heeft het schip niet verlaten? Maar…” “Hij is dood, Emilio. Toen hij en Catherina aan land kwamen, hebben Marcos’ soldaten hem met de andere zeelui gedood.” Emilio keek zijn moeder met grote ogen aan en het duurde een hele tijd eer de betekenis van haar woorden tot hem doordrong. “Griffith, dood? Ben je daar absoluut zeker van?” “Mijn koetsier Patrick heeft het voor me geverifieerd…” Emilio schudde ongelovig het hoofd. “Dat kan niet. Griffith is onsterfelijk. Hij is een Woolf.” En dan schudde hij het hoofd opnieuw. “Ik heb nooit de kans gekregen om afscheid van hem te nemen...” Neyrelle zuchtte. “Ik weet het, kleintje. Ik weet dat jullie als kinderen bloedbroeders.” Emilio zette zich broedend neer op een stoel. “Dus hier eindigt het, nietwaar? We zullen Wails nooit kunnen bevrijden zonder hem. En Marcos lacht natuurlijk in zijn vuistje want die weet wel wie hij uitgeschakeld heeft.” “Marcos maakt me bang,” zei Neyrelle dan. Emilio keek op naar zijn moeder en Neyrelle zei: “Marcos heeft er altijd mee gedreigd om jou te doden als ik niet deed wat hij wou, maar het laatste jaar heeft hij me steeds minder nodig. Bovendien begint Ramirez op leeftijd te komen en is Marcos’ opvolging verzekerd. Ik ben bang dat Marcos zich van me gaat proberen te ontdoen.” “Moeder…” “Ik kan Ramirez niet redden van de invloed die Marcos op hem heeft - de arme jongen weet nog geeneens wie zijn moeder is. Maar ik zou willen dat je jezelf redt, Emilio, als het ooit zo ver komt. Hij heeft jou alleen maar nodig om mij in toom te houden en eens ik weg ben, zal hij zich ook van jou proberen te ontdoen. Soms wou ik daarom dat je nooit in opstand was gekomen tegen hem…” “Ik ken hem, moeder. Ik weet dat Marcos zich enkel interesseert in wat nut heeft voor hem. Voor mij zal die man nooit een vader zijn.” Neyrelle zette zich naast hem neer. “Genoeg van die donkere gedachten,” zei ze stil. “Hoe zijn we op dit onderwerp gekomen?” “Je vertelde over Griffith,” zei Emilio bitter. “Griffith,” herhaalde Neyrelle en dan keek ze ineens bruusk op. “Emilio, je moet voor Catherina zorgen als ik er niet ben. Laat Marcos haar nooit kwaad doen en bescherm het kind als Jean-Filip het niet wil.” Emilio fronste de wenkbrauwen, maar Neyrelle ging op fluistertoon verder: “Ze draagt zijn kind: Griffiths kind.” 2. Jean-Filip voelde een scheut van pijn door hem heen gaan toen hij merkte dat Catherina meer tijd met Emilio begon door te brengen dan met hem. Het effect dat Emilios gezelschap op haar had was overweldigend. Ze zei nog altijd geen woord, maar ze schitterde wanneer Emilio in haar buurt was. Jean-Filip wenste dat hij het geheim kende van Emilios toverkunst. Desondanks waardeerde Jean-Filip de aanwezigheid van de Welsh. Buiten het feit dat hij zo’n positief effect op Catherina had, was Jean-Filip zelf ook wel verknocht aan de openhartige jongeman. Hij hoopte dan ook dat Emilio nooit zou weggaan. Emilio deed wat zijn moeder hem had gevraagd en zorgde zo goed als hij kon voor Catherina. Emilio had er niet lang voor nodig om te begrijpen dat Catherina inderdaad zielsveel van zijn bloedbroeder had gehouden zoals zijn moeder hem had verteld. Wanneer Emilio vertelde over de tijd dat hij en Griffith samen op de burcht hadden geleefd, luisterde Catherina altijd aandachtig. Ze glimlachte als hij over hun kwajongensstreken vertelde en knikte als ze zich iets herinnerde dat Griffith haar had gezegd. Emilio vertelde haar dat Griffith een enorme invloed op hem had gehad. Vanaf de dag dat ze elkaar hadden ontmoet in de keuken van Moedertje Geese, hadden ze met elkaar opgetrokken. Griffith had Emilios mening over zijn vader totaal veranderd en uiteindelijk had Emilio zich daardoor tegen De Nechoir gekant. De Nechoir had onmiddellijk begrepen waar het schoentje wrong en had Emilio naar een college in het binnenland laten brengen. Griffith vertrok niet veel later naar Lenion. De Nechoir liet Emilio evengoed niet terugbrengen omdat hij Neyrelle in het gareel wilde blijven houden. Om te voorkomen dat Neyrelle er ook voor zou zorgen dat zijn jongste zoon zich van hem afkeerde, liet De Nechoir de jongen buiten de burcht opvoeden. Ramirez had in heel zijn leven zijn familie waarschijnlijk nog maar een paar keer gezien. Toen Griffith naar Lenion was vertrokken, had Emilio reikhalzend uitgekeken naar zijn terugkeer. De stap naar Lenion was logisch omdat De Nechoir al zo lang de vijand was geweest van de Bethune. Maar hij had altijd gedacht dat Griffith zou terugkeren om De Nechoir definitief te verslaan. Het was dan ook een schok voor hem dat Griffith nooit meer zou terugkomen. Intussen groeide het kind in Catherina’s schoot en naarmate haar buik voller werd, groeide ook haar liefde ervoor. Jean-Filip begreep die liefde niet, maar was blij genoeg voor haar om er niet naar te vragen. Emilio daarentegen begreep die gevoelens maar al te goed. Hij benijdde Griffith om de liefde die blijkbaar nog steeds in haar leefde en wenste het kleintje alle geluk toe dat het kon krijgen. Toen Emilio een maand op het Arendsnest was, was Catherina zo bolrond dat Emilio haar de Big Mamma noemde, een koosnaampje dat terugsloeg op ‘de big green mamma’, de naam die de Welshen hun land gaven. Catherina liet het zich welgevallen, waarschijnlijk omdat ze Wails als haar tweede moederland was beginnen beschouwen. Rond die tijd zag Catherina, De Nechoir voor een tweede maal toen ze elkaar in een gang kruisten. Ze reageerde niet op hem toen ze in zijn rode ogen keek, maar niettemin herkende ze hem toch. De Nechoir kon niet anders dan haar staat opmerken en was onmiddellijk geïnteresseerd in de mogelijke vader. Het zou immers een mooie complicatie zijn als de jonge kroonprins de vader van het kind was. Helaas bleek de brave adelborst niet zo pervers te zijn als De Nechoir had gewild, dus liet hij Jean-Filip met rust. Catherina daarentegen begon hem meer te interesseren. De Nechoir vroeg zich af of de Bethune zijn voormalige vertegenwoordiger geheimen had ingefluisterd voordat hij haar naar Wails had gestuurd. Hij dacht dat het best wel eens interessant kon zijn om haar te laten ondervragen. Nu ze immers terug bij zinnen leek te zijn gekomen, zou haar tong het ook wel weer doen, mits ze te stimuleren onder extreme omstandigheden. Emilio was niet op de burcht aanwezig toen hij hoorde dat De Nechoir terug op het Arendsnest was. Zolang zijn bewakers meegingen, kon hij gaan en staan waar hij wou, dus was hij naar buiten getrokken, op zoek naar manieren om Catherina veilig uit de burcht te krijgen. Al snel keerde hij terug naar het Arendsnest omdat hij enerzijds toch werd geschaduwd door zijn vaders mannen en hij anderzijds ook ander nieuws had. Catherina vloog hem om de hals toen hij aankwam en gaf hem een kus. Emilio sloeg zijn arm om haar en Jean-Filip heen en liep met hen over het plein. “Ik heb nieuws,” zei hij. “Nieuws van Lenion?” vroeg Jean-Filip gretig, want hij bleef hopen dat de Bethune hen kon redden. Emilio moest hem teleurstellen want het ging om binnenlands nieuws. De Welshe koning was gestorven en dat betekende dat dit het ogenblik was voor de Welshe kroonprins om zijn troon op te eisen. Tot nog toe was dat nooit gelukt omdat De Nechoir hem buiten de Welshe politiek had weten te houden. Dat kon veranderen nu, nu de officiële gezagsdrager van Wails dood was. De Welshe kroonprins bleef ondanks zijn verbanning immers de enige wettige erfgenaam terwijl De Nechoir tot dan toe enkel in naam van de oude koning had geregeerd. Als de Welshe kroonprins het goed aanpakte zou hij niet alleen de steun van zijn volk kunnen krijgen, maar ook van de koningshuizen buiten Wails aan wie hij verwant was. Die koningshuizen gaven immers liever de voorkeur aan iemand die aan hen gerelateerd was, dan aan een usurpator van een ander continent. Het moest voor De Nechoir een enorme tegenvaller zijn dat de Welshe koning juist op dit ogenblik was gestorven, net nu hij de hulp nodig had van de buitenlandse koningshuizen om de Bethune van zijn deur weg te houden. Als de Welshe kroonprins zijn bondgenoten zou mobiliseren om hem bij te staan in zijn eisen, dan zou dat hun alliantie kunnen opblazen. De Nechoir zat dan ook in een netelig parket omdat hij altijd zelf de Welshe troon had willen bestijgen. Emilio keek het met een zeker leedvermaak aan. Hij stelde zich voor dat de kroonprins de Welshe buurlanden aanzette om De Nechoir te laten vallen om hem te steunen. Daardoor kon de Bethune, Wails binnenvallen en zou er eindelijk wat veranderen. In zijn eindeloos optimisme beschreef Emilio volksopstanden, de bestorming van het Arendsnest en de verdrijving van De Nechoir. Daarna zag hij de glorieuze terugkeer van de Welshe kroonprins gevolgd door de wederinvoering van het Hooghuis. Hij sprak met zoveel overtuiging dat Jean-Filip het nog bijna ging geloven ook. Maar Jean-Filip maande Emilio niettemin aan tot voorzichtigheid. De Nechoir had veel invloed op zijn buurlanden en het zou hem niet verbazen als De Nechoir er in zou slagen om zijn bondgenoten te overhalen de Welshe kroonprins te laten vallen. Emilio lachte maar eens om zijn eigen enthousiasme en zei dat de prins zoals gewoonlijk gelijk had. Daarop liet hij Jean-Filip alleen, want hij wilde Catherina even voor zich alleen hebben. Hij trok haar mee de tuinen in en liet haar neerzitten tegen een boom. Hij ging naast haar liggen en vertelde dan het overige nieuws. “Er is ook wat aan de gang in het zuiden,” zei hij. “Ik heb van mijn vriend gehoord dat iemand Marcos flink op z’n nummer aan het zetten is. Toen Marcos een aantal belangrijke boodschappen wilde verzenden naar zijn generaals in het noorden, heeft iemand die weten te onderscheppen zodat de hele boel er in het honderd liep. D’er zijn ook een aantal konvooien onderschept geweest waardoor de bevoorrading stil is gevallen. Marcos is in ieder geval woedend en gelooft dat er een bende aan het werk is. Ik weet niet of het om mensen van de kroonprins gaat, maar Marcos heeft in ieder geval een beloning uitgeloofd aan iedereen die hem meer informatie kan geven.” Emilio keek op naar Catherina en zei dan: “De acties van de rebellen waren veel te doelgericht om een toevalstreffer te zijn geweest. Misschien is er dan tenslotte toch nog hoop op een opstand.” Emilio zette zich op zijn knieën naast haar. “Misschien zal je kind nog in vrijheid geboren worden. Wanneer denk je dat je kleintje er zal zijn? Nog een maand. Nee, dat zal misschien wat te kort zijn.” Hij keek naar haar volle buik. “Hij wordt groot, nietwaar? Ik vraag me altijd af hoe je dat gewicht zo gemakkelijk kunt dragen. Doet hij je nooit pijn?” Catherina lachte. Emilio wist dat het kleintje soms schopte omdat ze dan haar handen op haar buik legde om het beter te kunnen voelen. Ze schudde het hoofd en toen werd Emilio nieuwsgierig naar het leven in haar. “Kan ik ‘m aanraken?” vroeg hij gretig. Catherina nam zijn hand vast en legde die op haar buik. Emilio zette zich schrijlings over haar heen en legde ook zijn andere hand op haar buik. Het duurde heel lang eer er iets gebeurde, maar tenslotte voelde hij toch iets dat zwakjes leek op het bewegen van de baby. “Ik kan hem voelen!” riep Emilio uit en hij legde zijn gezicht tegen haar buik aan. Het was een overweldigende ervaring voor hem, zoiets onmogelijks te voelen leven. Hij luisterde en voelde nog een tijd langer tot plots Catherina haar armen om hem heen legde en hem met tranen in de ogen tegen zich aan drukte. Emilio keek langzaam op en hij zag haar naar hem kijken met een intens gelukkig gezicht. Ze hief haar vingers naar zijn gezicht en streelde het, achter zijn gezicht een ander ziende. Emilio liet het overweldigd toe. Nooit had hij haar zo bewogen, zo gelukkig gezien. En ze was op dat moment mooier voor hem dan ze ooit was geweest. Hij nam haar toen in zijn armen en drukte haar tegen zich aan. Hij kon op dat moment niks anders doen dan haar kussen, terwijl zijn hart mateloos hard tegen zijn ribben sloeg. Dan besefte hij ineens met een schok dat ze hem niet omarmde, maar een geest uit hun verleden en stond hij met een ruk op. “Het spijt me,” zei hij verward. “Ik denk dat ik van je houd, ik ben niet zeker. Maar ik ben niet Griffith en het zou fout van me zijn om je te doen geloven dat ik het wel was.” Ze keek hem met haar zachte reeënogen aan en het deed hem pijn dat die blik niet voor hem bestemd was. Vlug keerde hij zich om en liep weg. Terwijl hij over het plein ging, liep hij Jean-Filip voorbij die zich nog steeds op dezelfde plek bevond als waar hij hem had achtergelaten. Voor het eerst wilde hij een gesprek met de jonge prins ontwijken, maar dan zag Emilio dat Jean-Filip er maar pips uitzag en bleef hij toch staan. Jean-Filip keek met droevige ogen op naar Emilio en zei schor: “Ik ben Catherina aan het verliezen, is het niet?” Emilio schrok van de bitterheid in zijn stem. “Ik denk trouwens dat ze eigenlijk nooit van mij is geweest,” ging Jean-Filip verder. “Ik had het kunnen weten toen ik haar hier terugzag op de burcht en ze zelfs niet op mij reageerde. Maar tegenwoordig is het wel meer dan duidelijk. Ze lijkt jou in ieder geval liever te hebben dan mij en ik denk niet dat je daar rouwig om bent. Dus vertel me eens, Emilio, hoe stom ben ik dat ik desondanks toch nog van haar blijf houden? Kan jij me dat verklaren?” Emilio zei aarzelend: “Het spijt me dat ik je pijn heb gedaan, maar als het je een troost mag zijn: Catherina houdt ook niet van mij en heeft dat trouwens ook nooit gedaan.” Jean-Filip schokschouderde en zei leeg: “Ik denk dat je daar jezelf tekort doet…” Emilio schudde het hoofd. “Catherina heeft nooit van jou of van mij gehouden. Ze houdt daarentegen wel zielsveel van iemand anders die ik ooit heb gekend en met wie ze mij associeert.” Jean-Filip keek op. “Dat kan niet. Als ze van iemand had gehouden dan zou ze nooit met mij hebben willen trouwen. …Tenzij ze daarna iemand heeft ontmoet, maar dat kan nauwelijks. Ze was alleen op het schip, op de zeelui en haar bediendes na. …Niet?” Emilio keek hem doordringend aan. “Het spijt me Jean-Filip…” De prins keek hem verbijsterd aan. “Een zeeman? Ben ik dat maar waard? Wat bezielt haar?” Maar Emilio schudde zijn hoofd. “Niet zomaar een zeeman. Ik heb hem gekend, en jij ook. Hij is bootsman geweest op kapitein Montforts schip en is dat ook altijd gebleven. Na de dood van de kapitein heeft hij zich laten introduceren aan je moeder en is hij ook jullie raadsman geworden.” Even staarde Jean-Filip, Emilio aan en dan barstte hij uit in lachen. “Je bedoelt dat Jago, die dan ook nog een zeeman zou zijn, de reden zou zijn waarom Catherina niet langer van me houdt? Catherina haat Jago! En bovendien zou ze nooit op hem verliefd kunnen worden omdat ze weet hoe harteloos Jago is.” Emilio liet zich niet van de kaart brengen. “Griffith Jago,” zei Emilio zacht, “heet in werkelijkheid Griffith Woolf en was de zoon van de vroegere burchtvrouw. Hij is wel degelijk zeeman geweest aan boord van de Megafor en toen Catherina voor jou naar Wails vertrok, is hij met haar meegegaan aan boord van dat schip. Je mag me geloven of niet, maar Griffith heeft vrijwel zeker een verhouding met haar gehad en het kind dat ze draagt is volgens mij van hem.” Jean-Filip greep Emilio vast en schreeuwde: “Dat kan niet! Jago zou me nooit verraden! Hij koos haar voor mij uit! Hij heeft nog nooit van iemand gehouden!” Emilio liet zich dooreen schudden en wachtte tot Jean-Filip begreep dat hij het meende. Jean-Filip bedaarde vrijwel ogenblikkelijk en keek Emilio ontzet aan. “O mijn hemel.” “Ik weet dat het hard is, maar het is de waarheid. Verwens er haar echter niet om want ze heeft haar liefde al moeten verliezen. Wees nu haar vriend en zorg voor haar. Want als ze ooit teruggaat naar Lenion, zal ze alle hulp kunnen gebruiken die ze kan krijgen.” Jean-Filip sloeg de handen vermoeid voor het gezicht. “Je weet niet wat je vraagt.” Emilio knikte begrijpend en klopte Jean-Filip maar eens op de schouder. Hoofdstuk 4 1. De berichten van rellen werden steeds talrijker. Helaas hadden ze niks met de Welshe kroonprins te maken want na de dood van zijn vader leek hij maar geen gebruik te kunnen maken van de kans die hem werd geboden. Bovendien was De Nechoir er in geslaagd iedereen te doen geloven dat de Lenionen achter de dood van de koning zaten wat de haat voor Lenion in het buitenland alleen maar groter maakte. De geruchten over het verzet kwamen dan ook meer uit het zuiden waar de kleine rebellengroep steeds meer aan slagkracht leek te winnen. Die bende leek goed te weten wat de zwakke punten waren in De Nechoirs systeem want in plaats van blindelings te proberen om de soldaten te doden, richtten hun acties zich op het ondermijnen van De Nechoirs communicatienet, het kapen van transporten en vooral, het influisteren van opstandigheid bij de bevolking. De acties waren niet van zo’n schaal dat De Nechoir hoefde te panikeren, maar toch was hij zich er goed van bewust hoe ongrijpbaar die bende was en wat het effect kon zijn als ze langere tijd hun gang konden gaan. Zijn methodes om informatie in te winnen over de bende werden wat drastischer en tenslotte wist De Nechoir dan toch al wat meer over hen dan ervoor. Het bleek om een groep van ongeveer vijfentwintig man te gaan waarvan niemand de namen kende. De meeste van hen waren dissidente soldaten of aanhangers van de vroegere burchtgravin Guenevere Woolf, maar een echt duidelijk beeld kreeg De Nechoir niet van hen. Voorlopig waren de rebellen even ongrijpbaar als de wind en was De Nechoir gedwongen hen met rust te laten. De zaken in het noorden vroegen zijn aandacht en hij moest afreizen van het Arendsnest voordat hij beslist had wat hij met de rebellen zou doen. Later zou hij wensen dat hij wel komaf had gemaakt met de rebellen toen er nog tijd was geweest. De Nechoir had beslist dat zijn jongste zoon Ramirez naar het noorden moest worden gebracht zodat hij zich beter kon inlaten met zijn opvoeding. De jongen was onder militaire begeleiding op weg gegaan, maar niet lang nadat ze waren vertrokken, was het konvooi in handen gevallen van de rebellen. Of ze het nu gemunt hadden op de jongen of dat hun aanval een zoveelste poging was om een van De Nechoirs konvooien uit te schakelen, het resultaat was hetzelfde. Alle soldaten die het konvooi vergezelden werden afgeslacht. Slechts één soldaat overleefde het bloedbad om het relaas aan De Nechoir te vertellen. Hij vertelde hoe twintig rebellen hen in een val hadden gelokt en niemand hadden gespaard. Ook niet De Nechoirs jongste zoon. Toen De Nechoir hoorde dat ook Ramirez dood was, liet hij de soldaat tot in het detail vertellen wat er was gebeurd. De soldaat vertelde dat de man die de rebellen had aangevoerd, na het bloedbad in de koets had gekeken en de jongen er uit had gehaald. De jongen was doodsbang geweest en toen had de rebellenleider hem neergestoken met een dolk. De Nechoir eiste woest een beschrijving van de rebellenleider, maar de soldaat mompelde ontredderd dat hij zijn gezicht nooit had gezien. Hij had alleen een naam opgevangen terwijl hij zich dood had gehouden. En die naam was de ‘Schaduwloper’. De Nechoir kon het niet verdommen hoe de rebellen hun leider noemden. Ramirez was zijn opvolger geweest en de dood van de jongen stuurde zijn plannen met Wails helemaal in de war. De Nechoir stuurde in zeven haasten mensen naar de plaats van de overval om te laten nagaan of de jongen daadwerkelijk dood was. Natuurlijk hadden de rebellen geen sporen achtergelaten van de slachtpartij, maar De Nechoir twijfelde er niet aan dat de soldaat de waarheid had gesproken. De Nechoir begon vanaf die dag verwoed jacht te houden op de rebellen. Hij stuurde zijn spionnen op pad en arresteerde iedereen die ook maar mogelijk iets te maken kon hebben met de verzetsstrijders. Hij vond echter nooit een concreet spoor, enkel geruchten en die geruchten kwamen niet altijd overeen. Vooral over de leider van de rebellen bestond nogal wat onenigheid. De ene zei dat het een grote man was, de andere een kleine, maar niemand kon een juiste omschrijving van hem geven. Hij werd nu ook door andere mensen ‘de Schaduwloper’ genoemd omdat hij niet in het daglicht werkte. Zijn acties lokten veel sympathie uit bij de Welshe bevolking. Voor De Nechoir was het alleen maar een reden te meer om hem zo snel mogelijk uit de weg te ruimen. De acties van de rebellen begonnen toen ook steeds drastischer te worden. Hoewel ze voort bleven doen met hun sabotages, begonnen ze nu ook echte aanslagen te plegen. Munitiedepots leken het favoriete mikpunt te zijn en de aanslagen werden een echte plaag. De aanhang van de rebellen begon ook steeds groter te worden. Niet alleen leken er zich steeds meer mensen bij het verzet aan te sluiten, de rebellen waren ook georganiseerd genoeg om de toevloed op te vangen. Geen enkele keer slaagde De Nechoir erin een rebellenkamp te overvallen. Wat er anderzijds wel gebeurde, was dat zijn eigen spionagenetwerk werd geïnfiltreerd door de rebellen. Het begon De Nechoir langzaam te dagen dat hij meer om handen had dan hij oorspronkelijk had gedacht. Toch was het verre van zeker dat de rebellen ooit De Nechoir de baas zouden worden. Marcos De Nechoir was geen dwaas en hij maakte weinig fouten waar de rebellen gebruik van konden maken. De Nechoir gokte dat hij de rebellen op de knieën kon krijgen als hij maar geen toegevingen deed. En dat bleek ook de beste strategie te zijn. Intussen ging het leven op de burcht gewoon verder. Neyrelles hart was gebroken toen ze haar vertelden dat haar kleinste jongen dood was, maar Emilio steunde haar en haalde haar door de moeilijke periode. Niettemin konden noch Emilio noch Jean-Filip begrijpen waarom de rebellen de jongen hadden gedood. Ze keurden het af, maar hun sympathie voor de rebellen haalde uiteindelijk toch de overhand. Ze hadden immers al zo lang op verzet gewacht en nu was die tijd blijkbaar aangebroken. Emilio hoopte alleen dat er na Ramirez geen andere onschuldige slachtoffers meer zouden vallen. 2. Catherina bewoog zich stil doorheen de gangen van de grote burcht. Ze gleed voorbij geblakerde muren die nog getuigden van oud en bitter leed en probeerde die plaatsen te vinden waar ze haar kind over wilde vertellen. Ze kon de geesten van het verleden horen murmelen en luisterde naar hen terwijl andere mensen verstrooid voorbij liepen. Ze hoorde de stemmen tegen haar zeggen dat hun meester nog nooit was gestorven. Uiterlijk en ouderdom had hij gewisseld, maar de meester was altijd dezelfde gebleven. Ze spraken met hun meester nu, die geduldig in haar schoot luisterde en de dingen kende waarover ze spraken. Ze zeiden dat ze blij waren dat hij terug was, dat hij de burcht niet had mogen achterlaten in de handen van de man met de rode ogen. Catherina glimlachte omdat ze hoopte dat het inderdaad een ‘hij’ zou worden en ze het kind ‘Griffith’ kon noemen. Ze was afgedwaald en merkte dat ze in een vleugel was terechtgekomen die ze niet kende. Ze stopte even en hoorde dan stemmen die uit een vertrek verderop leken te komen. “…waarover ik me zorgen maak. Maar wat als hij doorkrijgt dat hij wel eens van de rebellen gebruik kan maken?…” Catherina kwam wat dichterbij. “…betalen, zoals altijd…” Ze hoorde de stem van De Nechoir duidelijk en aan het gebrom te horen was hij met een viertal mensen in zijn kamer. “… Hij is tevreden met het geld dat we hem geven. Hij wil alleen royaal kunnen leven en meer wil hij niet...” Catherina zette zich met haar rug tegen de deurpost en bleef er staan tot De Nechoir gedaan was met zijn besprekingen. De mannen kwamen tenslotte uit de kamer, gevolgd door De Nechoir die hen nog een laatste order gaf. Plots zag De Nechoir, Catherina staan en stopte hij bij haar. “Wel wel,” zei hij terwijl hij haar kin wat ophief. “Als het niet de gezelschapsdame van dienst is. Ik heb gehoord dat je het hoofd van mijn minst waardevolle zoon op hol hebt gebracht. En dat voor een meisje dat niet spreekt.” Hij liet haar kin weer los. “Sta je hier al lang, kind? Je mag je kleintje geen kou laten krijgen.” Hij nam haar bij de arm en bracht haar de kamer binnen. “Ben je hier al ooit geweest? Misschien wel want het schijnt dat je belangstelling hebt voor de oude burcht van de Wolven.” Hij plaatste haar voor een groot schilderij dat in de kamer hing en vervolgde: “Zie je dit mooi, idyllisch portret? Ik hou het hier om me er aan te herinneren dat ik geen vijanden heb.” Catherina keek op naar het schilderij. Het was een familieportret, met op de voorgrond een vrouw die met haar kind op een stoel zat. Achter haar stond haar echtgenoot. Catherina keek eerst naar de man die zijn hand gemoedelijk op de schouder van zijn vrouw had gelegd. Dan keek ze naar de bleke, trotse vrouw die op de stoel voor hem zat en haar met intense donkere ogen aankeek. En tenslotte keek ze naar het kleine kind in haar armen dat dezelfde ogen leek te hebben. De Nechoir boog zich over Catherina’s schouder en fluisterde in haar oor: “Geen vijanden…” En dan legde hij zijn arm over haar schouder en liet iets uit zijn hand glippen dat aan een lint hing. Onmiddellijk herkende Catherina het medaillon van de Woolfs. Wezenloos staarde ze er naar. Nechoir glimlachte toen hij haar gezicht zag verstrakken. “Ik geloof dat dit van jou is,” fluisterde hij haar in het oor terwijl hij het uitdagend voor haar liet hangen. “Ik vraag me af of het nog aan zijn nek hing toen mijn vrouw het meenam. Of vroeg jij haar om het te verbergen voor me? Jullie hadden beter moeten weten dan te denken dat jullie me konden misleiden.” Catherina reageerde niet en De Nechoir begreep dat ze zich niet liet uitlokken. Hij kwam van achter haar en ging voor haar staan. “Er zijn wel een aantal redenen waarom ik je niet zou moeten doden,” zei hij kalm, “en ik zou dat kind van jou kunnen gebruiken. Maar er zijn ook honderd andere redenen waarom dat op dit ogenblik te gevaarlijk is. Dus zal je je bastaard niet hier ter wereld brengen. Maar ik ben even grillig als mijn oudste zoon zoals je wel zal hebben gemerkt, dus als er nog iets zou zijn dat je me wilt vertellen, is dit het moment.” Hij kwam dicht tegen haar staan en toen ze nog niets zei, raakte hij haar buik uitdagend aan. “Waar heeft hij het kind heengebracht? Vertel het me, het kan nog.” Ze maakte geen aanstalten te antwoorden, dus liet hij haar tenslotte los en haalde de schouders op. “Jij je zin,” zei hij terwijl hij de kamer uitliep, “mijn mensen in de Donjon zullen het dan wel uit je krijgen…” 3. Toen Emilio te horen kreeg dat zijn vader, Catherina naar zijn beruchte foltertoren wilde brengen, deed hij iets dat hij in geen jaren nog had gedaan: hij ging naar zijn vader en praatte met hem. De Nechoir hoorde de smeekbedes van zijn zoon geamuseerd aan en zei na afloop dat hij mocht beschikken. Hij zei dat hij niet meer van plan was om nog van idee te veranderen. Toen werd Emilio kwaad en schreeuwde hij machteloos dat De Nechoir er spijt van zou krijgen als hij Catherina iets deed. “O? En wat zou jij dan wel doen?” vroeg De Nechoir hem spottend. “Me doden? En wie heb je daarbij nodig, of ben je ineens mans genoeg om me aan te kunnen?” “Durf mij niet licht op te nemen! U mag mijn vader zijn, maar dat betekent niet dat ik u moet respecteren!” “Ik heb niemands respect nodig,” antwoordde De Nechoir, “enkel zijn angst. Je bent te bang voor mij om me iets te doen.” “Misschien,” zei Emilio zuur, “maar er zijn er anderen die niet bang zijn voor u en als u Catherina niet met rust laat, ga ik naar hen toe.” De Nechoir lachte honend. “Naar de rebellen? Dan ben je nog stommer dan ik dacht. Als ik ook maar iets mag geloven van wat er over die Schaduwloper wordt verteld, dan zou ik het in m’n broek doen als ik jou was. Mensen zoals hij laten zich niet in met verzoeknummers als de jouwe. En hoewel je het graag vergeet, wil ik je er graag even aan herinneren dat je een De Nechoir bent. Alleen al om je naam lust hij je rauw. Of ben je vergeten wat er met Ramirez is gebeurd?” “Dat is uw eigen schuld,” zei Emilio snauwend. “Als u Ramirez een kind had laten zijn, dan zou de Schaduwloper hem niks hebben gedaan, maar nee: u moest van hem uw evenknie maken…” “Let op wat je zegt nu,” zei De Nechoir scherp terwijl hij langzaam opstond, maar Emilio snoof slechts en siste: “Ik hoop dat u zich realiseert dat dat een voorproefje was van wat u te wachten staat. Misschien ben ik dan een De Nechoir en misschien zullen ze me er ook voor doden, maar niet vooraleer ze u gevild en geroosterd hebben om u al uw misdaden betaald te zetten. Uw rijk loopt ten einde. Ramirez zal u nooit opvolgen en er staan hordes aan uw deur te drummen om u uit uw burcht te sleuren om ze dan steen per steen af te breken. En ik, ik zal dansen van plezier als u tegenover de Schaduwloper komt te staan en dan mag ik hopen dat u het in uw broek doet van angst.” De Nechoir keek hem ijskoud aan. “Als je er toch zo over denkt, ga dan naar je rebellen. Zoek je Schaduwloper en verkoop jezelf aan hem. Vertel hem maar over je meisje en je wensen en misschien zal hij je omarmen. Maar misschien zal hij je ook op zijn lans spietsen en haar erbij. Ga! Je hebt duidelijk gemaakt waar jouw loyaliteit ligt, maar in deze burcht zet je geen voet meer binnen tot je je kop onder koud water hebt gestoken. Ga! Of ik snij haar ter plekke de keel over!” De Nechoirs ogen schoten vuur terwijl de woede steeds hoger in hem leek op te laaien. Een ogenblik schrok Emilio van die blik. Dan herstelde hij zich en draaide hij zijn vader resoluut de rug toe terwijl hij hem nog iets toesnauwde dat hij zich later niet meer kon herinneren. Toen De Nechoir later hoorde dat zijn zoon de burcht spoorslags had verlaten, keek hij toch even verbaasd op. De Nechoirs soldaten vertelden hem dat de jongen zijn bewakers had afgeschud en hij in de richting van de heide was gereden. De Nechoir vroeg zich af of Emilio dan echt hoopte dat hij de Schaduwloper kon vinden. Hoe dwaas was de jongen niet? Emilio kwam de eerste dagen niet terug. De Nechoir kon het weinig schelen. Hij dacht dat het een goede les zou zijn voor de jongen als hij zou merken dat de rebellen niet de helden waren die hij dacht dat ze waren. Neyrelle maakte zich veel meer zorgen. Ze was al één zoon kwijtgeraakt aan de Schaduwloper, ze wou nu ook niet haar tweede zoon verliezen. Ze smeekte De Nechoir hem te laten zoeken, maar De Nechoir lachte haar enkel uit. Voor zijn part nam de Schaduwloper, Emilio gevangen en stoofde hij hem op een vuurtje. Vijf dagen nadat Emilio de burcht had verlaten, keerde hij terug. De jongen was bestoft en ongeschoren, maar het was bijna alsof die paar dagen van omzwervingen een man van hem hadden gemaakt. De Nechoir nam de jongen geïnteresseerd op toen hij in de stal zijn paard stond af te zadelen. De jongen zag er donker uit en er was iets aan hem veranderd waar De Nechoir niet helemaal de vinger op kon leggen. Toen Emilio zich omkeerde zag De Nechoir dat Emilios ogen zwart als pek waren en even verwonderde De Nechoir zich om die blik. Hij moest denken aan een paar andere ogen dat hem ooit zo had aangekeken. Dan zei hij: “Wat vreemd... Ik had gedacht dat de Schaduwloper je hoofd op een gouden plaat zou terugbrengen... Hij moet geweten hebben dat het me zou teleurstellen als hij het niet deed...” Emilio negeerde zijn vader nors terwijl hij zijn paard verder aftuigde. De Nechoir lachte bassend. “Ik kan me enkel voorstellen wat het voor je moet zijn zo machteloos te zijn. Het moet pijn doen, nietwaar, dat je je schatje had kunnen redden als je je maar aan mijn zijde had geschaard.” Emilio knarsetandde opstandig, maar zweeg. De Nechoir vervolgde smalend: “Je hebt jouw keuzes lang geleden gemaakt, en ik de mijne. Je popje gaat morgen naar de Donjon. Ik stel voor dat je vroeg genoeg opstaat om haar uit te wuiven.” Emilio keerde zich met een ruk om en keek hem briesend aan. De Nechoirs blik werd demonisch. “Zeg het me... zeg me eens wat je wilt doen voordat mijn mannen je de kop inslaan?” Emilio grauwde: “Loop naar de hel.” De Nechoir keek hem spottend aan. “Dat lijkt me weinig waarschijnlijk.” De Nechoir keerde zich om en begon weg te lopen. Dan bedacht hij zich en keek even over zijn schouder om naar Emilio. “Eén ding zou ik wel willen weten... Heb je ‘hem’ nu ook gevonden?” Emilio keek zijn vader niet aan. “Natuurlijk niet,” bromde hij. 4. De volgende ochtend werd Catherina uit haar kamer gehaald door soldaten en op een kar gezet. Jean-Filip kreeg geeneens meer de kans om afscheid van haar te nemen en Emilio zag haar slechts een ogenblik voordat ze de burcht verliet. De Nechoirs zoon keek haar donker na en moest de kar en de tien soldaten gelaten laten vertrekken. Of de jonge vrouw er zelf door van slag was, liet ze nauwelijks uitschijnen. Ze zat rustig op de bank van de kar en keek naar het landschap terwijl ze op weg naar de Donjon gingen. Het leek haar niet te kunnen raken dat de Donjon een plek was waar niemand van terugkwam… Een van de soldaten die mee in de kar zat - degene die ze James noemden - vroeg zich af wat een vrouw kon bezielen om haar kalmte te bewaren in het aanschijn van de foltertoren. Ze moest toch weten dat ze er het leven zou laten? Dacht ze soms dat ze nog kon ontsnappen? Enkel Catherina kende het antwoord. Ze dacht aan de witte vrouw bij wie Griffith was opgegroeid en die haar had verteld dat ze elkaar zouden terugzien… “Wat is uw naam?” vroeg James toen ze de vallei van de Hoogheuvels ingingen. Catherina keek hem even aan en glimlachte, maar antwoordde niet. De jongen aarzelde. “…het spijt me van wat er met uw man is gebeurd…” Catherina keek mistroostig terug naar het landschap. Ze wist nog wie James was. Ze herinnerde zich dat hij indertijd haar en Thomas had laten ontsnappen uit het woud. Ze wist ook nog dat het James was die toen samen met Neyrelles koetsier in de kloof was afgedaald om te kijken of Griffith echt dood was. Het leek allemaal zo lang geleden te zijn nu. In gedachten verzonken gleed het landschap aan haar voorbij. Ze rekte zich wat en zette even haar handen in haar rug. Blijkbaar deed het gewicht van haar kleintje pijn, maar toch liet ze er niks van blijken. Ze zag er wat bleker uit dan anders, maar voor de rest leek ze het geschommel van de kar ondanks haar toestand goed te verdragen. James bood Catherina wat te drinken aan en Catherina nam zijn waterzak dankbaar aan. “Voelt u zich wel goed?” vroeg de jonge soldaat want hij vond dat ze er grauw uit begon te zien. Catherina moest toegeven dat ze zich inderdaad niet meer zo fit voelde als tijdens het begin van de rit. Ze schudde het hoofd en tastte onbewust naar haar buik. James wou iets vragen toen plots een lawine van kiezels naar beneden kwam. James greep Catherina haastig vast want het was niet onmiddellijk duidelijk wat er gebeurde. Ook de paarden schrokken van de lawine en begonnen te steigeren. Gelukkig greep de bestuurder van de kar onmiddellijk in. Sakkerend trok hij aan de teugels tot de paarden waren gekalmeerd, want anders waren ze zeker op hol geslagen. James liet Catherina terug los en zag dan dat de soldaten om hen heen hun wapens hadden gegrepen. Ze waren omhoog aan het turen, op zoek naar een reden voor de lawine. James legde zijn hand ook op de kolf van zijn pistool. De lawine kon uiteraard toeval zijn geweest, maar het was niet uitgesloten dat er zich mensen in de buurt bevonden. Als het mensen waren dan stelde zich uiteraard de vraag of het een toevallige streekbewoner was of een rebel. Normaal gezien kwamen de rebellen niet in deze regio, maar daarom was het nog niet uitgesloten. De rebellen hadden het voorzien op alles dat met De Nechoir te maken had, dus zelfs een kleine legereenheid als zij waren een mogelijk doelwit. James vroeg zich af wat hij zou doen als ze zouden worden aangevallen. Normaal gezien probeerde hij zich buiten elk gevecht te houden. Hij hield er immers niet van om te vechten. In extreme omstandigheden zou hij zelfs vluchten. Maar hij kon toch niet het meisje achterlaten, of wel? Hij zou er al snel achter komen, want op het ogenblik dat ze dachten dat het loos alarm was, brak plots de hel los. Ineens werden ze van een kant bestookt met vuurwapens. De al schichtige paarden steigerden en sommige ruiters werden afgeworpen. James begreep onmiddellijk dat ze in een val waren gelopen en wachtte geen seconde af. Hij sprong van de kar af en trok Catherina snel achter zich aan, de andere kant op. De kapitein van de soldaten gaf een schreeuw toen hij het zag, maar had op dat moment wel betere dingen te doen dan een deserteur achterna te gaan. De soldaten moesten zich snel verbergen achter de kar wilden ze niet omver geschoten worden. James en Catherina probeerden zo goed als mogelijk op de rollende kiezels naar boven te geraken. Ze hadden het gevecht links van hen gelaten en niemand leek zich om hen te bekommeren. Tot plots een afgedwaalde rebel tegenover hen kwam te staan. Verrast keken ze elkaar even aan. James trok snel zijn zwaard en ze vielen elkaar aan. Met wat gezwaai van de armen en gewiegel van de benen begonnen ze met elkaar te vechten tot de rebel plots zijn evenwicht verloor. De rebel donderde tegen James aan en James’ zwaard vloog uit zijn hand. Gelukkig realiseerde James zich op dat moment dat je normaal gezien je vijand niet opvangt als hij struikelt. James maakte een kwartdraai en de rebel rolde de helling af. James haalde opgelucht adem en klauterde naar Catherina toe. De jonge vrouw zat op handen en knieën en leek niks van de worsteling te hebben gezien. James zag dat ze haar buik vasthield en toen hij naar haar verkrampte gezicht keek, ging er een belletje rinkelen. “O nee, niet nu,” zei hij met een kreun terwijl hij Catherina vastgreep. “Kun je nog mee naar boven geraken?” Catherina knikte, zij het niet met overtuiging. Ze liet zich door de jonge soldaat de moeilijke helling opsleuren. Boven was er een wirwar van uitgeslepen gangen in het massief. James had gehoopt dat ze zich daar in konden verschuilen tot de rebellen verdwenen waren, maar zoals het er naar uitzag, zouden ze zich niet ver in het massief kunnen begeven. Catherina deed haar best, maar haar knieën begaven het voortdurend en James moest haar telkens recht slepen. Zodra ze in het massief zaten, liet Catherina zich vallen en gebaarde ze dat ze niet meer verder kon. Ze legde zich op haar rug en klemde de tanden op elkaar om niet te hoeven schreeuwen. Zenuwachtig bleef James even bij haar staan want hij wist niet wat er verder moest gebeuren. Dan knielde hij neer en zei half hysterisch: “Wat moet ik doen? Zeg me wat ik moet doen?” Catherina verging van de pijn en greep hem bij de kraag vast. Geschrokken sloeg hij zijn armen om haar heen tot de pijn wat overging. Catherina haalde terug adem en legde zich hijgend tegen de jongen aan. Een tijd lang was Catherina kalm en dan begonnen de weeën terug. Even panikeerde James, maar na een tijd verdween de pijn weer. James begon te begrijpen dat dit misschien een onderdeel was van de bevalling. Maar onderdeel of niet, de pijn was verschrikkelijk. Twee uur lang zwoegde Catherina en nog steeds leek het alsof de bevalling nog niet verder was gevorderd. James kon het bijna niet aan om haar zo te zien lijden. Hij had er alles om gegeven als ze de pijn gewoon had kunnen uitschreeuwen, maar zolang de rebellen of de soldaten op zoek naar hen waren, was dat niet mogelijk. En plots hoorden ze een echo, onverstaanbaar, maar zowel Catherina als James verstijfden. Angstig kneep Catherina in James’ hand want ze voelde de pijn in alle hevigheid opzetten. Ze was bang dat ze het niet meer kon uithouden nu het het meest nodig was. De roep klonk nu dichterbij, bijna verstaanbaar, alsof het woorden waren. Het werd weer een tijdje stil. James kon zien dat Catherina het niet lang meer zou kunnen volhouden. Hij hield haar nog steviger vast. De stem klonk opnieuw, een schreeuw die botste op alle wanden, maar eindelijk zijn weg vond tot bij hen. “Catherinaaaaaaa!” En Catherina schreeuwde het uit, de pijn, de vermoeidheid, het verlangen. Iemand in het plateau hield zijn adem in en riep dan hoopvol: “Catherina!” en dan stommelde een man op hen. Even bleef de man verbouwereerd op hen neerkijken tot hij begreep wat er aan de hand was. “G-Griffith,” hijgde Catherina en de zwarte man viel op zijn knieën naast haar neer. “Cath…” Griffith rukte zijn helm van zijn hoofd en keek onthutst op haar neer. Catherina gaf weer een kreet van pijn en geschrokken ging hij achter haar zitten. James van zijn kant stond ontnuchterd op en keek naar de zwarte man alsof hij zijn ogen niet kon geloven. Hij had hem vrijwel onmiddellijk herkend, net als zij, maar kon nauwelijks geloven dat hij naar een man van vlees en bloed keek. Hij had die val overleefd… James herinnerde zich nog hoe de zwarte man naar achter was gestapt en zich in de diepte had gestort. Hij had natuurlijk geweten dat de zwarte man niet dood was omdat hij later, samen met de koetsier van Neyrelle, in de kloof was afgedaald. Ze hadden gezien dat een aantal struiken zijn val hadden gebroken en dat hij nog zwak ademhaalde. Zowel James als Neyrelles koetsier dachten dat hij niet lang te leven meer had. Hij had wellicht elk bot in zijn lichaam gebroken en was op sterven na dood. Op dat moment was vreemd genoeg de Witte Heks komen opdagen. De vrouw was naar de kloof gekomen alsof ze had verwacht er de zwarte man te vinden. Ze zei tegen James en de koetsier dat ze niet moesten blijven en dat zij wel voor hem zou zorgen. Ze mochten alleen nooit tegen iemand zeggen dat de zwarte man nog leefde, want anders zou De Nechoir hem komen zoeken en afmaken. James had geen problemen met die belofte. Hij kon zien in welke toestand de zwarte man was en hij had hem geen dag meer te leven gegeven. Maar blijkbaar was de man toch niet gestorven en was hij zelfs volledig van die val hersteld. James vroeg zich af of hij soms onsterfelijk was. Griffith Woolf keek met een ruk naar hem op en zei woest: “Sta daar toch niet te staan! Ga hulp halen! Er is een kruidenvrouw bij de mannen hier beneden!” Als de jonge soldaat er op dat ogenblik nog niet zeker van was geweest dat de zwarte man echt was, dan wist hij het nu wel. Hij wachtte niet tot de zwarte man hem de huid vol zou schelden en repte zich weg. Catherina perste de ogen dicht. “Rustig,” fluisterde Griffith haar kalmerend toe en ze klemde de tanden op elkaar. Dan haalde ze weer hijgend adem. “G… Griffith… Griffith?” “Ja, ik ben het… Rustig maar… Straks is de Witte Heks er.” “Jij was… jij was…,” hijgde ze. “Het is in orde,” zei hij, “alles komt in orde. De Witte Heks was ons achterna gekomen. Ze heeft me naar haar huis gebracht en me genezen…” Ze kreunde. Hij streelde haar natte haar en suste haar. Ze schreeuwde het echter uit en rukte en schreeuwde zodat hij haast moeite had haar in bedwang te houden. “Je had het me beloofd! Je zou me nooit meer in de steek laten!” Geschokt hield hij haar vast. “Catherina…” Maar ze wist waarvoor ze huilde. “Al die tijd! En nooit liet je iets weten! Al die tijd liet je me geloven dat je dood was terwijl je wist dat het me kapot zou maken! Waarom! Waarom heb je me dit aangedaan, Griffith? Wanneer zal je me geloven als ik zeg dat ik van je hou!” Ze hijgde verhit. “Waarom blijf je volharden dat ik er beter vanaf ben zonder jou? Je liet me bij Emilio en bij Jean-Filip en je wist dat ze zouden proberen om me je te doen vergeten! Waarom? Waarom! Ik ben het beu tegen jou te vechten! Beu! Ik haat je Griffith! Waarom laat je me niet met rust als je het allemaal zo moeilijk vindt!” De weeën begonnen weer, dus schreeuwde, schreeuwde ze het uit van de pijn. Toen de Witte Heks aan kwam gelopen, riep ze: “Haal het eruit! Ik wil het eruit! Ik wil het eruit!” Griffith liet Catherina met moeite los en stond op toen de Witte Heks hem opzij schoof. De Witte Heks boog zich over Catherina heen en stelde al vlug vast dat Catherina niet voldoende ontsluiting had. De kruidenvrouw fluisterde wat sussende woorden die leken te werken en vertelde Catherina uit te rusten. Griffith keek met een mengeling van machteloosheid en woede neer op de vrouw aan zijn voeten. Hij dacht dat zijn weerzien met haar nauwelijks was zoals hij het zich had voorgesteld. Een aantal van zijn mannen kwamen nieuwsgierig kijken en toen hij het zag, zei hij woest dat ze moesten oprotten. Toen hij zich omdraaide en in haar verwijtende ogen keek, besefte hij pas dat ook hij niet gewenst was. Het duurde nog eens twee uur eer het kind eindelijk geboren werd. Toen het er eindelijk was, begaven Catherina’s krachten het want de bevalling had veel te veel inspanningen gevraagd van haar breekbare lichaam. Een van de rebellen bracht de bewusteloze vrouw voorzichtig naar de kar van de soldaten. De zwarte man nam het kind mee naar beneden waar hij het aan de Witte Heks gaf. Daarna nam hij James vast die nog altijd bij hen was en liet hem opstijgen. Griffith gromde tegen zijn mannen dat ze de Witte Heks moesten begeleiden naar haar huisje en reed dan samen met James de andere richting uit. 5. Emilio zat de hele dag nagelbijtend te wachten op nieuws. Dat duurde nog vrij lang aangezien pas tegen valavond een van de overlevenden van de overval de poorten door kwam strompelen. Dat de Schaduwloper er opnieuw een succesvolle aanslag op had zitten, liep langs de gebruikelijke weg als een lopend vuurtje door de hele burcht. Emilio kon zijn vreugde bijna niet op toen hij hoorde dat Catherina gered was. Hij rende onmiddellijk naar zijn moeder en vertelde haar dan wat er de laatste dagen was gebeurd. “Ik probeerde overal de rebellen te vinden maar slaagde er niet in,” vertelde hij aan Neyrelle. “Ik gaf het dan maar op en reed op goed geluk langs het huis van de Witte Heks om wat eten te vragen. Ze ontving me vriendelijk en terwijl ik zat te eten, verdween ze even. Toen ze terugkwam had ze een man bij zich en viel ik bijna om van verbazing. Moeder, ze had Griffith bij zich! Ik was zo blij dat ik wel had kunnen huilen. Griffith vertelde me dat hij wekenlang als voor dood in bed had gelegen, verzorgd door de Witte Heks, en dat hij daarna samen met wat oude soldaten van de Arendsburcht een verzetsgroep had opgericht. Griffith is de Schaduwloper!” Neyrelle staarde haar zoon aan. “Maar mijn koetsier…” “Nah, de Witte Heks was bij Griffith toen Patrick hem vond. Ze vroeg hem om niks te zeggen en Patrick dacht toch dat Griffith wellicht niet lang meer te leven had.” Neyrelle wist even niet waar ze het had. “Hij leeft…” Emilio straalde. “Ik zei toch dat de Wolven onsterfelijk waren.” “Ik kan het nauwelijks geloven…” “En ik heb meer goed nieuws,” ging Emilio verder. “Ramirez was bij hem: mijn broertje, levend! Hij is nooit gedood geweest tijdens die overval. Hij had zelfs geen schrammetje! Griffith ontvoerde hem en liet ons gewoon geloven dat hij dood was om Marcos een hak te zetten. Iedereen denkt nu dat Marcos zonder opvolging zit en zijn liedje uitgezongen is. Hemel, moeder, we zullen Ramirez terugzien! In ieder geval, toen ik Griffith zag, vroeg ik hem om Catherina te helpen. Hij zei dat hij wel een idee had om haar te bevrijden en dat ik het wel zou horen als het hem zou lukken. Hij is er blijkbaar in geslaagd want Catherina zit nu bij de rebellen.” “Dan is ze gered,” zei Neyrelle opgelucht. Emilio gaf haar een dikke knipoog. “En bij Griffith…” 6. De Schaduwloper kwam zijn pas bevrijde gevangene niet bezoeken nadat ze uit de vallei naar het huisje van de Witte Heks was overgebracht. Hij stortte zich weer op zijn taken en reed met zijn mannen van de ene uithoek van het land naar de andere om het verzet aan te wakkeren. Maar of het waar was dat zijn taken hem van bij het huisje van de Witte Heks weghielden, wist alleen de zwarte man. De rebellenleider had er behoorlijk wat verantwoordelijkheden bijgekregen sinds hij met het verzet was gestart. Hij was begonnen met een paar mannen, maar tegenwoordig telde het aantal rebellen meer dan tweehonderd hoofden. Hij was niet langer meer de leider van een stel vrijbuiters, maar het hoofd van een hele organisatie. Dat was wellicht ook een van zijn voornaamste kwaliteiten: dat hij een dozijn mensen even goed in de hand kon houden als een tienvoud daarvan. Hij had er bovendien ook een neus voor hoe hij zijn mensen moest uitkiezen, wat hij met hen moest doen en hoe hij het moest doen. Hij vergiste zich geen enkele keer in de trouw van zijn manschappen en had zijn eigen methodes om hen aan hem te binden. De laatste die Griffith zo had gerekruteerd, was de soldaat die ze hadden opgepikt tijdens hun recentste overval. De meesten begrepen eerst niet waarom Griffith zoveel vertrouwen stelde in de jonge magere soldaat. James leek niet iemand te zijn die snel ergens warm voor liep. Hij was tegen zijn wil ingelijfd geweest in De Nechoirs leger en sommigen vroegen zich af of het wel zin had om zo iemand dan opnieuw tegen zijn zin in te lijven. De jonge rekruut liet zich niettemin gedwee omvormen tot rebel en bleek uiteindelijk een taaiere aanhanger van de Schaduwloper te zijn dan de meesten hadden gedacht. De jongen volgde Griffith overal en deed dienst als lijfwacht, bode en vertrouweling. In de tussentijd nam de organisatie van het verzet veel van de zwarte man zijn tijd in beslag. Niemand kon hem dan ook echt verwijten dat hij niet bij de Witte Heks langsging. De Witte Heks wenste dat dat niet zo was. De bevalling was zwaar geweest voor Catherina’s kleine lichaam en zelfs dagen later was de jonge vrouw nog niet hersteld. Catherina leed onder een zware koorts en ondanks de goede zorgen van de Witte Heks kwijnde ze weg. De jonge vrouw hechtte niet genoeg aan haar bestaan om te blijven leven, dus was er weinig dat de kruidenvrouw voor haar kon doen. Een bezoek van Emilio had daar wellicht veel aan kunnen veranderen, maar de jongen zat vast op de burcht en slaagde er voorlopig niet in om ongezien langs te komen. De Witte Heks probeerde de Schaduwloper te bereiken. Ze zond hem een kleine boodschap, maar het antwoord bleef uit. Het was alsof hij de jonge vrouw in haar sterfbed was vergeten het moment dat ze hem had vervloekt. Zo slecht het ging met de moeder, zo goed ging het gelukkig met het kind. De Witte Heks deed het nodige om het kleintje gezond te houden en hoewel het niet erg sterk was, werd het elke dag levendiger. De vraag was alleen of het kind een toekomst had, want zelfs al was de Witte Heks zeker dat de moeder van haar kind hield, het viel te betwijfelen of het kind dat ook ooit te weten zou komen. Wat de vader dacht over het kind zou pas later blijken toen hij dan toch naar haar huisje afzakte. Het gebeurde op een avond dat de Witte Heks terugkwam van een wandeling en in haar keuken de jonge soldaat James vond. De jongen had haar pot met havermoutpap gevonden en was er als een verwilderd berenjong uit aan het eten. Even keek de jongen met wantrouwige ogen op toen de Witte Heks binnenkwam, maar zodra hij haar herkende zette hij zich weer aan het eten. ‘Hij werd veel geslagen,’ dacht de Witte Heks toen ze hem zag zitten en dan dacht ze: ‘Hij kreeg nooit een goed maal’, dus liet ze hem haar avondeten maar oplepelen. Ze sprak James niet aan, maar liep verder naar de slaapkamers. Ze had immers een vermoeden dat de jonge soldaat niet alleen was gekomen. Ze liep de kinderkamer binnen en zag de zwarte man naast het wiegje van Catherina’s kind staan. De Witte Heks glimlachte en ging aan de andere kant van de wieg staan. De baby sliep en maakte reutelende geluidjes die het iets aandoenlijk gaven. Griffith luisterde er naar en tilde het kind dan voorzichtig uit de wieg. Hij legde het op zijn arm en wiegde het zachtjes zonder het wakker te maken. “Het is een schat van een kind, nietwaar?” glimlachte de Witte Heks en hij murmelde verstrooid: “Wat wil je, het is van haar.” Hij keek intens naar het slapende gezichtje, peinzend, bijna alsof hij er niet helemaal aan uit kon. “En wil je haar niet zien?” vroeg de Witte Heks. Even keek hij op, maar hij zei onmiddellijk: “Nee, ik kan het niet.” “Waarom niet?” vroeg de Witte Heks. De zwarte man antwoordde niet. “Denk je dat het van jou is?” vroeg de Witte Heks dan. “Nee,” zei hij, “ik kan niet… Nee, ik vrees dat het van een van de soldaten is toen ze ons in het woud vonden.” “Maar desondanks accepteer je het?” Hij sloot de ogen. “Het is van haar,” herhaalde hij, “als ze het wil - als - dan zal ik het even graag omarmen als haar.” “En denk je dat zij het wil?” Hij aarzelde. “Ik weet het niet…” De Witte Heks hield haar hoofd schuin, glimlachend. “Waarom wil je haar niet zien?” Griffith opende zijn mond en sloot hem weer. Hij wist dat hij eerlijk met haar kon zijn, dus probeerde hij de waarheid zo goed mogelijk weer te geven. “Ze verwijt me iets…” De Witte Heks zette zich neer op een stoel en Griffith verlegde het kind op zijn arm. “Ik had beloofd haar nooit meer in de steek te laten en ik heb het toch gedaan… Ze verwijt me niet dat ik haar probeerde te redden in het woud en ik haar daarom achterliet. Ze verwijt me dat ik haar daarna in de steek heb gelaten... Ik vrees dat ze gelijk heeft. Ik vrees dat ze het beter heeft begrepen dan ikzelf … Ik herinner me dat we ooit eens spraken over het verhaal van Raul de Vervloekte. Ik zei dat dat het een verhaal was van een man die bang was zijn liefde te verscheuren. En dat was de waarheid want telkens ze me zag op het hertogelijke slot gruwde ze van me omdat ze Raul zag. Daarop antwoordde ze me echter dat het een verhaal was van een liefde die alles overwint. En lange tijd was ik door die woorden verblind en dacht ik dat ik Griffith was. Maar dan gebeurde het dat ik haar op het schip neersloeg en bijna vermoordde, en dan begreep ik dat ik ondanks alles toch Raul ben. Ariel, ik kan de wolf in me niet controleren. Als ik van haar blijf houden, zal ik haar op een dag vernietigen.” “Maar door je liefde te ontkennen, zal je haar dan niet nog meer pijn doen?” vroeg de Witte Heks ernstig. Griffith antwoordde: “Ik kan De Nechoir niet verslaan... Catherina heeft me één keer begraven, ik wil niet dat ze dat een tweede keer doet... Ik kan misschien niet stoppen met van haar te houden, maar ik kan het wel proberen.” “Ze zal al lang daarvoor zijn gestorven,” zei de Witte Heks. Griffith keek met een ruk op en gaf haar een vragende blik. “Dat berichtje dat je me zond…,” begon hij aarzelend en zij knikte. “Ze is sindsdien niet veel beter geworden.” Griffith keek stil neer op het slapende kind in zijn armen. Voorzichtig legde hij het terug in de wieg en liep dan de kamer uit. Hij ging naar Catherina’s slaapkamer en knielde naast haar neer. Hij raakte haar voorhoofd aan en het was roodgloeiend. Ze zag er magerder en meer uitgeblust uit dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Ze was nog nauwelijks een schim van zichzelf. Hij perste de lippen even samen en tilde haar dan uit haar bed. Ze opende even haar ogen om hem mijmerend op te nemen en sloot ze dan terug vermoeid. Het was bijna alsof ze de kracht niet meer had om te reageren. Toen Griffith zich omkeerde zag hij de Witte Heks in de deuropening staan. “Een beetje frisse lucht zal haar goed doen,” zei hij onwennig en de Witte Heks knikte. Ze wikkelde Catherina in haar laken en liet de zwarte man naar buiten gaan. Griffith liep een flink stuk de heide in vooraleer hij op de top van een heuvel bleef staan. Hij hoorde haar ademhalen tegen zijn nek, zachtjes, als een wegstervende zucht. “Ik hou van je,” fluisterde ze. Hij antwoordde niet, maar ze kon voelen hoe hij zich moest beheersen om haar niet tegen zich aan te drukken. Een traan viel uit haar oog. Ze wenste dat hij toch één keer, al was het maar deze ene keer had willen antwoorden. “Catherina, wees sterk,” zei hij zacht, “ik wil je niet verliezen.” Ze leek heel klein, heel breekbaar in zijn armen. “Ik wou dat dat waar was, Griffith, ik wou werkelijk dat dat waar was…” Ze keek droevig voor zich uit en herinnerde zich al die andere keren dat hij haar in zijn armen had gehouden. “Griffith…” “Ik ben hier,” zei hij sussend. Ze snikte. “Vertel me hoe ik moet stoppen met van je te houden, Griffith,” zei ze, “want ik wil niet meer tegen je vechten…” “Catherina…” “Ik hou van je, maar ik kan niet op tegen je twijfel. Je bent te sterk voor me…” Hij zweeg en keek moedeloos neer op haar gezicht. “Het spijt me… Het spijt me van alles dat ik je heb aangedaan. Ik had je moeten zeggen wat ik dacht. Dat ik nooit van iemand kan houden, dat dat niet aan mijn soort is uitbesteed...” “Dan is er geen hoop meer voor ons tweeën,” was het enige dat ze zei. Hij zweeg voor langere tijd terwijl hij daarover nadacht. Er was inderdaad geen hoop voor hen. Ze waren te verschillend. “Catherina, blijf leven,” zei hij nog enkel, “voor je kind,” en dan keerde hij terug naar het huisje van de Witte Heks. De jonge vrouw werd vanaf dan ook weer wat beter. Het ging in kleine stapjes en de vooruitgang liet zich niet altijd merken, maar ze leek beetje bij beetje te herstellen. De zwarte man keerde niet terug naar het huisje van de Witte Heks, maar stuurde wel af en toe James om te horen hoe het met haar ging. Catherina gaf zelf geen enkele boodschap mee voor de zwarte man. Wel vroeg ze af en toe aan James hoe het met het verzet ging. De jongen vertelde haar op zijn eigen mensenschuwe manier wellicht meer dan een doorsneerebel vermoedde, maar hij wist ook dat hij haar kon vertrouwen. Hij begreep niet volledig wat er tussen zijn meester en Catherina aan de hand was, maar wel dat ze allebei niet wilden dat hun gevoelens in de weg stonden van de Welshe toekomst. De rebellen bleven De Nechoir bestoken op de gebruikelijke manier. Het volk volgde hun acties met sympathie, terwijl De Nechoir zich mateloos ergerde. De Nechoir had de rebellen nooit onderschat, maar hij werd zich steeds beter bewust van de dreiging die de waaghalzen voor hem vormden. Ze waren zo ongrijpbaar als water en konden niet uitgeroeid worden met represailles. Hun campagnes wakkerden de opstandigheid van het volk aan en ontnamen De Nechoir zijn grootste wapen: angst. De Nechoir panikeerde niet onmiddellijk, maar wist dat hij goed moest opletten, wilde hij Wails onder controle houden. Hij was nog niet verslagen, verre van zelfs en hij zette alle middelen in om dat te bewijzen. Sommige verzetsspionnen werden gearresteerd en de rebellen verloren daardoor een aantal mannen. Enkele munitiedepots van de rebellen werden verwoest en een paar acties verijdeld. De Nechoir was niet bang van de rebellen en liet ze zien dat zij daar wel reden toe hadden. Het was hard tegen hard en een van beide partijen zou vroeg of laat barsten. Hoofdstuk 5 1. De Welshe kroonprins Edward had zich tot dan toe afzijdig gehouden van wat er in het zuiden van Wails gebeurde. Hij had altijd tegen De Nechoir gevochten in het noorden en had dan ook nooit vaste voet gekregen in de meer zuidelijke regionen. De rebellen op hun beurt hadden altijd gehandeld op eigen houtje, zonder zich iets van het prinselijke gezag aan te trekken. De tijd was dan ook aangebroken voor beide partijen om de handen in elkaar te slaan. De Nechoir mocht immers dan wel twee vijanden hebben aan de Schaduwloper en de Welshe kroonprins, zolang ze los van elkaar werkten bleven ze twee vijanden van een kleinere omvang. Als de twee nu hun krachten bundelden, zou De Nechoir tegenover één groot leger komen te staan en zouden hun slaagkansen groter worden. Het was dan ook niet verwonderlijk dat het kamp van de kroonprins op een dag een boodschap van de Schaduwloper kreeg over een mogelijk bondgenootschap. Hoewel de kroonprins onmiddellijk begreep wat de voordelen waren van zo’n bondgenootschap, ontving hij het bericht met de nodige scepsis. Hij had al veel gehoord over die ‘Schaduwloper’ en eerlijk gezegd vreesde hij voor de populariteit van de man. De kroonprins stond al jarenlang in een zwakke positie en zag de Schaduwloper in de eerste plaats dan ook als een rivaal. Dat idee was lang niet zo gek aangezien de meeste andere edelen aan zijn kant het ook op zijn troon hadden voorzien. Bovendien lag de gedachte aan het Hooghuis nog vers in het geheugen van de mensen. Als het volk ooit zijn eigen leider mocht kiezen, zou de balans wel eens in het voordeel van de onbekende rebellenleider kunnen slaan. De kroonprins was anderzijds geen dwaas en besloot dat hij wel een pact zou afsluiten als bleek dat de rebellenleider hem onvoorwaardelijk trouw zou zweren. Hij koos een van zijn generaals uit op wiens oordeel hij het best kon vertrouwen en stuurde hem naar het zuiden om naar de loyaliteit van de Schaduwloper te peilen. De Generaal, een oude houwdegen die maar met tegenzin zijn makkers aan de frontlinie achterliet, kwam enkele dagen later toe op het afgesproken rendez-vouspunt. James stond hem al op te wachten en bracht hem naar een schuur waar de Schaduwloper op dat ogenblik een bespreking hield met zijn mannen. James en de Generaal kwamen binnen op een ogenblik dat de vergadering op zijn einde liep. In afwachting bleven ze achteraan de schuur staan. Het gaf de Generaal de tijd om de Schaduwloper op te nemen en een eerste oordeel over hem te vellen. De Generaal wist onmiddellijk wie de Schaduwloper was toen hij hem hoorde spreken. Hij had nog maar zelden zo’n charismatisch spreker gehoord en begon te begrijpen hoe de man zoveel bezieling kon inspireren. Waar de Generaal wel van schrok was de leeftijd van de Schaduwloper. De man was een stuk jonger dan hij had verwacht en dat verbaasde hem. De Generaal had evengoed niet veel tijd nodig om te begrijpen dat de ervaring van de zwarte man zijn gebrek aan jaren meer dan voldoende compenseerde. Toen de bespreking was afgelopen, verdwenen de rebellen even snel als ze wellicht waren verschenen. De Generaal zag de Schaduwloper iets zeggen tegen James en dan verdween ook de zwarte man. De magere jongen kwam naar de Generaal toe en zei dat hij de Schaduwloper op een andere plaats zou ontmoeten. De soldaat en de Generaal gingen terug naar hun paarden en reden een poos door de Welshe bossen. Tenslotte bereikten ze een klein huisje en stapten daar af. Toen de Generaal het huisje binnenkwam, trof hij de Schaduwloper in een nogal eigenaardige positie aan. De man lag op een bank met een baby tegen zijn opgetrokken knieën en wiegelde met de teentjes van het kind zodat het kleine pretgeluidjes maakte. De oude vechtjas stond even verloren te draaien in de deuropening en kuchte dan beleefd. Griffith keek hem opgeruimd aan en zette zich recht met de baby in zijn armen. “Het spijt me dat ik James gevraagd heb om u hier via een omweg te brengen. Ik wou eerst even iets anders doen.” De houwdegen keek naar het kraaiende kind en zei laatdunkend: “Ik zie het.” Griffith leek niet gekrenkt. “Ziet u dit kind hier, Generaal?” De houwdegen kon moeilijk zeggen van niet. “Denkt u dat het hier niet hoort, op deze vergadering?” De oude man slikte een opmerking in en keek Griffith afwachtend aan. Griffith toonde hem de baby. “Dit is de reden waarom u zou moeten vechten, Generaal. Niet omdat u De Nechoir haat, niet omdat u uw prins trouw bent, maar omdat u een toekomst voor deze kinderen wil maken. Een hele generatie kinderen is opgegroeid met het idee dat Wails een land van oppressie is, geregeerd door degene die toevallig het sterkst is. Maar u hebt nog de tijd voor De Nechoirs komst gekend, dus u weet dat Wails niet zo hoeft te zijn. Het is gemakkelijk een oorlog te voeren uit naam van idealen. Het is echter een stuk moeilijker om te voorkomen dat die oorlog de toekomst slachtoffert.” De zwarte man kuste het kind en gaf het dan aan de witte vrouw in het vertrek. Griffith kwam nu op de ijzervreter af en schudde zijn hand. “Mijn naam is Griffith. Ik ben blij dat de kroonprins u heeft uitgekozen als zijn afgevaardigde.” En hij nodigde de houwdegen uit om te gaan zitten. “U kent mij?” vroeg de houwdegen en Griffith knikte. “Ze noemen u ‘de Generaal’. U hebt dienst gedaan op de Arendsburcht voordat De Nechoir uw meesteres, Guenevere Woolf, doodde. Ik geloof dat u indertijd gespaard bent gebleven omdat u niet op de burcht aanwezig was toen ze viel.” De Generaal perste de lippen op elkaar omdat Griffith zijn zwakke plek had weten te vinden. De Generaal had het zichzelf nooit vergeven dat hij zijn meesteres niet had kunnen redden. “Maar dat zijn oude feiten,” vervolgde Griffith, “en iedereen heeft verschillende meesters tegenwoordig. U hebt gekozen voor de vijand van De Nechoir, de kroonprins.” “Ik heb mijn meester niet moeten kiezen,” grauwde de Generaal, “zoals die meeste andere lafaards die mijn meesteres hebben verraden voor een beetje meer macht. Er was er maar één die wist wat hij moest doen toen De Nechoir de macht overnam.” “Maar of hij dat uit sympathie voor de Wolven deed, weet ik niet,” zei Griffith fijntjes, “ik denk dat hij eerlijk gezegd geen andere keus had dan de vijand te worden van De Nechoir.” De Generaal keek Griffith hard aan. “De Wolven zijn dood. De kroonprins is mijn meester nu. Daar wijk ik niet van af.” De Generaal had zich voorgenomen zich niet de baas te laten worden door de Schaduwloper, maar hij besefte dat dat intussen al was gebeurd. De leider van de rebellen was behoorlijk gevat, vond de Generaal. Je kon niet zeggen dat hij een groentje was. Even gleden de ogen van de Generaal over het gezicht van de Schaduwloper. Hij zag de bittere trekken en het litteken op diens gezicht en toen hij in die zwarte ogen keek, wist hij dat hij niet eender wie voor zich had. “Ik zal eerlijk met u zijn,” zei de Generaal dan, “omdat ik vermoed dat u toch al weet wat ik ga zeggen.” Griffith gebaarde dat hij zijn gang moest gaan. “Mijn prins heeft verhalen over u gehoord. Hij weet dat het volk achter u staat en in opstand zou komen als u het maar vroeg. Er gaan zelfs stemmen op van mensen die willen dat u de opvolger wordt van De Nechoir. Zoals ik het zie, is dat perfect mogelijk. U hebt vele vrienden en bent wellicht ook ambitieus. Als de troon u in de schoot werd geworpen, zou u er zeker geen nee tegen zeggen. Ik ga u niet vragen of die verhalen waar zijn. U wilt dat mijn meester een bondgenootschap met u sluit en bent wellicht bereid om daar voor te liegen. Ik zal er dan ook vanuit gaan dat u een rivaal bent van de kroonprins en iets anders wil ik niet horen.” Griffith glimlachte en de Generaal begreep op dat ogenblik al dat de zwarte man geen enkele ambitie van die soort koesterde. Toch ging hij verder: “Ik wil dan ook garanties van u dat, als we er in slagen De Nechoir te verjagen, u de prins geen strobreed in de weg zult leggen wanneer hij zijn troon gaat opeisen. Meer nog, ik wil dat u hem steunt in zijn eisen, en onvoorwaardelijk steunt, want met u wint hij ook de stemmen van het volk. Indien ik deze kamer verlaat zonder ervan overtuigd te zijn dat u zich niet aan deze voorwaarden houdt, zal de kroonprins geen verbond met u sluiten en kunt u het alleen uitvechten met De Nechoir.” Griffith leek zich geen zorgen te maken “Weet u ook hoe ik u kan bewijzen dat ik de kroonprins trouw ben - want laat daar geen twijfel over bestaan: ik steun hem. Ik kan hem inderdaad de hemel beloven om een bondgenootschap met hem te sluiten, maar hoe kan ik hem duidelijk maken dat ik mij daar ook aan zal houden?” “U zal gepromoveerd worden tot oppermaarschalk van de legers van zijne majesteit en bijgevolg komt u officieel in dienst van de prins. Dat houdt in dat u, nadat De Nechoir is verslagen, ook nog steeds onder zijn bevel staat. Indien u ook maar even de indruk geeft aan de adel of wie dan ook dat u het op de troon hebt voorzien, zal u voor de militaire rechtbank worden gesleept. En het is hopelijk duidelijk dat het tribunaal u tot de dood zal veroordelen.” Griffith streelde met zijn hand over zijn kin. “Ik zie het. Het is een stuk moeilijker voor een soldaat dan voor een burger te rebelleren tegen zijn meester.” “Precies.” “En denkt uw prins dat dat voor genoeg garanties zorgt? Ik zou niet de eerste legerofficier zijn die een gooi doet naar de macht.” “Misschien,” zei de Generaal, “maar uw titel blijft formeel. U kunt altijd beroep doen op de troepen van de prins om u bij een bepaalde actie bij te staan, maar voor de rest blijft u enkel het commando voeren over uw eigen mannen.” “Ach zo. Een legerofficier zonder leger kan geen coup plegen.” “Precies…” Griffith knikte instemmend. “Geen probleem. Dat zijn voorwaarden waar ik mee kan leven.” De Generaal had ook niet anders verwacht. Het zou hem erg verbaasd hebben als de zwarte man inderdaad van plan was geweest een coup te plegen. “Zeer goed,” zei de Generaal, “dan zal ik morgen vertrekken om de prins van ons akkoord op de hoogte te brengen.” “Als u wilt. In de tussentijd kunt u hier blijven logeren. Maar ik zou u wel een vraag willen stellen voor u morgen doorgaat,” zei Griffith. De Generaal knikte hem toe. “Ik wou vragen of u niet bereid bent om voor mij te komen werken eens u uw boodschap hebt afgeleverd.” De Generaal keek hem even bevreemd aan. “Pardon?” “Ik vraag u niet om van kamp te veranderen, Generaal. Zoals u zelf ook wel weet: we werken allemaal voor hetzelfde doel. Maar uw talenten worden verspild daar in het noorden, Generaal, en ik kan iemand als u gebruiken.” “Mijn diensten aan de prins zijn waardevol genoeg, vind ik. Waarom zou ik me gaan aansluiten bij wat vrijbuiters die alleen in het holst van de nacht buitenkomen?” “Stoort het u dat wij er andere manieren op na houden dan uw soldaten die zich tijdens de dag in het veld laten afslachten, Generaal?” vroeg de Schaduwloper. De Generaal staarde de andere man aan. Hij wist hoe hij iemand moest treffen… “Ik wil alleen maar zeggen,” zei de Generaal beheerst, “dat ik niet zou weten hoe ik iemand als u van dienst kan zijn. Zoals u net hebt opgemerkt: u strijdt een ander soort oorlog dan wij.” “Een oorlog waarbij we niet met open vizier strijden, Generaal?” “U weet even goed als ik dat het grootste deel van uw kracht voortvloeit uit het feit dat niemand u en uw mannen kent.” “Dat is waar,” antwoordde Griffith, “maar tegelijkertijd zijn er maar weinig van mijn mannen die naamloos hoeven te sterven…” De Generaal glimlachte. Hij kon het woordspel van de zwarte man wel appreciëren. “Heel goed. Stel dat ik om overplaatsing vraag. Wat denkt u dat u dan met een ouwe ijzervreter als mij kan aanvangen? Ik werk bij licht, weet u.” “Inderdaad Generaal,” zei Griffith, “en dat is precies waarom ik u nodig heb.” De Generaal raakte geïnteresseerd. “Wat is het juist dat u van mij wilt?” Griffith keek opzij naar James. De jongen zat op twee stoelen te slapen en was er zich niet van bewust dat hij ineens het onderwerp van hun gesprek was geworden. “Ik heb ooit eens een oefengevecht met hem gehad. Niks bijzonders. Een vechtpartijtje tussen twee bevriende mensen. Zou je denken. …Die jongen veegde de vloer met me aan. Nu, ik heb altijd geweten dat ik verschrikkelijk ben in een man-tegen-man gevecht. Steek een zwaard in mijn handen en het valt er als vanzelf uit.” De Generaal kon het zich moeilijk voorstellen. “Maar zoals die jongen vecht, vecht geen enkel normaal mens. Ik denk dat van alle mannen die ik onder mijn bevel heb staan, er geen enkele is die hem kan verslaan. En weet je hoe dat komt: omdat hij getraind werd als soldaat voor De Nechoir. Jij hebt veldervaring dus zal je dat ook wel weten. Zijn soldaten zijn gedrilde moordmachines en kunnen overweg met ongeveer elk wapen dat er ooit werd uitgevonden. Zolang mijn manschappen zijn soldaten niet aankunnen, zal De Nechoir dan ook altijd overeind blijven.” De Generaal fronste het voorhoofd. “Ik had horen zeggen dat jouw mannen, De Nechoirs soldaten anders wel aankonden. Ik dacht toch dat je soms overvallen op hen organiseerde.” “Transporten misschien, konvooien soms. Nooit legereenheden. En we pikken er altijd de lichtste uit. We vallen meestal vanuit de verte aan met pistolen en kruisbogen en proberen lijfgevechten zo veel mogelijk te ontwijken. Zie je, de meeste van mijn mannen zijn stadsmensen en boeren. Er zitten wel een paar soldaten tussen, maar die zijn lang niet zo doorwinterd als De Nechoirs mannen. We werken in het donker, Generaal, omdat we zo in de pan zouden worden gehakt als we het anders aanpakten.” “Ik zie het,” zei de Generaal, “en jij wilt dat ik je mannen opleid tot soldaten die zich wel weten te rooien met een pistool in hun handen?” “Begrijp me niet verkeerd,” zei Griffith, “mijn mannen kunnen vechten als ze willen. Guerrillatechnieken zijn handig, maar niet voldoende om een oorlog te beslechten. De manier waarop we nu bezig zijn, heeft alleen maar gevolgen op Wails zelf. De Nechoirs represailles maken nu al burgerslachtoffers en dat is wel het laatste dat ik wil. In een land waar fanatici strijden, zijn degenen die proberen hun dagelijks leven te leiden altijd het slachtoffer. Het doet er niet aan toe ‘dat we het voor hen doen’ als we hen daarmee dwingen zich aan ons aan te passen... Daarom moet de guerrilla boven water komen. Maar met onze huidige gevechtstraining kunnen we ons niet handhaven. Daarom hebben we iemand nodig die ons kan vertellen hoe we ons als soldaten kunnen gedragen...” “Goed, laat ik stellen dat ik het doe. Wat zegt me dat je de waarheid vertelt? Wat bewijst me dat je geen soldaten van je mannen wilt proberen maken om andere redenen?” Griffith glimlachte. “Welke andere reden kunt u bedenken? Ik heb altijd geopteerd om De Nechoir te bestrijden op een andere manier dan via een loopgravenoorlog. De Nechoirs macht bestaat uit bureaucratie en het onderdrukken van intellect. Hoe bevecht je dat met wapens? Een groot deel van mijn mannen zijn klerken en dubbelspionnen. We onderscheppen zijn berichten en vervangen zijn ambtenaren door saboteurs zodat zijn administratieve machine wordt afgeremd. De konvooien en transporten die we stelen dienen alleen om zijn organisatie in het honderd te laten lopen. Wat zou ik dan moeten doen met soldaten... tenzij onszelf verdedigen?” De Generaal wist dat de zwarte man hem een loer aan het draaien was. Hij stond erbij en keek er naar, maar wist niet wat de zwarte man van plan kon zijn. Hij wist alleen dat de Schaduwloper de waarheid sprak, toen hij zei dat hij alleen Wails wilde bevrijden. Voor zover hij wist had de zwarte man gelijk toen hij zei dat hij zijn mensen wilde beschermen. “Waarom doe je dit allemaal?” zei de Generaal. “Je moet toch weten dat de kroonprins je zonder wroeging opzij zal schuiven van zodra De Nechoir uit de weg is geruimd?” Griffith keek hem ernstig aan. “Ik weet dat er veel aasgieren zijn en dat iedereen zijn eigen agenda heeft, maar ik heb maar één ambitie en dat is dit land bevrijden.” “En mochten we daar ooit in slagen? Wat ga je daarna dan doen?” “U wilt weten of ik een plaats voor mezelf zie in de politiek van Wails? Ik weet dat de kroonprins het Hooghuis nooit meer zal willen heroprichten en enkel een absolute monarchie wil. Ergens kan ik hem geen ongelijk geven. Het Hooghuis gaat er zogezegd van uit dat alle lagen van de bevolking worden gerepresenteerd. Wie daarin huist kan echter onmogelijk weten wat de stem van de mensen is die hij representeert. Ik heb meer dan eens moeten horen dat het Hooghuis het slachtoffer was van haar eigen bureaucratie. Toch stem ik niet in met de kroonprins om het instituut in zijn geheel af te schaffen. Er zijn andere manieren om welvaart te brengen in een land dat aan de afgrond zit. Ik zou een rol kunnen spelen in de uitwerking van die ideeën, maar dat kan ik alleen met instemming van de persoon die de macht heeft in het land... en dat zou in dat geval de kroonprins zijn... Momenteel is het mijn eerste prioriteit om De Nechoir van zijn troon te lichten. Welke toekomst er ons daarna ook staat te wachten, ik zweer u dat ik er alleen aan de zijde van de kroonprins aan wil werken... niet als zijn vijand.” De Generaal dacht na. “Ik zie het…” Mijmerend keek hij voor zich uit. “Ik geloof je,” zei hij dan, “en ik zal die mannen van je trainen. Maar eerst wil ik het bondgenootschap bij de prins bevestigen. Daarna keer ik terug.” 2. Op het ogenblik dat de Generaal terugkeerde naar het noorden besloot De Nechoir een zware uitval te doen naar de kroonprins. De Nechoir had vermoed dat er een bondgenootschap tussen de Schaduwloper en de kroonprins op til was. Om te voorkomen dat de twee de kans kregen om hun krachten te bundelen, had De Nechoir dan ook een tegenzet gedaan. Hij had bijna zijn hele leger verzameld en had zich op de stellingen van de kroonprins gegooid. De omvang van de aanval verraste de kroonprins volledig en hij verloor het grootste deel van zijn strijdkrachten. Zelfs in aanmerking genomen dat ook De Nechoir zware verliezen had geleden, was het bijna een wonder dat het leger van de kroonprins niet volledig was uitgevaagd. De stellingen van de kroonprins waren zo verzwakt dat het nog maanden zou duren eer hij van de slag was bekomen. De Generaal hield niet van de terugval die hij zag toen hij weer in het kamp van de kroonprins kwam. Net als vele anderen had hij gehoopt dat ze samen met de zuidelijke rebellen eindelijk een aanval op De Nechoir konden ondernemen. Maar zoals het er nu voorstond moesten de rebellen al het mogelijke doen om er voor te zorgen dat De Nechoir, de kroonprins geen tweede keer zou kunnen aanvallen. Het leger van De Nechoir was nog altijd te groot voor de Schaduwloper om aan te kunnen, maar de prikacties van de rebellen zorgden er in ieder geval wel voor dat De Nechoir voorlopig niet kon denken aan een nieuwe aanval op de kroonprins. De Generaal bleef een aantal weken in het noorden om te helpen hun stellingen weer te versterken. Toen hij niet meer nodig was, zakte hij met toestemming van de kroonprins terug af naar het zuiden waar hij de Schaduwloper opzocht. De rebellen hielden zich op in de Hoogheuvels toen de Generaal daar arriveerde. Via de gebruikelijke weg liet de Schaduwloper, de Generaal opzoeken en hem naar hun geheime schuiloord brengen. Toen de Generaal aankwam in de Hoogheuvels zat de zwarte man net te kijken naar een oefengevecht tussen zijn mannen. De Generaal zag dat de man even kalm was als de laatste keer dat hij hem had gezien. De situatie in het noorden kon hem blijkbaar niet van zijn stuk brengen en de Generaal vroeg zich af of de Schaduwloper dan wel ooit panikeerde. De Schaduwloper keek op en nodigde de Generaal uit om naast hem te komen zitten. “Dus je bent toch gekomen,” zei Griffith. De Generaal gromde wat. “Ik had mijn woord gegeven dat ik je mannen zou komen opleiden,” zei hij, “maar ik moest nog wat dingen afronden in het noorden. Het is daar een chaos.” “Ik weet het,” zei Griffith. “Ik heb daar mijn eigen informanten. Ze zeggen dat de kroonprins voorlopig genoeg aan zijn hoofd heeft om zich mee bezig te houden.” “Hij probeert zijn hoofd boven water te houden,” stemde de Generaal in en dan: “Hij dankt je omdat je De Nechoirs troepen van zijn voordeur houdt. Hij kan de tijd gebruiken om te recupereren…” Griffith haalde de schouders op. “De Nechoir is nu hoe dan ook verzwakt. Het is een kleine moeite.” De Generaal zuchtte. “Het is eigenlijk jammer. De Nechoir is nu ook een deel van zijn leger kwijt. Nu het een geschikt moment is om hem aan te vallen, hebben we niet de mannen of het materiaal om het te doen… Als alleen die Lenionen er maar waren geweest! Die stonden klaar om hun prins te komen bevrijden! Zij hadden de klus kunnen klaren!” “Nee,” zei Griffith, “ze kunnen niet ingrijpen. Ze hebben al genoeg moeite om te voorkomen dat het hele continent in oorlog gaat met Lenion.” “Ik dacht dat daar onderhandelingen over waren geweest?” “Mh, die zijn nog steeds aan de gang. Maar Lenion kan De Nechoir voorlopig niet aanvallen tot dat van de baan is.” De Generaal schudde het hoofd. “Ik voel me alsof ik tot mijn borst in het water sta, maar me niet kan bukken om er van te drinken.” Griffith glimlachte, de Generaal begreep niet waarom. “Begin nog niet te wanhopen. De Nechoir heeft altijd het meeste aantal mannen in de strijd kunnen inzetten, maar dat betekent nog niet dat we helemaal machteloos zijn. Ik heb lang gewacht op het moment dat De Nechoir verzwakt zou zijn.” “O?” zei de Generaal, “ga jij hem soms nu met je koeienjongens aanvallen? Jullie zijn met te weinig en ik zou niet weten hoe jullie het kunnen aanpakken.” “Wel dan, dan wordt het tijd om u in het spel te betrekken, nietwaar Generaal? Laten we ermee beginnen dat u mijn mannen traint en dan zal ik wel voor de aantallen zorgen.” Er begon de Generaal iets te dagen. “Je meent het,” zei hij ontnuchterd, “je bent inderdaad van plan De Nechoir aan te pakken. Ben je gek, jongen? Zelfs zoals zijn leger er nu aan toe is, kan je hem nog niet aan.” De Schaduwloper leek niet op te kijken van die opmerking. “Het is het proberen waard…” De Generaal verbaasde zich over de sereniteit van de man. “Heb je soms een plan? Een onfeilbaar plan?” “Een plan ja,” zei Griffith, “onfeilbaar niet. Ik zal het je later wel uitleggen. Zorg jij maar eerst dat ik mijn ‘soldaten’ heb, dan komt de rest wel vanzelf.” De Generaal keek weer naar de oefenende mannen voor hem. James had zowat iedereen gevloerd en maakte zich gereed voor een laatste oefenwedstrijd met een van de rebellen. De jonge soldaat was een natuurtalent met het zwaard, zag de Generaal. Dus wat dat betrof had de zwarte man blijkbaar gelijk: dat kleintje kon vechten, en hoe. “Die jongen,” zei de Generaal, “als hij voor De Nechoir werkte, hoe heb je hem dan kunnen overtuigen om jouw kant te kiezen? De meeste van De Nechoirs manschappen zijn hem erg trouw.” “De Nechoir biedt zijn mannen geld aan, en ik niet, bedoel je?” “Ondanks alle nobele bedoelingen moet een rebel ook iets hebben dat het loont om voor te vechten,” zei de Generaal, “en als ze willen vechten tegen De Nechoir konden ze het beter doen bij de kroonprins. Die heeft meer middelen om in de strijd te gooien. Dus waarmee koop jij de trouw van je mannen?” “Ik koop hun trouw niet. Ik luister naar hun harten en biedt hun aan wat ze willen: hoop op bevrijding. De kroonprins heeft hen dat nog nooit aangeboden.” De Generaal knikte. “En waarom volgen ze jou? Ik heb deze mannen nu al eens kunnen observeren en ik moet zeggen dat ze je erg trouw zijn. Zelfs dat joch daar zou je tot in de dood volgen.” Griffith haalde de schouders op. “Blijkbaar was ik de enige in de buurt die ze konden volgen. Er was niemand anders om zijn kandidatuur te stellen.” De Generaal dacht niet dat het zo simpel was, maar ging er niet meer verder op in. Het was lang geleden dat de Welshen nog eens iemand hadden gehad waarin ze konden geloven. Het was dus voor de Generaal geen echte verrassing dat de Schaduwloper zoveel volgelingen had. In een zekere zin deed de man naast hem, hem denken aan zijn vroegere meesteres, Guenevere Woolf. Zij was ook de ziel en inspiratie geweest van het Welshe volk en naast haar was de Welshe koning verbleekt. De Generaal kon zich nog die momenten voor de geest halen dat zijn meesteres in het Hooghuis een of andere rede hield. Ze was altijd overtuigender geweest dan andere oratoren, had altijd meer mensen op haar hand gehad. De Welshe koning was natuurlijk degene die de wetten moest bekrachtigen, maar niemand had ooit zo naar hem geluisterd als naar Guenevere Woolf. De Schaduwloper leek die gave ook te hebben. Hij had een enorm overtuigingsvermogen en leek heel zelfzeker. Die keer dat de Generaal hem had zien spreken in de schuur had hij onmiddellijk gedacht aan zijn vroegere meesteres. Het was niet moeilijk te geloven dat zijn mannen hem overal en altijd zouden volgen waar hij ook ging. Toen het oefenkamp afgelopen was, nam de Schaduwloper, de Generaal terug mee naar het huisje waar ze elkaar de eerste keer hadden ontmoet. Hij liet zich vertellen dat ze hun vergaderingen niet altijd hier inlegden, maar dat het huisje van de Witte Heks wel een van de veiligste plaatsen in het land was. “De Nechoir houdt niet erg van de Witte Heks,” zei Griffith. “Hij is bang dat ze een vloek over hem zou uitspreken, dus houdt hij zijn soldaten hier zo veel mogelijk uit de buurt.” De Generaal dacht niet dat De Nechoir zo bijgelovig was - tenslotte had hij de legende van de Wolven ook aangevallen - maar hij kon zich niet indenken dat de zwarte man daarover ging liegen, dus zweeg hij. Toen ze binnengingen, zag de Generaal dat niet alleen de Witte Heks aanwezig was. Het kind dat hij de vorige keer had gezien, lag nu in de armen van wat hij vermoedde de moeder te zijn. Bij haar stond een jonge man met een zuiders uiterlijk. Ze waren aan het praten, maar toen de zuiderse jongen hen zag binnenkomen, liep hij met een glunderend gezicht naar de zwarte man toe. “Griffith!” “Emilio…” De twee mannen omhelsden elkaar en klopten op elkaars rug. “Dit is mijn bloedbroeder, Emilio,” vertelde de zwarte man aan de Generaal, “we groeiden samen op.” De Generaal schudde beleefd Emilios hand en vroeg zich af waarom dat gezicht hem zo bekend voorkwam. “Zit,” zei de Schaduwloper dan en de drie mannen gingen rond de tafel zitten. De jonge moeder verdween met haar kind, wellicht om te voorkomen dat het kleintje van hun stemmen wakker zou worden. “Emilio,” zei Griffith, “blij je te zien, het is lang geleden.” “Ik dacht dat het tijd werd je eens te bezoeken,” zei Emilio, “en nu met alle commotie in het noorden, laat mijn vader niet meer zo erg op me letten.” “Dat is maar goed ook. Ik zou je iets aandoen als je onze schuilplaats hier zou verraden, om niet te spreken van Catherina’s schuilplaats.” “Ik kon het niet laten! Ik moest je zien! En ik moest Catherina zien…” De jonge man aarzelde en zei dan: “Ze ziet er vrij zwak uit, weet je. Heeft ze er altijd al zo uitgezien sinds de bevalling?” De Generaal merkte direct dat de zwarte man ineens niet meer zo happig was met antwoorden. “Ze is al wat beter, maar ik weet niet of ze nog ooit de oude zal worden. Ze is… Ze heeft veel meegemaakt het laatste jaar.” “Ik had gedacht dat ze bij jou wat zou opfleuren,” mijmerde Emilio. De zwarte man wist niet wat antwoorden. Hij haalde eens diep adem en veranderde van onderwerp. “Hoe gaat het met Jean-Filip?” “Hij mokt,” knipoogde Emilio. “Hij had vast niet gedacht dat het zo lang zou duren eer de Bethune hem kwam bevrijden. Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Ik zou ook teleurgesteld zijn als ik zo lang gevangen zat.” “Jean-Filip?” vroeg de Generaal, “is dat niet de kroonprins van Lenion?” “Ja,” antwoordde Emilio, “hij zit bij ons op de burcht.” “De burcht? Je bedoelt… het Arendsnest? En wie bent u dan juist.” Emilio wisselde een blik met Griffith. De zwarte man knikte. “Ik ben Emilio De Nechoir, Marcos’ zoon.” De Generaal zette grote ogen op, maar zei niks. Hij wist dat De Nechoirs oudste zoon hem afvallig was, maar hij had niet gedacht dat de Schaduwloper hem kende. “En ik veronderstel dat u de Generaal bent?” vroeg Emilio. “Catherina vertelde me dat u Griffiths mannen onder handen ging nemen.” “Ja, dat is de bedoeling, zelfs al begrijp ik nog steeds niet wat het nut is.” “Daarover gaan we nu spreken,” zei Griffith kalm. “Emilio, je bent welkom om te blijven luisteren.” “Ik ben een en al oor…” De Schaduwloper begon zacht te spreken. Hij zei dat het juiste tijdstip was aangebroken om een einde te maken aan De Nechoirs rijk. De Nechoir was verzwakt door maandenlange acties en door zijn aanval op de kroonprins. Hij regeerde nog steeds met ijzeren hand, maar hij had vele mannen, veel materiaal verloren. Het volk had genoeg gekregen van het juk van De Nechoir. Het geloofde niet meer in de onoverwinnelijkheid van De Nechoir en had slechts één woord nodig om met zijn tirannie komaf te maken. Het voorbije jaar was Wails rijp geworden om zich van De Nechoir te bevrijden. De Nechoir stond op een tweesprong tussen twee wegen: één bergaf, één bergop. Als De Nechoir de kans kreeg te herstellen van zijn wonden, zou hij ervoor zorgen dat hij daarna nooit meer zwak zou worden. Als ze daarentegen nu al hun krachten zouden verzamelen en De Nechoir zouden aanvallen, was er een kans dat ze hem konden overwinnen. Het zou een risico zijn. Het viel niet na te gaan hoe sterk De Nechoir nog was op dit moment en of ze wel konden slagen. Maar als ze nu niks deden, dan zouden ze nooit meer iets kunnen doen. Dan zat de kans erin dat ze pas over tien jaar weer sterk genoeg waren om De Nechoir aan te pakken. Dat was te lang, zei de Schaduwloper. In die tijd kon er al van alles veranderd zijn. De Nechoir zou een opvolger kunnen hebben vinden, hij kon zijn leger weer hebben aangesterkt en de tirannie zou voortduren. “Dit is het moment,” zei Griffith, “hier en nu. En anders nooit.” Ze waren niet met velen, zei de Schaduwloper dan. De troepen van de kroonprins zaten vast in het noorden en de kroonprins kon geen van zijn mannen missen. Dus bleven er enkel de rebellen om te reageren. Maar hun aantal was klein. Ze zouden dus een plan moeten opstellen om De Nechoir te verschalken. En daarvoor zouden ze hulp nodig hebben, van de mensen in de steden en die van het platteland. Ze zouden dan ook grootscheeps moeten beginnen ronselen. De Nechoir had de meeste van zijn troepen nu in het noorden. Ze belegerden de kroonprins aan zijn linies en zouden zich er niet aan verwachten dat een grote troepenmacht, al bestond die maar uit burgers, hen van achteren zou aanvallen. Ze konden natuurlijk niet met de borst bloot op hen afgaan. Ze zouden De Nechoirs soldaten aanvallen op een terrein waar zij en niet De Nechoir de meester was zoals een moeras of een bos. Ze zouden het terrein klaarmaken op zulk een manier dat de soldaten klem zouden komen te zitten tussen de aanvallende troepenmacht van de kroonprins en de linies van de rebellen. De Nechoirs mannen konden de soldaten van de kroonprins immers aan en een georganiseerde militie van rebellen misschien ook. Als de rebellen hen echter konden lokken naar een terrein waar ze een open schietschijf waren, zouden De Nechoirs soldaten voor eens en voor altijd worden uitgewist. Het plan bestond eruit dat de kroonprins een schijnaanval zou inzetten en De Nechoirs soldaten zou lokken naar een vooraf uitgekozen terrein. De rebellen zouden daar op de soldaten wachten. Griffith had al een idee waar ze die confrontatie konden laten plaatsvinden: ergens in het gebied van een baron, vlak tegen de gevechtslinie van de kroonprins. Ze zouden het gebied blank zetten. De Nechoirs soldaten zouden vast komen te zitten tussen twee stromen en zouden er enkel uit geraken als ze langs de rebellen kwamen. De kroonprins zou het werk afmaken. Het enige dat ze moesten doen was genoeg mensen optrommelen om mee te doen, en om het geheim te houden, vooral dat. De Generaal twijfelde er geen moment aan dat de Schaduwloper er in zou slagen genoeg mensen voor zijn plannen te werven. Hij kon zelfs stenen doen bewegen met zijn toespraken, dus daar knelde het schoentje niet. Evenmin zag hij er een probleem in om die ongetrainde meute te laten doen wat hij wou. Hij wist uit ervaring dat een sterke hand zelfs burgers in gehoorzame soldaten kon doen veranderen. Maar hij geloofde niet in het plan zelf. Het was te ruw, te afhankelijk van vertrouwen. Maar Griffith glimlachte zijn angst weg en zei dat hij wist wat hij deed. Griffith nam de Generaal de volgende dag mee uit rijden. Hij legde zijn plan beter uit. De Generaal wees de zwarte man op de fouten ervan, maar Griffith weerlegde al zijn bezwaren. “Je plan is uitvoerbaar,” zei de Generaal, “maar waarom neem je het risico er zoveel mensen bij te betrekken? Je moet toch weten dat de eerste de beste een overloper kan zijn?” “Dan zullen we er maar voor moeten zorgen dat niemand ons verraadt,” zei de zwarte man eenvoudig. De Generaal was geïrriteerd door die eenduidige kijk. Dat leek helemaal niks te zijn voor een man als de Schaduwloper. “Waarom vertrouw je op gewone burgers om je te helpen? Je weet even goed als ik dat je burgers niet met dezelfde discipline tot zwijgplicht kunt dwingen als soldaten.” “Ik dacht dat de kroonprins me had ingelijfd om het volk op zijn hand te krijgen? Wel, ik zorg er toch voor dat hij ze kan inzetten in zijn oorlog?” De Generaal staarde hem aan. “Je meent het...” “Natuurlijk meen ik het.” Plots begon het de Generaal te dagen. “Er was nog een andere reden, nietwaar, waarom je wou dat ik me bij je voegde? Je hebt nog een eigen agenda ook. Ik had het kunnen weten vanaf het ogenblik dat je je plannen uit de doeken begon te doen. Je hebt een pokergezicht, Schaduwloper. Je koos mij voor nog een andere reden dan voor het opleiden van je mannen. Is het omdat ik iets weet dat andere generaals niet weten? Of omdat ik iets heb dat je niet wilt dat de kroonprins heeft?” Griffith keek hem rustig aan. “Ik vraag je niet je meester te verraden. Je hebt hem trouw gezworen en ik wil niet dat je hem zou beliegen.” “Nee, misschien niet, maar het doet me wel een paar vragen stellen... Waarom die aanval op De Nechoir? Waarom heb je mij daarvoor nodig? Wat is het dat je wilt?” “Wil je dat ik daar op antwoord?” “Ja,” zei de Generaal. Griffith keek hem doordringend aan. “Ik wil De Nechoir,” zei hij. De Generaal schudde het hoofd. “Wat bedoel je daar juist mee: ‘ik wil De Nechoir’?” “Precies wat ik zeg: ik wil De Nechoir.” De Generaal dacht even na. “Je bedoelt... Je wilt hem doden?” “Exact.” De Generaal keek hem aan alsof hij gek was. “Dat kan je niet. De Nechoir kan niet gedood worden, alleen verslagen of verjaagd worden.” Griffiths ogen boorden zich in die van de Generaal. “Dan is het dat waar ik voor zal zorgen en jij bent de enige die me ermee kan helpen.” En dan begon hij uit te leggen waarom hij de aanval in het noorden plande en waarom hij de vroegere generaal van Guenevere Woolf nodig had. 3. Eens de Generaal wist wat Griffiths plannen waren, gingen ze elk aan de slag. De Generaal trainde Griffiths mannen en Griffith ging mensen ronselen in de dorpen en de steden. Elke twee dagen vergaderden de rebellen en bespraken ze Griffiths plannen. De stedelingen en de dorpelingen kregen een aparte uitleg in kleine groepen. Griffith organiseerde het zo dat iedereen wist waar hij moest zijn en wat hij moest doen, maar niemand kende het grote plaatje. Daardoor was er weinig kans dat De Nechoir ooit meer dan geruchten zou horen en zou begrijpen wat er aan de hand was. De meeste besprekingen gingen door op het kasteel van de baron op wiens terrein de slag zou doorgaan. Er was wat overtuigingskracht nodig geweest om de man in te schakelen. Hij was immers doodsbenauwd voor wat De Nechoir met hem zou doen als die hoorde dat hij de rebellen steunde. Maar toen Griffith hem vertelde dat wat hij met hem zou doen tien keer erger zou zijn, verwelkomde hij hen met open armen. Voorlopig ging alles volgens schema. Griffith wist voldoende mensen te ronselen om zijn plannen uit te voeren. Natuurlijk lekte het uit dat de Schaduwloper iets van plan was, maar dat was onvermijdelijk en De Nechoir wist daarom nog niet noodzakelijk wat hij van zin was. Daarvoor was Griffith veel te gehaaid. De Generaal kon er nauwelijks bij hoe de Schaduwloper, De Nechoir bespeelde. De Generaal had altijd gedacht dat De Nechoir een geest vol vreemde kronkels had en dat hij daardoor onvoorspelbaar was voor zijn tegenstanders. Griffith had echter de gave te kunnen voorzien wat er in De Nechoirs hoofd omging en draaide hem een rad voor ogen. Vleiend was het natuurlijk niet, maar voor de rebellen was Griffiths inzicht in De Nechoirs hoofd levensnoodzakelijk. Het was de enige manier om die gevaarlijke gek steeds een stap voor te blijven. Het was ook door Griffiths kennis van De Nechoir dat de Generaal begon te begrijpen dat er meer aan de hand was tussen die twee mannen. Hij vroeg zich dikwijls af waarom Griffith zo op De Nechoir was gefocust. De Generaal had soms het gevoel dat het antwoord vlak onder zijn neus lag, maar voorlopig zag hij het niet en liet hij het er dan ook bij. De Generaal had er geen idee van of het plan van de zwarte man ooit zou lukken. Hij had geen goed oog in sommige delen ervan en soms vreesde hij voor het ergste. Waar hij zich wellicht nog het meeste zorgen over maakte, was dat Griffith zich mee in de strijd wou gooien. Hij was niet slecht met het pistool en al bij al nog niet zo’n ramp met andere wapens zoals hij beweerde, maar de Generaal begreep niet waarom hij tot elke prijs wou meedoen aan de laatste slag. Voor de Generaal was Griffith immers meer dan gewoon een leider. Voor hem was hij het symbool voor hun strijd en ook de enige die het kon opnemen tegen De Nechoir. Mochten de rebellen mislukken en Griffith zou omkomen, dan was er niemand meer in wie het Welshe volk kon geloven om hen te leiden. Griffith liet zich evengoed niet op andere gedachten brengen. “Ik moet aanwezig zijn als het gebeurt,” grauwde de zwarte man op een keer tegen de Generaal. “En waarom dat?” had de Generaal even hard geantwoord. De zwarte man had hem met zijn duistere ogen aangekeken en had geantwoord: “Omdat ik De Nechoir dood wil! Omdat ik mijn wraak wil hebben…” De Generaal schrok van Griffiths hevige reactie. “Die dag,” had de zwarte man donker gezegd, “als we hem aanvallen, zal een van ons beiden moeten sterven en dan zal het voor eens en voor altijd bepaald worden wie de meester van de Arendsburcht is.” Op dat ogenblik had de Generaal begrepen wie Griffith was. 4. Marcos De Nechoir zat rustig op zijn stoel te wachten en rookte zijn cigarillo. Hij dacht aan de zwarte man waarvan hij nooit echt had geloofd dat hij dood was. Hij dacht aan de moeder die hij zonder veel problemen uit de weg had geruimd, de echtgenoot die voor De Nechoir niks betekende. Die man was niks zoals de vrouw geweest. De echtgenoot hield het kind altijd in zijn armen alsof hij zelf een kind was, zo opgewonden was hij geweest. Maar de vrouw, dat was een vrouw geweest waar je rekening mee moest houden. En nu was de zoon terug, de jongen die in alles volledig op de moeder leek. De Nechoir kon zich nog altijd de haat in de ogen van de jongen herinneren, en in die haat soms de moeder. Soms vroeg De Nechoir zich af of hij die jongen wel helemaal in zijn greep had. Hij kon meestal wel de gedachtegangen van dat wolvenjong volgen en er op inspelen, maar soms kon de zwarte man toch gevaarlijk uit de hoek komen. Tot nog toe had De Nechoir die scherpe aanvallen altijd de baas gekund, maar De Nechoir maakte niet de vergissing hem te onderschatten. Hij balanceerde op het scherp van de snee met die jongen en als hij zich ook maar één keer zou vergissen, zou hij er wel eens af kunnen vallen. De Nechoir was zich er maar al te goed van bewust dat hij een tegenstander van formaat had. En het was het meest inspirerende spel dat De Nechoir ooit had gekend. Hij zou de uitdaging om het tegen de zwarte man op te nemen voor geen geld ter wereld hebben willen missen. De Nechoir vroeg zich af wie van hen twee uiteindelijk de laatste troef zou bovenhalen. “Wat ben je van plan, jongen?” vroeg De Nechoir zichzelf geamuseerd af. Kon hij voldoende voorzien wat er allemaal kon gebeuren? De Nechoir geloofde er in ieder geval geen snars van dat de Schaduwloper niet venijniger uit de hoek zou komen dan hij liet uitschijnen. Hij verborg iets, wist De Nechoir, maar wat? “Woolf…” Als hij het meisje niet had bevrijd dan had De Nechoir nooit geraden dat de Schaduwloper en Griffith een en dezelfde persoon waren. Maar Griffith had toch het risico willen nemen zichzelf te verraden, voor dat meisje. Waarom, vroeg De Nechoir zich af. Hijzelf kon zich niet voorstellen dat iemand ooit dat risico zou willen nemen voor een vrouw. En zeker niet Griffith want die was een stuk intelligenter dan de meesten. Het meisje had zijn kind gedragen, zoveel was zeker, maar dat betekende nog niet dat hij ook iets voor haar voelde. Tenminste, De Nechoir kon zich niet voorstellen dat de zwarte man zo dwaas zou zijn om voor welke vrouw dan ook iets te voelen. “Tenzij…,” dacht De Nechoir en terwijl hij voorover boog in zijn stoel, vernauwden zijn ogen. Tenzij hij de meest voor de hand liggende mogelijkheid over het hoofd had gezien. De Nechoir streek over zijn baard. Hij glimlachte over zijn eigen dwaasheid, want als hij gelijk had dan had hij een flater begaan om het meisje uit zijn handen te laten ontglippen. Kind, kind, dacht hij geamuseerd terwijl hij zich dat mooie gezichtje weer voor de geest haalde. Kind… Het meisje was nu verdwenen. De Nechoir vermoedde dat Emilio wel wist waar de Schaduwloper haar had verborgen, maar momenteel lagen zijn prioriteiten elders. Als de tijd daar was, zou hij zijn zoon wel laten schaduwen en zou die hem wel naar haar leiden. Voorlopig interesseerde het De Nechoir niet om de Schaduwloper een hak te zetten door zijn bruid opnieuw te ontvoeren. Marcos De Nechoir dacht aan die dag toen hij Griffith voor het eerst terug had opgemerkt in het Arendsnest. Dat was toch al enkele jaren nadat De Nechoir de burcht had veroverd op zijn voormalige vrouw. Tot op dat ogenblik was hij niet zeker geweest dat de jongen de slachting had overleefd. Hij had hem natuurlijk gezien in zijn nis op het ogenblik dat hij de wolvenvrouw overmeesterde, maar daarna was de jongen in het niets verdwenen. Hij was nergens in de buurt opgedoken en niemand had zich opgeworpen om zijn rechten te beschermen. En dan was hij plots weer verschenen, een hulpje in zijn keukens. Na veel onderzoek was gebleken dat hij daar toevallig terecht was gekomen. Ze hadden een extra hand nodig in de keukens en een kamermeisje van Neyrelle had hem naar hier gebracht. Lange tijd had Marcos de fout gemaakt te geloven dat Griffith te jong was geweest om zich te herinneren wie hij echt was. Het had hem geamuseerd om hem als de eerste de beste knecht voor zich te laten werken en hij had hem dan ook niet in het oog laten houden. Griffith had zijn rol voorbeeldig gespeeld. Hij had zich voorgedaan als een ongeletterde snul, zonder verstand of belang. Als je hem had gezien, zou je echt hebben gedacht dat hij er geen idee van had wie hij was. Maar dat wist hij uiteraard wel en hij had het op kunstige wijze verborgen weten te houden. De hele tijd had hij zijn oren en ogen maar al te goed opengehouden. Elke dag die voorbij ging was een dag dat hij De Nechoir en zijn burcht observeerde. Hij had het inzicht gehad niet onmiddellijk te reageren. Hij wist dat hij te jong was om al iets tegen De Nechoir te doen en dat hij eerst connecties moest opbouwen vooraleer een tegenzet te doen. Neyrelle was zijn eerste bondgenoot geweest. Neyrelle, het tweegezicht: net als Griffith een meester in geheimen. Ze hadden gedaan alsof ze elkaar niet kenden, maar in werkelijkheid onderhielden ze al die tijd contacten met elkaar. Niemand was het ooit opgevallen dat de burchtvrouw zich inliet met een hulpje uit de keukens. En toen was ook kapitein Montfort komen opdagen, Griffiths tweede bondgenoot. De Nechoir had kapitein Montfort voor geen haar vertrouwd. Hij had het te toevallig gevonden dat iemand uit Lenion op zijn burcht was verschenen, net op het ogenblik dat hij een coup tegen het land beraamde. Door op kapitein Montfort te letten, was het De Nechoir beginnen opvallen dat Griffith wel meer deed dan in potten en pannen roeren. Er waren momenten geweest dat De Nechoir, de kapitein in de buurt van de keukens had zien hangen. Een keer had hij de kapitein en Griffith ook samen gezien. Toen, op een avond, was Griffiths masker gevallen. Hij had Griffith en de kapitein een tweede keer samen gezien. De Nechoir had Griffith aan de tand gevoeld over wat de kapitein van hem wilde, maar de jongen had het niet opgebiecht. Door rechtstreeks met hem te praten, werd het De Nechoir plots duidelijk dat Griffith allerminst een dom keukenhulpje was. Er straalde intelligentie in de ogen, dodelijke intelligentie. De Nechoir had geprobeerd Griffith over te halen om zijn kamp te kiezen, maar de jongen was niet ingegaan op zijn aanbod. Ze hadden de kamer waarin ze toen waren, verlaten met een oorlogsverklaring op zak. Niet dat het overigens toen al duidelijk was dat het een oorlogsverklaring was. Die nacht had Griffith de vertrouwenspersoon van De Nechoir ontvoerd die een vitale schakel was geweest voor zijn coup in Lenion. Toen bleek dat ook kapitein Montfort de burcht had verlaten en zijn schip was verdwenen, had De Nechoir de optelsom snel gemaakt. Griffith en de kapitein hadden samengewerkt om hem een hak te zetten. Op dat ogenblik kon De Nechoir maar een ding bedenken: dat hij hen allebei zou laten boeten. Hij had Griffith laten boeten. Hij had hem gevangen genomen en direct besloten dat hij hem niet zou doden. Hij drong zijn geest binnen en plantte het zaad in hem dat hem voor altijd aan De Nechoir zou binden. Hij vervulde Griffith van zoveel haat dat hij nooit in staat zou zijn zijn vijand te overwinnen. Al die jaren dat Griffith hem had tegengewerkt vanuit Lenion, was hij altijd een maat te klein gebleken... Op dat ogenblik kwam een man binnen en De Nechoir vergat zijn overpeinzingen. Het was een korte, lijvige man die het zweet van zijn voorhoofd aan het wegvegen was. De Nechoir lachte honend om de nervositeit van de man en vroeg zich af waarom de rebellen iemand nodig hadden die zo dom en verraderlijk was als de baron. Hem was het niet gelaten. Zolang de baron zich door zijn angst liet leiden, kon De Nechoir hem gebruiken om achter de plannen van de rebellen te komen. De baron hoefde maar te geloven dat De Nechoir hem naar zijn Donjon zou brengen, om alles op te biechten wat de rebellen tijdens hun vergaderingen zeiden. “Wel, m’n beste baron, hoe was uw avond? Hopelijk iets boeiender dan de mijne want ik vrees dat ik me tot nog toe redelijk verveeld heb.” De baron hield niet van het sarcasme in De Nechoirs stem, maar hij vreesde de man teveel om het hem ook te zeggen. “De rebellen hebben de vergadering beëindigd…” “Allicht, anders stond je hier niet.” “…en ik kan u niets nieuws over hun plannen melden.” “Wat?” zei De Nechoir terwijl hij zijn duivelse wenkbrauwen optrok. “Hebben onze kleine opstandelingetjes niks nieuws bekokstoofd? Tsk, veel afwisseling zit er niet in. Wat hebben ze dan allemaal besproken?” “De opstelling van hun manschappen, tactische posities,…” “En jij noemt dat geen nieuws?” riep De Nechoir spottend uit. “Ik mag hopen dat je hun tactische posities tenminste ergens hebt opgeschreven want ik zou het verlies aan manschappen tot een minimum willen beperken.” De baron overhandigde met trillende handen een van de tekeningen die hij met veel moeite van hun tafel had kunnen weggrissen, een daad die hem meer moed had gevraagd dan hij ooit had kunnen opbrengen als De Nechoir hem niet onder druk had gezet. De Nechoir bekeek het plan even en glimlachte dan weer. Het was goed opgezet… als hun aanval tenminste onverwachts was geweest. “Goed gedaan,” zei De Nechoir, “ik denk dat ik hiervoor weer een paar muren minder van je kasteel zal slopen. Blijf zo spioneren en ik ga je zelfs nog een beloning geven. Hebben ze nog iets anders besproken?” “Ja, het schijnt dat ze te weinig geld hebben om wapens te kunnen kopen. Ze wilden ook wat huursoldaten inlijven om zoveel mogelijk burgers te sparen, maar daar hebben ze al helemaal het geld niet voor.” De Nechoir knikte. “Als ze dom zijn vragen ze geld aan de burgers van de steden, dan jagen ze de bevolking tegen hen in het harnas. Maar ik vrees dat ze dat niet zullen doen. Nee, ze zullen iets anders moeten vinden… Blijf hen in het oog houden. Als ze iets over het geld zeggen, laat je me het direct weten…” De Nechoir verliet even later het kasteel van de baron. Hij wist nu wel ongeveer wat de rebellen van plan waren en begon aan tegenacties te denken. De Nechoir dacht vermaakt aan de zwarte man terwijl hij reed over de Welshe wegen. De Schaduwloper kon misschien zijn gedachten lezen, maar De Nechoir kon ook de zijne lezen… Op een dag zouden ze tegenover elkaar staan en dan zou blijken wie het sterkst was: de wolf of de gier… 5. De Witte Heks bleef die avond langer op omdat ze verwachtte dat ze nog bezoek zou krijgen. Inderdaad kwamen in de loop van de nacht nog drie ruiters aan: James, de Generaal en Griffith. De Witte Heks ontving hen vriendelijk en gaf hen nog iets te eten. Ze waren net teruggekomen van een vergadering bij de baron en wilden verder overleggen wat hen nog te doen stond. Het eerste dat Griffith deed toen hij het huisje binnenstapte, was naar de kinderkamer gaan om de baby een goede nacht te wensen. De Generaal was intussen al gewend geraakt aan dat kleine ritueel van de zwarte man. Begrijpen deed hij het evengoed niet gezien Griffith ontkende dat het kind van hem was. James van zijn kant trok er zich helemaal niks van aan. Het enige waar hij oog voor had, was de stamppot die voor hem klaarstond op het vuur. Hij nam zelfs niet de moeite om een bord te nemen en lepelde het eten rechtstreeks uit de pot. Griffith ging de kinderkamer binnen en boog zich over de wieg. De baby was net wakker geworden en keek wijs voor zich uit terwijl het kraaiende geluidjes maakte. Griffith glimlachte en stond net op het punt het kind uit de wieg te nemen toen de moeder binnenkwam om het te voeden. Catherina bukte zich over de wieg om de baby op te tillen en hij voelde iets in zijn borst roeren. “Catherina,” zei hij. Hij hief onbewust zijn arm op. Ze kwam recht met het kind in haar armen en keek naar hem op. Een moment stonden ze naast elkaar en aarzelde hij om zijn arm om haar heen te leggen. Dan was het ogenblik voorbij en liepen ze de kamer terug uit. Griffith schoof bij de mannen aan en Catherina ging naast het vuur in een schommelstoel zitten. “Lieve hemel,” bromde de Generaal terwijl hij de pot vanonder James’ neus trok. “Waar in hemelsnaam steek je dat toch allemaal?” James zag er bijna ontredderd uit en trok de pot weer bruusk naar zich toe. “Heeft hij soms zeven magen?” vroeg de Generaal aan Griffith. “Ik denk dat hij een beer is en reserves aan het opslaan is voor de winter.” “Ik denk zelfs niet dat het een grap is,” zei de Generaal terwijl hij van terzijde naar James keek. Dan vouwde Griffith een map open op tafel en bogen ze zich over de plattegrond heen. “Emilio heeft laten weten dat de muur op tijd klaar zal zijn. Hij werkt er ‘s nachts aan, maar blijkbaar gaat het wel vooruit.” “Goed, ik was al bang dat dat niet ging lukken.” Griffith schudde het hoofd. “Emilio doet zijn best. Hij weet wat er op het spel staat.” “Ik hoop alleen dat hij ook goed beseft met wat hij bezig is. Tenslotte gaat het toch om zijn eigen vader. Dat soort verraad moet zwaar aanvoelen.” Griffith haalde de schouders op. “Emilio heeft ongeveer evenveel sympathie voor zijn vader als ik dat heb. Bovendien weet hij dat zijn moeders leven in gevaar is en wil hij De Nechoir stoppen voor hij haar iets doet.” “Oké,” zei de Generaal, “en nu wat de aanvalsplannen betreft…” De mannen begonnen hun aanvalsplannen uiteen te zetten en waren wel zeker een half uur bezig voordat het hoge woord eruit was. “Het probleem is het geld,” zei Griffith. “Ik wil niet dat er burgers zijn die afhaken omdat we hen geen wapens kunnen kopen. We hebben het idee van een huurleger al opzij moeten schuiven. Ik wil nu ook niet toezien hoe de rest van ons leger afdruipt. Dat verlaagt alleen maar onze geloofwaardigheid.” “Misschien moet je het de kroonprins vragen, of anders de koning,” zei James, maar de Generaal schudde het hoofd. “Die kunnen zelf al het geld gebruiken waarover ze beschikken. Bovendien was de kroonprins niet zo enthousiast over onze plannen. Blijkbaar vindt hij het nogal veel ineens geriskeerd.” Griffith streek over zijn voorhoofd. “We kunnen er maar beter iets op vinden of we komen in de problemen te zitten.” “Ik zeg dat we naar de kroonprins moeten gaan. Hij heeft ingestemd om ons te helpen, dan moet hij ook maar het geld ophoesten,” herhaalde James. “Nee…,” klonk het toen achter de drie mannen. Catherina had zich tot dan enkel beziggehouden met de baby, maar op het ogenblik dat haar zachte stem klonk in de kamer, luisterde iedereen onmiddellijk naar haar. “Het probleem is niet dat de kroonprins de opstand te veel geriskeerd vindt… De kroonprins heeft er gewoon geen belang bij dat jullie deze opstand winnen.” Griffith fronste de wenkbrauwen. De Generaal vroeg: “Waarom? We vechten voor zijn zaak!” Maar Catherina schudde zachtjes het hoofd terwijl ze haar kind op haar schoot verlegde. “Niemand vecht voor zijn zaak. Het enige dat de kroonprins wil, is zich vermaken en niet te veel denken aan serieuze zaken…” Griffith luisterde aandachtig. “En De Nechoir geeft hem het geld om precies dat te kunnen doen. De kroonprins heeft een eigen hof in het buitenland uitgebouwd met De Nechoirs geld en in ruil daarvoor houdt hij de oorlog langs de grens in stand zonder echt de bedoeling te hebben die te winnen. Misschien was het hem in het begin wel te doen om zijn troon, maar De Nechoir heeft hem goed laten voelen dat hij het plezier van zijn positie ook best kan beleven zonder dat hij de bijkomende verplichtingen hoeft te vervullen.” James en de Generaal staarden Catherina aan, maar Griffith knikte. “De kroonprins is altijd laks geweest in zijn optreden. Ik dacht al dat de prins iets te vaak kansen liet liggen die hem een overwinning op De Nechoir hadden kunnen schenken, zoals toen de koning was gestorven.” “Maar waarom houdt hij die oorlog dan vol als het toch maar een façade is? Waarom?” zei James. “Precies omdat het om een façade gaat,” zei Griffith. “De Nechoir weet wat hij doet. Zolang iemand zich schijnbaar tegen De Nechoir verzet, zal er geen echt verzet ontstaan. Iedereen met wat vechtlust gaat gewoon de grens over, laat zich door de kroonprins in zijn leger inlijven en wordt in de eerst volgende slag om het leven gebracht.” De jonge soldaat keek Griffith verbijsterd aan. “Al die jaren,” zei hij, “dat wij geloofden dat de kroonprins het voor ons opnam…” “Ja, al die jaren liet hij zich door De Nechoir omkopen…” “Dan kunnen we ook niet op zijn steun rekenen als de opstand er komt,” bromde de Generaal. “Misschien stuurt de kroonprins ‘per ongeluk’ zelfs nog troepen naar De Nechoir om hem te verdedigen.” Griffith glimlachte flauw. “Ik denk niet dat hij zijn verraad zo ver zou doordrukken. Nee, het enige waar hij op uit is, is inderdaad zijn persoonlijk plezier. Misschien kunnen we die hele situatie nog uitbuiten.” “Het geldtransport naar de kroonprins zou binnenkort plaats kunnen hebben,” zei Catherina plots, “ik denk het toch…” “Vrouw hoe weet je dat allemaal!” zei de Generaal verbaasd en Catherina antwoordde: “Ik schijn graag mensen af te luisteren…” Griffith kon het niet nalaten even te glimlachen. Catherina ging verder: “Ik overhoorde per toeval een gesprek tussen De Nechoir en een paar van zijn mensen vlak voor ik naar de Donjon werd gestuurd. Ik geloof dat ze zeiden dat het transport op het Arendsnest vertrok en dan verder via het Dode Woud naar het noorden afreisde.” Vlug tekende de Generaal een kaartje van die streek. “Dat gebied is vrij verlaten en enkel patrouilles komen daar nog. De Nechoir moet het transport laten doorgaan voor een patrouille.” Griffith streek bedachtzaam over zijn kin. “Blijft de vraag welke weg ze volgen en wanneer.” “Ik denk wel dat ik weet welke weg ze volgen,” zei James zacht. “Ik heb daar vaak moeten patrouilleren en er is maar één weg waar een kar met een geldkist over kan.” “Zou je die weg kunnen terugvinden?” “Blindelings, er zijn niet zoveel wegen in die streek.” Ze grijnsden tegen elkaar. “En nu nog het tijdstip?” Catherina dacht na terwijl ze het goed natelde. “Ik geloof dat ze zeiden dat elke tweede maandag van de maand zo’n transport vertrok, maar ik ben niet zeker omdat ze zoiets niet expliciet zeiden. Ze zeiden zoiets als: deze tweede maandag en de volgende tweede maandag, dus… Maar, verbeter me als ik verkeerd ben: is de tweede maandag niet…” De Generaal sloeg de handen voor het gezicht. Hij had kunnen weten dat dit net iets te vlot ging. “Dat is vandaag, dan zijn ze vanmorgen vertrokken.” Griffith keek snel op het plannetje. “Dat betekent nog niet dat ze al aangekomen zijn. Het is een lange weg naar het noorden en bovendien vertraagt een kar hun snelheid. Misschien kunnen we ze nog inhalen als we ons haasten.” “Met ons drieën?” “Drie van onze mannen wonen hier in de buurt. We kunnen hen halen. En we hebben de verrassing.” De drie keken naar elkaar en het volgende moment sprongen ze op. Ze haastten zich naar buiten en sprongen op hun paarden. Catherina keek hen peinzend na terwijl ze wegreden en hoopte dat ze niet te laat zouden zijn. Griffith pikte snel drie andere van zijn mannen op en met zijn zessen reden ze zo snel mogelijk noordwaarts. Ze hadden het geluk dat James de streek kende en ze het konvooi nog op tijd konden inhalen. Ze moesten er hard voor vechten en een van de rebellen werd zelfs zwaar gewond, maar het lukte. Ze wisten de soldaten van het konvooi uit te schakelen en de geldkist te bemachtigen. De rebellen hadden het gevoel dat alles hen meezat en dat het van nu af aan niet meer stuk kon. Het nieuws dat de Schaduwloper een geldtransport van De Nechoir had veroverd spreidde zich algauw als een lopend vuurtje over het hele land uit. De Nechoir keek maar zuur op toen hij zich realiseerde wie de informatie over dat transport aan de Schaduwloper had gegeven. Hij had er niet aan gedacht dat de blonde vrouw zijn gesprek indertijd had kunnen afluisteren, maar er was weinig meer aan te doen nu. De Nechoir zag zich voor twee problemen geplaatst nu de Schaduwloper het geld had onderschept: de rebellen konden zich een huurleger aanschaffen en de Schaduwloper kon de kroonprins onder druk zetten om zich aan zijn zijde te scharen. Geen van beide problemen sprak De Nechoir erg aan, maar hij had misschien wel een paar middeltjes om de schade tot een minimum te beperken. Bovendien wist de Schaduwloper niet dat hij op de hoogte was van zijn voorbereidingen. Zelfs al had hij nog zoveel manschappen, nu zijn plan niet langer geheim was, kon het nooit lukken. In het kamp van de Schaduwloper waren ze niettemin euforisch en geloofden de Welshen volop dat de Schaduwloper, De Nechoir zou verslaan. Griffith van zijn kant was er zich goed van bewust dat het nog niet zo ver was. De opstand moest nog komen en Griffith wist dat er honderdeneen dingen waren die nog konden mislopen. Hij was nooit bang voor een mislukking, maar hij maakte zich wel zorgen over de gevolgen ervan. Als hij deze slag zou verliezen, zou hij niet alleen De Nechoir laten winnen, maar zou ook het laatste verzet dat nog resteerde in de aders van de Welshen sterven. 6. Griffith kwam bij de Witte Heks langs. Hij had zichzelf gezegd dat hij niet meer naar het huisje mocht komen dan nodig was, maar het was iets dat sterker dan hemzelf was. Hij wou Catherina bedanken voor wat ze voor hen had gedaan. Bovendien vroeg hij zich af of hij van de gelegenheid gebruik kon maken om met haar te praten. Toen hij aankwam aan het huisje bleek dat Catherina in de heide kruiden aan het plukken was. De Witte Heks zat op een bank en zei dat ze wel vrij snel terug zou komen. Daarop nodige de Witte Heks hem uit om bij haar te komen zitten. “Ik geloof dat alles goed gaat met het verzet?” zei de Witte Heks rustig en Griffith knikte. Hij wou iets zeggen, maar op dat ogenblik kwam er een kleine jongen uit het huisje lopen. Het was de jongste zoon van De Nechoir die Griffith een tijd terug ontvoerd had. De jongen verbleef dan eens hier, dan eens daar om te voorkomen dat zijn vader achter zijn verblijfplaats kwam. Ramirez bleek erg gesteld te zijn geraakt op Griffith en kwam blij op zijn schoot zitten. “En gaat ook alles volgens plan met onze baron?” vroeg de vrouw. “Ja, dus als het zo voortgaat dan kunnen we binnenkort De Nechoir de verrassing van zijn leven bezorgen,” zei Griffith. De Witte Heks glimlachte. “Ben je zo uit op een confrontatie, Griffith Woolf?” “Moet ik uitleggen waarom ik De Nechoir dood wil?” antwoordde hij. “Zal je hem kunnen doden?” vroeg de Witte Heks dan en Griffith keek op. “Waarom zou ik het niet kunnen?” Maar de witte vrouw zweeg. “Ik weet wie ik ben, Ariel,” zei Griffith, “en uit welk geslacht ik voortkom. Ik weet dat het bloed ons dol maakt als we ons er niet voor hoeden. Ik kan niet zeggen of ik opgewassen ben tegen mijn lotsbestemming en of ik in staat ben om het op te nemen tegen De Nechoir. Maar ik weet wel dat ik eraan kapot zou gaan als ik mijn lot zou weigeren.” “Dus zal je hem doden?” “Ja.” “Maar ben je zeker?” “Als ik die man laat leven,” zei Griffith scherp, “hoe zal ik dan nog ooit met mezelf kunnen leven? Ik heb geen keus.” “Marcos De Nechoir is een gevaarlijk man,” zei de Witte Heks, “en hij heeft manieren om zelfs de sterkste mens van zijn meest vastberaden voornemens af te houden.” “Dan zal De Nechoir toch goed zijn best moeten doen,” zei Griffith, “want ik ken geen enkele reden waarom ik hem zou laten leven.” De Witte Heks wachtte even met antwoorden. “Is het niet net dat wat het probleem is,” zei de Witte Heks. “Hoe kun je er zeker van zijn dat je jezelf kent, als je niet weet waarop De Nechoir je kan aanvallen?” Griffith keek haar ernstig aan. “Ken je m’n zwakke punten? Ik zou je mening op prijs stellen.” De Witte Heks knikte en antwoordde dan: “Je afkomst, Griffith, je afkomst kan je ondergang betekenen.” Griffiths ogen vernauwden. “Als dat mijn zwakte is, dan is het in meervoud ook mijn kracht. Als De Nechoir mijn wolvenbloed aanvalt, zal de wolf hem naar de strot vliegen.” Het gezicht van de Witte Heks was emotieloos. “Goed dan, m’n wolvenkind, herinner je de wolf in je als het zover is…” En ze zwegen een tijdje. Ramirez keek met schitterende ogen op naar Griffith en de zwarte man liet hem paardje rijden op zijn knie. De Witte Heks bekeek het tafereeltje vertederd. Toen Ramirez terug naar binnen ging, zei ze warm dat hij goed met kinderen was. Griffith keek schuw op. “Emilio zegt…” “Dat Catherina’s kind van jou is? Waar zou hij dat idee vandaan halen?” zei de Witte Heks met een brede glimlach. “Is het van mij?” drong hij aan. “Wil je dat het van jou is?” “Ik zou mijn leven er voor geven…” De Witte Heks keek voor zich uit. “Catherina is nooit gestopt met van je te houden... Ze zal nooit kinderen willen hebben van een andere man.” “Ik dacht dat het... misschien van de soldaten in het bos was...” “Denk je dat of zou je willen dat dat zo was?” De Witte Heks zuchtte. “Griffith, waarom ben je toch altijd zo onzeker over haar gevoelens voor jou? Toen jullie hier voor het eerst kwamen, op de vlucht voor de soldaten, zei je dat je het een kans zou geven. Je was toen nog geen leider van het verzet en je stond misschien nog niet op het punt om je leven in de waagschaal te leggen tegen De Nechoir, maar je zou altijd bij haar zijn gebleven.” “Ik weet het niet... Ik veronderstel dat ik ondanks alles bang ben gebleven om van haar te houden. Ik dacht eraan dat ze zonder mij nooit verloofd zou zijn geweest met Jean-Filip, dat ze nooit als onderhandelaar naar Wails zou zijn gestuurd en dat ze dan niet zoveel ongeluk zou hebben gehad. Ik veronderstel dat ik gedoemd ben om haar altijd pijn te doen.” “Griffith, het enige dat ze wil is haar kind samen met jou opvoeden...” “Het kind is dus wel degelijk van mij?” “Ja. De Nechoir nam je zaad niet weg toen hij jou het zijne gaf.” Met een schok stond Griffith op. “In hemelsnaam vrouw…” “Griffith,” suste de Witte Heks, “alles dat De Nechoir heeft gedaan met je in zijn folterkamer, heeft zij ongedaan gemaakt. Maar als je haar uit je lichaam wegsnijdt, dan zal je - nee het is al gebeurd - dat allemaal verliezen.” Griffith aarzelde. Catherina liep in de wei en leek op haar terugweg naar het huisje te zijn. “Ik weet niet wat er in de toekomst staat te gebeuren, Griffith, ik weet enkel wat ik zie. Maar als het gaat zoals ik denk, dan zal je alles verliezen dat je hebt en zal je nooit meer de kans krijgen om haar terug te zien. En het enige dat dan nog van jullie overblijft, is dat kind dat zij geen naam zal gegeven, zolang het geen vader heeft.” “Ik wil de vader van dat kind wel zijn,” zei hij zacht, “maar ik kan het niet. Niet zolang ik niet weet of ik Raul of Griffith ben.” En dan: “Het zou anders zijn als ze me vroeg naar haar toe te komen…” Hij liep naar zijn paard toe en steeg op. Catherina liep door het hek naar het huis toe. Ze keek naar hem terwijl hij haar passeerde en vroeg zich af of ze hem ooit zou terugzien. Hoofdstuk 6 1. Drie dagen voor de grote aanval tegen De Nechoir kwam de Generaal bij Griffith langs. Griffith hield zich deze keer schuil in een rotsmassief en de Generaal moest een behoorlijke klim aangaan voordat hij hem vond. De zwarte man zat boven op een rotsheuvel uit te kijken over het landschap. “Generaal,” zei hij eenvoudig toen de oudere man naast hem ging staan. De Generaal knikte de man met het litteken toe en moest even op adem komen van de klim. “Ik word te oud hiervoor,” bromde hij. De zwarte man keek hem ernstig aan. “Dan hoop ik dat je tegen deze avond weer twintig jaar jonger bent.” De Generaal keek bijna schuw op. “Je bedoelt…” “Je hebt mijn mannen goed getraind,” zei Griffith, “het is tijd om er gebruik van te maken.” “Hemel…” Toen de zwarte man hem vorige week had gezegd dat hij de datum naar voren zou schuiven, had hij gedacht dat hij een grap maakte. “Dus het is echt voor deze avond?” zei de Generaal en Griffith knikte. “Dat zal wat worden,” mompelde de oude man en dan: “Wat wil je dat ik doe?” Griffith stond op. “Verzamel de mannen op de hoeve van John. Vertel ze nog niks, maar laat ze weten dat ze onder geen beding de hoeve mogen verlaten. Zodra iedereen er is, zal ik ze vertellen wat er staat te gebeuren.” De Generaal haalde diep adem. “Ik had gehoopt dat je dit niet zou doen, Griffith. Iedereen rekent er op dat ons offensief pas over drie dagen zal zijn.” “Precies,” zei Griffith, “net als De Nechoir…” De zenuwen staken de kop op. “O hemel,” zei de Generaal. “Nee,” zei de zwarte man bedachtzaam, “laat de hemel en zijn engelen erbuiten. Deze avond wil ik enkel duivels zien…” Dan gingen ze naar beneden. Ieder zou een deel van de mannen gaan oppikken en ze zouden elkaar weer zien op de hoeve. De Generaal nam dertig man voor zijn rekening. Hij verzamelde ze allemaal, maar hield James voor het laatst. Van alle mensen was James de enige die naast hem wist wat er hen stond te wachten. Tenminste, de Generaal hoopte dat hij en James alles wisten. Met Griffith kon je daar nooit zeker van zijn… De Generaal reed naar het huisje van de Witte Heks en vroeg daar of ze James had gezien. De Witte Heks vertelde hem dat de jongen in de wei achter het huisje was en dat ze hem wel even zou halen. Terwijl ze zich omdraaide, vroeg de vreemde vrouw langs haar neus weg: “Hoeveel dagen is het nog voor de aanval?” De Generaal keek haar verrast aan en begreep dan dat hij haar niks kon wijsmaken. “Drie,” loog hij stroef. De Witte Heks ging naar achter op het ogenblik dat Catherina naar buiten kwam. De blonde vrouw was even verbaasd toen ze de Generaal zag omdat ze hem pas over drie dagen had verwacht. De Generaal bewoog onrustig op zijn paard toen hij merkte dat ze hem aan het opnemen was en probeerde haar blik te ontwijken. De robuuste vechtersbaas had zich nooit een houding kunnen geven in haar buurt. Dat was voornamelijk omdat hij nooit had kunnen doorgronden wat het meisje met zijn meester te maken had. Er leefde iets tussen die twee, dacht hij. Eerst had hij gedacht dat het haat was, maar langzaamaan was hij er achter gekomen dat het iets heel anders was. Iets dat hij nooit helemaal had begrepen, maar waarvan hij soms dacht dat het liefde was. “Je meester komt niet meer langs?” vroeg de jonge vrouw en de Generaal schrok van die vreemde rustige blik in die engelenogen. De Generaal probeerde ontwijkend te antwoorden, maar Catherina gebaarde dat het in orde was. Ze wist dat Griffith het huisje zo veel mogelijk probeerde te vermijden. Catherina ging dicht bij de Generaal staan en legde haar hand op de hals van het paard. “Ik weet niet of u nu op weg bent naar hem, maar als u hem ziet, kunt u dan een boodschap aan hem doorgeven?” De Generaal kon geen ‘nee’ tegen haar zeggen. “Ik zal het proberen…” “U bent een goed man, Generaal… Als u hem ziet, zeg dan dit tegen hem: dat u mij heeft gesproken en dat ik u een boodschap heb meegegeven. Zeg hem dat ik hem mis en dat ik wou dat hij terugkwam. Zeg hem dat ik mijn kind een naam wil geven en dat ik het niet kan, zolang hij tegen mij vecht. Hij heeft zich nu lang genoeg kunnen voorhouden dat ik niet van hem hou. Het wordt tijd voor hem om daar overheen te stappen.” De Generaal aarzelde en toen Catherina het zag, fluisterde ze: “Zeg hem dat het anders te laat zal zijn…” En vreemd genoeg geloofde de Generaal het ook. De Witte Heks kwam terug met James en de Generaal vertelde de jongen dat het verzamelen was geblazen. “Hij wil het doen?” zei de jongen schichtig en met een voorzichtige blik op Catherina antwoordde de Generaal: “Ja.” De jongen zadelde vlug zijn paard en even later waren ze vertrokken. De Generaal en James reden naar de hoeve waar ze met Griffith hadden afgesproken. Toen ze aankwamen, was hun aantal volledig en sloot een van de rebellen de hoevepoort. De meeste manschappen stonden op scherp omdat ze zich de afgelopen dagen mentaal hadden liggen voorbereiden op de slag. Echter, niemand van hen begreep waarom ze daarom nu al samen werden geroepen. De meesten waren dan ook onrustig Toen de Generaal afsteeg, wisselde hij een blik met Griffith. De zwarte man knikte en liep dan naar een verhoog. De rebellen zagen hem lopen en verzamelden zich om hem heen. Toen de Schaduwloper op het podium stond, keek hij even om zich heen en overschouwde hij zijn manschappen. Het waren er meer dan zestig in totaal, stuk voor stuk gezonde, verstandige mannen. Ze hadden dikwijls veel moeten opofferen om hem te volgen. Toch waren het mannen die hem nooit in de steek zouden laten, wat er ook gebeurde. “Het spijt me als ik jullie enkele dagen te vroeg heb laten komen,” begon de Schaduwloper. “Maar, aangezien ik jullie allemaal heb laten komen, kunnen jullie wel al vermoeden dat het niet zonder reden is…” Terwijl hij sprak wrong de Generaal zich tussen de mannen in. Griffith liet weer zijn blik over zijn mannen gaan. “De laatste weken hebben we plannen liggen maken om de troepen van De Nechoir te doen verzamelen op één plaats en zoals ieder van jullie weet zijn heel veel van zijn soldaten inderdaad op weg naar het land van de baron. In de tussentijd hebben jullie ook jullie wapenvaardigheid bij de Generaal kunnen trainen en zijn jullie klaar om jullie in de strijd te mengen. In elk opzicht zijn we dus gereed om De Nechoir aan te pakken…” Griffith wachtte weer en keek in die afwachtende ogen. “De plannen die we gemaakt hebben gaan niet door…,” zei hij. Hier en daar ging een wenkbrauw omhoog. “Keer op keer hebben sommigen van jullie me er op gewezen dat we met vuur speelden, dat we er nooit in zouden slagen een plan van deze omvang geheim te houden. Natuurlijk hadden jullie gelijk. Zelfs als we elke burger die we rekruteerden geheimhouding oplegden, konden we niet zeker zijn dat er nergens werd gelekt. We hebben ons er dan ook van weerhouden veel informatie mee te delen en aangedrongen op ieders stilzwijgen. Anderen onder jullie drukten jullie bezorgdheid uit over de betrouwbaarheid van de baron. Sommigen vonden dat we geen beroep op hem mochten doen en dat we onze vergaderingen beter elders inlegden. Ook jullie hadden gelijk. Na elke vergadering liep onze baron braaf naar De Nechoir om onze aanvalsplannen tot in het detail uit de doeken te doen. Het gevolg is dat De Nechoir onze plannen kent en de kans heeft gehad zich er op voor te bereiden. Erger nog, hij heeft een plan opgesteld waardoor we in onze eigen val zouden zijn gelopen. Zouden, zeg ik, want hij zal er niet de kans toe krijgen. De Nechoir was van plan om het verzet volledig te vernietigen. Hij heeft al zijn legers naar het noorden laten trekken en heeft ook het huurleger omgekocht dat we met zijn geld hadden aangeworven. Hij zal moeten merken dat hij zowel het geld dat we van hem hadden gestolen als het geld dat hij gebruikte om het huurleger om te kopen, voor niks heeft uitgegeven. Noch onze troepen, noch de burgers die we hebben geronseld zullen naar het noorden trekken. Onze plannen hadden tot geen ander doel dan de troepenmacht van De Nechoir weg te lokken van het Arendsnest. Zoals verwacht, is dat ook gelukt...” De Generaal likte zijn lippen. Nu ging het komen. Nu moest Griffith zeggen waar zij drieën deze laatste weken over hadden liggen vergaderen. “We weten van een interne bron in het Arendsnest, dat de burcht nog nooit zo verlaten is geweest als nu. We weten ook dat De Nechoir deze avond nog op de burcht is en dat hij morgen vertrekt naar het noorden om zijn troepen te vervoegen. Op dit ogenblik is De Nechoirs leven en burcht dus nog nooit zo kwetsbaar geweest. Zo kwetsbaar dat het mogelijk is om hem in zijn eigen burcht aan te vallen.” De Generaal voelde de onrustige bewegingen van de mannen om zich heen. Hij had zo ook gereageerd de eerste keer dat hij aanvoelde waar Griffith naartoe wilde. Hij had hem zelfs gek genoemd en nog tot op dit moment wist hij niet zeker of dat ook niet zo was. “De laatste weken hebben jullie allemaal een intensieve training ondergaan bij de Generaal. Hij heeft jullie gedrild voor extreme gevechtssituaties en heeft jullie bekend gemaakt met meer wapens dan jullie lief is. Op dit ogenblik zijn jullie dan ook even bekwaam als de best getrainde soldaat die De Nechoir ter beschikking heeft. Ik heb jullie die training met een bepaald doel laten ondergaan en vandaag wordt het tijd dat jullie weten waarom… Deze nacht wil ik het Arendsnest nemen…” Er waren een paar kreten van ongeloof. Eén man zei duidelijk: “Dat is niet mogelijk! De muren zijn te hoog, de poorten te groot! Niemand kan het Arendsnest nemen!” Griffith keek de man kalm aan. “Het Arendsnest is al eerder gevallen. Hij kan opnieuw vallen…” De man keek Griffith hard aan. “De Nechoir veroverde de burcht door verraad want anders was het hem ook niet gelukt!” Griffith keek zijn mannen even zwijgzaam aan. “We hoeven de poorten niet van de buitenkant te openen. Daarvoor zijn we met te weinig. Er is een andere manier…” Het werd weer stil. Verwarring nam bezit van de mannen. “We wachten tot deze avond,” zei Griffith. “Dan gaan we naar de bossen waar de uitgang van de geheime tunnels van de burcht liggen… We zullen die gebruiken zoals De Nechoir die bijna vijfentwintig jaar geleden gebruikte om de burcht binnen te dringen. Eens de tunnels door zullen we in de burcht eerst de wachters uitschakelen, dan een voor een de andere soldaten. Een aantal van onze mensen zullen in de tussentijd de naburige bevolking mobiliseren. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het volk gebruikt zou worden in de slag tegen De Nechoir op het terrein van de baron. In werkelijkheid wilde ik de Welshe bevolking klaarmaken om zich te kunnen verweren als De Nechoirs soldaten na zijn dood aan het plunderen zouden slaan. Alleen de bewoners uit de streek zou ik willen inschakelen. Ze zullen snel genoeg horen dat er iets gaande is in de Arendsburcht deze nacht. Ik zou dan ook willen dat ze ons komen helpen eens we de poorten openkrijgen. Als alles naar plan gaat zal er tegen morgen geen levende ziel meer aanwezig zijn in de Arendsburcht. Als dat niet het geval is, kunnen we alleen hopen dat de wapens die we onder de bevolking hebben verspreid het verzet zullen verderzetten.” Het duurde even voordat er een reactie kwam. “U weet waar de verborgen tunnels van de burcht zijn?” Griffith antwoordde enkel: “Ja…” Weer een pauze. “Hoe wist u waar die tunnels waren?” De Generaal keek gespannen op. Die vraag had hij zich de laatste weken ook dikwijls gesteld. Griffith leek eerst geen antwoord te willen geven op die vraag. Dan zei hij: “Ik heb altijd geweten waar die tunnels waren…” De Generaal sloeg kwaad met zijn vuist tegen een houten schot. “Verdomme Griffith, zeg het: wie waren jouw ouders?” De Generaal schrok bijna van zichzelf, maar wist dat hij daarmee wel meer mensen hun gedachten uitdrukte. De zwarte man glimlachte hem flauw toe. De Generaal had die glimlach wel honderden keren gezien, niet bij hem, maar bij die statige vrouw met de zwarte ogen. Griffith knikte hem toe. “Ik ben Raul Woolf, of voluit: Raul Griffith Sullivan Jago Woolf. Ik ben de zoon van Guenevere Woolf, de laatste van de Wolven…” De Generaal liet zijn adem ontsnappen. “Ik wist het…,” murmelde hij. De mannen begonnen opgewonden te fluisteren. De enige die niet onder de indruk was, was Griffith zelf. Hij had geweten dat sommigen vermoedens koesterden, maar had altijd gedacht dat hij beter niet op de speculaties inging. Dat had de kroonprins tegen hem in het harnas kunnen jagen, om nog maar te zwijgen van de vijanden van de Woolfs die hem maar al te graag zagen verdwijnen. Maar deze mannen waren niet geïnteresseerd in politieke kwesties op de vooravond van hun bevrijding. Ze hadden hem gevolgd omdat ze nooit van de huidige meester van de Arendsburcht hadden gehouden. Nu zouden ze hem volgen omdat hij de echte meester van de Arendsburcht was. “De Arendsburcht heeft gedurende eeuwen toebehoord aan de grootsten van mijn geslacht. Vanuit die burcht deden rechtvaardigheid en gelijkheid hun intrede in Wails. De burcht was een inspiratiebron voor de heersers van ons land en bezielde de machtigen met toekomstdromen voor iedereen. Het was een van mijn voorouders die het Hooghuis deed instellen in ons land, eerst voor de edelen, dan voor elke inwoner van ons land, tot iedereen vrij en gelijk was. En wij vaarden goed bij de wijsheid van mijn voorouders want gelijke rechten brachten vrije geesten en vrije geesten, welvaart! Toen kwam De Nechoir. Hij nam de burcht van mijn voorouders in, sloeg onze titel aan en ging daarmee naar ons Hooghuis. Hij liet ons instrument van vrijheid ontbinden, vernietigde onze stem en legde ons zijn wil op. Hij verving ons Hooghuis door bedreigingen vanuit zijn burcht en nam onze trots af. De burcht is niet langer het symbool van onze vrijheid, maar een monster dat ons met terreur domineert. Nu is de tijd daar dat wij onze burcht terug opeisen. Niet omdat ik het zou willen - de Wolven zijn altijd slechts de bewakers van onze waarden geweest - maar om de vrijheid die ons ontstolen werd. Voor de gelijkheid die is verdwenen, voor het recht dat moet zegevieren! Ik ben misschien van de Wolven, maar dat wil niet zeggen dat ik alleen van de burcht ben. Nee, de Wolven zijn in de eerste plaats altijd van het land geweest. Wanneer wij de burcht nemen, nemen wij die voor Wails! Voor onze vrijheid en de trots van ons land! Dit is ons doel, dit zijn onze verlangens. Als wij vanavond naar het Arendsnest trekken, dan doen wij dat om ons land terug te nemen…” De rebellen aan zijn voeten keken hem met ontzag aan. De oude legenden kwamen weer terug boven, herinnerden hen eraan dat de Wolven het land waren en het land de Wolven. De Nechoir had hun vrijheid vernietigd. Maar doordat er één Woolf die ramp had overleefd, begon de hoop terug te groeien dat Wails weer kon worden wat het ooit geweest was. Zelfs de kroonprins kon niet voorkomen dat het Hooghuis terug zou worden opgericht zolang deze man leefde. Griffith was de levende incarnatie van die oude vrijheid en zelfs al zou hij het hen niet zeggen, het Hooghuis zou er terug komen. De Generaal was een beetje vergeten wat de Wolven voor zijn land betekenden. Terwijl Griffith aanstalten maakte om van het podium af te komen, herinnerde hij zich weer hoe fel Guenevere Woolf hun Hooghuis steeds had verdedigd. Er waren altijd edelen geweest die het hadden willen afschaffen, maar zij had zich steeds als een blok op hun pad geworpen. Dat was maar veranderd toen De Nechoir haar uitschakelde en de laatste twijfelaars met terreur op andere gedachten had gebracht. De Generaal had niet stilgestaan bij de politieke implicaties als De Nechoir verdween en een Woolf terug op het voorplan verscheen. Zonder Griffith zou Wails wellicht terug een absolute monarchie zijn geworden. Maar nu, met Griffith… Griffith moest zelfs niet actief het Hooghuis verdedigen. Het volk zou het vanzelf opeisen zodra ze wisten dat er nog een Woolf leefde. De Generaal haalde diep adem. Er stond hen een nieuw tijdperk te wachten. Als ze de burcht deze avond konden innemen… Griffith was van het verhoog afgekomen. Er waren nog tal van voorbereidingen te doen voor deze avond en hij wou er onmiddellijk aan beginnen. Zodra hij echter beneden stond, werd hij langs alle kanten vastgegrepen door mannen die zich er van wilden vergewissen dat hij echt was. Verbouwereerd liet Griffith toe hoe ze zijn kleren aanraakten. In geen honderd jaar had hij gedacht dat zijn naam zoveel effect zou hebben. De Generaal kwam voor Griffith staan en keek hem met stralende ogen aan. “Ooit heb ik je moeder gediend, nu ben ik blij jou te kunnen dienen.” Griffith wist niet wat zeggen. De ouwe ijzervreter klemde hem in zijn armen tot Griffith geen adem meer kon halen en liet hem dan weer los. Toen Griffith eindelijk zijn plannen voor die avond kon beginnen uitleggen, was de Generaal in zo’n staat dat hij de boodschap van de jonge blonde vrouw vergat door te geven. 2. De mannen waren nu allemaal klaar. Iedereen wist wat hem te doen stond en het was nog slechts wachten tot de zon onderging. Griffith stond kalm toe te kijken terwijl iedereen zijn paard terug opzadelde. Hij wist dat elk van de mannen die op dit ogenblik aanwezig was op de hoeve, hem tot in de dood zou volgen nu ze wisten wie hij was. Het zou nodig zijn, want waar zij heengingen, zouden ze misschien nooit van terugkeren. Zestig man was weinig om de burcht binnen te dringen. Als ze stil waren, dan kon het lukken. Maar als dat niet kon… Griffith wist dat hij nog een troefkaart had verborgen voor zijn mannen. Alleen zou het niet van hem afhangen of hij die ook kon gebruiken. Hij zou tot op het laatste ogenblik moeten wachten om te zien of maanden voorbereiding hun werk hadden gedaan. Als dat misliep, dan wisten alleen de goden hoe het met hen zou aflopen. Om zichzelf gaf hij niet, maar deze mannen konden tenminste nog hopen dat ze De Nechoir konden verslaan. “…Catherina…” Hij had altijd gevochten tegen De Nechoir, altijd verloren, tot zij kwam. Ze had dat deel van hem aangevuld dat De Nechoir van hem had afgenomen. Ze had hem geholpen De Nechoir te overwinnen. Maar op de vooravond van die beslissende slag stond hij er terug alleen voor, wellicht door zijn eigen toedoen. Griffith was niet bang om die slag alleen te leveren, het vervulde hem alleen met immense eenzaamheid. De Generaal kwam naast hem staan. “We zijn bijna klaar…” Griffith knikte. “Ik zou wat vroeger willen vertrekken. Zeg de mannen dat we nu doorgaan, ik wil nog ergens langsgaan…” De Generaal liep naar de mannen toe en gaf hen het bevel door. Griffith stond even verloren voor zich uit te kijken. “Er is een keuze,” dacht hij in zichzelf. Maar dan mocht hij niet aarzelen. De rebellen verlieten de hoeve en reden spoorslags achter de Schaduwloper aan. Griffith haastte zich in de ondergaande zon tot hij het huisje aan de boszoom zag. De Witte Heks stond hen al op te wachten toen ze aankwamen en ze ging onmiddellijk naar Griffith toe. “Ze is niet hier,” zei de vrouw, “ze wist niet dat het voor deze avond was en is kruiden gaan verzamelen…” Griffith keek op en weerstond de neiging om te vragen in welke richting Catherina was vertrokken. De Witte Heks zag hem met zichzelf vechten en zei hem even te wachten. Ze ging het huis binnen en kwam even later terug met de baby op haar arm. Griffith wist niet waarom, maar hij voelde zich terstond opgelucht toen hij het kind zag. De Witte Heks hield de baby voor hem omhoog en Griffith drukte een intense kus op het hoofdje. De Witte Heks nam het kind terug in haar armen en vroeg: “Welke naam zal je het geven, Griffith, nu je vertrekt?” Griffith streelde dat dierbare gezichtje met zijn vingers en aarzelde even. “Ik weet het niet, ik ben niet goed in dat soort dingen. Maar ze vertelde me ooit dat als ze een kind zou krijgen ze het zou noemen naar de Lyonnesse-legende. Zeg haar dat ik het een goede keuze vind.” De Witte Heks knikte en dan gebaarde de Generaal dat het tijd was. Ze konden niet langer wachten en ze vertrokken. Toen Catherina een half uur later arriveerde, keek de Witte Heks zo bedachtzaam dat Catherina wist dat er iets mis was. “Hij is hier geweest,” zei de Witte Heks, “en ik ben verontrust.” Catherina’s gezicht vertrok. “Griffith is hier geweest? En ik was er niet?” De Witte Heks zag er ernstiger uit dan ooit. “Mijn kind,” zei ze, “ze gaan de Arendsburcht deze avond nemen en ik ben diep bezorgd over de blik die ik in de wolvenogen zag. Je moet naar hem toegaan, m’n kind, want hij is hier gekomen zonder je te vinden en hij is niet van plan terug te keren. Hij wil er sterven.” 3. Griffith gooide de takken weg en opende toen het luik. Hij gebaarde dat iedereen vanaf nu doodstil moest zijn en hem niet uit het oog moest verliezen. Toen verdween de zwarte man in het gat. De een na de ander volgde hem tot iedereen beneden was en het luik weer werd gesloten. Een paar toortsen werden ontstoken en Griffith begon door het labyrint te lopen. De Generaal liep naast Griffith en hij verbaasde zich erover dat de man zo feilloos zijn weg doorheen het labyrint wist. Maar dan ook, enkel de Wolven kenden het geheim van de gangen. Tenminste, op De Nechoir na dan. De Generaal vroeg zich af wat de zwarte man dacht nu hij hier in de voetsporen van De Nechoir trad, maar hij kon niks aflezen van dat onpeilbare gezicht. Het was een lange tocht doorheen het net van gangen en de duisternis drukte op iedereen. Enkel de Schaduwloper trok er zich niks van aan en liep onverstoord verder. Pas na een hele tijd leken ze eindelijk daar te zijn waar ze moesten zijn. Griffith stopte en plots dook er een muur voor hen op. “Zijn we mis gelopen?” fluisterde de Generaal, maar Griffith schudde het hoofd en gaf zijn fakkel aan de man achter hem. Hij legde zijn oor op de muur en klopte er toen voorzichtig tegen. Het antwoord kwam vrijwel onmiddellijk. “Griffith?” zei Emilio achter de muur. “De hemel zij dank, ik begon het ergste te vrezen.” Emilio was er weken mee bezig geweest om de muur die voor de geheime gangen was gebouwd steen per steen af te breken. Een heksentoer gezien hij na zijn werk telkens de losse stenen weer op elkaar moest zetten en het wijnvat er voor rollen. “We zijn hier. Is alles verder in orde?” vroeg Griffith. “Ja.” “Geen verder verrassingen meer?” “Nee, alles is hier zoals het hoort te zijn.” “Goed,” zei Griffith dan. “Ga even naar achter staan Emilio.” En Griffith gaf een goede duw tegen de losse stenen. Even later stonden bijna zestig zwaar bewapende mannen in de wijnkelder. Emilio keek hen ongerust aan want hij wist niet hoe zestig rebellen het konden opnemen tegen de zwaarst bewapende burcht van Wails. Griffith gaf hem een geruststellend schouderklopje en wenkte dan tien van zijn mannen naderbij. Hij had op de hoeve met deze tien afgesproken dat zij de wachters op de kantelen zouden uitschakelen. Als die immers niet de kans kregen alarm te slaan, hadden ze een kans om ongemerkt door de hele burcht te lopen. Maar dan moesten ze hen wel allemaal tegelijk kunnen uitschakelen… Tien man sloop voorzichtig de kelder uit terwijl de rest beneden bleef wachten. Als het mis liep, zou James de anderen bevelen zich niet om de tien te bekommeren en zich terug te trekken. Toen de tien het binnenplein opkwamen, stelden ze zich verdekt op om even de gangen van de wachters na te gaan. “We gaan voorzichtig moeten zijn,” fluisterde Griffith toen hij en de andere mannen naar het binnenplein keken. “Geen pistolen, gebruik je mes,” herinnerde hij hen. “James, jij waarschuwt de rest als het hier in orde is.” En dan wees hij iedereen een wachtpost toe. De binnenplaats oversteken werd een zenuwslopende zaak. De wachtposten dreigden hen voortdurend in het oog te krijgen en iedereen moest ogen op zijn rug hebben en voorbereid zijn op het onverwachte. Eén meid die per toeval naar buiten kwam, zou hen onmiddellijk kunnen verraden. Maar het was te vroeg om nu al mis te lopen, dacht Griffith knarsetandend terwijl hij zich tussen twee obstakels wrong. Ze konden niet op zo’n stomme manier aan hun einde komen. Niet voor hij De Nechoir had gezien. Niet daarvoor. Griffith sloop op de richel onder de wachter. Hij speurde even in de ronde en zag dan dat nog enkel twee van zijn mannen hun posities niet hadden ingenomen. Dan gebaarden ze elkaar toe dat ze klaar waren. Iedereen keek naar de Schaduwloper. Vanuit zijn schuilplaats gebaarde hij vijf, vier, drie, twee, één… En plots schoten ze allemaal uit hun dekking en kwamen de soldaten oog in oog met de rebellen te staan. Griffith grijnsde toen hij het verbaasde gezicht van de wachter zag. Zijn mes flitste en het volgende ogenblik greep de man naar zijn keel. Griffith zorgde ervoor dat de man geluidloos neerviel en keek dan om naar de rest. Een van zijn mannen op de kantelen zat in de problemen. De wachter had hem te vroeg gezien en de rebel was nu met hem aan het worstelen om te voorkomen dat hij op zijn hoorn kon blazen. Griffith wachtte geen moment af en spurtte onmiddellijk naar de twee toe. Een andere rebel kwam tegelijkertijd langs de andere kant aanzetten. Ze liepen sneller dan ze ooit hadden gedaan. Griffith trok zijn mes en de andere rebel deed net hetzelfde. De hoorn van de wachter viel toen naar beneden. De rebel verloor daarop zijn greep en moest even met zijn armen zwaaien om zijn evenwicht terug te vinden. Op dat ogenblik vond de wachter de kans om zijn pistool te grijpen. Een kreet verstomde in Griffiths keel toen hij net een seconde te laat aankwam. De wachter schoot de rebel neer en een oorverdovende knal weerklonk door de burcht. De andere rebellen schrokken van het helse lawaai en bleven stokstijf staan. Griffith stampte woest het pistool uit de hand van de wachter en gooide de man naar beneden. Dan keek hij de andere rebel aan. Het schot had wellicht de hele burcht wakker gemaakt dus zouden ze binnen de kortste keren worden overspoeld door soldaten. Op dat moment hadden ze nog maar één keuze en dat was zich uit de voeten maken. Vlug greep hij de man naast zich vast en sleurde hem achter zich aan naar beneden. Een aantal anderen kwamen op hen afgelopen. Griffith snauwde: “Wegwezen.” Ze werden onverwacht snel onderschept door een aantal soldaten die uit de burcht kwamen. De rebellen doken gauw achter wat schutsels en een kort vuurgevecht weerklonk over het plein. Hoewel de meeste van de soldaten getroffen waren en de rest de benen nam, wist Griffith dat ze hopeloos in de val zaten. Ze konden nooit op tijd het plein nog oversteken en hij had gelijk ook want het volgende moment stroomde een nieuwe vloed van soldaten over het plein heen. De rebellen vuurden opnieuw, hopend dat ze zoveel mogelijk soldaten troffen en herlaadden dan zo vlug mogelijk hun wapens. De Generaal dook op naast Griffith. “Hoe geraken we hier weg?” hijgde de geblokte man, maar Griffith zei: “Niet. Dat daar is onze enige vluchtweg naar de wijnkelders.” De Generaal vloekte en ze vuurden allebei tegelijk op de soldaten. “Wat doen we dan?” “Zo goed mogelijk je pistool tussen jezelf en de soldaten houden.” “Er moet een manier zijn!” Griffith schudde het hoofd. “Geen enkele.” De Generaal dook toen een schot de schutting raakte. “Soms wenste ik dat ik je nooit had gekend,” gromde de oudere man, maar Griffith luisterde niet meer want hij legde opnieuw aan. Hij dook onverwacht snel terug. “Wat?” vroeg de Generaal. “Ze kwamen,” zei Griffith verbaasd, “ik zei James hen weg te sturen en die idioten komen ons redden.” En inderdaad. Met luid gebrul stormden de overige rebellen naar buiten en probeerden Griffith en de andere mannen te bereiken. Griffith wist dat het nu geen zin meer had om hen te zeggen zich terug te trekken. Ze waren nu allemaal omsingeld en ze zouden de beker tot op de bodem moeten leegdrinken. Hij beval zijn mannen zich verdekt op te stellen en te vuren op alles dat bewoog tot de rest van de mannen bij hen was. Niet de helft van de burcht had er op dat moment een idee van wat er aan de hand was. Soldaten vielen zonder bevel aan en werden door de rebellen weggevaagd. Oversten liepen half aangekleed over het binnenplein en vonden hun troepen niet. Niemand leek te begrijpen wie hun aanvallers waren en hoe ze binnen waren geraakt. Griffith maakte dankbaar gebruik van de verwarring en liet zijn mannen een paar tactische posities innemen. Met het kruit en de pistolen die ze hadden meegenomen konden ze de eerste aanvallen wel doorstaan en zouden ze er in kunnen slagen De Nechoir behoorlijk pijn te doen. Toch was het nog steeds een wanhoopsdaad. Ze hadden de burcht kunnen overrompelen als niemand alarm had geslagen, maar nu stonden ze tegen een overmacht waar ze weinig tegen konden beginnen als die zich organiseerde. Terug naar de wijnkelders konden ze niet want de soldatenkwartieren lagen daar vlak naast. Als ze dus nog wilden ontsnappen zouden ze dat langs de burchtpoorten moeten doen, maar dan moesten ze die eerst nog open krijgen. Dan gaf de Schaduwloper een schreeuw en ze vluchtten de gebouwen in. “We gaan het niet halen,” hijgde de Generaal naast hem, maar de Schaduwloper liep kalm door. Hij had gezien dat de meeste soldaten geen pistolen hadden en dat kon alleen betekenen dat nog niemand de wapenkamer had geopend. En ze konden de afwezigheid van vuurwapens nu echt wel gebruiken. “Waar gaan we heen?” Griffith was er al. Hij wenkte iemand met een bijl en dan liet hij de Generaal samen met de andere man het slot forceren. Ze hadden geluk: de wapenkamer was nog altijd waar ze altijd had gelegen. Vlug zocht Griffith naar een kruitvat. “Wat?” hijgde de Generaal, maar Griffith beduidde dat hij en de mannen moesten maken dat ze weg waren. Er was geen tijd om te discussiëren en als ze zouden improviseren dan moesten ze de risico’s er maar bij nemen. De Generaal vertrok onmiddellijk met de mannen die hem hadden kunnen volgen en Griffith hakte enkele van de kruitvaten open. Dan nam hij het kleine vatje terug vast en begon in slingerbewegingen de kamer uit te lopen. Hij verloor zijn kalmte niet, maar hij wist dat het vuur zou kunnen worden gestopt door één enkele soldaat die wat te vroeg kwam. Toen hij ver genoeg was, greep hij naar een brandende lantaarn en gooide die op het buskruit. De rebellen waren intussen verspreid over de hele burcht. Degenen die Griffith kruiste, nam hij onmiddellijk met zich mee en toen ze de kleine binnenkoer bereikten, knalde plotseling de zuidertoren uiteen. Griffith had er geen idee van hoeveel kruit daar eigenlijk gestockeerd had gelegen, maar aan het geraas van de ineenstortende toren te horen, moest het redelijk wat zijn geweest. Hij hoopte dat zijn moeder het hem zou vergeven. Op de binnenkoer ontmoette hij de Generaal weer. Ze waren intussen al zo’n vijftien man kwijt en Griffith vloekte. Voorlopig zag hij geen enkele mogelijkheid om bij de poorten van de burcht te geraken, laat staan ze te openen, dus was hun eerste zorg zich voorlopig te verdedigen. Hij keek om zich heen en zag plots de keukens. Dan realiseerde hij zich dat er ramen inzaten die nauwelijks groter waren dan schietgaten. Hij brulde dat iedereen naar binnen moest lopen. De mannen doken de gebouwen binnen en maakten zich gereed voor hun verdediging. De Generaal dook weer op naast Griffith terwijl ze opnieuw werden aangevallen. De mannen vochten voor hun leven en sloegen keer op keer hun aanvallers af. Het was evengoed betwijfelbaar of ze het nog lang konden uithouden. “Hoe geraken we bij de poorten?” schreeuwde de Generaal tegen Griffith. “Waar is James?” vroeg Griffith op zijn beurt. “De poorten!” bulderde de Generaal boven het lawaai uit, “naar de hel met James.” Griffith lette niet op hem en keek even voorzichtig naar het binnenplein. Vloekend dook hij terug naar beneden. “Ben je geraakt?” vroeg de Generaal. “Emilio en James zijn daar!” riep Griffith uit. “Ze zijn aan het proberen de poorten open te krijgen nu ze ons aan het beschieten zijn.” Verrast wierp de Generaal ook een blik op het binnenplein. “Mijn hemel.” “Ik kan ze daar niet laten,” riep Griffith. “Je kan geen uitval wagen,” riep de Generaal terug. “Nee! Ze zullen hen afschieten als een hond als ze hen opmerken!” “Je vermoordt de rest van je mannen als je hen probeert te redden.” Griffith balde zijn handen samen. “Emilio is mijn broer! Ik kan niet…” De Generaal schudde het hoofd, maar Griffith gaf hem niet de gelegenheid hem in rede te vallen. “Luister,” riep Griffith, “hij en James zijn daar hun leven aan het wagen om ons te redden!” “We geraken nooit tot daar!” “Dat doet er niet aan toe!” schreeuwde Griffith. “En hou nu je kop want ik probeer je iets uit te leggen! Die poorten moeten geopend worden. Het is de enige manier om De Nechoir te verslaan. De koning van Lenion staat klaar met zijn troepen om de burcht binnen te vallen zodra die poorten opengaan en de Welshe kroonprins is bij hem. Begrijp je nu waarom we Emilio en James moeten helpen? Ik heb jou hier niet binnen gebracht om een burcht in te nemen, ik heb je hier binnen gebracht om die poorten te openen en niks anders!” De Generaal keek opnieuw naar het binnenplein, dit keer verbaasd. “Er ligt een hele troepenmacht voor de burcht te wachten op ons teken?” “Ik weet het niet. Ik vertrouw de kroonprins niet en ik weet evenmin of de Bethune zich aan zijn woord houdt. Daarom wou ik eerst proberen om de burcht zo stil mogelijk binnen te komen om de situatie in te schatten.” De Generaal trok een lang gezicht. “Jongen, ik heb er een hekel aan als je dingen voor me verbergt. Waarom heb je me dat niet verteld?” “Omdat je dan zou hebben geweten dat ik jullie hier binnenbracht om jullie in mootjes te laten hakken! Ik ben nooit zeker geweest dat we de burcht alleen konden innemen, maar ik was evenmin zeker van de kroonprins en de Bethune.” De Generaal knikte. Eerlijk gezegd had hij altijd wel geweten dat hun kansen om dit waanzinnige plan te overleven gering waren, maar Griffith had het altijd zo goed verkocht. “Goed,” zei hij dan, “we zullen een uitval doen om de aandacht af te leiden van Emilio en James, maar ik zweer je dat als we hier levend uitkomen, ik je daarna persoonlijk vermoord.” Hij schreeuwde vlug wat bevelen rond en keek een laatste maal naar Griffith. “Probeer uit een zwaardgevecht te blijven als je kan…” Het volgende ogenblik stormden de rebellen uit het gebouw. Vijf van hen werden onmiddellijk omver geschoten. Een aantal anderen raakten gewond tijdens de worsteling om de poorten te bereiken. Het was waarschijnlijk het moeilijkste dat de mannen ooit hadden gedaan en velen zagen hun oude vrienden tijdens het volgende half uur sterven tijdens hun poging om de poorten te openen. Op wat snel opgeworpen barricades na, waren ze een open schietschijf en het was maar omdat ze de wapenkamer hadden vernield dat ze toen niet onmiddellijk afgeschoten werden. Spoedig werd er al helemaal niet meer geschoten en gingen de soldaten de rebellen met hun zwaard te lijf. De boerenkerels trokken hun zwaarden en bijlen en al snel werd het een drummen en trekken waarbij het niet altijd duidelijk was wie wie te lijf ging. Griffith trok zich weinig aan van het strijdgewoel om hem heen. Hij stond nu naast Emilio en James en deed een vruchteloze poging om de poorten open te krijgen. Emilio en de jonge soldaat hadden het valhek al op hun eentje omhoog gezeuld. De eigenlijke deuren waren echter gesloten met een sleutel en ze moesten het slot met bijlen bewerken. Maar terwijl Griffith woest inhakte op de poorten, werd hij beangstigd door het ontbreken van elk lawaai achter de poort. De Bethune moest intussen toch wel gemerkt hebben dat de strijd was losgebarsten? Waarom kwam hij hen dan niet te hulp en probeerde hij de poorten niet te forceren met een stormram? Had hij zich op het laatste moment teruggetrokken, nadat hij de Grote Zee was overgestoken om deze burcht te doen vallen? Of had De Nechoir zijn troepenmacht gezien en had hij hem tegen kunnen houden? Ze hadden nochtans veel berichten met elkaar uitgewisseld om er zeker van te zijn dat de Bethune ongemerkt aan land zou kunnen raken. Zonder de Bethune was een overwinning niet mogelijk want op de Welshe kroonprins durfde Griffith al helemaal niet meer te rekenen. Die had zijn steun alleen maar toegezegd nadat Griffith hem had verteld dat hij op de hoogte was van De Nechoirs omkoperij. Toch was Griffith nooit zeker geweest dat de kroonprins zijn woord ook zou houden. Op dat ogenblik viel een soldaat, Emilio in de rug aan. Griffith zag het in zijn ooghoek gebeuren, maar omdat hij zo hard bezig was met de poort, merkte hij het te laat op. Plots schoot James tussen hen in en weerde de slag af. Griffith greep zijn bijl vast en velde de soldaat met een slag. Emilio staarde even ontzet naar het lijk. “Waar is De Nechoir?” schreeuwde James toen. Griffith keek even op. Hij had nog geen moment aan hem gedacht. “Hij is hier wel in de buurt,” zei hij kalm en hief zijn bijl terug om op het slot te hakken. De situatie zag er slecht uit op dat moment. De meeste van de rebellen waren gesneuveld en ze hielden nog slechts met vijfentwintig of minder stand. Bovendien leken de soldaten zich eindelijk te organiseren. Griffith merkte dat alle soldaten nu pas in de strijd werden geworpen. Dat betekende dat De Nechoir hier inderdaad ergens moest rondhangen want enkel hij kon beseffen dat ze de poorten tot elke prijs gesloten moesten houden. Plots, terwijl Emilio als een razende opnieuw insloeg op de poorten, leek het hout mee te geven. Griffith en Emilio keken elkaar even aan en dan gaven ze elk een laatste slag. Toen opende de poort zich en met al hun kracht duwden ze beide deuren open. “Terugtrekken,” riep Griffith tegen zijn mannen en hij stortte zich in het gewoel om iemand te helpen die in het nauw was gedreven. Op dat moment deed het er niet meer aan toe of de Bethune er al dan niet was met zijn troepen. Als hij zekerheid had gehad, zou hij zijn mannen hebben opgedragen de poorten tot de laatste man te verdedigen. Nu probeerde hij zoveel mogelijk van hen te redden van deze catastrofe. Griffith gaf een schreeuw en bevond zich plotseling tussen De Nechoirs soldaten. Toen hij het merkte, werd hij nog woester en begon om zich heen te hakken met verdubbelde kracht. De bijl was veel te groot om met één hand te hanteren, maar ondanks het feit dat hij daardoor geen schild kon dragen, slaagde geen enkele soldaat erin om de donkere man te verwonden. Griffith sloeg er op los alsof niks hem kon deren. Hij wist nog nauwelijks wat er om hem heen gebeurde en of zijn mannen zich al hadden weten te redden. Plots begon het aantal soldaten te groot te worden. Hij slaagde er nog nauwelijks in om ze uit de buurt te houden en slechts met moeite ontweek hij dodelijke slagen. De vermoeidheid begon op te spelen en tot zijn schrik merkte hij dat hij het niet lang meer zou volhouden. Maar dan was de jongen daar, James, en ineens weken de soldaten weer wat opzij. Keer op keer voorkwam James dat Griffith in de rug werd aangevallen en ving hij snel klappen op die de zwarte man anders wellicht niet had kunnen incasseren. Griffith trok zijn zwaard en zette zich rug aan rug met de jonge soldaat. Hij was inderdaad geen geweldige zwaardvechter, maar de bijl vroeg te veel kracht en bovendien dekte James hem nu als hij in moeilijkheden kwam. Af en toe kregen ze allebei wel een klap te verwerken, maar gelukkig schampten die af van hun kuras en was het bloed dat hun kleren doordrenkte eerder dat van De Nechoirs soldaten dan van hun. Griffith keek voor het eerst om zich heen en was verward door het gewriemel van soldaten van allerlei slag. Een ogenblik lang begreep hij het niet, maar dan begon hij wat helderder te denken. Hij herkende ineens de Bethunes wapenschild en ook dat van de Welshe kroonprins. Maar ook een ander slag van mensen had zich in de strijd gestort: pachters en stedelingen uit de buurt die het lawaai van de ineenstortende zuidertoren hadden gehoord en onmiddellijk naar de burcht waren gekomen. Gezamenlijk wierpen ze zich op de vijand en deden ze wat niemand ooit eerder had gedaan: ze drongen De Nechoirs onoverwinnelijke leger terug. De Nechoirs soldaten gingen stap voor stap achteruit en Griffith kwam in de achterste linies terecht. Griffith staarde met lege ogen naar de slag voor hem en liet eindelijk zijn zwaard zakken. De Generaal kwam op dat ogenblik naar hem toe en omhelsde Griffith uitgelaten. “Ze kwamen! Ze kwamen!” Griffith knikte slechts stom. Hij keek naar de soldaten en de burgers die zich woedend op De Nechoirs mannen stortten. Het was een chaos tot en met, maar blijkbaar deerde dat de Generaal niet. Hij stond aan Griffiths arm te trekken alsof hij een klein kind was en het duurde een tijdje voordat de zwarte man ook begreep waarom. Ze waren aan het winnen. Ze waren echt aan het winnen. De Nechoirs soldaten werden beetje bij beetje teruggedrongen door hun eigen soldaten en de balans sloeg over in hun voordeel. Griffith streek door zijn haar. Er hing bloed aan zijn gezicht, maar het was gelukkig niet van hem. Vlug probeerde hij te zien of ze niks over het hoofd zagen, zoals de kanonnen op de kantelen of het ijzeren hek voor de poorten, maar dat waren dingen die gelukkig al verzekerd waren. De Generaal legde zijn hand op Griffiths schouder. “We hebben hem verslagen,” zei hij opgetogen, “de burcht is van ons.” Griffith hoorde hem niet. Hij keek over de chaotische mensenmassa en opeens vernauwden zijn ogen. Zijn blik leek even die van een andere man te kruisen en Griffith vergat onmiddellijk hoe moe hij was. De Generaal keek hem vreemd aan en vroeg: “Is er iets, jongen? Ben je ergens geraakt? Hé!” “De Nechoir…,” klonk het donker. De Generaal liet hem los. “Hij zal er wel ergens tussenzitten,” zei de Generaal, “maar dat doet er niet aan toe. Zijn rijk is uit en op den duur zullen we hem wel te pakken krijgen.” Griffith schudde langzaam het hoofd. “Nee…,” zei hij, “nee…” En langzaam begon hij in de richting van het strijdgewoel te lopen. De Generaal greep hem gehaast vast en zei: “Durf niet! Laat De Nechoir voor wat hij is. Je bent te vermoeid en bovendien zijn er wel andere mensen die achter hem aan zullen gaan.” Maar Griffith schudde woordeloos het hoofd en trok zijn arm los. “Marcos…” “Griffith!” Griffith begon in de richting van de strijd te stappen. “Ik wil mijn wraak,” knarsetandde hij, “ik wil hem dood.” Ze waren aan het vechten aan het uiteinde van het plein, maar de zwarte man leek zich er weinig van aan te trekken. Hij liep kalm tussen de soldaten door en wanneer er iemand hem aanviel, ontweek hij hem en liep hij gewoon verder. Het was alsof er een vreemd aura rond hem hing dat hem een vrijgeleide gaf om te passeren. De zwarte man stapte over lijken en bloed heen. De donkere ogen bleven recht voor zich uitkijken, zelfs al liep er iemand door zijn gezichtsveld, alsof hij wist wat hij daar kon vinden. De woeste beestenogen waren als een mes dat iedereen wou ontwijken. Nooit eerder had er zoveel haat in gelegen. Plots merkte James, de zwarte man op tussen De Nechoirs soldaten. Even staarde hij verbijsterd naar hem, dan zag hij dat ook een van De Nechoirs mannen Griffith had gezien. James schudde zijn aanvaller af en maakte dat hij in twee, drie sprongen naast Griffith stond, net op tijd om een slag op te vangen die voor de zwarte man bedoeld was. De snelle reactie leek Griffith wakker te schudden. Plots zag Griffith de talloze soldaten om zich heen en hief hij zijn zwaard. Ze waren helemaal omsingeld en James kon de soldaten niet alleen aan. Opnieuw stonden Griffith en James rug aan rug tegen elkaar, maar deze keer waren er meer vijandige soldaten rondom hen dan bevriende en moesten ze zich des te harder weren. Waarom hier de meeste soldaten waren, werd James onmiddellijk duidelijk toen hij plots een glimp opving van De Nechoir op de trap. Hij hoopte alleen maar dat Griffith het niet ook had gezien of die zou als een gek op hem af zijn gestormd. Griffith was op dat ogenblik gelukkig te hard verwikkeld in de strijd om zich bewust te zijn de rode ogen die hem bespiedden. Intussen verzette de Generaal ook bergen om zijn leider te helpen. Hij probeerde zich met zijn overgebleven mannen een weg te banen tussen de soldaten, maar Griffith en James zaten hopeloos ingesloten. De troepen van de kroonprins en de Bethune waren elders te druk bezig om hen te helpen, maar toen de Generaal om hulp riep, antwoordden de burgers en boeren wel onmiddellijk en vonden de rebellen plots de steun die ze nodig hadden om door de rangen van De Nechoir te stoten. De Generaal gaf een schreeuw en zijn mannen volgden hem door een muur van vlees en schilden. James zag de nieuwe hulp niet aankomen en bestierf het van de angst. Griffith bleef even kalm, maar de jongen begon te beseffen welk gevaar hij liep en begon te panikeren. Hij miste een slag en werd midden in zijn borst getroffen door een bijl. Gelukkig miste de slag kracht en ving zijn kuras de ergste schok op, maar het zwaard viel uit zijn handen. Een andere soldaat maakte onmiddellijk gebruik van de mogelijkheid om in te hakken op de jongen. “James!” Met een ruk trok Griffith hem achteruit en trof hij met zijn zwaard het been van de aanvaller. Maar de jongen was nu ongewapend en terwijl Griffith zich voor hem plaatste, besefte hij hoe onmogelijk het was om hen allebei te verdedigen tegenover zo’n overmacht. Koel keek de donkere man naar hun belagers terwijl hij zo goed mogelijk na probeerde te denken. “James, als ik je mijn zwaard geef, zul je jezelf dan verdedigen?” De jonge soldaat was te geschokt om het zwaard te weigeren dat Griffith hem plots in de handen stopte. Dan werd hij ook aangevallen en moest hij hen ineens allebei verdedigen. Hij deed een uitval en sloeg enkele soldaten van zich af, maar toen hij in zijn ooghoeken naar Griffith zocht, zag hij ineens dat die weg was. James realiseerde zich met een schok dat ze uit elkaar waren gedreven en dat hij er nu alleen voor stond. Paniekerig probeerde hij zich te verweren, maar door de overmacht werd hij tegen de muur aangedrongen. Langzaamaan begon hij de controle te verliezen. “Griffith!” schreeuwde de jongen wanhopig, “Griffith!” Maar niemand kwam hem ter hulp en de jongen wist toen al dat hij verloren was. Ze waren met teveel en de soldaten wisten het. Ze hadden de jongen zodanig in het nauw gedreven dat het enkel nog afwachten was wie de genadeslag gaf. “Griffith!” schreeuwde hij nog een laatste keer hopeloos en dan verstomde hij want hij keek recht in het gezicht van zijn oude bevelhebber. De sergeant keek de overloper kil aan en toonde dreigend zijn zwaard. Hij had de jongen nooit gemogen en toen hij had gehoord dat hij was overgelopen naar het kamp van de rebellen, had hij geweten waarom. Nu werd het tijd om hem zijn verraad betaald te zetten. De sergeant viel de jongen onmiddellijk aan en hakte zo hard op hem in dat James zich nauwelijks kon verdedigen. James pareerde met de moed der wanhoop de slagen, maar wist dat het tevergeefs was. Het had ook geen zin gehad te denken dat hij het einde van de dag zou halen. Hij was alleen en meer dan tien vijandige soldaten hadden hem in het vizier. De sergeant trof hem in de schouder. Nog even blokkeerde James de zwaardslagen en dan gaf hij het op. Hij was waarschijnlijk al dood voordat hij de grond raakte, maar misschien hoorde hij nog even iemand zijn naam roepen boven het tumult uit voordat hij stierf. Griffith en een aantal andere soldaten joegen De Nechoirs soldaten uiteen en Griffith vloog naar de jongen toe. Hij zag onmiddellijk dat het te laat was en verdeed zijn tijd niet met jammeren. Hij keek op en speurde in de ronde. Hij trof De Nechoirs blik vrijwel onmiddellijk en beide mannen keken elkaar koud aan. De Nechoir stond op de trappen van de noordertoren. Hij had wellicht de hele tijd de situatie gade geslagen en Griffith kon iets van leedvermaak in die rode ogen herkennen. Dan zag De Nechoir dat zijn troepen ver verslagen waren en dat het geen zin had hier nog verder te blijven rondhangen. Hij was niet zoals de wolvenvrouw die haar burcht tot het laatste moment had verdedigd. Hij ging naar binnen en Griffith probeerde hem te volgen. Een aantal soldaten sprongen voor hem, maar Griffith hakte genadeloos op hen in. Hij zou zich niet meer laten tegenhouden nu! Hij was gekomen om voor eens en voor altijd zijn rekening te vereffenen met zijn demonen en niemand zou hem daarvan afhouden. Hij vocht de soldaten van zich af en liep de toren in. Hij kwam terecht op een splitsing van twee gangen. Hij kon De Nechoir niet meer zien, maar toen hij zijn oren spitste, leek hij een vaag gerucht links van hem te horen. Hij zette het onmiddellijk op een lopen en probeerde er achter te komen waar De Nechoir heen ging. De Nechoir zou de burcht moeten ontvluchtten als hij zijn vel wilde redden. Maar het was nog maar de vraag hoe hij uit deze levensgrote val kon ontsnappen nu hij noch langs de geheime gangen, noch langs de poorten naar buiten kon. Jean-Filip, dacht Griffith onmiddellijk. De Nechoir zou de kroonprins gebruiken om zichzelf vrije doorgang te kopen. De Bethune zou niet willen dat zijn zoon een haar werd gekrenkt en de Welshe kroonprins zou de Bethune niet tegen zich in het harnas willen jagen. Griffith klemde het zwaard in zijn hand nog harder vast. Hij wist waar De Nechoir hem zou opwachten. 4. De Nechoir sleepte Jean-Filip achter zich aan. De jongen wist niet wat er aan de hand was, maar het pistool in De Nechoirs hand overtuigde hem ervan dat hij vooral niet moest tegenstribbelen. Hij hoorde vaag krijgsrumoer dat van buiten leek te komen, maar Jean-Filip was op het ogenblik meer begaan met zijn eigen lot dan met wat er buiten gebeurde. De Nechoir zag er vreemder uit dan ooit en de blik in die rode ogen maakte de jongen doodsbang. De heer van het Arendsnest keek haastig om zich heen, leek af en toe te aarzelen bij een splitsing. Dan herinnerde hij zich weer iets en trok hij Jean-Filip achter zich aan terwijl hij het pistool dreigend tegen hem aanhield. Tenslotte stopten ze voor een lege kamer. De Nechoir duwde Jean-Filip binnen en toen de jongen zich verzette, gaf hij hem een klap met de kolf van zijn pistool. Het werd Jean-Filip zwart voor de ogen en de jongen viel neer. Toen Jean-Filip bijkwam, merkte hij dat hij vastgebonden was aan een stoel. Hij wrong aan zijn boeien, maar kreeg ze voor geen millimeter los. Dan keek hij om zich heen en zag hij dat De Nechoir aan de andere kant van de kamer stond. De Nechoir was net gedaan met het verslepen van een commode voor de deuropening en draaide zich juist op dat ogenblik om naar Jean-Filip. De Nechoir glimlachte toen hij Jean-Filip naar hem zag kijken en zei: “Wakker? Heel goed, want ik zou niet willen dat je iets van het volgende bedrijf zou missen.” Hij keek de gang in en zei: “Onze hoofdrolspeler kan elk moment arriveren en het zou zonde zijn als je zo’n ontmoeting niet meemaakte.” De Nechoir ging dan weg van de deuropening en kwam op Jean-Filip toe. De jongen kroop weg in zijn stoel en De Nechoir grijnsde. Hij nam het gezicht van de jongen in zijn hand en wreef langs zijn wang. “Mooie jongen… Raul was net als jij op die leeftijd, mooi. Hij smaakte als honing voordat ik hem met ijzers liet bewerken…” De Nechoir liet Jean-Filip los en ging even voor een raam staan om naar buiten te kijken. Hij zag het gewriemel van mensen op de binnenplaats en keek dan ongeïnteresseerd weg. De burcht was hij kwijt, maar hij kon niet zeggen dat het hem veel uitmaakte. Hij had zijn plezier eraan gehad, maar nu werd het tijd om ergens anders neer te strijken. Dit land had hem niks meer te bieden. “Laat me gaan,” fluisterde Jean-Filip bleek, “ik ben van geen nut meer voor u.” De Nechoir trok de wenkbrauwen geamuseerd op. “Als je van geen nut meer was, dan leefde je niet meer, jongen. Vraag dat maar aan je lieve tante. Ik heb je nodig om uit dit wespennest te geraken en met jou als gijzelaar lukt me dat wel best.” “Als dat zo is,” zei Jean-Filip zenuwachtig, “waarom neemt u me dan nu niet mee en vertrekt u? Waar wacht u op?” De Nechoirs rode ogen draaiden koortsachtig naar de deur. “Ik wacht op Raul,” zei de vreemde man, “die verbasterde hond. Hij en ik hebben nog een zaak te regelen…” Jean-Filip wrong zenuwachtig aan zijn boeien. Hij wist niet wie die ‘Raul’ was, maar de blik in De Nechoirs ogen zon hem niks. “Jarenlang ben ik zijn enige reden van bestaan geweest,” zei De Nechoir. “Hij heeft me al zo lang gehaat dat hij wellicht vergeten is waarom. Nu is hij op zoek naar me om onze rekeningen voor eens en voor altijd te vereffenen. Maar wat hij niet weet, is dat hij dit geschil niet kan winnen… Hij denkt dat hij de zoon is van die wolventeef, maar dat is hij niet. In werkelijkheid is hij mijn bezit, en mijn bezit alleen! Als hij denkt dat hij op wraak uit is, dan is dat wraak die ik hem heb gegeven. Als zijn drijfveer haat is, dan is het haat die ik hem heb ingeplant. Er is niks dat hij voelt, denkt of doet dat ik hem niet heb ingefluisterd. Want zie je, hij en ik, wij zijn dezelfden. Hij doet alles zoals ik wil dat hij het doet. Ik heb hem gemaakt tot wat hij is en daarom kan hij niet van me winnen…” De Nechoir keek terug weg van de deuropening. “Die wolventeef dacht ook dat ze me de baas kon. Maar ik viel haar burcht aan en ze is dood. En nu zal ik haar zoon doden, zoals ik haar doodde en haar echtgenoot doodde. En lang nadat ik mijn fortuin elders heb opgebouwd, zal haar zoon naast haar liggen te rotten in een naamloos graf…” “Ze laten u nooit gaan,” zei Jean-Filip beangstigd. De Nechoir keek hem snuivend aan. “Wie zal me stoppen?” vroeg hij spottend. “De Bethune? Hij wil zijn zoon nog geen vinger zien missen. Woolf? Reken daar maar niet op. Hij haat me misschien, maar hij kan me niet doden. O nee, hij kan me niet doden, zelfs al liet ik hem een mes op mijn keel zetten.” “Woolf? …Jago! Jago laat u in geen honderd jaar vertrekken uit deze burcht! Hij zal u doden voor u een stap uit deze kamer hebt gedaan!” De Nechoir grijnsde vals naar Jean-Filip en nam de kin van de jongen in zijn hand. “Zijn naam is niet ‘Woolf’ of ‘Jago’. Vergeet niet dat hij met lijf en leden aan mij toebehoort… Hij laat ons wel gaan…” Plots trok De Nechoir zijn dolk. Snel zette hij het mes op Jean-Filips keel, niet om de jongen zijn mond te snoeren, maar omdat hij iemand in de gang hoorde lopen. Het volgende ogenblik zag Jean-Filip iemand in de deuropening verschijnen en De Nechoir glimlachte opnieuw. Griffith bleef aan de ingang van de kamer staan. Hij zag onmiddellijk Jean-Filip en de dolk, maar het enige dat hem interesseerde was De Nechoir. Toch bewoog de zwarte man niet. De rode en zwarte ogen namen elkaar aandachtig op. Griffith prevelde De Nechoirs naam. “Dus je bent eindelijk gekomen,” zei De Nechoir. “Ik dacht wel dat je uiteindelijk hier terecht zou komen. Vanaf het ogenblik dat ik het alarm hoorde, wist ik dat wij elkaar hier zouden ontmoeten, op deze plaats waar jij en ik ooit onze oorlogsverklaring tekenden. En daar ben je dan…” De Nechoir maakte een sarcastisch gebaar. “Bijna dertien jaar later… Een volwassen man! Je bent niet zo veel veranderd.” Griffith antwoordde niks en maakte aanstalten om op de commode te springen om naar binnen te komen. “Dat zou ik niet doen als ik jou was,” zei De Nechoir, “als je niet wilt dat ik dit mooie popje de keel oversnijd. Want dan kan ik niet garanderen dat je bondgenootschap met de Bethune standhoudt.” Griffith snoof en bleef staan. “Goed zo,” zei De Nechoir smalend, “nu kunnen we praten. Ik heb uitgekeken naar deze ontmoeting. Al vanaf het ogenblik dat ik begreep dat jij de Schaduwloper was, wist ik dat ik niet langer over Wails zou heersen. Ik heb dus wat voorbereidingen gemaakt om dit zinkende schip vlug te kunnen verlaten en ik verheug me al op nieuwe horizonten. Maar voordat ik doorga wou ik je nog één keer terugzien. Van alle mensen ter wereld ben jij immers de enige die op mijn hoogte staat en ik beklaag je als ik je straks alleen zal laten. Want zonder mij ben jij niks meer: ik ben de enige reden van je bestaan en zonder mij heb je geen doel meer in je leven.” Griffith bleef bewegingloos voor de ingang staan. De Nechoir haalde zijn mes van Jean-Filips keel en ging verder. “Ik zal je ook missen, maar in tegenstelling tot jou heb ik nooit mijn levensdoel van jou gemaakt. Ik ben immers naar Wails gekomen om het zo goed mogelijk uit te melken. Het heeft dan ook nooit in mijn bedoeling gelegen om het Arendsnest te behouden. Integendeel, je kleine opstand was een deel van mijn plannen want nu heb je me de mogelijkheid gegeven om spoorloos van het toneel te verdwijnen.” De donkere figuur aan de deur gromde, maar zei niets. In de plaats daarvan zag De Nechoir dat Griffiths vuist om het zwaard harder werd. De Nechoir greep Jean-Filips hoofd vast en toonde dreigend zijn mes aan de donkere man. Griffith zette de kaken op elkaar en knarsetandde. Hij keek even opzij en dan, zonder waarschuwing, sprong hij op de commode. De Nechoir trok bleek weg en drukte harder met zijn dolk op Jean-Filips keel. De jongen verging van de angst. Hij wist dat De Nechoir hem niet kon doden als hij wilde kunnen ontsnappen, maar hij wist niet wat De Nechoir zou doen als hij panikeerde. De Nechoir verloor zijn hoofd gelukkig niet en toen Griffith van de commode afsprong, liet hij Jean-Filip gewoon terug los. Griffith stond nu midden in de kamer en liep naar De Nechoir toe. De Nechoir kwam vanachter Jean-Filips stoel en trok langzaam zijn zwaard. Hij was evengoed nog niet bereid om voor zijn leven te vechten. “Denk aan wie je bent,” siste De Nechoir terwijl ze om elkaar begonnen te cirkelen. “Ik zou je alles hebben gegeven: een naam, een burcht, een heel land! Maar je hebt het weggegooid omwille van twee mensen die je nooit hebt gekend.” “Jij doodde mijn moeder,” grauwde de wolf. “Wat had zij je te bieden?” snauwde De Nechoir. “Net als dit godvergeten land zou je naam binnen de kortste keren vergeten zijn. Maar ik, ik had je kunnen maken! Ik had een heel continent aan je voeten gelegd!” “Wat jij me gaf, was meer dan genoeg.” “Ik zou geprobeerd hebben je voor me te winnen als je niet zo koppig was geweest.” “Jij doodde mijn vader...” “Hij was een zwakkeling, de rouw niet waard. Hij kon nog geeneens voor een opvolger zorgen. Zelfs je moeder wist dat ik ver boven hem uitsteeg.” “Hij was mijn vader!” baste Griffith. “O,” zei De Nechoir theatraal, “jouw 'vader', dat doet pijn. Als hij je vader is, wat maakt dat dan van mij? Je stiefvader?” “Ik heb jou nooit erkend,” snauwde Griffith. “Nee? Denk je soms dat ik dat geloof? Je hebt jezelf altijd Raul genoemd. En dat is de naam die ik je gegeven heb. Je mag jezelf zien als de zoon van dat wolvenpaar en je mag bijzonder goed lijken op die teef van je moeder, maar in al de rest lijk je op mij en niet op haar - en zelfs nog minder op haar eerste man, je ‘vader’...” Griffith brieste furieus en viel De Nechoir blind van woede aan. De Nechoir ving de klap van diens zwaard ternauwernood op en moest zich weren om een volgende uithaal te ontwijken. Toen De Nechoir hem voordien op het binnenplein had zien vechten, had hij gedacht dat hij Griffith gemakkelijk de baas kon in een zwaardgevecht. Nu hij de razernij in de ogen van de zwarte man zag, bleek hij nauwelijks weerwerk te kunnen bieden. Griffith hakte en hakte dat De Nechoir er bijna bang van werd. Het enige dat hem wellicht redde, was dat hij zelf een goed zwaardvechter was en dat hij daardoor Griffiths brute geweld kon pareren. Griffith zwaaide op dat ogenblik het zwaard opnieuw omhoog en liet het met volle kracht op De Nechoir neerkomen. De Nechoir maakte een onmogelijke beweging en het volgende moment vloog het zwaard uit Griffiths handen. Griffith sprong onmiddellijk achteruit, maar gaf De Nechoir de tijd niet te zien dat hij hem had ontwapend. Op hetzelfde ogenblik dat De Nechoir zich gedesoriënteerd omdraaide, sprong de furie tegen hem aan en was ook De Nechoir ontwapend. Toen werd het voor beiden menens. Slechts een van hen beiden zou levend uit deze kamer mogen komen. Ze worstelden kort tot ze elkaar in een moordende greep vasthielden waaruit geen van beiden zou kunnen ontsnappen. Steunend omklemden ze elkaar, balancerend in een dodelijk evenwicht, kreunend onder het geweld. Ze zouden voor altijd komaf maken met de haat die tussen hen beiden had bestaan. Minuten leken voorbij te gaan. Jean-Filip zat doodsbang op zijn stoel, kijkend naar de twee titanen. Of hij nu Jago, Woolf of Raul heette, Jean-Filip wist dat zijn leven van hem afhing. Griffith verdubbelde zijn kracht alsof hij de wanhoop van de jongen voelde. De Nechoir verzette zich des te heftiger. Ze waren beiden even sterk en geen van de twee leek de overmacht te kunnen behalen op de ander. Maar dan trok Griffith zich plots terug. De Nechoir viel voorover en stootte op Griffiths knie. Hij donderde op de grond en nog voor hij besefte wat er was gebeurd, zat Griffith op hem met zijn handen rond zijn strot. Griffith gromde als een wolf die door het dolle heen was en het einde van de jacht nabij zag komen. De Nechoir probeerde wanhopig adem te halen, maar het beest kende geen genade meer. ‘Raul’ probeerde De Nechoir te zeggen, maar Griffith drukte alleen nog harder. Maar in zijn hart twijfelde Griffith. Omdat alles inderdaad anders had kunnen zijn. Omdat De Nechoirs bloed harder in zijn aders stuwde dan dat van zijn moeder. Omdat hij De Nechoirs beloften had opgegeven voor een naam die eerder magisch dan werkelijk was. De Nechoir had zijn vijand niet hoeven wezen als hij een andere keuze had gemaakt. Niks van de ellende die hem was overkomen, had dan ooit hoeven te gebeuren. Toch lieten zijn handen De Nechoirs keel niet los. Omdat hij ook een van de Wolven was en omdat de wolf wist dat hij niet naar De Nechoirs leugens moest luisteren. De Witte Heks had hem gezegd dat zijn bloed zijn zwakte was en dat was waar omdat ook De Nechoirs bloed in zijn aders vloeide. De Witte Heks had hem echter eveneens gezegd dat hij enkel naar het wolvenbloed mocht luisteren en De Nechoir moest doden. Dus gaf Griffith een kreet en drukte De Nechoirs strot finaal dicht. Hij had hem in zijn greep deze keer en hij zou hem niet meer loslaten… Jean-Filip verging bijna van de spanning toen hij het einde voelde naderen. Hij zag De Nechoir creperen dus was het nog slechts een kwestie van seconden. Maar dan, op het ogenblik dat Jean-Filip dacht dat het voorbij was en Griffith gewonnen had, veranderde er iets. Griffiths greep verslapte ineens en Jean-Filip gaf een machteloze schreeuw. Hij zag dat Griffith, De Nechoir langzaam losliet en het volgende ogenblik haalde De Nechoir terug adem. Griffith zat aarzelend rechtop over hem en keek De Nechoir met een ongelovige blik aan. “Dood hem!” riep Jean-Filip woedend terwijl hij hulpeloos aan zijn boeien rukte. “Waar wacht je in hemelsnaam op!” Maar dan zag hij dat Griffith naar zijn zijde tastte en dat De Nechoirs dolk tussen de naden van zijn kuras zat. Een gulp bloed kwam uit Griffiths mond en langzaam begon de zwarte man om te vallen. Jean-Filip begreep het dan en zijn woede sloeg om naar angst. De Nechoir hoestte zijn keel vrij en kwam dan terug tot zijn positieven. Hij zag Griffith achterover vallen en wist dat hij nu vlug moest reageren. Hij moest komaf maken met de Schaduwloper voordat er iemand de gang in zou komen. Zijn hand ging naar de dolk, maar net op het moment dat hij de dolk uit het vlees wou trekken en Griffith opnieuw wou steken, aarzelde hij. De rode ogen keken in de uitdovende zwarte ogen en hoewel hij er nog altijd haat in kon lezen, kon De Nechoir hem niet doden. Griffith zag de aarzeling in De Nechoir en keek hem vuil aan. Hij proefde het bloed in zijn mond en kon nauwelijks spreken. Toch wist hij furieus uit te brengen: “Doe het… Genoeg… gehad…” “Ik weet het,” zei De Nechoir terwijl hij zijn hand terugtrok. “Maar je bent ook mijn zoon en voor mijn part ook de enige die er ooit aan toe heeft gedaan. Emilio en Ramirez zullen nooit de man zijn die jij bent geweest. Jij bent in alle opzichten de betere versie van mezelf geweest, altijd…” Griffiths gezicht verkrampte van afkeer. “Loop naar.... de hel…,” zei hij moeizaam en de koolzwarte ogen zeiden de rest. Hij was een Wolf. De Nechoir begreep het en rukte de dolk uit het warme vlees. Griffith en De Nechoir keken elkaar een laatste keer aan. “Doe het…” De Nechoir hief de dolk op. En dan klonk er een schot. Plots stond Catherina daar met een pistool in haar hand. De Nechoir keek verbaasd voor zich uit en dan viel hij dood voorover. 5. Jean-Filip knipperde met de ogen en merkte ineens dat hij met stoel en al tegen de vlakte was gegaan. “Catherina,” hijgde Jean-Filip en de jonge vrouw keek ineens verbijsterd op. Ze zag er doodsbleek uit en huilde van ontzetting. Niet omdat ze De Nechoir had gedood, maar omdat ze door de hel was gegaan om hier te geraken. Ze had van het huisje van de Witte Heks tot hier gerend. Het was een mirakel dat ze op tijd was gekomen. Totaal in de war duwde ze de commode weg en liet ze zich naast Jean-Filip vallen om zijn boeien door te snijden. Maar halfweg hield ze ineens op en keerde ze zich om naar Griffith. De Nechoirs lijk lag over hem maar Catherina keek nauwelijks naar De Nechoirs bloederige hoofd terwijl ze hem van Griffith afrolde. Ze begon opnieuw te huilen toen ze Griffiths stille gezicht zag. Ze probeerde de gespen van zijn kuras los te maken, maar moest er mee ophouden omdat ze zich nauwelijks kon beheersen. Griffith bewoog niet meer en Catherina sloeg hem in het gezicht. “Word toch wakker!” schreeuwde ze en toen hij nog altijd geen teken van leven gaf, boog ze zich over hem heen en huilde: “Durf me niet in de steek te laten… Laat me niet opnieuw alleen…” Jean-Filip had zich intussen verder bevrijd en kroop voorzichtig dichterbij. Hij vermoedde vaag dat de zwarte man dood was, maar hij durfde het niet tegen Catherina te zeggen. Catherina probeerde zichzelf intussen weer in de hand te krijgen en begon opnieuw met het losmaken van het kuras. Jean-Filip hielp haar en toen ze het leer weghaalden begon de zwarte man ineens te hoesten. Jean-Filip schrok er van, maar Catherina begon te lachen door haar tranen heen en omhelsde Griffith heftig. Griffith hoestte opnieuw, maar ondanks de pijn liet hij haar niet los. Hijgend keek hij om zich heen tot hij De Nechoirs lijk ontdekte. Zuchtend viel hij terug in katzwijm. Catherina veegde de tranen uit haar ogen en keek toen even naar de meswonde. Ze zag dat ze niet dodelijk was en haalde opgelucht adem. “Jean-Filip,” zei ze onbeheerst. De jongen legde bezorgd zijn hand op haar schouder. “Hij moet hier weg,” zei ze, “ik kan hem hier niet verzorgen.” Jean-Filip knikte en zonder er een moment bij stil te staan, tilde hij het levenloze lichaam op. Het kon hem op dit moment zelfs niet schelen dat dit de man was waaraan hij Catherina had verloren. Alle spanningen hadden de rest op de achtergrond gebracht. Jean-Filip was groot van gestalte, maar het mannenlichaam woog toch zwaar in zijn handen. Het duurde even vooraleer hij Griffith goed vasthad en er zeker van was dat hij hem kon dragen. Toen verlieten ze de kamer en noch Catherina, noch Jean-Filip keken om naar het lijk van De Nechoir. Jean-Filip probeerde voorzichtig te zijn, maar af en toe kreunde de gewonde man in zijn armen en dan moest hij even stoppen. De tocht doorheen de gang leek wel een eeuwigheid te duren. Jean-Filip begon te denken dat ze beter in het verblijf daar waren gebleven. De bleke man zag er asgrauw uit en toen Jean-Filip plots het bloed tussen zijn vingers gewaar werd, werd hij haast onwel. Catherina liep nerveus naast hem en keek voortdurend opzij van Griffith naar Jean-Filip en terug. Jean-Filip was blij dat ze niks zei, hoewel hij er haar voor kon bewonderen dat ze zo kalm bleef. Plots kruisten ze de Generaal die al die tijd naar Griffith op zoek was geweest. Even was de man van slag omdat hij dacht dat Griffith dood was, maar Catherina kon hem geruststellen. De Generaal haalde opgelucht adem en vertelde hen dan dat ze de strijd hadden gewonnen. Alleen hadden ze het vermoeden dat De Nechoir wellicht door hun handen was geglipt en versterkingen was gaan halen. “De Nechoir is dood,” zei Catherina toonloos. “Je zal niet ver moeten zoeken. Hij ligt aan het einde van de gang met een kogel door zijn hoofd. Stuur maar best een soldaat voordat iemand het lijk laat verdwijnen om een nieuwe rel te beginnen.” “Dan hebben we gewonnen…?” “Ja…,” zei Catherina alsof het haar niet meer kon schelen. De Generaal leek toen te aarzelen alsof hij nog iets te zeggen had. Dan zei hij: “James is dood…” “Ik weet het,” zei Catherina zacht, “ik heb hem op het binnenplein zien liggen.” De Generaal knikte en zei dan: “Neyrelle ook… Emilio en ik vonden haar terwijl we op zoek waren naar Griffith. De Nechoir moet haar hebben vergiftigd toen de strijd losbarstte.” Jean-Filip en Catherina keken hem geschokt aan. “Is Emilio…?” “Ja, hij is bij haar. Hij kon niet meer verder toen hij zijn moeder zag liggen dus ben ik alleen verder gaan zoeken naar Griffith.” Plots kreunde Griffith. Ze begrepen dat ze niet te lang meer ter plekke moesten blijven trappelen als ze hem wilden verzorgen. Ze brachten Griffith naar een slaapkamer waar Catherina vlug Griffiths wonde onderzocht. De Generaal vertrok weer omdat ze hem beneden nodig hadden en Jean-Filip bleef verwezen achter bij Catherina. Catherina rukte de kleren weg en stelpte haastig het bloed. Jean-Filip stond aarzelend toe te kijken terwijl ze haar best deed om de wonde te dichten. Catherina zei: “Jean-Filip, ga op de binnenplaats een vrouw in het wit halen. Ze heeft instrumenten bij zich. Ik…” De jongen bleef verloren naast het bed staan. Ze veegde haar voorhoofd af. “Alsjeblieft, wil je dat voor me doen?” zei ze kleintjes. Dan drong het tot hem door wat ze had gevraagd. Vlug drukte hij haar geruststellend op de schouder en verdween naar buiten. Even later verscheen Jean-Filip terug, samen met de Witte Heks. De Witte Heks hielp Catherina vlug om Griffith te verplegen. Het bed was doorweekt van bloed en Catherina wist niet hoeveel bloed een man kon verliezen voordat het fataal werd. De Witte Heks zei echter dat het in orde zou komen en drukte een kus op Catherina’s voorhoofd. Jean-Filip werd recht in het hart getroffen door het kalmerende effect dat die woorden op Catherina hadden. Hij voelde dat hij teveel was en verdween uit de kamer. Even later was het gevaar geweken. Griffith lag bewusteloos op het bed en zag er doodsbleek uit. De Witte Heks verzekerde Catherina dat hij spoedig zou beginnen te herstellen. Ze verliet dan de kamer omdat er nog anderen waren die haar nodig hadden en Catherina kroop uitgeput naast Griffith op het bed. Ze zou niet wakker worden voordat er enkele uren voorbij waren gegaan. Toen ze wakker werd, hoorde ze dat het lawaai in de burcht was uitgestorven. Dan merkte ze plotseling dat Griffiths arm om haar heen lag. Ze keek stilletjes op en zag dat de zwarte man voor zich uit aan het staren was. “Hij is dood,” zei Griffith met een schorre stem. Catherina knikte en kroop dieper in de holte van zijn arm. Griffith slikte. Catherina zag dat hij op het punt stond in zwijm te vallen en probeerde hem terug te laten slapen. “Nee,” zei hij schor, “nog niet…” Hij moest al zijn krachten verzamelen om bij bewustzijn te blijven. “Hij zei… De Nechoir zei… dat zonder hem ik geen doel in mijn leven zou hebben… Dat ik hem daarom niet zou kunnen verslaan…” Catherina keek hem ongerust aan, maar hij ging verder: “Je hebt hem gedood in mijn plaats… Jij… bent het stuk van de puzzel dat ik altijd heb gemist… Blijf bij me, altijd…” Catherina kneep in zijn hand. “Ja,” zei ze eenvoudig. Hij glimlachte naar haar, die zeldzaam warme lach die ze maar een paar keer eerder had gezien. Dan leek hij weer te vechten tegen de uitputting en terwijl hij van zijn stokje aan het gaan was, vroeg hij nog: “Hoe heb je ons kind… genoemd…?” Catherina sloot de ogen voldaan. Emilio kwam een uur later binnen. Hij zag er vermoeid uit en had bloed op zijn kleren dat niet van hem was. Hij keek even naar Catherina en dan naar Griffith. Dan zette hij zich neer op een stoel en begon hartstochtelijk te huilen. Catherina werd wakker en ging naast hem zitten. Ze omhelsde hem innig en fluisterde hem in de oren dat Ramirez en Griffith er nog waren en dat het allemaal wel in orde zou komen. Emilio geloofde dat op dat ogenblik nog niet. Catherina wist evenwel dat dat nog wel ging komen, ooit, in een volgend mensenleven. Gedurende een paar uur bleef Emilio in haar armen huilen. Dan kwam Jean-Filip terug binnen. Hij vroeg hoe het met Griffith ging en zette zich dan naast Emilio neer. Ze waren Emilios broertje gaan halen en de jongen zou over een uur op de burcht zijn. Jean-Filip hoopte dat dat Emilio wat zou opmonteren, maar de jonge man leek erger gekwetst door het verlies van zijn moeder, dan hij zich had kunnen voorstellen. Jean-Filip kon zich nog herinneren hoe zwaar het verlies van zijn moeder had gevoeld. Op dit ogenblik leek dat al decennia geleden te zijn en misschien was het dat wel want Jean-Filip voelde zich bijna een oude man. Jean-Filip vertelde Catherina dan dat de burcht volledig in handen van de Welshe kroonprins was. Het was nu nog zaak om ook De Nechoirs andere troepen op te sporen en hun overgave te eisen. Het ergste zat er echter op. Binnen de week zou de rust waarschijnlijk wel teruggekeerd zijn in Wails en werd het tijd om de balans op te maken. Catherina vroeg zich af wat hen nu stond te gebeuren. Ze was naar Wails gekomen om haar toekomstige echtgenoot te bevrijden uit De Nechoirs greep. Nu, bijna anderhalf jaar later, stond Wails op het punt een nieuwe weg in te slaan, had de Bethune zijn enige vijand verloren en was Jean-Filip vrij om naar huis te gaan. Veel van wat hen stond te wachten was nog onzeker. Er zou met de Bethune gepraat moeten worden, over de verloving, over Jago. Griffith en zij moesten nog beslissen wat ze nu moesten doen. En niemand kon zeggen wie nu de nieuwe meester van de Arendsburcht was: Griffith, Emilio of de kroonprins van Wails. Veel van die dingen zouden opgelost zijn tegen het einde van de week, maar er waren ook dingen die Catherina zelf op moest lossen. Het werd tijd voor haar om met Jean-Filip te spreken… Toen Catherina even met Jean-Filip wegging, kwam de Generaal binnen om te zien hoe het met Griffith ging. Hij zou niet de laatste zijn die dag. Ook de Bethune en de Welshe kroonprins kwamen langs, hoewel ze de Schaduwloper niet bij bewustzijn vonden. De kroonprins zei dat hij zou nadenken over Griffiths titel en dat hij tegen het einde van de week een beslissing zou hebben genomen. Hoofdstuk 7 1. Eén week werden er tenslotte drie. Terwijl de Welshe kroonprins nog bezig was de laatste resten van verzet op te ruimen, moest hij tegelijkertijd beginnen vechten om zijn troon. De voormalige bondgenoten van de kroonprins herinnerden hem aan al zijn beloften en de kroonprins moest allerlei onmogelijke toegevingen doen vooraleer ze hem het recht op zijn troon wilden geven. Zoals het er naar uitzag zou de kroonprins nog even bezig zijn om iedereen tevreden te stellen vooraleer hij koning werd. De Generaal hoopte alleen maar dat sommige van die toegevingen niet te zwaar zouden wegen op het land. Net als de Welshe kroonprins was ook koning de Bethune niet aanwezig op het Arendsnest. De Bethune was bezig om de laatste verzetshaarden op te ruimen in het noorden terwijl de Welshe kroonprins zelf dat in het zuiden deed. Jean-Filip was niet bij zijn vader, maar bij de Welshe kroonprins. Hij was de dag na de val van de burcht weggegaan. Enerzijds om Griffith te ontlopen, anderzijds om na te denken over de dingen die Catherina hem die dag allemaal had verteld. Voor hem waren de excursies met de kroonprins dan ook een welkome afwisseling, vooral na maandenlange gevangenschap. Wie wel op de burcht waren gebleven, waren natuurlijk de rebellen en hun leider. Griffith was op drie weken tijd goed hersteld van zijn verwonding en deed al terug zijn eerste stappen. Hij zag er bleek maar tevreden uit en een paar mensen wisten dat dat alles te maken had met de jonge blonde vrouw. De Nechoir was intussen ergens begraven en met dat was er ook iets begraven in de zwarte man. Griffith had een hele tijd op bed gelegen alsof het het liefste was dat hij deed. Hij had al zijn vrienden daar ontvangen en leek levendiger dan ooit. Griffith had een paar gezichten gemist terwijl hij herstellende was, zoals dat van Jean-Filip en de Welshe kroonprins, maar ook dat van Neyrelle en James. Net als Emilio was Griffith er van aangedaan dat de eens zo statige vrouw zo dicht bij de overwinning was omgebracht door De Nechoir. Hetzelfde ging ook op voor James die wellicht meer had verdiend dan dat zielloos einde op het binnenplein. Al bij al was het goed dat De Nechoir dood was, liever dan dat hij door de mazen van het net was geglipt en elders een nieuw rijk kon oprichten. Emilio kon het weinig schelen dat zijn vader dood was. Een gevoel dat hij met Griffith deelde, met het verschil dat alleen van de eerste bekend was dat hij de zoon van De Nechoir was. Griffith zelf repte er met geen woord over. Gelukkig waren er ook veel mensen die de slag wel hadden overleefd. De Witte Heks kwam af en toe langs met de kleine baby op haar arm. Ze wou het kleintje voorlopig niet op de burcht laten, ondanks de protesten van de ouders. Catherina en Griffith vonden het vreemd, maar ze kenden de Witte Heks intussen goed genoeg om te weten dat ze er wellicht een goede reden voor had. Ook de Generaal kwam geregeld langs met nieuws over de opstand en soms ook met berichten van het volk over de terugkomst van de Wolven. De Generaal maakte er geen geheim van dat hij Griffith liefst in de voetsporen van zijn moeder zag volgen. Er was iets vreemds aan die periode tussen de val van De Nechoir en de terugkomst van kroonprins Edward naar het Arendsnest. Catherina, Griffith en de anderen leefden die dagen alsof de veranderingen buiten de burcht aan hen voorbijgingen. Terwijl er in het land nog werd gevochten, leek de tijd op de Arendsburcht te vertragen. Niemand voelde de nood om de toekomst te plannen en ze namen iedere dag zoals die kwam. Er was ook geen reden om te geloven dat die tijd ooit voorbij zou gaan. Voor het eerst in Griffiths leven zag de toekomst er onbekommerd uit. De eerste dag dat Griffith weer naar buiten mocht gaan van Catherina, was het helder en warm weer. Zijn uitstap werd natuurlijk onmiddellijk door iedereen gezien en binnen de kortste keren zaten Griffith en Catherina samen met Emilio, de Generaal en een paar andere mensen te genieten van het weer in de tuin van de burcht. Griffith lag in de armen van Catherina en zou ieders oren van de kop hebben gepraat als er niet af en toe iemand anders ook nog eens iets opwierp. “… Ik wil hier niet trouwen, niet in de kapel tenminste. Het ligt daar vol dooie mensen.” “Je gaat niet zeuren over die kapel,” antwoordde Catherina, “iedereen is daar getrouwd dus wij ook.” “Heb ik hier ook nog inspraak, ja? Ik hoop dat je me tenminste gaat vertellen wanneer we gaan trouwen.” “Ik heb nog niks vastgelegd!” “Fijn, want we moeten ook nog eens het doopsel van onze koter regelen en ik zou willen dat het op dezelfde dag is; dan hoef ik geen tweede keer naar een kerk te gaan… auw! Waar was dat nu voor nodig?” “Dus jullie trouwen binnenkort?” vroeg Emilio terwijl Griffith over zijn hoofd wreef. “Zonder twijfel,” antwoordde Catherina, “en je mag alleen maar komen als je je gedraagt.” “Ja, broertje,” zei Griffith, “alleen als je je gedraagt. Dus geen ouwe lieven meebrengen. Anders wordt Catje jaloers… Maar… auw… hou nou es op met slaan!” “Ik veronderstel dat het dus beter met je gaat,” zei de Generaal terwijl hij Griffith bekeek. De zwarte man zag er stralend uit, misschien zelfs nog meer dan stralend. “Ja,” zei Griffith, “morgen ga ik al uitrijden, tenminste als deze demoiselle het wil.” “Wat zeg je me daar, mijnheer Woolf,” zei Catherina terwijl ze aan zijn oor trok. “Je hebt geen toelating om de burcht te verlaten voor de week om is.” “Maar ik voel me al veel beter, mamma.” “Griffith, je hebt me gehoord!” “Maar…” “Nee!” “Kijk me dat eens aan,” zei Emilio spottend, “nog geeneens getrouwd en hij ligt al onder de slof.” “Daar! Hoor je dat?” zei Griffith tegen Catherina terwijl hij beschuldigend naar Emilio wees, “dat komt er dus van. Zelfs dat kleine grut heeft al geen respect meer voor me.” “Gooien die slof,” liet de Generaal, Emilio weten. “Hé, wat môt dat,” foeterde Griffith tegen de Generaal, “je moet mijn kant kiezen.” Emilio keek naar Catherina. “Weet Jean-Filip het?” vroeg hij haar terwijl Griffith in discussie ging met de Generaal. “Hij is hier niet meer geweest, maar ik denk dat hij het weet,” antwoordde ze. Emilio knikte en dan zachter zodat de rest het niet hoorde: “Hebben jullie het uitgepraat?” Catherina knikte. “Ik heb hem alles verteld.” “Alles, is dat ook…?” “Ja, dat ook.” En, hoe nam hij het op?” “Geschokt. Ik denk dat hij zijn vader voorlopig liever niet ziet.” “Waarover hebben jullie het?” vroeg Griffith. “Je bedmanieren,” zei Catherina met een tik op zijn neus. “W…” Griffith keek de blonde vrouw liefdevol aan. Hij zou hier voor altijd kunnen blijven liggen in haar armen en er nog niet genoeg van krijgen. Catherina glimlachte terug alsof ze begreep wat hij dacht en streelde zijn zwarte haren. “Als ik je het lief vraag,” zei hij, “pers je er dan nog zes andere koters uit? Dan hebben we een mooi setje van zeven.” “Wees eens braaf en heb wat respect voor de tempel van je kinds moeder.” “Dus zeven. Da’s dan afgesproken. Hebben we ineens wat bezigheid de volgende dagen.” “Griffith!” “Het is in orde schat, deze mensen hoeven er niet bij te zijn…” “Ik ben me aan het bedenken over dat huwelijk weet je…” Dan zagen ze ineens een groep soldaten de tuin in marcheren. Het groepje keek nieuwsgierig naar de soldaten terwijl ze hun richting uitkwamen. De Generaal probeerde hun wapenschild te herkennen en zei: “Het zijn mannen van de kroonprins. Benieuwd wat die ons te vertellen hebben.” “Zou de kroonprins terug zijn?” vroeg Griffith. “Geen idee, maar ze zien er verschrikkelijk plechtig uit.” “Emilio, wees eens een brave hond en kef eens naar de heren. Weten we ineens wat ons te wachten staat.” Emilio keek om naar zijn broer. Het was schertsend gezegd, maar hij had de ondertoon van Griffiths woorden niet verkeerd begrepen. De soldaten stapten op hen af en bleven in het gelid voor hen staan. De kapitein deed een pas naar voren en vroeg: “Mijnheer Woolf?” “Ben ik,” zei Griffith, “middag heren, wat kan ik voor u doen?” “De Welshe kroonprins en de koning van Lenion zouden u graag uitnodigen voor een onderhoud en vroegen mij om u te escorteren.” Griffith trok een lang gezicht. “Ik mag er dus van uitgaan dat de heren kroonprins en koning juist deze middag moesten uitpikken om een perfect vrolijke dag naar de vaantjes te helpen?” “Griffith! De kroonprins heeft misschien iets beslist over je titel,” zei de Generaal hoopvol. “Juist ja. De heren hebben beslist dat ze vandaag mijn wildste dromen in vervulling willen brengen.” Hij stond op en fatsoeneerde zijn kleren. “Catherina, vrouw, opstaan!” Catherina kwam recht en Griffith nam haar in zijn armen. “Vrouw, zeg de kinderen dat we vanavond hert eten. Pappa gaat op jacht.” “Geef de slager de groetjes.” Hij gaf haar een kus en maakte dan aanstalten om met de soldaten mee te gaan. Zodra hij nog maar drie passen had gedaan, viel het Griffith ineens op dat de soldaten wapens droegen en dat ze hem tussen hun rangen hadden ingesloten. Dit was geen formaliteit, wist hij. Hij wreef even over zijn borst en vroeg toen langs zijn neus weg: “Weet u, ik denk dat ik eigenlijk nog iets af te handelen had. Vindt u het erg dat ik misschien even later kom? Zeg me gewoon waar ik de beide heren kan vinden en ik zal onmiddellijk naar hen toekomen.” De kapitein van het escorte keek hem ernstig aan en zei: “Ik denk dat u weet dat dit niet langer kan worden uitgesteld.” “Werkelijk?” vroeg Griffith scherp en plots leek iedereen gespannen. “Alstublieft, mijnheer Woolf, we hebben orders om u desnoods te dwingen.” Griffith hield op met te wrijven over zijn borst en staarde de kapitein koel aan. “Ik geloof niet dat me dit zint. Waarover gaat dit? Ik waarschuw u: ik ben niet van plan een voet te verzetten voordat ik weet wat men van me wil.” De kapitein keek onbewogen terug en zei: “Uw proces. U wordt schuldig geacht aan hoogverraad.” De kapitein zag de reactie nooit aankomen. De rebellen waren opgesprongen nog voor hij was uitgesproken en stortten zich op de soldaten. Twee soldaten hadden Griffith echter al vastgegrepen en hielden hem in bedwang. Catherina probeerde in het geduw en getrek bij Griffith te komen. Griffith schudde de ene soldaat los, dan de andere. Catherina wierp zich tegen hem aan. “We moeten…,” begon hij. Hij kreeg nooit de kans zijn zin af te maken. “Genoeg!” brulde een stem boven het tumult uit. Alles viel plots stil en Griffith bleef stokstijf staan. De kapitein had zijn pistool tegen Griffiths achterhoofd aangedrukt. Catherina staarde ontzet in Griffiths ogen en hij keek wanhopig terug. “Ik schiet als er nog één iemand durft te bewegen,” brulde de kapitein, “ik meen het.” Griffith voelde hoe hij het meende, hoe het pistool tegen zijn achterhoofd het meende. Radeloos keek hij naar Catherina. “O mijn hemel,” dacht hij, “laat hem schieten dat we tenminste samen sterven.” Zodat ze tenminste nooit meer uit elkaar werden gehaald. Het bevroren tafereel kwam weer tot leven toen de soldaten de rebellen achteruit duwden. Catherina’s lippen vormden een woord, maar voordat Griffith het kon horen, rukte de Generaal haar weg en werd Griffith meegesleept. Hij schreeuwde terwijl zij zich vruchteloos los probeerde te rukken. Twee soldaten hadden hem onmiddellijk vast en iedereen keek als bevroren toe hoe de kapitein hem met zijn kolf buiten westen sloeg. Catherina worstelde nog steeds met de Generaal terwijl ze Griffith wegsleepten. En ze schreeuwde en schreeuwde terwijl ze toch wist waarom niemand Griffith nog durfde helpen. 2. Hij had even moeite met lopen. Het bloed sijpelde naast zijn oor over zijn gezicht, maar toen hij zijn hoofd aanraakte merkte hij dat het geen diepe wonde was. Hij dacht wanhopig aan Catherina en de belofte die hij haar had gedaan. Ze kwamen een vertrek zonder ramen binnen. Daar stampten ze hem op een stoel waar hij net niet naast terecht kwam. Griffith veegde het bloed uit zijn ene oog en zag toen dat aan de andere kant van het vertrek een lange witte tafel stond waarachter zeven ernstige gezichten zaten. “Verdomme,” zei Griffith terwijl hij verveeld wegkeek. Alle zeven juryleden waren edellieden die er belang bij hadden dat hij zou verdwijnen. Hij zakte onderuit op de stoel en legde vloekend zijn hoofd achteruit. “Zit rechtop, alstublieft.” Griffith keek hen koel aan vanonder zijn zwarte haar. De duisternis in die ogen verbijsterde even de leden van het tribunaal. Hij zei: “Er is geen enkel respect in uw houding, waarom zou ik dan ook niet uw voorbeeld volgen?” De Bethune leunde dreigend voorover op de tafel en zei: “Als ik jou was, zou ik twee keer nadenken voor ik iets zei.” “En ik zal drie keer nadenken of ik geen bitterder woord voor u heb,” beet Griffith terug. De Bethune durfde niet meer tegen die toon op te bieden. de Bethune leunde terug achteruit en keek Griffith onverbiddelijk aan. “Weet je waarom je hier bent?” De zwarte man baste even. “Waarom ik hier ben? Om van een leugen waarheid te maken! O ja, ik weet waarvoor deze schijnvertoning is. Hoogverraad, het zal me wat…” “Is je naam niet Raul De Nechoir?” zei de Welshe kroonprins. “Nee, Raul Griffith Sullivan Jago Woolf.” “U bent er geen van de Wolven,” zei een man die Griffith herkende als een baron die altijd aanspraak had gemaakt op de gebieden van zijn familie. “Geloof het maar beter, want er zijn er duizenden hierbuiten die het niet met u eens zullen zijn als u me omwille van mijn vaders naam probeert te veroordelen.” Een vierde, die Griffith herkende als een verre afstammeling van een bastaard van zijn overgrootvader, tikte met zijn nagel op de tafel. “Dus u bekent de zoon te zijn van De Nechoir?” Griffith keek hem frontaal aan. “Dat is een publiek geheim, dus ja: die smeerlap is mijn vader.” “Zo, zo, dus helemaal geen kind van de gravin nietwaar, want haar kind werd voor haar huwelijk met De Nechoir geboren.” “Dus u lijkt niet alleen stom te zijn, u bent het nog ook. Iedereen wist dat de graaf geen kinderen kon krijgen. Hij gaf De Nechoir toestemming een kind te verwekken bij zijn vrouw.” “D...,” begon de Bethune, maar Griffith onderbrak hem. “U dacht toch niet dat ik de reden voor uw buitenechtelijke affaire met de hertogin geheel uit mijn duim had gezogen?” De Bethune zweeg onmiddellijk. Griffith vervolgde: “Later trouwde mijn moeder met De Nechoir omdat ze niet wist dat hij haar man had vermoord. Ze vond dat ze met de vader van haar kind moest trouwen.” “Niemand heeft ooit kunnen bewijzen dat dat kind de slachting van de Arendsburcht heeft kunnen overleven.” “Natuurlijk niet. Ik heb jarenlang ondergedoken geleefd. Wie had kunnen bewijzen wie ik was?” “Dus u beweert op de burcht te zijn geweest toen De Nechoir hier binnenviel?” “Dat heb ik nog niet gezegd, maar ja: ik was hier.” “Niemand heeft die slachting overleefd! Niemand heeft er iets over na kunnen vertellen!” “Hoe komt het dan dat er daarbuiten heel precieze verhalen over kunnen worden verteld?” zei Griffith kalm. “Ah! Dus u hebt dit kunnen verzinnen aan de hand van de verhalen die de ronde gaan!” Griffith maakte een beweging met zijn hand. “Denk na. Hoe ben ik een paar weken geleden de burcht binnen gekomen? Via de geheime gangen. Wie kent die gangen? Enkel de Wolven. De Nechoirs soldaten hebben indertijd nooit de kans gekregen om er uitgebreide plannen van te maken.” “De Nechoir kende er de weg in.” “Dat denkt u maar. Ik weet wie hem die gangen heeft getoond.” “Genoeg,” zei de kroonprins van Wails, “om een uitleg te geven over die geheime gangen bent u niet hier gekomen.” “Nee,” antwoordde Griffith snel, “ik ben hier om te horen dat ik hoogverraad heb gepleegd zonder dat daar bewijs voor is.” “U bent De Nechoirs zoon!” “En wat zou dat betekenen? Toevallig heb ik ook geprobeerd hem van kant te maken. Het omgekeerde geldt trouwens ook, geloof ik.” “Maar u hebt hem niet gedood, zelfs niet toen u de kans had, dat heeft iemand anders gedaan. Nee, u had De Nechoir bijna laten ontsnappen.” Griffiths ogen vernauwden. Er waren maar een paar mensen die wisten dat niet hij maar Catherina, De Nechoir had gedood. Jean-Filip had het waarschijnlijk aan zijn vader verteld - wellicht niet met de intentie hem kwaad te doen - maar de Bethune had er toch maar mooi gebruik van gemaakt. “Was het niet zo,” siste de Bethune, “dat u De Nechoir had willen laten vertrekken nadat hij u er aan herinnerde dat u zijn zoon was.” De Bethune voelde zijn eigen scherpe blik teruggekaatst worden in die donkere ogen en schrok er bijna voor terug. “Ik heb De Nechoir nooit erkend als mijn vader, hoewel ik niet zal ontkennen dat ik altijd wel heb geweten dat ik zijn zoon was. Evenmin ‘heb ik hem laten gaan’. Hij was me wel bijna ontsnapt, dat is waar. Doet het er zo aan toe wie De Nechoir heeft gedood? Ik geloof dat ik wel heb bewezen dat ik er alles aan heb gedaan om zijn gezag te ondermijnen.” “Zeker?” zei de Welshe kroonprins. “Nochtans hebt u huursoldaten betaald met geld dat van de Arendsburcht afkomstig was.” Griffith grijnsde vals. “Die omkoopsom die voor u was bedoeld? O ja, die heb ik inderdaad onderschept om u een hak te zetten.” Slechts één edelman bewoog geschokt, maar de rest leek tot Griffiths spijt al af te weten van de kleine zwakheid van de kroonprins. “Ze zouden u moeten ophangen voor het hoogverraad dat u heeft gepleegd,” zei Griffith kil, “want u hebt al het mogelijke gedaan om uw land in de afgrond te storten en hebt er nog van geprofiteerd ook.” Even wierp hij een blik op de rest van de Welshe edelen. “Maar dat gaat ook op voor de rest van u veronderstel ik. Ik denk dat ik er zelfs niet ver naast zit, als ik beweer dat u De Nechoirs wanbeleid wilt verderzetten. U hebt geproefd hoe zoet het is om uw mensen uit te persen, niet? Ieder van jullie weet dat het volk de kroonprins niet wil volgen zoals het mij volgt. En ieder van jullie weet dat als ik mijn titel terugkrijg er een kans is dat ik het Hooghuis terug wil oprichten. En dat mag niet gebeuren. Wails moet een absolute monarchie blijven waar gewone burgers het niet voor het zeggen kunnen krijgen. Dus moet ik uit de weg worden geruimd... Het spijt me dat er onder de Welshen ook mensen als u zijn…” Niemand bewoog, maar niemand leek ook onder de indruk te zijn van zijn betoog, dus haalde Griffith slechts de schouders op. Uiteindelijk vertelde hij het niet aan hen, maar aan de soldaten op de achtergrond. Een van hen zou immers wel eens een rechtschapen eergevoel kunnen hebben en de waarheid laten uitlekken. “Laten we het kort houden,” zei Griffith. “Wails beschuldigt me van hoogverraad omdat ik zogezegd met De Nechoir heb samengewerkt. Een mooi verhaaltje dat u de bevolking trouwens nooit kunt laten slikken, dus succes met de opstanden die u de komende weken staan te wachten. Dan blijft er nog Lenion over, want ik veronderstel dat onze geachte heer de Bethune hier niet voor Piet Snot zit - pardon, niet voor zijn neu-tra-li-teit zit. Wat voor belang hebt u erbij, de Bethune, om me van het toneel te doen verdwijnen? Ik veronderstel dat het niet mijn populariteit is bij de bevolking die u dwarszit want u hebt hier geen belangen. Is het Catherina? Hebt u een geschiktere echtgenoot voor haar gevonden? Maar nee, u zou haar zo kunnen vervangen door een echte prinses, wat u eigenlijk al vanaf het begin had gewild als de hertogin u niet van het tegendeel had overtuigd. Uiteindelijk was die missie waarop u haar had gestuurd om Jean-Filip te bevrijden toch een poging om u van haar te ontdoen, nietwaar? Want u vond dat alleen iemand van de hoogste adel met uw zoon mocht trouwen en u wist dat er een grote kans was dat Catherina die missie niet zou overleven.” “Wil je in hemelsnaam die vuile bek van je eens houden,” snauwde de Bethune die genoeg kreeg van de praatgraagheid van hun gevangene. “Laat ik u eraan herinneren dat ik uw kind in mijn macht heb.” Onmiddellijk stopte Griffith met grijnzen en zei: “U hebt mij al. Waarom zou u dat kind er bij betrekken?” Nu was het de Bethune zijn beurt om Griffith te laten voelen hoe de duimschroeven pasten en hij genoot zichtbaar van de omslag. “Griffith Jago alias Raul De Nechoir, u staat hier terecht voor hoogverraad tegen de staat van Lenion. U heeft de staatskas voor tienduizenden dublonen opgelicht, u hebt de hertogin van Carnières laten vergiftigen en hebt geholpen bij de ontvoering van mijn opvolger, met een oorlog tussen Wails en Lenion tot gevolg. Hebt u iets te zeggen op deze beschuldigingen?” Griffith klemde de tanden op elkaar: hij durfde niks meer te zeggen. “Goed, dan…” Maar plots stormde er iemand het vertrek binnen. De soldaten grepen hem vast, maar de Bethune liet verstaan dat ze de jonge man onmiddellijk los moesten laten. “Wat doet u?” riep Jean-Filip terwijl hij even een blik wierp op Griffith. Jean-Filip schrok van het bloed over diens gezicht. “U denkt er toch niet serieus aan om van hem een landsverrader te maken? Hij heeft uw oorlog voor u gewonnen! En als dat niks voor u betekent: denk aan wat er met het land zal gebeuren als u dit nieuws bekend laat maken!” “Jean-Filip,” zei Griffith bars zonder hem aan te kijken, “ga weg. Dit wil je je niet herinneren.” Jean-Filip keek even neer op de man die hem quasi had opgevoed, de man ook die Catherina had gekozen en hij wist dat hij hem onmogelijk aan zijn lot kon overlaten. “Mijne heren,” zei Jean-Filip beheerst, “u weet best dat dit waanzin is. Als dit om macht gaat: denk dan tenminste aan wat er met uw gezag zal gebeuren als u hem veroordeelt! Doe het dan later, of laat hem beloven het land te verlaten - dat doet hij als u het hem vraagt!” “Jean-Filip!” herhaalde Griffith nog harder zodat de jongen er van schrok. Jean-Filip knielde haastig naast hem neer. “Je denkt er toch niet echt aan om je zomaar te laten veroordelen?” fluisterde hij tegen hem. “Denk na, Griffith, er moet iets zijn dat je hen kunt aanbieden.” Maar dan besefte Jean-Filip dat er inderdaad een koop was die Griffith met hen zou kunnen afsluiten, maar die zou hij nooit doen. “Griffith!” zei Jean-Filip nog indringender. “Wat zal er met Catherina gebeuren? En jullie kind? Ze hebben je nodig.” “Ik weet dat,” beet Griffith terug, “maar ik kan niks beginnen, niks tegen hen daar.” En dan, nog stiller zodat ze er helemaal niks meer van konden horen: “Ik vertrouw op mijn mannen, en anders: op mijn volk. Ze zullen me nooit laten leven, maar mijn dood zal niet tevergeefs zijn.” Jean-Filip keek hem maar ontnuchterd aan. Hij wist dat hij gelijk had en dat hij voor een verloren zaak vocht. “Ga,” fluisterde Griffith, “compromitteer je niet tegenover deze mannen. Op een dag zal je koning zijn en het misschien tegen hen kunnen opnemen.” Jean-Filip raakte nog even zijn arm aan en dan gaf de Bethune hem te kennen dat hij de zaal moest verlaten. Griffith keek niet naar hem om toen hij de zaal verliet. “Ik denk dat deze schertsvertoning nu lang genoeg heeft geduurd,” zei Griffith kil. “Maak er een eind aan, nu.” “Kalm aan maar, Woolf, je hebt ons niet te bevelen…” “Je vergeet me De Nechoir te noemen.” “We hebben een vonnis geveld voor je tweevoudig hoogverraad. De dood met de kogel, over een week.” Griffith boog het hoofd en verbeet iets dat misschien op wanhoop leek. “En om dat te voorkomen?” De Bethune keek de zwarte man aan. “Verbanning in ruil voor informatie, ik denk dat je wel weet welke, en je moet het koningschap van de kroonprins ondersteunen.” Griffith hoefde zelfs niet na te denken. “Nee.” De Bethune beet op zijn lip. “Denk na, Woolf,” zei hij, “het maakt toch allemaal niet meer uit nu. En je kan er je nek mee redden.” De zwarte man keek star voor zich uit en antwoordde niks. “Woolf,” siste de Bethune, “dit is je laatste kans, dus hou op met dat gedoe en zeg me wat ik wil weten. Doe jezelf dit niet aan.” Griffith sloot de ogen. “Ik heb alles gezegd dat ik wilde zeggen. Breng me maar naar mijn gevangenis…” En de Bethune moest hem laten gaan. Een paar soldaten kwamen naar voor en sleurden de zwarte man recht. Griffith schonk de Welshe kroonprins nog een vuile blik en liet zich dan met tegenzin afvoeren. 3. Op een geheime locatie, ver weg van de Arendsburcht, werd de voormalige rebellenleider gevangen gehouden in een kleine gevangenis. De zwarte man was een nachtmerrie voor zijn bewakers. Hij schreeuwde en vloekte en riep obsceniteiten tegen de muren van zijn gevangenis die geen zedig mens hem had willen doen herhalen. Niemand had er een idee van wat hij allemaal zei of waarom hij de kroonprins en een aantal andere edelen voortdurend in zijn furieuze betoog insloot. De ene keer leek de zwarte man het te hebben over machtswellust en verraad. De andere keer leek hij woest te zijn op zichzelf en schold hij zich uit voor zijn eigen kortzichtigheid. De razernij liet bij iedereen een huivering over de rug gaan alsof er in dat donkere krocht een monster zat dat alleen al met zijn tanden dood en verderf kon zaaien. Maar tegelijk met de razernij weerklonken de al even huiveringwekkende jammerklachten - niet van zelfbeklag, maar van een doodse verlatenheid. En wanhoop. Hij maakte de bewakers uiteindelijk zo gek dat ze tegen de zwarte man riepen dat hij moest ophouden en toen ook dat niets uithaalde, bekogelden ze hem met alles dat klein genoeg was om door het gat in de deur te gooien. Ze durfden echter niet de cel binnengaan, dus onthaalde de zwarte man hen altijd op een emotieloos hoongelach dat hen nog meer door merg en been ging. De zwarte man zou hier een week zitten, daarna zou hij weggebracht worden voor een geheime executie. Ondertussen wachtte Griffith af in angstige spanning. Angstig, niet omdat hij voor zijn eigen leven vreesde, maar omdat de betekenis van verlies nog nooit zo erg was geweest. Hij rukte aan de ketens waarmee hij was vastgeklonken, beukte tegen de muren, probeerde weg te schreeuwen wat hij op één moment had verloren. Hij kon alleen blijven hopen dat zijn mannen hem zouden komen bevrijden, en als zij het niet deden, dat tenminste de bevolking in opstand zou komen. Want voor het eerst in zijn leven had hij iemand nodig om hem te redden. Hij had er nood aan te blijven leven. Maar er kwam niemand en het zag er naar uit dat hij zijn laatste dagen tegemoet ging. Enkel op de nacht voor zijn executie kreeg hij nog bezoek. Toen werd voor de eerste keer sinds zijn opsluiting de deur geopend en stapte de koning van Lenion, de Bethune, aarzelend binnen. De gevangenislucht hing muf in de neusvleugels van de grote vorst en de kou deed hem huiveren, hoewel niet zo erg huiveren als de haat die zinderde in de cel. De deur werd weer vergrendeld achter de koning en de cipier verdween haastig. Vertwijfeld keek de Bethune de gevangenis rond en zag maar na enige moeite de schim die hij met zijn ogen had gezocht. “Jago?” De zwarte man keek nog geeneens op toen de Bethune zich ongemakkelijk tegenover hem neerzette op een kruk. “Het spijt me, Jago, om je hier zo te zien…” Er klonk een geveinsde lach doorheen de kerker. “Het is ‘u’ voor u, ‘mijn heer’. En hou op met dat theater want u weet verdomd goed dat u mij mee hier naartoe hebt helpen brengen.” “Dat was voor ik met Jean-Filip sprak,” zei de Bethune snel. “Ik heb me in u vergist, geef ik toe. Ik was nog verblind door de brieven die Catherina me indertijd heeft geschreven en ik dacht werkelijk dat u Lenion had verraden. Maar ik ken nu de ware toedracht en ik kom me verontschuldigen.” Griffith zweeg even. “Dus van de ontrouwe raadgever die de hertogin heeft vermoord, ben ik ineens veranderd in de brave huisknecht? Nee, dank u, daar trap ik niet in. Ik heb Lenion misschien nooit uitverkocht zoals u beweerde, maar u weet maar al te goed dat ik misbruik heb gemaakt van mijn positie om mijn eigen land zo goed mogelijk te helpen. Nee, ik heb er een redelijk goed idee van waarom u hier juist bent en wat u met uw verontschuldigingen probeert te bereiken. Maar geen gevlei ter wereld zal me kunnen overhalen om iemand als u, die geen eer heeft, de waarheid te vertellen.” De Bethune liet onmiddellijk alle zoete woorden voor wat ze waren en zei dan hard: “Dus je weet ‘het’ wel degelijk? Ik had een vermoeden dat Neyrelle jou in vertrouwen had genomen over het koningskind.” Griffith reageerde wrang. “Dat is een zaak die ik maar al te goed ken! Maar u kunt er naar fluiten: ik zeg niets.” “Weet je dat heel zeker? Ik kan je je vrijheid geven. Wat is dat je waard? Kom nu, wat kan die hele zaak je schelen als je er je leven mee wint?” “Ik sterf nog liever dan ook maar een woord daarover los te laten!” De Bethune keek hem maar zuur aan. “Ik dacht dat je geen dwaas was en dat de afgelopen dagen je wat meer hadden kunnen bijbrengen over de waarde van het leven. Maar blijkbaar besef je niet dat je stilzwijgen niemand dient.” “Het dient u niet.” “Jago, denk na: waarom zou je je geheim mee in je graf nemen?” “U hebt dat kind al één keer proberen te vermoorden! Ik sta niet toe dat u het een tweede keer probeert!” De Bethune keek hem gepikeerd aan. “Denk je werkelijk dat ik een koningskind zou willen doden? Dan heeft Neyrelle je meer leugens wijs kunnen maken dan je denkt.” Griffith snoof. “Neyrelle heeft me niks moeten vertellen! Ik was er bij! Ik weet dat u alles zou hebben gedaan om dat kind te vermoorden! Maar Neyrelle stond het indertijd niet toe! En nu zij dood is, sta ik het niet toe! Ik ken dat verhaal! Hoe u uw vrouw in haar eigen gezicht bedroog. U mag Catherina hebben wijsgemaakt dat u een relatie met de hertogin aanging omdat u een troonopvolger nodig had, maar dat is een verhaal waardoor ik me allerminst gecharmeerd voel! Ik weet wat de waarheid is.” De Bethune vloog op en greep Griffith bij de strot. “Is het soms niet waar!” schreeuwde Griffith in zijn gezicht. “Is het soms niet waar dat u meer in het bed van de hertogin lag dan dat u in uw eigen paleis was?” De Bethune probeerde de zwarte man hardhandig het zwijgen op te leggen, maar Griffith was ongemeen snel en wierp de Bethune zelf omver. Hij snoerde de Bethunes keel af met zijn kettingen en riep: “Was het soms niet waar dat uw vrouw doodongelukkig was, dat ze door iedereen met een schuin oog werd bekeken omdat u haar in het openbaar belachelijk maakte? En was het soms niet waar dat u en de hertogin met opzet een kind verwekten om de spot met haar te drijven? O, en reken maar dat het haar kapot maakte. Dagen aan een stuk huilde ze soms om alle vernederingen die ze van u twee moest slikken. En durf niet te beweren dat dat niet zo was want ze was nog aan het huilen toen ze hier moe van de ellende op de burcht aankwam. Maar gelukkig was er nog de hertog, die andere hoorndrager, die wellicht meer menselijkheid in zich had dan u en de hertogin samen. Hij nam het tenminste voor haar op en hij probeerde haar tenminste te troosten” “Laat me los!” “En daar keken u en de hertogin maar lelijk van op. Want van een ding kwam een ander en plotseling was de koningin zwanger van de hertog. Dat moest een hele klap voor u en de hertogin zijn geweest. Want plots was daar een troonopvolger die u de koningin in nog geen honderd jaar had gegund. En dat betekende dat die bastaard van u over de koningstitel zou pakken en slechts hertog kon worden terwijl dat kind van haar de La Fontaine lijn zou kunnen voortzetten.” “Wacht!” “Dus op een dag overlegden u en de hertogin wat u aan de situatie zou doen. De hertogin was natuurlijk razend dat haar man haar had bedrogen met de koningin en liet hem uit de weg ruimen. Een jachtongeval zoals het zo mooi heette. De koningin was op dat ogenblik op staatsbezoek overzee dus ontsnapte ze voorlopig aan eenzelfde lot. Jullie beraamden een complot om haar uit de weg te ruimen en zo de macht te grijpen in Lenion. Jullie huurden incognito piraten in en stuurden hen op weg om het schip van de koningin te kelderen op haar terugtocht. Maar toevallig was er daar ook Neyrelle. Neyrelle met wie het al lang niet meer boterde sinds de hertogin de titel van hun vader had ingepalmd. Neyrelle die uit frustratie naar Wails was getrokken en daar Marcos De Nechoir had leren kennen. Neyrelle die voor u beiden van geen enkel belang was. Neyrelle was intussen moeder geworden en dat had haar gevoelens voor haar zuster verzacht. Ze was terug naar Lenion gekomen om de plooien glad te strijken en verbleef net op het hertogelijk slot op het ogenblik dat u tweeën uw plannen aan het maken was. De hertogin tolereerde haar aanwezigheid, maar maakte de fout zich voor de rest weinig met haar in te laten. De hertogin negeerde haar zuster zo hard dat ze niet doorhad dat Neyrelle op een dag het gesprek overhoorde tussen u en de hertogin over het piratenschip. Neyrelle begreep onmiddellijk wat u beide van plan was en was gechoqueerd. Ze probeerde de hertogin te overreden in haar hart te kijken en de koningin met haar kind te sparen. U beiden dankten haar ervoor door haar te verbannen, nee, door haar te proberen doden. En dus sloeg Neyrelle op de vlucht. Waar u echter geen van beiden op had gerekend, was dat Neyrelle zou proberen de koningin te redden. Ze voer overzee de piraten achterna en voordat die hun slag konden slaan, kelderde ze het piratenschip. Het wrakhout werd achteraf door u gebruikt om een verhaal op te dissen dat het schip van de koningin was vergaan. Neyrelle maakte de koningin duidelijk dat haar leven niet veilig was als ze nu naar Lenion zou terugkeren. Dus ging de koningin mee naar Wails, naar de Arendsburcht. Want Marcos De Nechoir was niet alleen Neyrelles echtgenoot maar was ook de enige man die Lenion weg van de koningin kon houden. En dus was het hier, in dit land, dat de koningin haar kind ter wereld bracht, op de vlucht en opgejaagd door iedereen die ze kende. Durf mij dus niet te vertellen dat u het zo goed voorheeft met het echte koningskind! U zou er geen moment over aarzelen om het uit de weg te ruimen om de troon voor uw bastaard veilig te stellen. En u denkt dat ik u zal vertellen wat er met dat kind is gebeurd nadat de koningin in de geboorte bleef? Ik denk het niet…” Met een ruk stond Griffith op en de Bethune greep hijgend naar zijn keel. “Ik zou u graag doden, maar ik weet dat uw bastaard het moeilijk zal krijgen om zonder u zijn eisen op de troon kracht bij te zetten. En toevallig mag ik die jongen wel ondanks de ouders die hij heeft. Ik kan de fouten die u heeft gemaakt niet meer herstellen, dus maak ik het Jean-Filip liever niet moeilijker dan hij het al heeft.” Griffith keek de Bethune vijandig aan: “Maar weet ook dat uw zoon intussen dit verhaal kent en er u voor altijd om zal haten. Hij heeft tenminste het eergevoel dat zowel bij u als de hertogin ontbrak.” De Bethune was wat hersteld van de schrik. Terwijl hij over zijn keel wreef, zei hij: “Je hebt het mis. Ik zoek dat kind niet omdat ik het kwaad zou willen doen. Het was de hertogin die de hele zaak in de doofpot wilde stoppen en dat kind dood wilde, maar ik niet. Zij wilde de koningstitel terug in haar familie en daarom mocht alleen haar zoon blijven leven. Begrijp me niet verkeerd: ik hou van Jean-Filip en heb het beste met hem voor, maar ik wil ook iets terugdoen voor dat andere kind. Ook ik heb van de Degrelle-zaak gehoord, alleen, het was maar achteraf dat ik begreep dat jij hem had gedood. Eerst begreep ik niet waarom, maar nadien kwam ik te weten dat dat hoertje Betsy hier op de burcht heeft gewerkt. Zij wist dat je op de Arendsburcht had geleefd… en dus Neyrelle en de koningin hebt gekend. Ik heb andere mensen opgezocht die voor Neyrelle hebben gewerkt en uiteindelijk heb ik er één gevonden aan wie Neyrelle over dat kind heeft verteld. En hetgeen Neyrelle had verteld was dat het kind een meisje was... Denk hier eens aan, Jago: ik kom terug uit Wails en kan een getuige meebrengen - eender wie - die in Lenion vertelt dat Neyrelle mijn vrouw niet heeft gedood, maar heeft ontvoerd in opdracht van De Nechoir. Iedereen in Lenion weet dat mijn vrouw zwanger was. Ik breng dan het koningskind mee naar huis en ik laat haar trouwen met Jean-Filip. Op die manier krijgt het meisje de positie die ze altijd heeft verdiend en men kan zich niet meer kanten tegen Jean-Filips eisen op de troon. Je hebt getoond dat je met beiden begaan bent, is dit niet het beste bewijs dat ook ik het beste voorheb met dat koningskind?” Griffith keek hem koel aan. “U geeft geen barst om het echte koningskind, u wil gewoon Jean-Filips positie stabiliseren!” “Is dat een bezwaar?” vroeg de Bethune. “Loop toch heen!” snauwde Griffith. “Denkt u werkelijk dat ik niet zie dat u staat te liegen? Ik heb jarenlang voor u gewerkt. Ik weet hoe u denkt. Nee, als u het koningskind wilt terugvinden, dan zal het maar om één reden zijn: het uit de weg ruimen zodat het nooit de troon kan opeisen.” “En wat als ik u garanties geef dat ik het niet zal doen? Wat als ik het kind laat leven en er gewoon voor zorg dat ze haar troon nooit kan opeisen?” “Door haar in een gevangenis te gooien? Ik denk het niet…” De Bethune trok zijn mantel recht: “Wat denk je nog te beschermen? We hebben het hier over een kind dat je in geen vijftien of twintig jaar nog hebt gezien en waaraan je niks verschuldigd bent. Is dit soms je laatste poging om me nog een hak te proberen zetten? Of denk je soms dat ze je op het laatste moment nog zullen komen bevrijden? Vergeet een miraculeuze ontsnappingspoging maar: de Welshe kroonprins heeft al je vriendjes gevangen laten zetten in het Arendsnest en ze zullen de bevolking niks kunnen vertellen vooraleer je bent terechtgesteld. Je bent reddeloos verloren. Niemand weet dat je hier bent, niemand zal je komen halen. Alleen ik kan je nog redden. Dus denk goed na eer je mij wegstuurt, want ik ben je laatste reddingslijn.” Griffith leek te aarzelen toen hij dat hoorde. Niet dat hij er ineens aan dacht om de Bethune te geven wat hij wilde. Wel omdat hij op zijn mannen had gerekend om hem te bevrijden. Dat betekende dat hij Catherina nooit meer zou terugzien. En dat hij zijn belofte aan haar niet kon nakomen. “U kunt m’n rug op! Ik ben u niks verplicht!” grauwde hij, “maar laat ik u toch nog één detail vertellen, voordat u doorgaat. Toen Neyrelle naar de Arendsburcht kwam, hield ze de identiteit van de koningin goed verborgen. Maar De Nechoir kwam er toch achter en wou het kind gebruiken om u klem te zetten. U weet dat De Nechoir nooit dat kind tegen u heeft uitgespeeld, dus kunt u wel denken dat er iets is tussengekomen dat dat heeft verhinderd.” “Wat?” “De dag dat de koningin stierf, stierf ook dat kind voor u.” Toen de Bethune terugkeerde op de burcht was hij woedend. Hij wenste dat hij die bastaardhond persoonlijk had kunnen afschieten, maar dat zou de Welshe kroonprins hem wellicht niet in dank hebben afgenomen. Hij wou zich net naar zijn kwartieren begeven, toen ineens dat meisje, die Montfort, op hem af kwam. Ze zag er nerveus uit, bijna alsof ze op het punt stond haar ziel aan de duivel te verkopen. “Wat is er?” zei de Bethune bits, want hij wist wat Catherina voor de zwarte man betekende. Ze sloeg de ogen neer. “Ik wil met u onderhandelen,” zei ze met een kleine stem en toen de Bethune haar spottend opzij wilde duwen: “Ik weet wat er met het koningskind is gebeurd toen Neyrelle uw vrouw hierheen bracht… ik zal het u zeggen, als u Griffith spaart…” 4. Griffith probeerde weer aan die oude historie te denken toen de Bethune met de staart tussen de benen de gevangenis had verlaten. De gevangenisbewakers haalden opgelucht adem nu de zwarte man eindelijk zweeg, maar toen de ijzige stilte bleef aanhouden, kroop ook dat weer niet in hun koude kleren. Griffith was nauwelijks met zijn gedachten bij zijn omgeving. Hij dacht aan de dag dat Neyrelle op de burcht was gekomen met een blonde vrouw. Hij was aan het werk geweest in de keuken en toen hij toevallig buitenkwam had hij hen zien aankomen. Hoe oud was hij toen geweest? Tien jaar? Niet meer dan een kind in ieder geval. Tot op dat ogenblik had hij in ieder geval nooit eerder een vrouw gezien met zoveel verdriet in haar ogen. Griffith raakte onverwacht met de koningin in contact toen ze op een dag op een bank bij de keuken zat. Omdat ze er zo verschrikkelijk breekbaar uitzag, had hij haar enkele koekjes aangeboden. Ze was bewogen geweest door zijn onwennigheid en ze waren beginnen praten. Neyrelle had al snel opgemerkt dat er een vriendschap was ontstaan tussen de koningin en het keukenhulpje. Neyrelle had daarna de koningin in vertrouwen genomen en haar verteld over Griffiths afkomst en de val van de burcht. Ze vertelde dat Griffith na zijn vlucht enkele jaren bij een kruidenvrouw op de heide had gewoond tot Neyrelle hem per toeval had ontmoet. (Toeval? De Witte Heks had hem verteld dat er geen toeval bestond.) Daarna had Neyrelle hem naar de burcht teruggebracht. De Nechoir had hem onmiddellijk herkend, maar liet er niks van uitschijnen. Blijkbaar had hij het amusant gevonden om Griffith als een ordinaire knecht op zijn burcht te laten werken. De koningin was verbaasd toen ze Griffiths verhaal aanhoorde. Daarna nam ze zich voor dat ze niet langer bang mocht zijn voor de Bethune en de hertogin. Als Griffith het lef had om naar zijn burcht terug te komen terwijl zijn ergste vijand er in woonde, dan zou zij terugkeren naar Lenion om haar plaats terug op te eisen. Ze zou echter wachten tot haar kind geboren was, om te voorkomen dat het iets zou overkomen. Toen de koningin naar de burcht was gekomen had Neyrelle aan Marcos De Nechoir verteld dat de koningin een arme vriendin uit Lenion was die na de dood van haar man wat steun zocht. De Nechoir begreep niettemin al snel dat zijn vrouw hem iets voorloog. Hij omringde de koningin met de nodige zorg en uiteindelijk achterhaalde hij haar echte identiteit. De Nechoir zag onmiddellijk de mogelijkheden als hij een kind van koninklijke bloede in zijn handen had en begon plannen te maken. Op dat ogenblik besefte Neyrelle dan ook dat de koningin niet meer in Wails kon blijven als ze haar kind veilig ter wereld wilde brengen. Dus probeerde de moedige vrouw een handelsschip te contacteren dat de koningin uit Wails kon wegbrengen. Het was echter moeilijk een Welshe kapitein te vinden die de koningin weg wilde brengen. De Nechoir had intussen alle handelsschepen in zijn oorlogsvloot ingelijfd en buitenlandse handelaars waren niet langer graag gezien. Neyrelle moest vertrouwen op het toeval en toen ze hoorde dat er een Lenioons handelsschip aan de zuidelijke kust lag, besloot ze haar kans te wagen. Ze maakte Griffith die nacht wakker en zei dat hij moest proberen de koningin naar de kust te brengen. Ze zou hen zelf te paard voorgaan om te proberen het Lenioonse schip tegen te houden en de kapitein te overhalen de koningin mee te nemen. Dus vertrok de kleine jongen met de hoogste vrouw van Lenion aan de hand uit de burcht. Ze wisten dat ze voorzichtig moesten zijn als ze niet wilden dat De Nechoir hun vlucht opmerkte, maar tegelijkertijd ook snel, omdat de kapitein van het Lenioonse schip elk moment zou kunnen vertrekken als Neyrelle te laat was. Griffith sloeg zijn armen om zijn hoofd terwijl hij dacht aan die dwaze, zinloze geschiedenis en hij probeerde zijn eigen waanzinnige bui te onderdrukken. Hij had tegen Catherina ooit eens gezegd dat ze moest weten waardoor het conflict tussen Lenion en Wails was begonnen. Het antwoord lag daar, bij die vrouw die hij toen bij de hand door de bossen had geleid. Nadat de Bethune en de hertogin te weten waren gekomen dat de koningin naar Wails was gevlucht, hadden ze haar uitlevering gevraagd aan De Nechoir. De Nechoir weigerde want hij wilde voordeel halen uit het koningskind. Daarop waren de Bethune en de hertogin begonnen met alles in het werk te zetten om De Nechoir uit het zadel te lichten. De Nechoir had des te furieuzer gereageerd... Het was nooit Wails dat zich met Lenion was beginnen bemoeien, het was Lenion dat Wails het eerst had aangevallen. Maar het kind waarvan De Nechoir had gehoopt gebruik te maken, glipte hem door de vingers. De hoogzwangere koningin vluchtte immers vlak voor de geboorte uit de burcht. Dwaze, zinloze geschiedenis... Toen De Nechoir hoorde dat de koningin samen met een onbekende knecht de burcht had verlaten, begreep De Nechoir natuurlijk onmiddellijk wat er aan de hand was en stuurde hij zijn soldaten achter hen aan. Bijna zouden ze ook in hun handen zijn gevallen want toen ze het strand eindelijk bereikten, begonnen plots de weeën van de koningin. Dus beviel de koningin daar van haar kind, in eenzelfde maanlandschap waarin een andere vrouw op een ander moment ook haar kind ter wereld zou brengen. Maar deze keer zaten de soldaten van De Nechoir haar op de hielen en deze keer waren er geen mannen om haar te beschermen. De bevalling was zwaar voor de vrouw en slechts nadat de koningin, Griffith keer op keer vertelde dat het hopeloos was en dat hij haar achter moest laten, ging hij noodgedwongen alleen verder. Met het kind dat hij had zien geboren worden in zijn armen. Het toeval wilde dat niet alleen de soldaten, maar ook de zeelui van het Lenioonse schip er op uit waren getrokken om de koningin te vinden. Neyrelle was in zeven haasten vooruit gereden en had het Lenioonse schip kunnen bereiken voor het kon afvaren. Neyrelle smeekte de kapitein - een man die Guillaume Montfort heette - een zwangere vrouw mee te nemen wiens leven door De Nechoir werd bedreigd. Elke andere kapitein zou te bang zijn geweest zich te mengen in De Nechoirs zaken. Kapitein Montfort kon een zwangere vrouw echter niet aan haar lot overlaten. Dus trok hij met een aantal van zijn mannen er op uit om de vluchtelinge te vinden. Ze schuimden het strand af en door een ongelooflijk toeval stootten ze op de jongen die de vrouw had geëscorteerd. Hij vertelde hen huilend dat De Nechoirs soldaten de vrouw zeker zouden vermoorden als ze haar alleen zouden vinden. Dus repten de zeelui zich naar de plaats waar de jongen de koningin had achtergelaten. Ze waren nog net op tijd om te voorkomen dat de soldaten de verzwakte vrouw optilden en haar over een paard legden. De zeelui en de soldaten vochten verbeten met elkaar zonder echt te weten wat hen bezielde. Na een lang gevecht gaven de soldaten het eindelijk op en lieten ze de vrouw achter in de handen van de zeelui. De koningin zou die overwinning niet lang overleven. Nauwelijks was Griffith naast haar neer komen knielen of eindelijk gaf ze toe aan haar vermoeidheid. ‘Beloof me dat je voor haar zult zorgen,’ had de koningin nog tegen hem gezegd, en toen was ze stilletjes gestorven - zinloos, verlaten van iedereen, liefhebbend. En Griffith, zelf een kind, maar dan een kind zonder verleden, stand of relaties, had haar beloofd dat hij alles zou doen om voor die pasgeborene te zorgen. Want wat kon hij ook anders? Wat kon hij anders dan een kind dat alles was afgenomen - een familie, een naam, een land - wat kon hij anders dan van een kind dat op zovele vlakken hetzelfde dreigde te overkomen als hemzelf, lief te hebben? Dus had hij geprobeerd haar alles te geven wat hij zelf had verloren. Hij vroeg Montfort om haar mee te nemen, en de kapitein wiens zwangere vrouw tijdens de overtocht was bezweken aan een miskraam, had het gedaan. Griffith gaf het kind een naam: Catherina. Hij had een plan opgevat om haar te doen trouwen met de bastaard die in haar plaats op de troon zou komen. Hij had Jean-Filip zo opgevoed dat de jongen niet anders kon dan verliefd op haar worden. Hij had er voor gezorgd dat Lenion stabiel genoeg bleef tot hij de Bethune en de hertogin kon uitschakelen. Tegelijk had hij alles in het werk gesteld om er voor te zorgen dat Catherina veilig verborgen bleef voor de hertogin en de Bethune. Hij had bergen moeten verzetten om al die dingen gedaan te krijgen, maar hij had ook onmiddellijk een goede start genomen. Want vanaf het begin had hij al bondgenoten kunnen vinden in Neyrelle en Montfort. En alles wat hij voor Catherina had gedaan, had hij ook voor zichzelf gedaan, want met Catherina’s naam en geluk waren ook de zijne terugkomen… Catherina en Wails waren nooit twee afgescheiden dingen geweest. Catherina was op Welshe bodem geboren… Het was een tijd stil geweest in de donkere cel. Nu barstte de zwarte man uit in een waanzinnig gelach, denkend hoe dwaas en zinloos alles was geweest. En dan herinnerde hij zich ook dat hij ooit had gezegd tegen Catherina dat hij had gevochten voor een verloren zaak… En dan huilde hij. Omdat hij ging sterven. 5. Hij hief zijn hand voor zijn ogen toen ze de deur van zijn cel openden. Het licht van een lantaarn verblindde hem. “Ga weg,” riep Griffith, “ik heb gezegd dat ik het niet ging vertellen!” Dan zag hij pas dat het een soldaat was. Dat verbaasde hem omdat ze anders nooit binnenkwamen, zelfs niet als ze hem eten brachten. De soldaat hurkte bij hem neer en nam zijn pols vast. “Hé...” Met zijn sleutel maakte de soldaat de ketting los. Griffith fronste de wenkbrauwen. Als ze hem uit zijn cel haalden in het holst van de nacht kon dat slechts één ding betekenen…. Hij trok zijn arm uit de greep van de soldaat en stond langzaam op. Het betekende dat ze niet langer wilden wachten met het voltrekken van het vonnis. Hij wreef over zijn polsen toen de soldaat hem uit de kerker porde. “Het is al goed,” bromde Griffith en hij liep de kerker uit. De soldaat bracht hem naar buiten en liet hem wachten naast de ingang van de gevangenis. Een viertal soldaten hielden dreigend hun geweren op hem gericht terwijl de soldaat iemand ging halen. Griffith sloeg de armen over elkaar en wierp even zuur een blik op de muur achter hem. Kogelgaten... Het zou tenminste snel gaan. En dan zou Catherina gelukkig het wachten bespaard worden... Het werd hem koud om het hart. Griffith zag iemand op hem af komen. De Bethune. Hij vroeg zich af of hij genoeg tijd zou krijgen hem neer te slaan vooraleer de soldaten ingrepen... Niet genoeg vreesde hij. Hij wachtte. De Bethune keek hem uitdagend aan. Griffith snoof en klemde de tanden op elkaar. De twee mannen stonden nu voor elkaar. Er lag haat in hun houding. Tenslotte sprak de Bethune: “Dit zal de laatste keer zijn dat ik je zie, hoop ik. Ik laat je gaan... Je bent vrij...” Griffith knipperde met de ogen en hoewel hij zich had voorgenomen hem geen woord te gunnen, bracht hij toch uit: “Wat?” De Bethune lachte spottend. “Je hebt me goed verstaan... Er zal geen executie gebeuren. Aan het publiek zal worden verteld dat je ontsnapt bent, hetgeen er op neerkomt dat je zal worden vervolgd.” Griffith keek hem nog steeds niet begrijpend aan. “Dit is geen val?” vroeg hij tegen beter weten in. De Bethune keek hem vanuit de hoogte aan. “Geloof je me nog steeds niet?” Griffith liet zijn tanden zien. “Mijn vertrouwen is al eerder geschonden... Zal je me niet in de rug neerschieten en ‘zeggen aan het volk’ dat ik tijdens mijn vluchtpoging neergeschoten ben? Ik zou me over minder niet verwonderen...” “Tsk... Zo slecht van vertrouwen. Wat is er, Griffith Jago, herken je geen goede intentie wanneer je er een ziet?” “Ik denk dat ik veel zie, behalve dat... Wat gebeurt er eens ik hier weg ben?” “Aangezien de Welshe kroonprins je niet graag op vrije voeten ziet, zal hij je laten opjagen natuurlijk. Je zult terug een banneling worden zoals je dat altijd bent geweest... Maar je hebt een redelijke kans om het er toch levend van af te brengen. Je bent graag gezien in dit land, dat geef ik je na. Heel wat mensen zullen je beslist wel willen helpen. En als je je koest houdt in het buitenland zal er misschien geen enkele mensenjager je op het spoor komen. Ga nu. Emilio De Nechoir en mijn zoon staan te wachten met je paard. Ze willen je nog een laatste keer naar je vrouw brengen.” …Catherina… Griffith keek op. Het was het enige dat zijn kille gezicht even kon beroeren op dat ogenblik. Toen zag hij dat zijn broer en Jean-Filip er inderdaad waren. Hij zag Emilio op hem af komen, terwijl de prins wat achteraf bleef staan bij hun paarden. Griffith keek de koning nog tersluiks aan. “Bent u niet bang dat ik terug zal komen om u te doden?” De Bethune keek hem onverstoorbaar aan. “Ik denk dat je wel beter weet...,” maar hij verklaarde niet waarom. Emilio groette zijn broer met een zwijgzame blik op de Bethune. “Neem hem maar mee,” zei de koning schamper. Griffith gromde, maar hij wist dat hij de beledigingen over zijn kant moest laten gaan. Emilio nam zacht zijn arm vast alsof hij bang was dat Griffith zich zou bedenken en zich toch nog op de Bethune zou werpen. Griffith was inderdaad nog niet klaar met de Bethune. “Ik heb een laatste vraag,” klonk het, “waarom doet u dit? Ik heb u ook niet de informatie gegeven die u vroeg en u hebt mij gezworen dat ik mijn geheim dan maar mee in mijn graf moest nemen. Vanwaar die ommekeer? Hebt u ineens een hart gekregen?” De Bethune gaf geen krimp. “Let op met uw sarcasme. Ik zou elke reden durven aangrijpen om u terug die gevangenis in te laten gooien. Ik laat u niet gaan omdat ik u ineens zo sympathiek vind.” Emilio maakte een onrustige beweging en de Bethunes uitdrukking werd toen duivels. “Uw juffrouwtje is naar me toe gekomen.” “Catherina?!” Emilio greep zijn broer vast. De Bethune glimlachte breed. “En we zijn tot een overeenkomst gekomen...” Griffith trok bleek weg. “Ja,” zei de Bethune sissend, “ze heeft me verteld wie de koningsdochter is in ruil voor uw ontsnapping. En om te garanderen dat ze Jean-Filips kroon nooit zal kunnen afnemen, heeft ze beloofd om met hem te trouwen. Daarmee begrijpt u ook onmiddellijk waarom ik er zeker van ben dat u niet voor mij zal terugkeren. Als ik ook maar één keer van u hoor, zal haar kind en het uwe eraan gaan. En daarna zij.” Griffith gaf een woeste kreet en stortte zich op de koning. Als Emilio hem niet had vastgehouden en de soldaten niet waren tussengekomen, had hij hem zeker vermoord. “Laat me los! Laat me los!” schreeuwde Griffith met overslaande stem terwijl hij rukte en sleurde. “Ik wil die schoft dood!” De Bethune lachte hatelijk. Maar Emilio liet Griffith niet los tot hij uitgeraasd was. “Je kan niks doen,” fluisterde Emilio in zijn oor. “Zij heeft ervoor gezorgd… Als jij was gestorven, zou Jean-Filip haar toch hebben gehuwd om haar te beschermen.” “Dat zwijn daar zal haar doden zodra hij kan...,” huilde Griffith. “Ik weet het,” zei Emilio gebroken, “maar ze wilde je niet zien sterven.” Griffith gaf een rauwe kreet en viel verslagen op zijn knieën. Ze mocht zich niet voor hem opofferen, niet voor hem... Emilio kuste zijn haren. “Het is in orde,” suste hij, “het is in orde...” Emilio trok Griffith recht. Het was alsof hij een gebroken ledenpop in beweging probeerde te zetten. Slecht met moeite kon hij hem doen opstijgen. Griffith lag dubbel geplooid over de paardennek. Emilio en Jean-Filip keken elkaar aan. Er was niks dat ze nu nog konden verhelpen aan de zaak. Catherina had de beslissing voor hen genomen en ze zouden allemaal met de gevolgen moeten leren leven. Emilio nam de teugels van Griffiths paard en leidde het voorzichtig weg. De Bethune deed niet eens de moeite om hen na te kijken. Ze keerden de gevangenis de rug toe alsof ze de blik ervan niet meer konden verdragen en reden in de richting van de heuvels. 6. Catherina stond angstig te wachten op de heuvel. Toen ze de drie ruiters zag, was ze enerzijds opgelucht en anderzijds doodongelukkig. De Bethune had blijkbaar woord gehouden. Hij had evengoed Griffith kunnen laten creperen en haar laten opsluiten. Hij zou geweten hebben wie Montforts dochter was en het zou niks hebben uitgemaakt voor de zwarte man. Het had erger gekund, dacht ze wrang, hoewel misschien niet veel erger… De drie ruiters stopten vlak bij haar. Ze probeerde in te schatten hoe Griffith het nieuws had opgenomen en keek hem stil aan. Ze zag onmiddellijk dat de bittere trek om zijn mond harder was dan ooit. Hij zat ook niet recht of natuurlijk op zijn paard, maar verkrampt, alsof hij vocht om zijn beheersing niet te verliezen. Ze wist dan dat hij het nieuws zeker niet goed had opgenomen. Emilio aarzelde even om zijn broer aan te spreken. “Griffith…” Griffith probeerde Emilios naam uit te spreken, maar het was niet meer dan een hees gefluister. Emilio zag Griffith met grote ogen naar Catherina kijken alsof hij ter plekke krankzinnig zou worden. Emilio legde zijn hand op Griffiths schouder. Ze hadden daarnet al afscheid genomen, dus wilde Emilio, Griffith de kans geven nog even alleen te zijn met Catherina. Emilio hoorde Griffiths tanden knarsen. Hij gebaarde Jean-Filip dat ze beter doorgingen. Een minuut later was het hoefgetrappel in de verte verdwenen. Griffith zat als versteend op zijn paard. Hij zag eruit alsof hij van misselijkheid naar beneden zou vallen, maar wonderwel bleef hij toch in het zadel zitten. Catherina wenste dat hij zou afstijgen, maar ze durfde niks te zeggen. “Wat zal er gebeuren?” zei Griffith tenslotte. Catherina sloeg de ogen neer en legde haar hand op de teugels van zijn paard. “De Bethune zal me meenemen naar Lenion. Hij wil dat ik zo snel mogelijk met Jean-Filip trouw…” “O goden.” Griffiths lichaam gaf een knik, bijna alsof hij ging instorten, maar dan kwam hij met een zwaai naar beneden. “Ik veronderstel… dat de gevangenisbewakers straks alarm slaan?” Catherina knikte, zonder hem aan te kijken. “Je hebt een paar uur. Dan gaat kroonprins Edward zijn soldaten op je afsturen…” “Nee, mensenjagers,” zei Griffith stil, “De Nechoirs merkteken… De kroonprins zal mensenjagers gebruiken…” “Ons kind…,” begon Catherina dan, maar ze wist niet hoe ze verder moest gaan. Griffith balde zijn vuisten. “Zal de Bethune het doden als je niet terugkeert naar de burcht?” Catherina knikte. Het was de enige reden waarom ze niet hier en nu met hem kon vertrekken. Hij keerde zijn gezicht langzaam af. Catherina zag er krijtwit uit. “Ik ben zo moe,” zei hij, “ik wil niet meer vluchten…” “Griffith…” “Na al die jaren weet ik gewoonweg niet meer wat ik wilde bereiken. Het zou gemakkelijker zijn om neer te gaan liggen en te sterven.” “Als jij sterft, sterf ik ook,” zei Catherina zacht. Hij keek haar gekwetst aan. “Zijn we dan al niet dood?” Ze probeerde niet te huilen. Het zou een tocht door de hel en terug worden als Griffith erin slaagde het land uit te raken. De kroonprins zou hem blijven najagen als hij niet onderdook en ook de Bethune zou proberen hem uit de buurt van Lenion te houden. Er waren meer mensen mee gediend dat hij voor eeuwig het zwijgen werd opgelegd dan dat hij de kans zou krijgen een nieuw bestaan op te bouwen. Op een moment als dit was het zelfs nog gemakkelijker geweest om De Nechoir te laten winnen. “Ik had kunnen weten dat er nooit een einde aan zou komen,” mompelde hij, “er bestaat niet zoiets als een goede afloop.” “Er is nog steeds hoop,” zei Catherina zacht. Hij probeerde hard zichzelf in de hand te houden, maar zijn stem knakte toch. “Voor wat? Dat we elkaar terug zullen zien? Jij, dochter van een koningin, hoe denk je dat een banneling nog ooit terug geraakt naar Lenion?” “Ik zal je laten vinden.” “Voordat er anderen zijn die me vinden? Ik zal al lang dood zijn voordat dat gebeurt.” “Wees sterk, Griffith,” zei ze zacht, “niet sterven.” “Waarvoor,” zei hij, “vertel me in godsnaam waarvoor?” “Je hebt altijd weten te overleven,” zei ze stil, “je bent een sterk man.” “Niet zo, Catherina, niet zonder jou. Mijn hele leven lang kon het me niet schelen wat er met me gebeurde, zolang ik wist dat je veilig was. En nu ben je overgeleverd aan de grillen van die moordenaar en moet je trouwen met een man waar je niet van houdt.” “Ik hou van Jean-Filip,” zei ze stil. “Hij is ook de reden waarom ze je wilden doden,” zei hij resoluut. “Dat weet hij,” antwoordde Catherina, “en bovendien: is dit niet wat je altijd hebt gewild?” “Ik wou je niet forceren in een ongelukkig huwelijk!” “Nee, maar het maakt niet meer uit. Hij trouwt enkel met me om me te beschermen tegen zijn vader.” “Catherina, hoe kan ik leven als ik weet dat je ongelukkig bent?” zei hij wanhopig. “Ik ben vele dagen ongelukkig geweest voordat je kwam, Griffith Woolf, en toch wist je te overleven.” “Omdat ik wist dat je veilig zou zijn.” Ze perste haar lippen samen. “Maak het toch niet zo moeilijk, m’n liefste,” zei ze. Hij stond op het punt in tranen uit te barsten. “Wat met onze dromen, Catherina? De kinderen die we zouden krijgen, het huisje dat we zouden bouwen? We zouden gelukkig worden!” “Doe dit niet, Griffith…” “De Nechoir nam me mijn leven af. Hij bezat mijn hoop, mijn angst, mijn toekomst tot jij me die teruggaf. Het is wreed om te moeten verliezen wat je je net begint te herinneren.” “Je hebt altijd zoveel voor me gedaan, Griffith. Dit was de enige keer dat ik je kon terugbetalen.” “Nee! Niet door je te koop aan te bieden!” “Had ik een andere keus?” “Er is altijd een andere keus,” riep hij uit, “had me laten sterven en had de Bethune met zijn hele satanskraam naar de pomp laten lopen!” Hij stortte neer op zijn knieën. “Waarom? Waarom?” huilde hij. Hij greep haar bij haar middel en begroef zijn gezicht in haar kleren. Ze begon ook te huilen. “Wat had ik moeten doen, m’n liefste,” zei ze, “ik hou van je.” Hij begon hartverscheurend te huilen en hij liet haar niet meer los. Geen van beiden zei nog iets. Ze zakte door haar knieën en hield zijn schokkend hoofd in haar armen. Pas na een hele tijd bedaarde hij. Hij lag uitgeblust in haar armen en staarde met lege ogen voor zich uit. Catherina veegde een traan van haar gezicht. Ze voelde zich alsof ze nooit meer iets zou voelen. “Ik hou van je,” fluisterde hij. Ze kneep opstandig haar ogen dicht. Het was de eerste en enige keer dat ze het hem had horen zeggen. “Mijn donkere Raul. Mijn liefste… Mijn ziel…” Ze klemde hem in haar armen alsof hij haar eigen leven was. “O hemel…” “Als we alleen de kans maar hadden gekregen,” zei hij, “hoe dierbaar zou alle ellende dan geweest zijn…” Ze huilde. “Niet sterven.” “Ik heb zoveel van je gehouden…” “Niet sterven.” “Heel je leven lang, altijd.” “Liefste?” “Altijd.” “Altijd…” Plots klonk er hoefgetrappel. Eeuwig vermoeid keek Griffith op. Het was Jean-Filip. Hij kwam Catherina halen. “Je moet gaan,” mompelde hij. “Ik weet het,” zei ze. Dan bewoog ze. Jean-Filip stopte naast hen en Catherina keek even om naar Griffith. “Ga,” zei hij en terwijl Jean-Filip haar op zijn paard hielp, steeg ook Griffith op. Toen ze goed zat, keek Jean-Filip naar Griffith om. “Er zit goud, eten en wat kleren in de zadeltassen,” zei hij aarzelend. “Ik weet het,” zei Griffith, “bedankt.” Jean-Filip wist even niet wat zeggen. “Zal ik je ooit terugzien?” vroeg hij dan. Griffith maakt een grimas. In heel zijn leven had Jean-Filip de voormalige raadgever van zijn moeder nooit zoveel emotie zien tonen. “Als onze selecte kennissenkring misschien wat is uitgedund.” Jean-Filip deed er het zwijgen toe. Dan manoeuvreerde Griffith zijn paard naast Catherina en strekte zijn hand naar haar uit. Ze nam hem vast en hij gaf haar die donkere blik die zo kenmerkend voor hem was. “Denk aan ons kind,” zei hij, “aan wat het liefheeft.” Ze knikte en dan liet hij haar los. Hij keerde zijn paard en met een laatste blik op haar gaf hij het de sporen... Epiloog Ramirez De Nechoir stond voor een raam naar de regen te kijken. Hij was niet langer de kleine jongen die iedereen had gekend, maar een volwassen en ernstige man. Net als zijn broer had hij iets zuiders over zich en sommigen fluisterden zelfs dat hij erg op Marcos De Nechoir leek. Ramirez stoorde zich niet echt aan die vergelijking. Hij leek beter op iemand waar mensen schrik van hadden, dan iemand die vergeten was. De regen werd feller en Ramirez zuchtte. Het was nu al een maand grauw weer. De regen sloeg in vlagen over het kleine kasteel heen en herinnerde de bewoners eraan dat de winter nog bijtender zou worden. In Wails was er in geen jaren nog een goede zomer geweest. Ramirez had nooit anders geweten dan dat de seizoenen grauw en kil waren. Het was een tweede natuur van het land geworden en misschien ook van het volk. Wellicht was niemand nog wat hij ooit was geweest in dit land. Zelfs Ramirez had een vage herinnering dat het ooit beter was geweest. Hij ging in de zetel tegenover Emilio zitten. “Waar denk je aan, Emilio?” vroeg Ramirez aan zijn broer. Emilio zat afwezig in het haardvuur te kijken. Hij zuchtte en antwoordde: “Aan vroegere tijden…” Ramirez schudde het hoofd. “Je zou daar beter niet te veel aan denken, Emilio. We hebben allemaal moeten leren leven met de littekens uit die tijd.” Emilio streek nadenkend over zijn baard. Misschien was dat wel zo, maar sommige wonden waren te traag geheeld om niet meer te kunnen voelen. Ramirez schonk zich een glas wijn uit en nam zijn broer vanuit zijn ooghoeken op. Een van de dingen die was veranderd, was wellicht Emilio. Ramirez herinnerde zich een andere Emilio, van voor de val van de burcht, die niet zo bitter was geweest. Emilio was daarvoor een speels man geweest, maar na alles dat gebeurd was, was hij meer en meer teruggetrokken geworden. Ramirez was indertijd natuurlijk te jong geweest om te beseffen wat er allemaal aan de hand was, maar het gedrag van zijn broer was altijd de sterkste indicatie geweest van de verschrikking van die tijd. Ramirez beheerde hun landerijen nu al sinds enkele jaren. Emilio had nooit veel interesse getoond voor hun gronden en had de grafelijke titel zonder veel amok aan zijn jongere broer overgelaten. Belangrijk was die titel wellicht toch niet. Veel van de bezittingen en privileges van de oude Woolfs waren in andere handen overgegaan en met de vernieling van de Arendsburcht hadden ze zelfs het prestige van hun overgebleven landen verloren. Ramirez herinnerde zich nog levendig de dag dat de Arendsburcht in vlammen op was gegaan. Dat moest de dag zijn geweest na de bekendmaking van de dood van de Schaduwloper. Een meute was op de burcht toegestormd en had alles in lichterlaaie gezet. Hoewel er veel van de burcht intact was gebleven, had Emilio er indertijd voor gekozen om ze niet meer te herstellen. Nu werden de stenen van de burcht gebruikt om huizen mee te bouwen en stond de gehavende burcht verlaten op haar eenzame hoogte. Ramirez moest denken aan dat oude gezegde: dat als de burcht zou vallen, het land zou vallen. Die voorspelling was blijkbaar gedeeltelijk uitgekomen want Wails was na de dood van de Schaduwloper nog meer in verval geraakt. De toenmalige Welshe kroonprins had met de veroordeling van de Schaduwloper een paar van de machtigste edelen aan zijn kant kunnen brengen, maar het volk had hem zijn verraad bijzonder kwalijk genomen en zich tegen hem gekeerd. Sindsdien was de kwestie over de troonsopvolging alleen maar erger geworden. De kroonprins kreeg zijn troon wel, maar hij slaagde er niet in om het land goed te besturen. Vooral het feit dat hij de wederinvoering van het Hooghuis tegenwerkte lag bij nogal veel mensen zwaar op de maag. Ramirez veronderstelde dat de Welshe koning bijgevolg vroeg of laat wel afgezet zou worden. Het rommelde bovendien ook grondig tussen degenen die De Nechoirs handelspraktijken verder wilden zetten ten koste van de bevolking en zij die voor de hervorming van de economie waren. De wrijvingen leidden voortdurend tot hevige confrontaties die soms ontaarden in regelrechte bloedbaden. Zoals Ramirez het zag zou het niet lang meer duren voor een eerste burgeroorlog zou losbarsten, en dan een tweede, en een derde, en een vierde… De Schaduwloper was verdwenen nu. Na zijn ontsnapping had de kroonprins alles op alles gezet om te voorkomen dat hij het buitenland kon bereiken. Mensenjagers hadden de jacht op de Schaduwloper geopend en hadden hem vlak voor de grens ingehaald. De mensenjagers hadden het afgesneden hoofd van de Schaduwloper naar de nieuwbakken koning gebracht die het op zijn beurt had laten zien aan zijn hele hofhouding. Hoewel het Ramirez speet dat de Schaduwloper dood was, wist hij dat zijn erfenis niet helemaal verloren was gegaan. Catherina had het Welshe erfgoed naar Lenion gebracht en dacht er aan om van Lenion een verlichte monarchie te maken. Het was een monument ter nagedachtenis van het geslacht dat die ideeën steeds had verdedigd. Voor de rest was er niks overgebleven van wat er tussen de zwarte man en de huidige koningin van Lenion was geweest. Nadat ze elkaar een laatste keer hadden gezien, was hij alleen vertrokken en was zij teruggekeerd naar de Arendsburcht. De enige reden waarom ze niet met hem mee was gegaan, was omdat de Bethune het huisje van de Witte Heks had laten bewaken waar Griffiths en Catherina’s kind sliep. De volgende dag bleek dat de Bethune nooit van plan was geweest zich te houden aan zijn deel van de overeenkomst. Hij had het huisje laten afbranden en zowel de Witte Heks als het kind waren omgekomen. Zijn zoon zou niet met een ongetrouwde moeder huwen had de Bethune eens cru gezegd… Na de vernieling van het Arendsnest was Catherina met Jean-Filip naar Lenion teruggekeerd en was ze met hem getrouwd. Toen de Bethune was gestorven, volgde Jean-Filip hem op, maar hij zou nooit lang koning blijven. Een tijd terug was de jonge koning omgekomen tijdens een jammerlijk ongeval. Een ironisch toeval als je bedacht hoeveel bloed zijn ouders hadden vergoten om hem die titel te geven. Catherina was hem nu opgevolgd en toonde zich een waardige koningin van Lenion. Ramirez had er alle vertrouwen in dat ze haar land zou voorleiden in een periode van welvaart en vrede. Ramirez stond terug op uit zijn zetel en ging opnieuw voor het raam staan. Hij herinnerde zich nog de zwarte man met de donkere ogen. Hij bedacht hoe sterk hij had geleken, zo zelfverzekerd en kalm. Ramirez had een herinnering van hem zoals hij op een heuvel stond uit te kijken over zijn land. Zijn land, dacht Ramirez met nadruk, want de Wolven waren altijd het land geweest en het land de Wolven. En terwijl hij daaraan dacht, kwam er iets anders in beeld. Ramirez zag de zwarte man in zijn herinnering omkijken, niet naar hem maar naar de blonde vrouw die Ramirez aan de hand hield. Hij glimlachte haar toe op die zeldzame warme manier die Ramirez daarna nooit meer had gezien. En zij had terug geglimlacht en was naast hem komen staan terwijl hij zijn arm om haar heen sloeg. Ramirez kon zich op dat ogenblik niet meer herinneren of het echt gebeurd was of dat hij het zich slechts had ingebeeld. Hij keerde zich om en schudde het hoofd. Het was allemaal lang geleden, dacht hij, en niks was zoals het had geleken... Van dezelfde auteur Zie ook http://www.wmcaers.com De ogen van de Wolf Beschikbaar als paperback en als e-boek De ogen van de Moeder Beschikbaar als e-boek De Negende Cirkel Verkrijgbaar als e-boek