De gordelier (heruitgave december 2012) Tweede plaats thema (nr. 15) wedstrijd Pure Fantasy, 2012, genre Fantasy Door: Terrence lauerhohn ISBN 9781476203805 Cover by: Peter Scheefhals Copyright 2012, Terrence Lauerhohn Smashwords Edition, License Notes This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of these authors. “Brantans Kermis van Onbegrepen Wonderen en Curieuze Creaturen”, stond in kleurige letters op het grote bord boven de houten poort geschilderd. Merdul schatte zijn kansen hier hoog. Het publiek was voltallig toegestroomd om de eigenaardigheden van het reizende theater met eigen ogen te kunnen zien. De vreemde attracties leidden die ogen meer dan voldoende af van de beurzen die aan de riemen hingen. Zijn scherpe mes werkte goed samen met zijn vaardige vingers en Merdul verloste menig bezoeker van het extra gewicht. Reeds drie leren buidels vol munten waren diep in zijn kleding verstopt. Bij de enkeling waar hij iets te fanatiek te werk ging en die hem daarop achterdochtig aankeek, toonde hij een meest beminnelijke glimlach. Merduls blauwe ogen, lichtblonde haar en zuivere, symmetrische gelaatstrekken waren betrouwbare wapens en hij maakte er goed gebruik van. Een innemende blik, met een excuserend gebaar was altijd genoeg om de ontluikende argwaan bij zijn slachtoffers weg te nemen als zij hem ervan verdachten hun beurzen af te willen pakken. De buit haalde hij daarna alsnog probleemloos binnen. Merdul zocht naar een volgende prooi in de “kudde” toen de menigte plots massaal in beweging kwam, aangetrokken door heldere klanken. Hij liep hen achterna, naar een tent aan de rand van het kermisterrein. De melodieuze tonen die daaruit klonken, lokten de mensen als waren ze betoverd. Ook Merdul verlangde te horen en wilde niets meer dan luisteren en zien wie of wat die klanken voortbracht. Een spandoek boven de tent vermeldde dat Krong en zijn luit, een gorde om precies te zijn, wijd en zijd bekend waren en al vele hofhoudingen en heersers hadden bekoord. Meer lui dan de tent toeliet wachtten reeds nerveus en dringend voor de gesloten voorhang. De eerste tekenen die wezen op het opengaan van het tentdoek wakkerden het gedrang extra aan. Het velum werd op palen omhoog gezet. Direct deed iedereen zijn of haar uiterste best om vooraan te komen staan. Merdul bereikte, duwend en trekkend, de ingang sneller dan anderen. Eerst werd hem echter gevraagd vier zilveren munten af te staan, voordat hij mocht doorlopen. Hij stond versteld van de vrijwilligheid waarmee iedereen, zelfs hij, de enorme toegangsprijs betaalde en vermoedde steeds meer dat magie de muziek, geheel of gedeeltelijk, zo onweerstaanbaar maakte. Merduls interesse in de beloofde voorstelling groeide hierdoor. Een kleed werd voor hem opengehouden. De luisterrijke compositie trok hem harder aan. Binnen was het schemerig verlicht door een drietal kolossale kandelaars met druipende kaarsen. Rond een podium in het midden van de tent hing een zwaar gordijn. Daarachter klonken de tonen, helder als bergkristal, zelfs al waren ze nog weggemoffeld door de stof en was het spel slechts een simpel intro. Een bevallig meisje vroeg Merdul plaats te nemen op één van de bankjes rond het podium. ‘Krong wenst eerst dat iedereen rustig zit, zodat hij geconcentreerd kan blijven. Wees alstublieft stil zo gauw het doek opengaat.’ Ze legde een welgevormd vingertje over haar volle lippen en liep door naar zijn buurman, waar ze hetzelfde riedeltje herhaalde. Het meisje wachtte tot het geroezemoes verstilde voordat ze de helft van de kaarsen snoot. Een ander deerntje trok aan een koord en het doek rolde spannend traag op. Eerst zag Merdul schoenen, daarna broekspijpen langs de poten van een laag krukje, gevolgd door de onderkant van een jasje, een klankkast op een schoot en eindelijk de persoon en het instrument in zijn geheel. Krong bleek een erg knappe man. De gorde was lelijk en plomp, maar de muziek… Merdul werd weggevoerd, gewillig ontvoerd, en dreef naar een paradijselijk oord, op tonen die als vloeibare opalen door zijn geest meanderden. Krong liet zijn vingers soepel als zijde over de snaren van de luit glijden. Zijn andere hand dreef een verschuifbare hendel aan waarmee, zonder enige verstoring of onbedoelde wisselingen, een ritme getokkeld werd. De melodie was kristalzuiver, zwol aan waar nodig en verzachtte waar gewenst. Het tempo zweepte op, om dan meteen weer een melancholie los te maken bij de stille toehoorders op de bankjes. Na ieder instrumentaal lied klaterde het zilver voor de gordelier op de grond. Merdul wist zich ook niet in te houden en wierp de laatste munten uit de tweede door hem gestolen beurs op het podium. Ineens besefte hij wat hij aan het doen was. Bang om al zijn geld heel graag weg te willen geven en zo Krong aan te sporen door te blijven spelen, dwong hij zich uit de stoel. Met vingers in zijn oren verliet hij de tent. Nog enigszins verward en terugverlangend naar de melodieën uit de luit wachtte Merdul, nu met watjes in de oren, achter de tent tot Krongs optreden voorbij was. Een tiental zinnenprikkelende en nerveuze jonge meisjes wachtten met hem, giechelend en elkaar geheimpjes toefluisterend. Zelfs de watten hielpen niet tegen het gegil toen de gordelier uitgespeeld was en naar buiten kwam. Bevallig en onverzettelijk fladderden de deerntjes als naar honing hongerende vlinders om de muzikant en plukten zenuwachtig aan zijn gespierde lijf. Merdul wist dat Krongs aantrekkelijkheid vooral te danken was aan de status die de gorde hem gaf, alhoewel het ook in diens voordeel was dat de man niet alleen razend knap was in zijn spèl. Bij elkaar opgeteld waren die twee kenmerken een rappe weg naar succes en rijkdom. Merdul vouwde verwachtingsvol en met goede hoop in gedachten zijn handen en wreef ze tegen elkaar: één van die eigenschappen bezat hij al. Krong hield de gorde boven zijn hoofd en stelde de lofuitingen van zijn bewonderaars duidelijk niet op prijs. Hij bleef echter hoffelijk en was voorzichtig met zijn afwijzingen. Merdul beschouwde, wat Krong als last zag, juist als een bijkomend voordeel naast het zilver dat het bespelen van het instrument opbracht. Het motiveerde hem om meteen op zijn doel af te gaan. Hij stond op en verwijderde de watjes uit zijn oren. Met beleid trok hij het ene na het andere meisje weg en verzocht hen vriendelijk, maar beslist te vertrekken. De muzikant was hem erkentelijk en vroeg met een opgeluchte glimlach: ‘Kan ik u bedanken met een glas wijn?’ Krong sprak met een heldere, volle stem en bekeek de luit van onder tot boven. Merdul ging zonder aarzelen op de uitnodiging in. ‘Ik hoop dat ze uw mooie instrument geen schade hebben toegebracht?’ Hij keek mee of er geen hout gebarsten of lak gekrast was. ‘Alles is in orde, gelukkig. Kom, de wijn wacht. Uw naam, als ik zo brutaal mag zijn?’ ‘Nee, het is mijn onbeschoftheid. Merdul, aangenaam.’ Hij legde zijn rechterhand in Krongs potige knuist. ‘En, ik moet bekennen, het is geen toeval dat ik hier zat. U bent een groot musicus en ik een gewaardeerd impresario.’ Merdul dwong zijn gelaat in een verlegen plooi. ‘U maakt mij nieuwsgierig.’ Krong wees om zich heen. ‘Deze kermis is mij te beperkt geworden. Ik ben toe aan een wijder publiek.’ Een paar seconden bleef hij stil en tuurde in Merduls ogen. ‘U komt als geroepen.’ Dat was een antwoord dat Merdul beviel. ‘U kunt beter niet te gulzig drinken. De wijn is oud en vol, niet slap en aangelengd. Zo drinken we die hier op de kermis.’ Krong nam een machtige slok uit een gigantisch glas. Het was al zijn tweede. Merdul veinsde alsof hij moeite had dat van hem leeg te krijgen. De muzikant tegenover hem barstte in lachen uit bij het zien van de voorzichtige slokjes. ‘Zo gevaarlijk is de wijn nu ook niet, mijn beste.’ Krong zette zijn eigen glas neer en schonk het weer vol. ‘Vertel me eens, uw zaken, lopen die goed?’ ‘Welzeker, Krong. Wat op het doek boven je tent staat, is wat ik je kan beloven. De tekst zal niet langer alleen een publiekslokkertje zijn.’ De luit werd liefdevol opgepakt door de gordelier. ‘Het is het mooiste beroep wat je kunt hebben, Merdul. Echter, de waardering brengt niet enkel meer op in mijn beurs. De voldoening die ik voel, echt geliefd te zijn, is zeker voor mij belangrijker dan al het goud en zilver.’ ‘Je zult talloze complimenten krijgen en gehoord worden door fijner besnaarde oren dan die van de boeren hier.’ Merdul hief onder het praten de fles wijn weer boven zijn en Krongs glas en liet de inhoud erin stromen. ‘Alsjeblieft, vertel me eens wat meer over de gorde, Krong. Het is een vreemd instrument. Ik heb zulke prachtige klanken mijn hele leven niet eerder gehoord.’ Het vierde volgegoten glas werd fanatiek geleegd door de muzikant voordat die antwoordde: ‘Didis een bijzonder soort luit. Der izzer slechts één op de hele wereld. Een tovenaar heeft ze voor me gemaakt. Hij zei da’k ze goed kon gebruiken. Ze help me as ik goed me best doe.’ Merdul knikte, zich tevreden voelend, naar Krong. Het instrument was dus magisch bewerkt en het bespelen ervan was misschien wel eenvoudig gehouden door die tovenarij. Hij vermoedde haast van wel: Krongs goedgelovigheid sprak boekdelen over de complexiteit van zijn brein. ‘Het lijkt me een ingewikkeld instrument,’ stelde Merdul, vorsend naar meer informatie. Hij hield Krong, die niet meer zo recht uit zijn ogen keek, maar net overeind toen de artiest naar hem toeboog en hem toefluisterde: ‘Weet je, de gorde, ik heb veel aan der te danke.’ Over de al dikker wordende tong gulpte een volgende slok Krongs slokdarm in. Lispelend vervolgde de muzikant: ‘Want, Merdul... ze maak alles lieflijker dant is. Dat de meisjes me zo graag willen komt dooraar. Enzis makkulluk en goed voor je as je ze bespeelt zoas het moet.’ Een wiebelende vinger stak waarschuwend uit naar Merdul. ‘Tis goed fout ás ik fouten maak en zij boos wordt.’ Krong zakte achterover in zijn stoel en brabbelde onverstaanbaar door. Merdul vermoedde dat het slechts een kwestie was van een enkele glas wijn voordat hij de luit de zijne mocht noemen. ‘Is het moeilijk om de gorde te leren bespelen?’ vroeg hij geïnteresseerd. ‘Valwelmee,’ mompelde Krong terug met zijn lippen weer aan het glas. Hij zwierde vervolgens voorover, naar achteren, even opzij en knalde hard met zijn gezicht op de grond. Een luid gesnurk gaf aan dat een nieuwe fles wijn waarschijnlijk niet geopend hoefde te worden. Merdul schopte tegen het torso, waarop een verheviging van het geronk bevestigde dat de muzikant inderdaad voldoende alcohol had genuttigd. Vervolgens haalde hij Krongs zilverstukken uit diens wambuis en legde de gorde in het foedraal, om daarna snel als een haas en stil als een briesje met beide buiten in de schemer te verdwijnen. Een afgelegen en verlaten tent aan de rand van het kermisterrein werd zijn schuilplaats. Daar wachtte hij tot de maan hoog stond. In het laatste licht van de zon opende Merdul het deksel van de koffer en bekeek zijn aanwinst. Heel kort en licht raakten zijn vingers de snaren aan. De gorde kraakte en piepte harder dan verwacht. Het snerpen ging door merg en been en verkrampte zijn gezichtshuid. Geschrokken door de onverwachte wanklanken sloot hij snel het foedraal. Buiten klonken nu opgewonden stemmen. Voorzichtig waagde Merdul een kijkje. De muzikant zag hij niet. Wel enkele van zijn dienstertjes die naarstig aan het zoeken waren. Uit Krongs tent werden wanhopig klinkende bevelen naar de meisjes geroepen. Even ging een tentflap een stukje omhoog, maar die werd meteen gesloten toen één van de dienstbodes in de buurt kwam. Het meisje liep voorbij en het doek werd weer opzijgeschoven. Twee geelbrandende ogen leken rechtstreeks naar Merduls verstopplaats te kijken. De flap ging weer dicht en bleef dicht. Bang dat iemand in de tent hem had gezien, verliet Merdul aan de achterkant zijn schuilplaats en sloop naar een nog donkerder hoekje aan de rand van het kermisterrein. Onder een lege wagen, die stonk naar de uitwerpselen van één van de monsterlijk misvormde attracties, drukte Merdul zich plat neer in de modder. Het zoeken stopte uren later pas. Alle fakkels op het terrein, afgezien van die bij de poort, waren gedoofd. Merdul kwam overeind en smeerde wat meer viezigheid op zijn gezicht en kleding. Het duister, samen met de door stront bevuilde modder, verhulden al zijn edele gelaatstrekken en hij stonk als een beerput. Door de ongemakkelijke positie waarin zijn lichaam zo lang gedwongen had gelegen, stond hij behoorlijk krom. Dat dit detail niet gespeeld hoefde te worden hield zijn vermomming realistischer en Merdul dankte de pijn die hem weerhield recht te staan. De gorde stak hij onder zijn hemd en werd een door alcohol vadsige pens. Merdul was nu een paria, dronken en zonder bezit. Op kousenvoeten sloop hij naar de uitgang van het kermisterrein, waar hij bewaking vermoedde. Er stond inderdaad een portier. ‘lame nog wa drinken... hèje wijn voome?’ sprak Merdul, wankelend op zijn benen. De portier keek hem minachtend aan, duwde hem weg met zijn stok en spuugde. ‘Maak dat je wegkomt, smerige bedelrat. Donder op!’ Merdul voelde een roede hard op zijn hoofd neerkomen. Over zijn pijnlijke schedel wrijvend, volgde hij het bevel op. ‘Kga wel hoor. Jij heb niks, moemeer wijn hebben.’ Achter hem mompelde de wachter, lichtjes kwaad op zichzelf, hoe hij “zo’n aartslelijke zuiplap” toch over het hoofd had kunnen zien en door had gelaten. De hele weg naar zijn woning had Merdul het onbehaaglijke gevoel dat hij werd beloerd. Zijn instincten op dit gebied waren door de aard van zijn beroep goed ontwikkeld, scherper dan bij anderen. En door ervaring rijker geworden had hij geleerd ze niet te onderschatten. Merdul keek onopvallend rond. Er was niemand die hem gadesloeg. Integendeel zelfs, zijn vermomming bleek zo goed geslaagd dat de mensen in walging hun hoofden van hem afkeerden als hij voorbijliep. Hij bracht zijn zenuwen weer tot kalmte. Het kostbare instrument en zilver onder zijn hemd maakten hem nerveus, realiseerde hij zich. Thuisgekomen hield Merdul uit voorzorg zijn vertrekken verduisterd en haalde de gorde uit het foedraal. Gejaagd door het enthousiasme de geheimen van de luit te ontsluieren, streek hij met zijn smerige vingers over de snaren. Verlamd door de pijn in zijn oren omdat er een erbarmelijk gehuil uit de gorde kwam, liet hij de luit jankend vallen. Hij voelde zijn gezicht straktrekken door de kakofonie, bijna tot de huid knapte. Zweet brak hem uit en stroomde langs zijn wangen. Het lawaai was zo erg dat het zelfs leek alsof zijn oren naar de achterkant van zijn hoofd kropen om te ontsnappen aan de herrie. Bij de volgende poging sloeg Merdul gerichter aan, met ook een voorzichtige draai aan de slinger. Helaas was het effect een veelvoud erger dan daarvoor. Zijn hoofdhuid prikte, in zijn mond resoneerden de tanden bijna los door de martelende geluidstrillingen. Het strak staande vel op zijn voorhoofd verslapte. Van slag door het wangeluid uit de gorde, hoorde hij te laat het gestommel aan zijn voordeur. Meteen daarna braken de scharnieren door een gewelddadige stoot, gelijkertijd met het slot, en vloog de deur de woonkamer door. In de opening stond, scherp afgetekend tegen het lantaarnlicht van buiten en brullend van woede, een waar monster. Er was geen twijfel bij Merdul: het moest één van de gedrochten van de kermis zijn, door Krong ingeschakeld om hem te zoeken. Hij schold zichzelf uit omdat hij niet was blijven vertrouwen op zijn intuïtie en de oplettendheid had laten varen tijdens zijn tocht naar huis. Waarom het gedrocht hem liever onopgemerkt gevolgd was, vroeg hij zich niet eens af. De verschijning week op zo een verschrikkelijk manier af van de normale menselijke gestalte, dat hij een behoorlijke onrust zou veroorzaken in de straten. Amper verstaanbaar door de huidkwabben over de lippen en de rommelig geplaatste, onregelmatig gevormde tanden, schreeuwde het schele creatuur hem toe: ‘Geef me mijn gorde terug, dief! Ik zal je mangelen als er iets mee is.’ Het beest stormde in volslagen razernij op hem af. Merdul sprong opzij. De gorde viel op de grond. De gruwel vloog op de luit af en raapte het instrument op. Hij keek Merdul aan, die rillend wegkroop voor de aanstaande afstraffing. De boosheid van het monster was echter verdwenen om plaats te maken voor een stukken beter humeur, te zien aan de kromgetrokken bek en de pretlichtjes in zijn scheefstaande, gele ogen. Met één van zijn wanstaltige klauwen bespeelde de duivelse gedaante een paar van de snaren op de gorde, op de goede en zuivere wijze. Het volgende, magisch verlopen moment werd de vleesgeworden nachtmerrie een bekende van Merdul. Krong lachte hard en galmend. Zijn andere, nu prachtig gevormde hand, trok de angstige Merdul naar een spiegel. ‘Ik dacht dat ze boos was op mij, omdat ik me dronken liet voeren en niet beter voor haar heb gezorgd. Maar jij hebt haar echt razend gemaakt, zie ik. Wees niet bang. Ik hoef je niet meer te mangelen, stommeling. Je kon het niet laten haar te bespelen hè?’ Merdul keek naar wat de gordelier zo aan het lachen maakte en zakte ineen door de schok. Een cynisch glimlachje speelde over Krongs lippen terwijl hij met groot leedvermaak in zijn stem uitlegde: ‘Ik zei toch, ze maakt alles mooier, mijn lieve gorde. Áls je ze bespeelt zoals ze verdient. Je kunt ze alleen beter niet kwaad maken.’ In de spiegel zag Merdul zijn oren... niet. Die zaten aan de achterkant van zijn scherp gepunte en met pusdruipende puisten bedekte hoofd. De ogen die terugkeken, en het waren toch echt die van hem, lagen diep verscholen in een poel vieze smurrie, tussen pokdalige rimpels. Zijn neus was een rottende mispel boven een liploze spleet waar een penetrante stank uit walmde. Hij bracht nog stamelend uit: ‘Je… je zei dat het makkelijk was.’ Toen zweeg hij, tranend. ‘Voor mij Merdul, zeker. Omdat ik talent heb. Jij, helaas voor jou... zo heel duidelijk, niet dus,’ antwoordde Krong smalend terwijl hij gemoedereerd zijn munten en het foedraal terugpakte. Daarna verliet hij het huis van de lelijkste, hardst huilende zakkenroller die er bestond. Op weg naar huis bespeelde hij de gorde, virtuoos, zoals het instrument verlangde. Binnen mum van tijd huppelden de mooiste meisjes van de stad, elkander nijdig verdringend, achter Krong aan, naar de kermis.