﻿De Abacus Vergelijking

by
Peter Stremus




Smashwords Edition
Copyright ©2010 Peter Stremus




Quis Custodiet ipsos Custodes ?

Decimus Iunius Iuvenalis
first century AD



Copyright Statement.
All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in or introduced into a retrieval system, or transmitted, in any form, or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise without the prior written permission of both the copyright owner and the above publisher of this book.

Smashwords Edition License Notes.
This e-book is licensed for your personal enjoyment only. This e-book may not be re-sold or given away to others. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each person you share it with. If you are reading this book but did not purchase it or it was not purchased for your use only, than you should return to Smashwords.com and purchase your own copy. 
Thank you for respecting all of our authors' work.

Disclaimer.
This is a work of fiction. Story, names, characters, places, brands, media, and incidents are either the product of the author's imagination or are used fictitiously. All resemblance with real characters or situations is pure coincidence. In case a trademark is used, the author acknowledges the trademarked status and trademark owners. The use of these trademarks does not imply any, association with, or sponsoring by the trademark owners.

* * * * *



To Katty, Daphne and Phoebe
The three little women in my life. 


Hoofdstuk 1

Ze haatte de idyllische foto's van de Indische Oceaan. Hoewel het buiten aardedonker was, zag de van Baton Rouge afkomstige Oona De la Fayette de wild opspattende schuimkoppen boosaardig fluoresceren. De zware bewolking voorspelde ook al niet veel goeds, en uitgerekend nu moest ze met haar groepje soldaten de wachtpost aan de andere kant van de atol gaan aflossen. Terwijl ze met een slordig gebaar in haar verwarde haren woelde, begon ze op de andere slaapkamerdeur te bonzen – natuurlijk zonder enige reactie aan de andere kant. Ze zuchtte, wierp de deur open en riep op haar bazigste luitenanttoon de slapende mannen tot de orde. Niet dat ze de kort aangebonden reactie verwachtte zoals zo dikwijls in Amerikaanse legerfilms getoond wordt, maar het lui opentrekken van één oog en een slaapkussen over het hoofd trekken was toch al te erg. Het leger had weliswaar haar studies tropische geneeskunde gefinancierd, maar datzelfde leger had het ook nodig gevonden haar voor vijf jaar als officier onder zijn rangen te plaatsen. Op zo’n momenten wenste ze wat meer autoriteit uit te stralen, want bij de meeste van haar mannelijke en vrouwelijke ranggenoten, sprongen diezelfde soldaten wel als een veer recht. Ze troostte zich nu al drie jaar met de gedachte dat het leger toch niet haar uiteindelijke keuze was, maar om twee uur ’s nachts werd ze er enkel nijdiger van. Poeslief dreigde ze met een weekje uitgangsverbod indien de heren niet binnen de vijf minuten volledig uitgerust in het wachtlokaaltje zouden zijn en sloot dan de deur – met een klap.
Kapitein-van-wacht Jonathan Stratford begroette De la Fayette iets te luidruchtig dan gepast – wat haar deed vermoeden dat één of andere fles evenredig te leeg zou zijn. Hij maakte het snel weer goed door haar een kop hete koffie in de handen te duwen. Na vijf minuten stilte kwamen de mannen binnen en schoven zwijgend aan de tafel om wat voor een ontbijt moest doorgaan naar binnen te werken. Ook dit wachtlokaal verschilde van geen enkel ander in de wereld: vaalgroene muren, barsten in het plafond en afbladderende verf. De drie werkende neonlampen – een vierde deed irritant zijn best – zorgden voor een niet bepaald romantische omlijsting. Een uit de kluiten gegroeid insect – “alles lijkt hier groter te groeien in dit klimaat,” dacht De la Fayette – kraste omhoog op een muur tot een opgerolde Penthouse hem naar beneden sloeg. De zware legerlaars van Stratford deed de rest. Niemand keek op van het incident. De la Fayette nam de zes mannen tersluiks op, enkele gezichten kwamen haar bekend voor – maar nergens kon ze er een naam of een gebeurtenis bij plaatsen. Inwendig haalde ze haar schouders op, keek op haar horloge en vond dat het tijd werd om eens op te stappen. Stratford was blijkbaar tot dezelfde conclusie gekomen want hij opende tezelfdertijd de wapenkast en begon één voor één de halfautomatische geweren op zijn bureau te leggen. Een pakje sigaretten ging rond – “toch nog enige vorm van sociaal gedrag,” dacht De la Fayette, terwijl ze zelf weigerde. De wapens werden uitgedeeld, de geladen magazijnen verdwenen in diverse kledingzakken en met wat gestommel stapte iedereen in de gang waar regencapes keurig wachtten. Stratford wist dat het schamper ging overkomen, maar kon het toch niet laten het kleine peloton een aangename wacht toe te wensen. De la Fayette ging als laatste door de buitendeur nadat ze het voor haar handen veel te grote pistool in de heupholster had geprutst. Terwijl de dubbele deur nog naklapte, teisterde de eerste regenbui het eiland.
Niemand wou een inspectie – zeer zeker De la Fayette niet. Maar ze wist dat Stratford aan het verduisterde raampje stond te kijken en dat ze later een opmerking of erger zou krijgen indien ze dit deel zou overslaan. Tot haar grote verbazing gingen de zes mannen mooi op een rij staan zodat ze de uitrustingsinspectie snel en oppervlakkig kon afhandelen. De donkere regencapes, klapperend in de storm en tot over de oren dichtgetrokken, verborgen toch alle mogelijke slordigheden. Enkele ogenblikken later marcheerden ze de duisternis in, richting strand. Stratford probeerde ze zo ver mogelijk met zijn ogen te volgen, maar de steeds erger wordende regenvlagen kletterden zo hard op het raam dat hij het al snel opgaf. Met een zucht ontkurkte hij zijn fles Southern Comfort – bedacht dat het merk wel heel toepasselijk was – en concentreerde zich op het LCD scherm waar een lijst ongeopende e-mails getuigden van zijn efficiëntie. Hij hoopte hardop dat de nacht al voorbij was.
Bruno Castellini hoopte dat de nacht nooit begonnen was. Hij was de enige van het strompelende peloton die nog nooit eerder in een tropische storm was terecht gekomen en kon moeilijk inschatten wat er precies gebeurde. Hij sjokte voorovergebogen achter zijn voorganger aan, ervan uitgaande dat die wel wist waar ze heen gingen. Steeds opnieuw probeerden windstoten het groepje uit elkaar te drijven en luitenant De la Fayette had het opgegeven om al schreeuwend het tempo erin te houden. Castellini was nu al bijna een jaar op deze legerbasis en hoewel hij heel goed wist dat dit niet kon blijven duren, had de tropische schoonheid van de atol hem het gevoel gegeven op een all inclusive clubvakantie te verblijven. Toegegeven, het ontspanningsleven richtte zich op de goede dingen des levens zoals strandvolley, frisbee, waterski, duiken en ook de vrouwelijke bezetting van de basis had haar charmes niet verborgen gehouden. Hij was dan ook wellicht de enige die aan deze wacht begonnen was met een goed humeur. Maar nadat De la Fayette deze morgen zijn vriendelijke “goedemorgen” niet eens had opgemerkt, de gepresenteerde sigaret kortaf had geweigerd en ook zijn medesoldaten van geen nader contact wilden weten, had Castellini wijselijk besloten om toch maar een staaltje echogedrag te tonen. Ze zouden straks wel loskomen. Zich voorstellen hoe De la Fayette er zou uitzien zonder vuilbruin uniform was zijn enige bezigheid geweest ... tot ze buiten stapten. Nu probeerde hij zich ditzelfde strand zonder centimeters diepe modder en de striemende lauwe regen voor te stellen. Ze waren nu zeker al een kwartier onderweg – nog niet eens een vierde van het totale traject – en het leek al een eeuwigheid. Castellini probeerde voor zichzelf het nut van dit ouderwetse wachtlopen uit te maken. Elke vierkante meter van deze atol werd toch bewaakt door de meest gesofistikeerde apparatuur? En had iemand nog onlangs op de militaire versie van Google Maps gekeken? Of had niemand van satelliet beveiliging gehoord? Castellini's goede humeur spoelde weg.
De la Fayette voelde zich bij elke stap zieliger. Ze ploeterde naaste haar peloton en probeerde wanhopig de mannen bij te houden. Ze verwenste hartsgrondig de nieuwe regel dat de aflossing van de wacht gecombineerd moest worden met een patrouilletocht langs het oostelijke strand. Vroeger reden ze met een truck van de ene kant van de basis naar de andere, duurde het tien minuten en bleef iedereen droog. Ze waren nu net de tweede inham van de atol voorbij – teken dat ze halfweg waren – toen De la Fayette het zwiepende licht zag. Het flauwe schijnsel kon niet meer dan vijftig meter verwijderd zijn, maar zelfs nu verdween het bij een al te heftige regenvlaag. Ze stopte om aandachtiger in de duisternis te kijken, terwijl het peloton zonder iets op te merken verder marcheerde door het papperige zand. Eventjes had ze veel zin om het lichtschijnsel gewoon te negeren, zich snel terug bij haar groep te voegen, om dan zonder omkijken naar de wachtbarak te gaan. Tevergeefs riep ze dat het peloton rechtsomkeer moest maken. Naar adem snakkend moest ze de mannen inhalen voor er iemand haar opmerkte. Een mengeling van kwade en lusteloze blikken trotserend, probeerde ze hen te bevelen rechtsomkeer te maken om iets van nabij te onderzoeken. Weinig enthousiast liepen ze ongeordend het strand af om de golflijn af te speuren. Zaklantaarns trachtten zonder enig effect de duisternis te doorboren en na vijf minuten was iedereen ervan overtuigd dat De la Fayette ze zag vliegen – zijzelf niet in het minst. Toen de anderen duidelijk lieten verstaan dat het nu al welletjes was, merkte Castellini een lange schaduw op omgeven door een flauw lichtschijnsel. Ook de anderen hadden het gezien en stevenden er enigszins nieuwsgierig op af.
Castellini bereikte als eerste het gestrande schip dat half in het zand begraven lag. Het mastlicht probeerde wanhopig nog een flauw schijnsel af te geven, maar het was duidelijk dat dit maar een kwestie van enkele minuten zou zijn. De la Fayette schatte het schip ongeveer tien meter lang, met een centrale hoge kajuit. Ze had het type al dikwijls zien varen tussen de verschillende eilandjes van de Chagos groep, waar ze werden gebruikt als lichte vrachtschepen voor alle werk. Zo te zien – en eigenlijk niet erg verwonderlijk – was het schip verlaten. Na enkele minuten het wrak met hun zaklantaarns te hebben bekeken, kwamen de mannen tot de conclusie dat ze te maken hadden met een of andere oude karkas, door de storm losgeslagen uit een van de vele kleine haventjes. Niets geheimzinnigs of spannends aan. Nu begon het hen pas te dagen dat ze zonder deze vondst van De la Fayette al minstens een kwartier in de beschutting en droogte van het wachtlokaal hadden gezeten. Ostentatief werden de zaklantaarns uitgeknipt en weggeborgen. Een beetje teleurgesteld gaf De la Fayette opdracht om hun tocht verder te zetten. Met een flinke pas zette het groepje zich in beweging tot De la Fayette struikelde.
Toen Stratford uit het verwarde relaas van De la Fayette had verstaan dat hij maar beter kon langskomen, duurde het nog minstens tien minuten voor de Land Rover zich door het mulle zand en de modder tot bij het peloton had geploegd. Aangekomen zag hij een groepje grimmige mannen zonder enige hoop nog droog te worden deze nacht en een wat bleke De la Fayette. Dank zij de gegarandeerd waterdichte cape was hij in precies veertien seconden doorweekt en kwam er zelfs een soort medelijden bij hem op voor dit groepje dat nu al meer dan een uur hieraan was blootgesteld. Toen hij zijn sterke zaklantaarn richtte op wat De la Fayette hem aanwees, zei hij totaal overbodig: “dat, mijne heren, is een wel erg dode man”.

* * *

Hoofdstuk 2
Pieter Van Dyck rekte zich landerig uit. Hoewel het pas vroeg in de ochtend was, waren alle tekenen aanwezig dat het een lange, hete dag zou worden. Het onweer van die nacht was er niet in geslaagd het broeierige weer van de afgelopen weken te verdringen. Integendeel, de zon schroeide al op dit vroege uur tegen de verschillende micro zonnecellen. Deze zorgden ervoor dat de airconditioning in de kamer een rustige, maar zeer koele luchtstroom verspreidde. Hoewel Pieter er niet veel voor voelde om zijn comfortabele positie te verlaten, maakte het flikkerende teken op het flatscreen van zijn computer hem erop attent dat er een boodschap was.
“Opstaan,” zei de ene stem in zijn hoofd.
“Nog een kwartiertje blijven liggen, die boodschap zal niet weglopen,” zei de andere stem. 
“Weglopen zal dat zeker niet doen,” antwoordde Pieter zichzelf, “daar heb ik juist schrik van.”
Na een uurtje terug ingedommeld te zijn, schrok hij wakker omdat zijn twee-dagen stoppelbaard in de klamboe verstrengeld zat. Na wat geharrewar stapte hij uit bed, schoof het net opzij en zette zich aan de tafel gevuld met computer- en zendapparatuur. Hij opende zijn mailprogramma en keek naar de reeks nieuwe boodschappen voorafgegaan door een rood uitroepteken. 
Hij tikte lusteloos enkele toetsen in en bekeek de meest recente  videoboodschap. Het was John Freeman, de vluchtleider van Diego Garcias controletoren, en hoofd van de regionale stormwachtdienst. Van Dyck had het bericht eigenlijk verwacht. De weinige zonderlingen die hier nog woonden werden na elke tropische storm steevast gecontacteerd om zo snel mogelijk een verkenningstocht te maken in een straal van honderd mijl. Deze keer was een zeilboot in problemen geraakt. De boodschap eindigde met de GPS coördinaten en de radiofrequentie waarop het schip bereikbaar was. Tijd om een kop koffie te drinken was er niet. Tenminste als hij de hoogdringendheid mocht geloven.
Hij zuchtte eens diep, keek op zijn horloge om te zien hoe oud de boodschap al was en slenterde naar de badkamer. In de spiegel keek hij naar de rauwe stoppelbaard op zijn gebruinde en getaande gezicht. Zijn al tot drie jaar opgelopen special assignments op wat waarschijnlijk de meest verlaten hoek van de wereld was, begonnen hun tekenen te tonen. Hoewel al midden de veertig voorbij, gaven de lachrimpels rond zijn donkere ogen en zijn kortsteile grijzende haar hem het uitzicht van een pienter ondeugend jongetje. Niet dat er op het eiland iemand was die er interesse in zou hebben, Van Dyck was immers de enige – menselijke - bewoner. Maar een beetje ijdelheid was hij toch ook niet volledig kwijtgeraakt. Hij sprong snel onder de regendouche en enkele minuten later stapte hij naar buiten.
In sjofele driekwartbroek en T-shirt, met korte beschermende surflaarsjes en omgekeerde baseball cap als additionele bescherming, hapte Pieter eventjes naar adem om het temperatuur- en vochtigheidsverschil te verwerken. Hij draaide zich, na enkele meters op het grote grasplein te hebben gelopen, om een goed overzicht te krijgen van het huis. Het was gebouwd in de achttiende eeuw in de typische Franse koloniale stijl. Het bleef Pieter verbazen hoe zij - wie dat ook waren - er in die tijd in geslaagd waren om zo een klein kasteel te bouwen op een verloren eiland aan de andere kant van de wereld. De veronderstelde bloei van kopra was toen de hype van de eeuw. Verschillende ondernemers pompten geld in het project om het er al even snel terug uit te halen toen de handel toch niet de verwachte bloei vertoonde. Een strakke arduinen trap leidde naar een brede dubbele deur die aan beide kanten was omringd door een patio met telkens drie grote ramen. De bovenverdieping leek wel een spiegelbeeld van de benedenverdieping, maar in plaats van een deur was er een rond balkon afgeboord met korte stijlen. Op het platte dak stonden zorgvuldig weggewerkte zonnepanelen en twee kleine schotelantennes. Hoewel het klimaat zijn sporen had achtergelaten, was het huis zelf opmerkelijk goed geconserveerd. Het was gebouwd om de eeuwen te trotseren.
Op het eerste zicht was er geen grote schade aangericht, tenzij een half afgerukt stormscherm dat nu langzaam piepte aan één hengsel. Het harde geluid van het klappende scherm had hem wakker gemaakt de afgelopen nacht. Maar hij was te lui geweest om op te staan. 
Opgelucht liep hij verder, voorbij de verweerde ijzeren toegangspoort, tot aan het strand. Zoals steeds na een storm lag het zand vol met aangespoeld hout, oplossende kwallen, zwart zeewier en rottende zeesterren. Dat betekende urenlang met een brede rakel rondlopen om het witte strand terug als op een postkaart te doen lijken. Eén van de overhangende palmbomen was bezweken en lag gescheurd in het water met de deining mee te schommelen.
“Gelukkig is mijn hangmat niet stuk,” dacht hij, “maar ik moet nu wel een nieuwe lievelingsboom zoeken.”
Pieter bewoonde het zuidelijkste en grootste deel, Ile Sudest, van de Egmont eilandengroep. Een aantal atollen die deel uitmaakten van de Chagos Archipel. Administratief behoorde het tot het British Indian Ocean Territory en het belangrijkste eiland was Diego Garcia. Belangrijk omdat Diego was uitgebouwd tot een prominente Amerikaanse marinebasis die haar glorietijd in de tweede helft van de twintigste eeuw had gekend, tussen de koude oorlog en de verschillende Golfoorlogen. De laatste decennia had de basis haar strategisch belang verloren en was langzaam in de vergetelheid geraakt. Een kernbezetting had jaren de basis onderhouden en simpele operationele taken vervuld. De aanwezige staf vroeg zich elke dag af waarom de basis eigenlijk werd opengehouden. Niemand kon hun een afdoend antwoord geven, dus bleven ze maar rustig verder doen.
De Egmont eilanden vormden een typische atol. Een halve cirkel van enkele kleine landmassa's omgeven door een rif waar de golven woest op stuk sloegen. Het rif dat Egmont omringde was op enkele plaatsen onderbroken door ondiepe vaargeulen, wat het grote voordeel bracht dat je niet steeds om het eiland moest varen om de beschermde noordkant te bereiken. Pieter had nog niet kunnen bepalen of die vaargeulen een handig natuurlijk verschijnsel waren of dat de mens de natuur een handje had geholpen met dynamiet. Het maakte het eiland populair bij wereldzeilers om enkele dagen hun reis te onderbreken en te gast te zijn bij Pieter.
Gelukkig was het aantal wereldzeilers ook vandaag nog steeds beperkt want hij had helemaal geen zin om als het meest afgelegen bed and breakfast gekend te worden. Pieter volgde het strand noordwaarts en kwam tot bij de grote aanlegsteiger met vlak daarnaast een massief botenhuis. De eeuwenoude constructie liep minstens twintig meter in het beschermde water van de lagune. En wie de steiger ook had gebouwd, Pieter moest het vakmanschap wel bewonderen. De zwarte, van tropisch hardhout gemaakte palen verdwenen in het ondiepe helderblauwe water en waren rotsvast verankerd in de koraalbodem van de lagune. Zware balken en planken waren perfect op de palen samengevoegd met houten peggen wat het geheel een onverwoestbaar uitzicht gaf. Gietijzeren bolders, mathematisch op de steiger gemonteerd, boden een solide houvast voor het grote vliegtuig dat zacht deinde op de golven. Dat vliegtuig was Pieters trots. Toen hij op de Chagos eilanden aankwam hadden de instanties hem een Grumman watervliegtuig uit negentienhonderd achtenvijftig gegeven. Het toestel hoorde thuis in een museum, maar blijkbaar had een pennenlikker in een zuinige bui beslist dat het nog wel enkele jaartjes zou kunnen meegaan als verkenningsvliegtuig. 
Hij klauterde op de overhangende vleugel en knoopte het zorgvuldig vastgebonden camouflagenet los, dat dienst deed als bescherming tegen de striemende regen- en windvlagen. Hij opende enkele luikjes om de motoren te controleren. Lauw brak water gulpte uit een geopende klep, wat hem deed vrezen dat het starten van de motoren een hele karwei zou kunnen worden. Morrend klopte hij lukraak op de vleugel, luisterend naar de verschillende tonen alsof hij een rotte plek in een houten muur wou vinden. De natte knopen gaven zich niet zo maar gewonnen maar uiteindelijk kreeg hij ze los. Netjes rolde hij de koorden rond zijn gestrekte arm en liep naar het botenhuis om ze daar over enkele gespannen lijnen te gooien om verder te drogen. De grote spiksplinternieuwe semi-rib was de moderne varende tegenhanger van het oude vliegtuig. De twaalf meter lange boot was veilig aangemeerd tegen de door het botenhuis overdekte smalle kade.
Lenig kroop Pieter in het vliegtuig, stootte zijn hoofd aan de nauwe deuromlijsting en duwde zichzelf vloekend – in het Vlaams – in de cockpit. Zijn knieën botsten tegen het instrumentenpaneel toen hij de versleten pilootzetel met een ruk naar voor schoof. Na enkele pogingen sputterde eindelijk één motor zodat hij die langzaam en voorzichtig op toeren kon brengen. Met een tamelijk sierlijke bocht vaarde hij uit de lagune terwijl nu ook de tweede motor ongelijkmatig op gang kwam. Ondanks de nog zware deining kreeg het vliegtuig steeds meer snelheid en verhief het zich in een wolk van opspattend schuim uit de golven. Van Dyck was klaar om zijn verkenningstocht rond het eiland te beginnen. Hij klom behoedzaam tot vijfhonderd voet en draaide naar het westen om zo een paar volle cirkels te vliegen. Aandachtig keek hij naar de atol maar zo te zien had de storm slechts enkele palmbomen scheef geslagen. De verwilderde kokosbomen die de voornaamste begroeiing van het eiland vormden, hadden zeker niet onder de storm geleden zodat ook de kriskras aangelegde paden niet versperd leken. De weinige dieren die het eiland bevolkten hadden zich blijkbaar collectief op het meest noordelijk – en hoogste – punt verzameld en begonnen zich nu terug over de atol te verspreiden. 
“Al bij al een flinke meevaller,” dacht Pieter, “straks mag ik weer varkens verjagen.” Buiten de groene vlekken van de eilandjes was er niets te zien op het eindeloze blauwe wateroppervlak. Hij zette zijn koptelefoon op en maakte contact met de controletoren van Diego Garcia.
“Red Knight voor controletoren DG.”
“Goedemorgen Pieter, John hier.”
“Weinig verdwaalde Volvo cuppers dit jaar.”
“Inderdaad, maar er is er altijd wel eentje. Je hebt mijn oproep ontvangen?”
“Ja, jammer genoeg wel. Ik ben al onderweg.”
“Je zei toch, al onderweg? Met jouw snelheid zijn ze waarschijnlijk al verdronken.”
“Hoe grappig. Zijn er nog nieuwe coördinaten?”
“Ja, er is nogal wat stroming in het gebied. Hou je GPS in de gaten, ik stuur ze door. De bemanning heeft me ondertussen al enkele keren gecontacteerd, telkens wat meer in paniek. Niet verwonderlijk want ik had hen gezegd dat hulp snel zou komen.”
“Mijn vliegtuig geeft een nieuwe dimensie aan het begrip snel. Heb je gegevens over de bemanning?”
“Ja, het zijn twee gepensioneerde belastingcontroleurs uit Zwitserland die geen woord Engels spreken. Als Belg spreek je wel een woordje Zwitsers veronderstelde ik.”
“Ik zal mijn beste Zwitsers boven halen en ze linea recta bij jullie droppen. Over and Out.”

De witte stip werd snel een jacht dat slagzij maakte door een geknakte mast. Het zeil schepte water zodat het schip niet meer vanzelf rechtkwam en steeds dieper kwam te liggen. 
“Niet erg schrander. De bemanning zal wellicht gewed hebben dat hun mast, met volle zeilen, wel bestand zou zijn tegen de storm,” dacht Pieter.
Hij daalde nog meer en cirkelde langzaam rond. Aan hun enthousiast gezwaai te zien waren de twee figuren op het dek blij en opgelucht dat ze het vliegtuig zagen. Hij maakte weer contact met de controletoren van Diego Garcia.
“Hier Pieter weer.”
“Ok, zeg het maar.”
“Een veertig voeter of zoiets maakt stevig slagzij en neemt water op. Ik zie twee opvarenden en aan hun lange haar te zien zijn die belastingcontroleurs al heel lang onderweg. De naam van het jacht is de Port of Call en ze varen onder Australische vlag.“
“Dat zijn ze inderdaad. Kan jij ze oppikken?”
“Zolang ik ze maar bij jullie kan droppen.”
“Jij bent hier altijd welkom, Pieter.”
Pieter zette de knellende koptelefoon af en nam gas terug. Het gestage gebrom van de twee grote motoren veranderde in een murmelend, onregelmatig gesputter dat amper hoorbaar was toen de gestroomlijnde romp met een klap de eerste golf raakte. Het vliegtuig wipte weer de lucht in om enkele tientallen meter verder met een al even harde klap het wateroppervlak nog eens te raken en uiteindelijk schommelend tot stilstand te komen. Terwijl hij het toerental van de linkse motor terug opdreef om zo tot bij het zinkende jacht te navigeren, mopperde Van Dyck dat hij het landen maar niet behoorlijk onder de knie kreeg. De soms rake klappen die het oude vliegtuig te verduren kreeg, zouden vroeg of laat hun tol eisen en onherstelbare structurele schade aanbrengen. Moeizaam manoeuvreerde hij het vliegtuig naar het jacht. Dichterbij komend zag hij dat de opvarenden al wat spullen hadden samengebracht in de rubbersloep achteraan het schip. Pas nu kon Pieter de schade van nabij opmeten. De geknakte mast trok het schip naar bakboord zodat de golven over het dek in de kajuit sloegen. Wellicht was daardoor water in de machinekamer gekomen en was de motor onklaar geraakt, samen met de rest van de energievoorziening. Niet dat er acuut gevaar was. Met een beetje geluk zou het schip nog enkele uren blijven dobberen tot er teveel golven de kajuit binnenspoelden en het roemloos in de diepte zou verdwijnen. Hij klikte de hoofdschakelaar van de motor uit zodat het gezoem en geklik van de tientallen systemen plaatsmaakten voor het zachte geklots van het water tegen de romp. Hij maakte de vijfpuntsgordel los, schoof de pilootzetel naar achter en klom via het afstapje vanuit de cockpit naar beneden. Toen hij de deur opendeed zag hij dat de twee opvarenden reeds in het bootje stonden. Eén probeerde het kleine buitenboordmotortje in gang te trekken. Dat scheen niet al te best te lukken. Pieter bracht zijn hand boven zijn ogen om het tafereel goed te kunnen zien.
“Dat ontbrak er nog aan, enkele rijke jongelui met een peperduur jacht maar niemand die ooit de motor van de reddingssloep heeft nagekeken.”
Na enkele ogenblikken begonnen de twee te wenken dat hij wat dichterbij moest komen, waarop hij geamuseerd gebaarde dat ze maar moesten roeien. Dit laatste scheen een van hen te begrijpen want onhandig monteerde hij de riemen in de ogen en begon zonder veel richtingsgevoel tegen de golven in te peddelen. De andere bleef koppig aan het startkoord slingeren. Hij geeuwde. Dit was duidelijk een geval van laden en zo snel mogelijk weer lossen. Toen ze uiteindelijk langszij kwamen, gooide Pieter hen een lijn toe, die gretig werd aangepakt. Hij trok het rubberen sloepje tot vlak bij de deur en stak zijn hand uit om de eerste passagier aan boord te helpen. Tot zijn grote maar heimelijk aangename verrassing waren het twee meisjes die wankel eerst enkele kleurrijke rugzakken en hippe, maar dure, reistassen naar binnen gooiden om daarna zelf uitgeput in een van de zes passagierszetels te vallen. Pieter maakte het bootje los en duwde het stevig weg met de roeispaan. Het laatste wat hij wou was dat het lichte bootje tijdens het opstijgen vast zou geraken in een propeller.
Nadat hij de deur had gesloten, keek Van Dyck neer op zijn gasten en kreeg zowaar medelijden met wat hij zag. Achter de blauwe wallen, het door zout vastgekoekte haar, de gesprongen lippen en de doorweekte kledij, zaten waarschijnlijk twee mensen tussen de vijfentwintig en dertig jaar oud die enkele weken geleden onbezorgd lachend en wuivend van op hun witte jacht uit de haven van Adelaide waren gevaren. Het leek erop dat geen van beiden een gesprek wou beginnen, dus kuchte Van Dyck eens.
“Mijn naam is Pieter Van Dyck, de grootste pechvogel in een omtrek van honderd mijl. Pechvogel, want ik wou uitslapen deze ochtend maar omdat jullie zo vriendelijk waren dicht bij mijn eiland te vergaan, hoewel er de keuze is uit tientallen anderen, heb ik mijn ontbijt gemist. En mijn ochtendkoffie. Ik kan me heel goed inbeelden wat er allemaal vorige nacht is gebeurd en dat jullie nu te moe zijn om erover te praten, maar toch had ik graag jullie namen gehoord. Kwestie van een passagierslijst te hebben aan boord van air Van Dyck.”
Na enige aarzeling, begon het eerst meisje dat hij aan boord had geholpen. Ze sprak met een onmiskenbaar aussie accent, wat alle twijfel wegnam dat ze inderdaad uit dat deel van de wereld kwam.
“Ik ben Jane Hutton en dat is mijn zuster Jackie. We zijn vorige week vanuit Adelaide vertrokken om de route van de Volvo cup te volgen. En dat terwijl alle meteo's duidelijk aantoonden dat het nu niet precies het beste seizoen was om hier te varen. Maar neen, zuslief moest en zou haar ding doen.”
“Ah wat,” antwoordde Jackie bits, “hou je mond.”
Jane wou hierop reageren, maar Pieter was haar te snel af: “ok, dit is zeer verhelderend en meer hoef ik ook niet te weten. En wil ik ook niet weten. Klik jullie vast in de stoelen, zoek er een met een gordel.  Het opstijgen kan nogal bumpy zijn en enjoy this short  flight with us.”
Hij klom terug in de cockpit en maakte radiocontact met John.
“Hier de Red Knight.“
“Ok, met John. Wat heb je in je netten, Rode Ridder?”
“De familie Jai-Jai.”
“Mmmm, ik had toch een andere naam begrepen.”
“Mag ik u de Hudsons voorstellen? Jane and Jackie. Hun vader heet wellicht James en de hond Jack. Hun jacht is, of beter was, de Port of Call van Adelaide.”
“Onze familienaam is wel Hutton en niet Hudsons,” verbeterde Jane hem.
Zonder zich te laten onderbreken vervolgde Pieter zijn conversatie met de controletoren. Jane vroeg zich af waarom ze uitgerekend door een dergelijk klein kind werden opgepikt.
“En ze zijn beiden in goede gezondheid. Dat denk ik toch, we zullen het pas met zekerheid kunnen zeggen als ze zich eens goed wassen.”
“Mooi. Dat is voldoende om de familie te contacteren dat het verloren kroost terecht is.”
“Wel, dan op naar hun luxe hotel.”
“Ok, kom maar langs – er is momenteel nog geen verkeer in de buurt maar dat zal straks veranderen. Het wordt een drukke dag.”
Pieter dacht: “neen hoor, voor mij wordt het een rustige dag eens ik die twee heb gedropt.” Zijn humeur klaarde op bij de gedachte de rest van de namiddag te kunnen luieren. Lekker in de hangmat tussen twee nieuwe palmbomen. Pieter startte de motoren en was machoachtig opgelucht dat ze direct aansloegen. Het vliegtuig ploegde zich stampend en steeds sneller doorheen de golven. De passagiers gingen  ongemakkelijk recht zitten in hun zetels. Het oude vliegtuig kraakte en maakte onheilspellende geluiden. Jackie en Jane spanden hun veiligheidsgordels wat strakker aan terwijl ze onzeker uit de ovalen raampjes keken. Een afgebeten vingernagel viel op de grond. Met een laatste stevige dreun die hen flink door elkaar schudde steeg het vliegtuig op van het water. Pieter draaide langzaam rond het wrak van de Port of Call om zo hoogte te winnen. Zijn stem kraakte over de intercom van het toestel: “wel mensen, kijk er nog maar eens goed naar. We zullen van geluk mogen spreken als we haar morgen nog terugvinden om de mast eraf te krijgen en hopelijk op eigen kracht naar Diego Garcia te varen.” Veel hoop was er niet. Hij had de indruk dat het schip nog meer slagzij had gemaakt tijdens het afgelopen uur. Want langer had de hele operatie niet geduurd. Van Dyck schudde meewarig het hoofd. Ten slotte was het een onverdiend einde voor zo’n fijn jacht. Hij klikte het fasten seat-belts signaal uit – hij moest het even zoeken want hij het nog nooit eerder gebruikt. Eigenlijk had hij nog nooit meer dan twee passagiers meegenomen. Jaren geleden, en het waren dan nog de twee vlieginstructeurs geweest. Die waren na korte tijd al dronken van de whisky die ze tussen de eilanden smokkelden met het vliegtuig. Hij keek achterom en zag de twee meisjes stil voor zich uit staren. Enkele mijlen voor de landing doorbrak Pieter de stilte met zijn beste gezagvoerderstem.
“We zullen binnen enkele ogenblikken aankomen op wat jullie thuis zal zijn de komende dagen, namelijk de legerbasis van Diego Garcia. Graag jullie gordels vastmaken en het tafeltje voor jullie opklappen. Oh ja, was ik vergeten, er zijn geen tafeltjes in dit vliegtuig. En, euh Jane, kan je nog eens checken of de bagage niet is losgekomen? Ik wil vermijden dat jullie luxe koffers naar voor schuiven en ons helpen met een duikvlucht. Bedankt.”
Zijn grapjes werden niet gesmaakt.
Het toerental van de motoren verminderde langzaam toen hij de twee grote gashendels boven zijn hoofd induwde. Met een lichte druk op de stuurkolom kwam het vliegtuig uit zijn horizontale baan en gleed richting blauwe zee. Op dat moment klauterde Jane in de cockpit en plaatste zich in de copiloot zetel. Ze zette de tweede koptelefoon op die aan haar stuurkolom bengelde en na wat gewriemel klikte ze een schakelaartje over.
“Dat zoiets nog vliegt,” klonk het in Pieters oor.
Hij kon niet nalaten eens te glimlachen. “Wel, voorlopig drijft het zelfs beter dan jullie jacht.”
“Ik heb altijd al vooraan in de cockpit willen zitten om een landing mee te maken.”
“Vanwaar de interesse?”
“Wel, ik vlieg vooral met een vluchtsimulator op mijn PC thuis.”
“Wat een toeval, daar heb ik ook mijn brevet gehaald. Dus nu kan je me goed assisteren bij de landing.”
“Wat dacht je van de flappen op twintig graden te zetten?”
Ze trok aan een hendel met een schaal van vijf tot zestig, tot een markering op een roestige twintig kwam te staan.
“Flappen op twintig,” confirmeerde ze terwijl een schurend geluid bevestigde dat uit de vleugels wel degelijk de flappen tevoorschijn kwamen.
“Flappen op veertig,” commandeerde Pieter, “en niet te hard trekken. Haar veertig is zeer gevoelig.”
“Flappen op haar gevoelige veertig.”
Diego Garcia kwam in zicht. De landingsbaan die het grootste stuk van het eiland inpalmde was duidelijk te zien.
“Controletoren, we komen eraan. Graag toestemming om te landen.”
“John hier, we hebben je al gezien. Kom maar binnen langs de inham. Ben je niet wat te steil aan het dalen? Het is niet de bedoeling een gat in de zee te maken.”
De landing vlak voor de kust van Diego was een kopie van de vorige. Een harde klap die de passagiers ruw door elkaar schudde.
“Zeker één van je betere landingen.”
“Wat je zegt,” antwoordde hij tevreden met zijn eigen prestatie.
Om één of andere reden was hij bijzonder opgewekt. Ondanks de honger die hij nu begon te voelen.

* * *

Hoofdstuk 3

John Freeman leunde met zijn papperige lichaam zwaar achterover in de krakende bureaustoel terwijl hij aan een mok zwarte koffie sipte. Het was zijn lievelingsmok die hij dan ook zelden afwaste. Vanuit de controletoren had hij een panoramisch zicht gehad op de niet al te elegante landing van Pieter. Hij mopperde in zijn rossige snor dat het maar best was dat ze Pieter een aftands watervliegtuig hadden geleend en hij dus niet de kans kreeg de runway te beschadigen met zijn kunsten. Maar als liefhebber van antieke vliegtuigen brak zijn hart steeds opnieuw bij het zien van Pieters mishandelingen. 
“Wow, Pieter, dat was een mooie landing. Ik hoop dat je die mensen niet hebt gered enkel om hen dan te laten sterven in jouw zeepkist.”
“Hi, graag gedaan. Ik weet het, ik word elke keer wat beter. Neen, ze zijn een beetje versteven, maar dat zal wel van de koude zijn,” antwoordde Pieter al even gevat. John moest eens glimlachen. Met een gemiddelde dagtemperatuur van achtendertig graden Celsius moest koude nog worden uitgevonden in dit deel van de wereld. Door zijn geblokte gestalte en honderddertig kilo was het voor John al een marteling om de geklimatiseerde controletoren te verlaten en de enkele straten naar zijn verblijf te wandelen. Iets wat hij dan ook zo weinig mogelijk deed zodat zijn collega's vermoedden dat hij zelfs liever in de kelder bleef slapen.
“Wel, je weet waar je moet aanmeren. Ik stuur een mannetje om jouw lading op te pikken en dan zie ik je straks wel in de bar. Lijk je dat geen goed plan?”
“Ontsproten uit een geniale geest,” antwoordde Pieter. 
John had zijn redenen om bezorgd te zijn maar vooral dat alles op rolletjes liep. Precies vandaag verwachtte hij vijf passagiersjets, gevuld met hoge militairen en ambtenaren. Jaren had men Diego Garcia afgebouwd van een drukbezocht strategisch militair centrum in het midden van de Indische Oceaan, tot een bijna verlaten buitenpost waarvan iedereen zich het nut afvroeg. In het begin van de eenentwintigste eeuw had de Britse regering uiteindelijk beslist om het gebied uit te roepen tot het grootste maritieme park ter wereld. Geen moment te vroeg. De overbevissing van de oceanen en een serie olierampen hadden desastreuze gevolgen gehad. Diego Garcia bleef een militaire basis van de Verenigde Staten, maar waar vroeger oorlogsbodems, fregatten en zelfs vliegdekschepen aanmeerden, kwamen nu oceanografische onderzoeksschepen aanleggen tegen de verbrokkelde betonnen kades. De komst van die schepen en hun burgerbemanning trok ook enkele nakomelingen van de oorspronkelijke Chagos bevolking aan. Een klein aantal keerden terug naar het eiland dat hun overgrootouders in de jaren negentienhonderd zeventig onder dwang hadden moeten verlaten. Het werd oogluikend toegelaten door de weinige Amerikaanse militairen die de installaties onderhielden en enkel hoopten op een zo snel mogelijk ontslag.
Maar enkele maanden geleden was plotseling de situatie omgekeerd. Het eiland werd weer voor honderd procent een militaire basis en slechts uitzonderlijk mochten nog andere schepen het eiland aandoen. De Chagosianen die eindelijk weer wat handel konden drijven, werden terug naar Mauritius gestuurd. Het enige verschil met hun voorouders was dat ze deze keer in een transportvliegtuig werden gepropt en niet op een aftandse kotter. De kleurrijke kraampjes en de gezellige bars werden gesloten en gesloopt. De civiele schepen werden vriendelijk maar beslist naar de omringende atollen gestuurd.
Eerst waren de cargo vliegtuigen gealnd. Daarna arriveerden de technici gevolgd door militairen, speciale beveiligingseenheden en nog meer militairen. Het losse en relaxte leventje van de basis werd aan strenge regels gebonden. Delen van het eiland werden afgesloten en waren enkel toegankelijk met speciale pasjes. Nieuwe communicatieapparatuur verving de oude paraboolantennes, prefab barakken schoten uit de grond. Freeman ergerde zich vooral aan de geheimzinnigheid. Hij was nu al meer dan tien jaar de verkeersleider van Diego Garcia en samen met de andere habitués vormden ze een samenhangende groep. Een groep waar iedereen op elkaar vertrouwde en er geen plaats was voor geheimen. Hij hield er niet van dat zijn wereld zomaar werd omgegooid. En of dit alles nog niet voldoende was, werd door de nieuwe commandant van de basis een algemeen uitgangsverbod opgelegd. Wat zeker niet in goede aarde viel want de bar was ongeveer het enige uitgangsleven dat nog restte. Het was in die bar dat Pieter gulzig van een koel bierflesje dronk toen Jane binnenkwam met een kitzak en die zorgeloos naast hem liet neerploffen. Met een zucht zette ze zich op de barkruk naast hem. Ze zag er nog steeds onverzorgd uit. En niet bijzonder gelukkig.
“Zo, mijn droom komt uit. Ik kan me tooien in de lokale klederdracht. Kaki schijnt dit jaar in de mode te zijn. Kan ik ook een biertje krijgen terwijl ik wacht tot Jackie uit de enige douche komt die ook voor burgers toegankelijk is? Wat is hier eigenlijk aan de hand?”
Nog voor hij een antwoord kon bedenken, kwamen ook De la Fayette en Castellini binnen die – hoewel nog wat bleek van de vorige nacht – enthousiast naar Pieter liepen.
“Welwel, wie we daar hebben,” lachte Oona, “hoog bezoek van onze meest geliefde kluizenaar. Wat brengt jou hier? Je was toch nog maar een goede week geleden al op bezoek? Miste je me al?”
Pieter liet de golf van vragen rustig over zich heen gaan en beantwoordde ze dan allemaal tegelijk met een korte “ja”.
“Ik heb twee vrouwelijke zeebonken van een verschrikkelijke ondergang gered. Zij is er eentje van,” vervolgde Pieter.
Oona schudde Jane vriendelijk de hand.
“Ocharme, wat kan een mens toch pech hebben. Wat was het ergste? Rustig vergaan of gered worden door Pieter? Ik ben Oona De la Fayette. En dit hier is Bruno Castellini.”
Pieter keek haar aandachtiger aan. “Zeg eens, jullie zien er nogal afgeleefd uit. Samen een zware nacht gehad misschien? Of is het nog steeds niet aan tussen jullie?”
“Pfff, jij weet dat je de enige bent voor mij, maar ik zal maar blijven dromen zeker?” veinsde Oona. Ze ging verder op een voor haar ongewone ernstige toon. “Neen, je weet dat ze hier opnieuw het wachtlopen hebben ingevoerd. En jammer genoeg hebben we nu net vannacht, tijdens onze wacht, een dode man gevonden. Aangespoeld op het strand. En je kunt je niet voorstellen wat voor een papierwinkel dat met zich meebrengt. Om nog maar te zwijgen van het effect op Stratford en zijn humeur. De volgende keer geef ik de eer aan een ander. Daar kunnen ze zeker van zijn.”
Castellini knikte instemmend: “iedereen loopt hier al zenuwachtig rond, dat lijk zal tot nog strengere maatregelen en opgevoerde wachtbeurten leiden.”
“En weten ze al wie die dode is en hoe hij is gestorven?” vroeg Pieter.
“Daarnet toch nog niet, maar ze zeggen ons tegenwoordig niet veel meer. De nieuwe commandant van de basis is gesloten als een oester. Enfin, dok Fowler houdt zich nu bezig met de autopsie. En Stratford loopt er als een norse oude man bij want hij moet het onderzoek afronden. En je weet hoe hij is met dat soort dingen.”
“Ah ja,” klonk het plots kortaf, “en hoe is hij dan met dat soort dingen?”
Oona draaide zich om en keek recht in de ogen van een boze Stratford. Ze bleven zo enkele seconden staren en barstten dan in een lachen uit. Jane die verstijfd op haar barkruk zat na het plotselinge opduiken en uitschieten van Stratford, begreep er niets van en keek vragend naar Pieter.
“Jane, mag ik je voorstellen aan de anciens van dit godverlaten atol? De jaren hebben hun hersenen verkalkt zodat ze één zijn geworden met het rif. Geloof me, ze waren hier al zo lang rond dat hun morele grenzen danig vervaagd zijn. Hun gedrag lijkt op dat van Japanse soldaten die na veertig jaar werden teruggevonden in de jungle. En er steevast van overtuigd waren dat de tweede wereldoorlog nog niet ten einde was. Maar je kijkt gelukkig ook naar een groepje vrienden, die ongeacht hun rang of andere verschillen, de dixie club van het eiland uitmaken,” verduidelijkte Pieter, “Dixie van tien jaar aanwezigheid.”
“Jonathan Stratford, ondanks je hoge rang weet je best dat je geen orde hebt, dat je alles kwijtraakt, dat je geen tweemaal eenzelfde uitkomst uit een spreadsheet haalt en dat je alle belangrijke mails toevallig verliest ... of neen,” ze imiteerde zijn stem, “ik verzeker het je, ik heb die e-mail nooit ontvangen. En ik heb geen ongelezen berichten meer. Er moet iets fout zijn met de servers!”
Jonathan keek een beetje sip en verweerde zich: “zeg, wat verwacht je eigenlijk? Deze basis is al een eeuwigheid een oase van rust en juist nu moeten we met een lijk zitten. Juist nu dat we overspoeld worden met nieuwe troepen die als gekken de zaak overnemen. We kunnen ons dus verwachten aan eindeloze audits en ondervragingen. Ik kijk er echt niet naar uit.”
Hoewel Pieter zelf nog maar een goede drie jaar op de Egmont eilanden was aangekomen, voelde hij zich erg comfortabel bij dit kleine groepje. Eigenlijk waren zij toen, samen met John Freeman en nog enkele andere officieren, de centrale staf van de legerbasis. En drie jaar geleden waren ze er allemaal van overtuigd geweest dat de basis zijn tijd had gehad. Dat de definitieve plannen er waren om alle installaties en gebouwen te ontmantelen om zo het eiland terug over te laten aan de oorspronkelijke bevolking van de Chagos. Hij herinnerde zich nog heel goed zijn eerste ontmoeting met Jonathan en hoe die verrast naar Pieter keek toen hij zich als de enige burger aanmeldde op het kantoor van de commander-in-chief. “Neen, ik heb hier geen enkele mail rond ontvangen meneer Van Dyck. Ik weet het zeker en ik ben heel erg bij met mijn mailbox.” Op dat moment geloofde Pieter hem zonder meer en ging ervan uit dat de strak gekapte kapitein inderdaad niet op de hoogte was gebracht. Na enkele maanden had hij echter wel door dat Oonas opmerking terecht was. Technologie en orde gingen nu eenmaal niet samen met Jonathan. En iedereen vroeg zich dan ook af hoe het mogelijk was dat hij dit kon volhouden zonder door de mand te vallen bij een van zijn oversten. Maar hij deed het. Dat tot voor kort die overste ongeveer zesduizend kilometer verder zat, had er ook wel iets mee te maken. Met de hulp van John Freeman was Pieter, weliswaar met een week vertraging, uiteindelijk op zijn bestemming geraakt: de oude en vervallen kokosplantage op Ile Sudest van de Egmont Eilanden, een goede honderd vijftig kilometer ten noordwesten van Diego Garcia. Op dat moment haalde Jonathan Pieter uit zijn gedachten.
“Heb jij geen interesse om ons te helpen uitzoeken wat er gebeurd is? Als journalist moet dit jouw fantasie toch prikkelen?”
Pieter moest toegeven dat hij inderdaad een beetje nieuwsgierig geworden was. Ook hij had de laatste weken de basis zien evolueren van een slapend atol tot een bedrijvig mierennest. En dat er precies nu iemand dood gevonden was in verdachte omstandigheden kon natuurlijk louter toeval zijn. Maar net zoals de anderen geloofde hij niet erg in toeval.
“Hebben jullie al een idee van de omstandigheden waarin de man gestorven is?” vroeg hij aan Jonathan.
“Eigenlijk weten we niet veel, maar misschien is er ook niet veel te weten. De dode is, volgens zijn badge en de papieren die hij bij zich had, ene korporaal Votilio, Sergio Votilio. Ergens achter de twintig en al enkele maanden hier op de basis. Hij was één van de eersten van de nieuwe lading. Een computer programmeur. Ik weet wel dat dok Fowler nog bezig is met de autopsie, maar afgaande op wat ik gisteren gezien heb leek het me nogal duidelijk dat weinig mensen met zo een gat in hun borst nog lang en gelukkig kunnen leven. Het bootje dat bij hem is gevonden wordt nu in het droogdok onderzocht. En zijn persoonlijke spullen liggen bij onze goede dokter. Daar moet ik straks eens goed naar kijken. Je mag best meekomen, zo gebeurt er ook nog eens iets in jouw saaie leventje.”
“Ja, dat lijkt me geen slecht idee. Maar ik heb gasten, weet je nog? En die moeten hier nog een plaatsje vinden bij jullie.”
Jonathan schudde nadenkend zijn hoofd. “Ik vrees dat het niet zal lukken Pieter. Sinds gisteren heeft deze basis de hoogste beveiligingsstatus gekregen. Het verwondert me zelfs dat jij hier nog mocht landen. Wellicht heeft Freeman zijn instructies weer niet goed gelezen. Daar zal ik hem toch eens een opmerking moeten voor geven. Ik vrees dat je die juffrouw zal moeten meenemen. Geen burgers meer toegelaten.”
“Wowow," protesteerde Pieter snel, “dat zal niet gaan. Je weet dat ik daar niet op voorzien ben." En trouwens het is niet één juffrouw, ze kwamen in een duo pakket. Dat kan je me toch niet aandoen?”
“Hoezo?” antwoordde Jonathan, “veel mannen zouden maar al te graag met jou ruilen. Op een onbewoond eiland met twee charmante dames ... mmmmm. Kijk,  we zorgen er wel voor dat je alle proviand en spullen meekrijgt om het daar romantisch te maken. Ik zorg ervoor dat ze hoog op de wachtlijst komen, maar het kan best enkele dagen duren tot ze een plaats toegewezen krijgen. Mij lijkt het helemaal niet zo erg te zijn voor jou. Voor hen echter lijkt het me een nachtmerrie waar maar geen einde aan komt.”
Hij zette zijn flesje met een klap op het tafeltje, veegde zijn mond af met zijn hand, slikte een oprisping in nadat hij de waarschuwende blik van Oona had gekruist en vervolgde: “zo, Pieter, kom je mee? Oona zal de dames wel verder verzorgen. Laat ons voor zes uur hier terugkomen. Ik wil niet dat je in het donker moet vliegen, want dan mogen we jou ook nog redden.”
Terwijl de deur achter Jonathan en Pieter dichtklapte, draaide Oona zich naar Jane. “Zo, Jane is het niet?”
“Inderdaad, Jane Hutton. Ik ben hier met mijn zus Jackie die nu al meer dan een half uur onder de douche staat.”
Oona glimlachte toen ze antwoordde: “ik kan ze geen ongelijk geven.En ik zou je aanraden hetzelfde te doen. Pieter zijn bed and breakfast zal nogal Spartaans zijn, vrees ik. Je weet wel, een man alleen. Maar vertel eens, wat is er gebeurd? Van elke reddingsactie moeten we een proces verbaal opmaken en als je dit jaar nog terug naar huis wil geraken dan kan je best met mij werken. Want geloof me, Jonathan is het nu alweer vergeten dat hij een pak documenten moet invullen om jullie op een vlucht te krijgen. Bruno zal alles noteren, hij kan het snelst typen.”
Met een zucht opende Bruno zijn laptop. 
“OK, begin maar vanaf het moment dat jullie vertrokken zijn.”

* * *

Hoofdstuk 4

Angela Hutton keek beduusd naar haar twee dochters die verdacht zusterlijk naast elkaar in de sofa zaten. Het was duidelijk dat ze moeite had om het nieuws te verwerken.
“Dus jullie gaan beiden een vaste baan opgeven om enkele maanden op zee te reizen?” herhaalde Angela. “Eigenlijk meer dan een jaar als ik het goed begrepen heb. En daar al jullie spaarcenten in stoppen?”
Ze draaide zich naar haar echtgenoot, Raymond. “Zeg jij ook eens iets, Ray? Dit is toch een al te belachelijk plan? Zo'n wereldreis hadden ze maar moeten maken onmiddellijk na hun afstuderen. Zoals alle anderen van die leeftijd.”
Ray bromde iets van achter zijn laptop.
“Ma, het is nu of nooit. We hebben genoeg geld om rond te komen. En je weet dat dit al jaren een droom van ons beiden is,” antwoordde Jane, de oudste die net vierendertig was geworden. 
Raymond liet in gedachten al de voorbije dromen van zijn twee dochters de revue passeren. Het waren er in de jaren al heel wat geweest. De meesten waren bevliegingen en van tijd tot tijd diende hij zich eens goed boos te maken om ervoor te zorgen dat zij geen al te verwende nesten werden. Maar hij moest toegeven dat deze wereldtrip het toch al lang volhield. Eigenlijk was hij voorstander, zelfs een beetje jaloers. Als jongeman was het ook zijn droom geweest en hij had er nu wel spijt van het nooit gedaan te hebben. Als compensatie hadden ze enkele jaren geleden een nieuw jacht gekocht en hadden ze genoten van familie-uitstapjes voor de kust van Adelaide. Maar dat dit zou leiden tot een wereldreis was nooit bij hem opgekomen. Voor Angela was het ook nog een extra klap want die had heimelijk gehoopt op kleinkinderen. Maar geen van zijn dochters maakte aanstalten in die richting, zelfs niet nu Jane een vaste relatie had. Nu ja, dat zou dan ook wel enkele jaren worden vooruitgeschoven. Hij voelde zich nog veel te jong om bij een oma te slapen.
“Ray?” 
“Wel,” begon hij niet erg overtuigend, “jullie gebrek aan ervaring maakt me wel ongerust. Is het niet beter een skipper in te huren?”
“Maar we hebben toch ervaring opgedaan met jou?” argumenteerde Jackie, “we hebben toch al heel wat afgezeild, zelfs in moeilijk omstandigheden. We kunnen navigeren, we weten hoe je een radio moet bedienen en de boot heeft alle moderne apparatuur aan boord. Wat kan er eigenlijk fout gaan? We mailen elke dag. Beloofd"
Ray had andere zaken aan zijn hoofd. Hij stelde enkele duidelijk eisen rond de te volgen route. Als vroegere minister en nu professor reisde hij heel wat af en had hij een aantal havens uitgestippeld waar hij hen zou ontmoeten. 
En zo was het dat Jane en Jackie uit Adelaide vertrokken met het familiejacht The Port of Call. De tweeënveertig voeter bood meer dan voldoende ruimte voor de twee meisjes en was net niet te groot om zonder bemanning te bezeilen. Het was dan ook een plezier om de eerste dagen te varen, in een kalme zee met een uitstekende wind. De meisjes gebruikten hun satelliet verbinding om zoals beloofd iedere dag een mailtje naar hun ouders te sturen zodat ook op het thuisfront na verloop van tijd de zorgen verdwenen. Op de vijfde nacht doken echter de eerste tekenen op dat het weer zou veranderen. En dat niet in de goede richting.
“Zouden we niet naar Diego uitwijken? Er is daar een marine basis die ons de nodige bescherming kan bieden. Ik wil het zekere voor het onzekere nemen,” had Jane gesuggereerd. Met een blik op de zwarte wolken had Jackie beamend geknikt en was ze prompt begonnen om een nieuwe koers uit te stippelen. Jammer genoeg waren ze toch nog ongeveer zes uren verwijderd van Diego Garcia. Het zou een race worden om voor de storm in de haven aan te komen. Een race die ze niet zouden winnen.
Toen de eerste hoge golven over het dek sloegen werd het snel duidelijk dat het gebrek aan ervaring hen parten speelde. Op bitse toon werd er gekibbeld wat er nu met de zeilen moest gebeuren, hoe die best te reven en of er niet op de motor moest worden gevaren. De striemende regen maakte alles in een mum van tijd doorweekt. Knopen kregen ze niet meer open. Ze raakten verstrikt in schoten en vallen. Wankelend kropen ze over het glibberige dek dat werd verlicht door de vele bliksems tegen de pikdonkere hemel. Uiteindelijk knapte de mast met een luide knal en viel over stuurboord. Het jacht kapseisde bijna. Het duurde dan ook niet lang of de eerste golven sloegen in de kajuit. Jane klauterde naar de radiopost en zond een noodsignaal uit. Gelukkig was er voldoende geïnvesteerd in een geavanceerd veiligheidssysteem. Het duurde dan ook slechts luttele seconden om een antwoord te krijgen van een aantal schepen in de buurt. Ook de controletoren van Diego Garcia had de oproep ontvangen en beloofde hulp. 
Even onverwacht als de tropische storm was opgestoken ging die ook weer liggen. Een brandende ochtendzon brak door de wolken die snel plaats maakten voor een heldere blauwe hemel. In het daglicht zagen Jane en Jackie pas de ware ravage aan dek. Het was duidelijk dat ze hier niet veel verder mee zouden komen. De radiotoren van Diego had hen verwittigd dat een watervliegtuig op komst was om hen op te pikken en naar de legerbasis te brengen. Terwijl Jackie nog snel enkele doorweekte kleren en spullen in één van hun koffers gooide, hoorde ze Jane roepen dat ze in de verte een vliegtuig had gezien. 
Opgelucht begonnen ze beiden de kleine dinghy los te maken en poogden ze het buitenboordmotortje te starten. 
Jane eindigde haar verhaal met de harde landing voor de kust van Diego en het drinken van een fris biertje.

* * *

Hoofdstuk 5

“Dok” Fowler schudde langzaam de hand van Pieter en sprak al even langzaam, tussen de meeste zinnen een aarzeling alsof hij zeer bedachtzaam zijn woorden overwoog. “Ik merk dat je jouw onderzoeksinstinct nog niet bent verloren ... mmm. Voor één keer dat er hier iets gebeurt, ben je er als de kippen bij ... Mooi zo, mooi zo... Maar ik weet niet of je veel zal kunnen helpen. De autopsie op korporaal Sergio Votilio was nogal eensluidend ... Ik zou zeggen dood met de kogel, hé ... We hebben de kogel zelf niet gevonden, maar het was zeker oorlogsmunitie. Ging er dwars doorheen en ligt dus ergens op de bodem van de oceaan. Jammer voor een dergelijke jonge kerel. De vraag, die eeuwige vraag nietwaar, is uiteraard ... waarom?”
Jonathan trok Pieter weg van dokter Fowler: “OK doc, bedankt, dat had ik ook al door. Kan ik Pieter hiernaast de spullen van het slachtoffer tonen? Zijn ze reeds klaar met het onderzoek van het bootje?”
“Ja,” antwoordde Fowler, “het rapport van het eerste ... en wellicht ook enige... onderzoek van de boot ligt naast de doos met zijn spullen. Op de grond ligt zijn kitzak. Veel plezier ermee. Moet hier de militaire politie niet bijkomen of één of andere onderzoeksinstantie?”
Jonathan schudde zijn hoofd. De commandant had hem uitdrukkelijk belast met het onderzoek simpelweg omdat er geen militaire politie op het eiland aanwezig was. Blijkbaar was dat nog niet nodig geacht, en zelfs dit verdacht overlijden had de commandant er niet van kunnen overtuigen een speciale politie-eenheid over te brengen. “Er zij hier al meer dan genoeg nieuwe troepen, we kunnen dit heel goed en wellicht zelfs beter intern oplossen,” had hij op besliste toon gezegd.
Pieter volgde Jonathan naar een kantoortje waar op een tafel de persoonlijke spullen van het slachtoffer kriskras door elkaar lagen. Jonathan pakte de badge met daarop Sergio Votilio gegraveerd. “Hé,” onderbrak Pieter hem, “moet je geen handschoenen dragen? Er kunnen vingerafdrukken of andere sporen op te vinden zijn ... bezoedeling van bewijsmateriaal, weet je wel?”
Jonathan bekeek Pieter afkeurend. “Zeg jongen, niet overdrijven hé. We zullen dit wel oplossen zonder al die forensische hocus pocus die enkel in films werkt.” Zonder aarzelen ging hij verder met de andere voorwerpen één voor één eens vast te pakken, te draaien, op zijn hand te wegen. “Eigenlijk best weinig mee aan te vangen. Wat balpennen die ook balpennen zijn en geen James Bond toestanden. Een geldclip met een goede honderd dollar. Een Zippo aansteker. Waarom heeft iedereen een Zippo aansteker? De man had niet eens sigaretten bij zich. Zijn toegangspasje voor het computercentrum aan de zuidzijde, met de hoogste clearance te zien aan de kleurcode. Enkele losse munten.” 
Systematisch ging hij verder en nam de bruine versleten portefeuille van de tafel. De portefeuille was gebogen na jaren verblijf in Votilios achterbroekzak.
“Vioglios lederen portefeuille met twee credit cards...”
“Het is Votilio,” verbeterde Pieter hem.
Onverstoorbaar somde Jonathan de zaken op: “een bankkaart, een oude Delta frequent flyer card, zijn rijbewijs ... even kijken ... van Detroit ... en zijn militaire paspoort. Paspoort is nieuw, geen stempels van reizen. Verder zijn er geen foto’s van vrienden of vriendinnetjes, vader of moeder, petekinderen. Geen briefjes of wat dan ook. En dan hier, natuurlijk een oude iPod. Laat ons eens zien welke muziek Sergio beluisterde. Waar zit die aan-knop?”
Pieter nam de iPod uit de handen van Jonathan die het ding naar alle kanten draaide. Voor Jonathans ogen drukte hij op het knopje bovenaan de speler. Het schermpje lichtte op en toonde het start menu.
“Gezien hoe je dat doet? Dat zijn echt wel de klassiekers. Zelfs ABBA en Queen staan erop.” Pieter rolde met zijn vinger over het navigatiewiel en scrolde doorheen de artiesten. “Eens kijken of er geen foto’s op staan ... neen, die folder is leeg. Ik vrees dat ook dit een doorsnee iPod is, zelfs al is het een oud model. Geen gadget van inspecteur Clouseau.”
Jonathan keerde zich tot Pieter: “zeg, kunnen die dingen niet als harde schijf of opslag worden gebruikt?” Pieter antwoordde verwonderd: “ja, inderdaad, vanwaar komt die plotse technische kennis?”
“Ik heb al jaren zo’n ding. Je weet zeker niet hoe saai het hier kan worden?”
Pieter rolde en klikte een paar keer doorheen de menu’s. “Neen, ik zie toch niets. Maar om zeker te zijn zouden we hem moeten aansluiten op een PC. Als we er een kunnen vinden die dit toestel nog ondersteunt. Thuis heb ik er zo eentje staan. Maakt het eenvoudiger om ook verborgen folders te vinden.”
Met een Clouseau stemmetje vervolgde Pieter: “weu zeullen dus eens meuten kijken neur zijn deussier.”
Jonathan haalde het dossier uit zijn plastic mapje en begon er snel door de bladeren, half luid flarden voorlezend: “Sergio Votilio ... vijfentwintig jaar ... geboren en getogen in Detroit. Woonde steeds bij vake en moeke die vier jaar geleden beiden zijn omgekomen bij een auto ongeval ... enig kind. Zo te zien een beetje van een computernerd. Kwam pas bij het leger na de dood van zijn ouders ... als korporaal. Werkte op de computerafdeling in Detroit ... ah neen, daar zijn ze weer ... projectnamen die niets zeggen ... project Luna, project Jaguar, project Abacus, project Haiku ... haha, da’s een goeie.” 
Jonathan probeerde een Haiku te maken:

Een jonge man was verliefd op zijn PC
Dus wou hij gaan op een basis in de zee
Hij verhuisde naar de Diego atol
Maar stierf in plaats van hebben LOL

Hij schudde eens met zijn hoofd. “Jouw landgenoot, de eerste Europese president kon dit blijkbaar beter dan regeren. Laat ons toch maar bij de zaak blijven. Diego Garcia was eigenlijk zijn eerste buitenlandse opdracht voor het leger. Was hier verantwoordelijk voor ... ik citeer... de ontwikkeling van geavanceerde algoritmen ter versnelling van het oplossen van vijfde graads vergelijkingen in het kader van globale simulatie oefeningen en scenario’s. In hemelsnaam, wie weet wat dat betekent ... een nerd zoals ik al vermoedde. De bedoeling was dat hij hier zes maanden zou blijven om dan terug naar Detroit te gaan. Zover zal het nooit komen voor de arme man.”
Jonathan gooide het rapport tussen de rest van de spullen op tafel en nam het dunne stapeltje papier met daarop het verslag van het bootonderzoek. Na diagonaal de eerste pagina te hebben doorgenomen was het duidelijk dat ook hier niet veel gevonden was. 
“Het enige wat me hier opvalt, Pieter, is dat die man dat bootje volgeladen had met extra diesel. Het lijkt er dus op dat hij ver weg wou gaan. Die bootjes, hoewel onooglijk klein, zijn taai en worden sinds mensenheugenis gebruikt om tussen de eilanden en atollen te varen. Ook om onvoorstelbare afstanden af te leggen. Ik vermoed dat hij makkelijk naar de Seychellen of Mauritius had kunnen varen om daar via de openbare luchthavens te verdwijnen.”
“Maar met wàt?” vroeg Pieter. “Die man had helemaal niks bij zich. Laat ons eens zijn kitzak doorzoeken.” Beiden draaiden de zwaarlinnen kaki zak om zodat de inhoud op de grond viel. Met de tip van zijn voet duwde Jonathan de verschillende hemden, T-shirts en broeken uit elkaar. 
“Verzorgde man moet ik zeggen. Kijk, alles netjes gestreken. Laat ons eens kijken in zijn toiletzak.” Enkele spullen rolden op tafel en werden door Jonathan zorgvuldig naast elkaar gelegd. “Leuk scheerapparaat. Tandenborstel, tandpasta, kammetje, zeepjes uit een hotel ... mmmm ... ook al niet veel dat ons onderzoek vooruit helpt.”
Stratford trok zijn schouders op, zelfs na verder alles nog eens goed doorzocht te hebben vonden ze geen enkele interessante aanwijzing. 
Zijn mobiele telefoon rinkelde. 
Na enkele seconden geluisterd te hebben, keek hij op zijn horloge en richtte zich, met de telefoon nog steeds tegen het oor, tot Pieter. “Okay, bedankt. Pieter, alles is klaar. Je kunt onmiddellijk vertrekken. Jouw gasten staan al te popelen op de kade.”
Met een geoefend gebaar klapte hij de oystershell telefoon dicht wat bij Pieter zoals steeds de vraag opriep wat de Amerikanen zo leuk vonden aan die kleine dikke GSM modellen.
“Ik zal hier vanavond dan maar verder aan werken,” klonk Stratford ongemotiveerd. “Kom, ik geef je een lift tot de haven.”
Pieters bril dampte aan toen ze uit de koude geklimatiseerde barak stapten wat – ook al door het gegrinnik van Jonathan - bij hem een geïrriteerde shit liet ontsnappen. Pieter keek hem vanachter de witte glazen aan: “waarom denk je dat ik zo goed op gevoel kan vliegen?”
Ze stapten in één van de klaarstaande open jeeps om dan met een onaangepaste snelheid te vertrekken, op het nippertje een aanrijding vermijdend met twee mannen die het pad opliepen naar de ziekenboeg. Beiden sprongen vloekend weg terwijl Jonathan riep: “verdomde broekjes, wat komen jullie hier toch allemaal doen?”
Nog voor ze stilstonden, stapte Jackie geagiteerd naar de jeep en stak haar hand uit naar Jonathan die met een lenige sprong op de grond terecht kwam, haar hand negerend. “Ik ben Jackie, we hebben elkaar nog niet ontmoet. Maar ik hoorde van mijn zus en Oona dat u de beslissing hebt genomen om ons met deze man terug te sturen naar een of ander afgelegen eiland? Waarom? We willen zo snel mogelijk naar huis en het laatste waar we zin in hebben is een gedwongen verblijf bij iemand die we niet eens kennen. Hij kan best een moorddadige kluizenaar zijn. Is er echt niets dat we kunnen doen om hier te blijven? We zullen niet tot last zijn.” 
Jonathan bleef haar aankijken, bewonderend. Het was al een hele tijd geleden dat hij iemand zo lang en zo snel had horen praten. Toegegeven, de dokter kon er ook wel wat van, maar die had heel wat meer tijd nodig. Na enkele seconden vroeg hij dan ook: “en, nog iets juffrouw?”
Van haar stuk gebracht door zijn onverholen cynische opmerking antwoordde ze aarzelend: “euh, neen, dat was het denk ik.” Maar ze had zichzelf weer snel onder controle en begon opnieuw: “is er echt niets wat we hier aan kunnen doen? Wie is uw overste? Ik wil dit escaleren.”
“Neen,” was het korte antwoord. 
Uit zijn toon was het duidelijk dat er geen verdere discussie mogelijk was. Maar Jackie bleef doordrammen en kwam huppelend naast Jonathan lopen, die in de richting van de kade stapte waar het watervliegtuig was aangemeerd. “Ik eis dat ik hier kan blijven en mijn zus ook.” Ze keek woedend naar Jane, die slechts instemmend knikte. 
Jonathan stopte abrupt. “Luister juffrouw. Dit is een militaire basis die in de hoogste staat van paraatheid is gebracht. Niemand weet precies wat er aan de hand is. Misschien is het een oefening, misschien ook niet. Maar hoe dan ook, het betekent dat burgers hier niet mogen blijven, onder geen enkel beding. Het was in de eerste plaats al tegen de regels dat jullie hier mochten landen. Maar nu moeten jullie weg, tenminste voor een paar dagen. Tot we een geschikt transport voor jullie hebben gevonden.”
Hij wees naar Pieter. “Ik ben de eerste om toe te geven dat hij een beetje raar is, maar een bloeddorstige kluizenaar, dat is er over. Ga met hem mee en morgen sturen we een vliegtuig met proviand, drank, kledij ... noem het maar. Alles om jullie verblijf daar zo aangenaam mogelijk te maken. En nu wegwezen.”
Jonathan was zelf verrast dat zijn militaire autoriteit effect had op Jackie. Eigenlijk had hij deze toon in jaren niet moeten gebruiken, maar hij was best tevreden met zichzelf dat hij “het” nog steeds had. Oona kwam naast Jonathan staan toen Pieter als laatste in het vliegtuig stapte en teken gaf aan een matroos om de trossen los te gooien. Ze porde haar schouder tegen zijn borst: “ben je niet jaloers? Pieter zien vertrekken met die twee dames?” 
Jonathan gromde: “jaloers? Wedden dat hij hier morgen terugkomt en hen vanuit het vliegtuig in de baai dropt? Wat een gedoe die twee.” Ze zwaaiden en staken hun duim omhoog als antwoord op Pieters groet vanuit de cockpit. Hij vaarde zorgvuldig uit de drukke haven tussen de schepen om, eenmaal op open zee, het toerental te versnellen en langzaam los te komen van het wateroppervlak. 
Jonathan volgde de steeds kleiner wordende stip tot zijn ogen pijn deden van het turen in de hardblauwe lucht.

*  *  *

Hoofdstuk 6

Ian Summerton keek op zijn opvallende gouden horloge en knikte naar de man die tegenover hem in de donkerbruine Chesterfield zat. Het gespannen leer tussen de diepe noppen kraakte toen Ian naar zijn glas reikte op het lage tafeltje naast de zetel. Glas was een beetje een denigrerende verwijzing naar de fijnkristallen ballon waarin de exclusieve cognac bedachtzaam werd rondgedraaid.
De staande klok sloeg discreet maar toch duidelijk één slag die bleef dreunen door de stilte.
“Hij zal hier elk moment zijn. De vlucht vanuit Zürich had heel wat vertraging. En het is op dit uur niet evident om vanuit Heathrow tot in het centrum van Londen te raken, zelfs na het verhogen van de congestion tax.” Ian had een diepe, sonore stem. Een stem die ervaring en vastberadenheid uitdroeg. Een stem die ook geen tegenspraak verwachtte, maar enkel een luisterend en instemmend oor. De man tegenover hem antwoordde: “ik begrijp niet waarom hij geen corporate jet neemt. Ze hebben er toch voldoende? Ik haat dat gedoe in luchthavens en overvolle vliegtuigen. En ze zijn nooit, nooit op tijd.” 
De stilte keerde terug, onderbroken door het geknetter van de open haard die met zijn imposante schouw de kamer overheerste. Het grote donkere olieverfschilderij dat licht hellend aan de schouw was gemonteerd, toonde een portret van een staande Thomas Moore. Het was een van de weinig overgebleven schilderijen die niet in een museum was terecht gekomen, maar wel in de privé verzameling van de club. Het toonde Moore gekleed in zijn ambstgewaad, als advocaat aan het hof van Hendrik de Achtste. Doorheen de spitse ramen was ironisch genoeg al het drukke London van begin zestiende eeuw weergegeven met op de achtergrond de Tower. 
De kamer was spaarzaam verlicht met enkele gedimde lampen zodat de vlammen van het haardvuur een grillig schaduwspel speelden op de houten ingelegde panelen rondom de kamer. De deur die zachtjes werd opengedaan door een lakei met witte handschoenen, was kunstig weggewerkt in één van die houten panelen. Het leek of een stuk muur werd weggeschoven. De bediende trok zich snel discreet terug met de nog natte mantel van de nieuwe bezoeker over zijn gestrekte linkerarm gedrapeerd.
“Sorry, mijn beste vrienden, het slechte weer boven het Kanaal heeft me parten gespeeld.” Zonder één van beide mannen verder aan te kijken, stapte hij af op de kleine bar. Na enkele flessen rondgedraaid en bekeken te hebben, nam hij een van de royale cognacglazen en schonk zichzelf een flinke scheut in. Bijna onmiddellijk dronk hij het glas leeg om met gesloten ogen te genieten van de prikkelende verwarmende drank die zijn slokdarm teisterde. Hoewel in de buitenwereld hun respectieve organisaties elkaar fel beconcurreerden was daar in deze kleine zaal weinig van te merken. Integendeel, over de afgelopen jaren was hun samenwerking steeds hechter geworden en hadden ze meerdere, goed geheim gehouden, vergadering belegd. Het was ook beter dat er zo weinig mogelijk mensen op de hoogte waren. De verschillende antitrust commissies van zowel Europa als van de Verenigde Staten zouden er een maar al te grote kluif aan hebben.
Ian was met zijn zestig de senior van de drie. Zijn kleine gestalte compenseerde hij door flamboyante en toch modieuze kledij. Zijn weelderige grijs-witte haar liet hij artistiek groeien, en viel voor zijn voorhoofd in een wulpse golf. Een moderne hip gekleurde bril maakte het beeld helemaal af. Meer dan twintig jaar was hij de sterke man van GPC, één van de meest prestigieuze consultancy firma’s in de wereld. Ians persoonlijke netwerk bestond vooral uit staatshoofden, eerste ministers, hooggeplaatste raadgevers. Eigenlijk waren er geen van de leidende, en minder leidende, landen die een grote beslissing zouden uitvoeren zonder eerst met hem of zijn team overleg te plegen. Of het nu ging over een staatshervorming, een militaire beslissing of een controversiële wet.
De tweede man, die niets meer had gezegd na zijn klacht over de derde gast, was Vladimir Tikhonova. Een vijftiger die nog maar enkele jaren aan het hoofd stond van The Asian Consulting Group. Onder zijn management was die groep de nummer één geworden in de zogenaamde emerging markets. Een wat gedateerde term die nog steeds in gebruik was. Het was niet voor iedereen klaar hoe hij vanuit een blijkbaar illuster verleden op slechts enkele maanden tot de toppositie was geklommen. Anderzijds was het amper een geheim dat zijn connecties met de nog invloedrijke Russische geheime dienst hem goed van pas kwamen. Het was ook algemeen geweten dat hij zich bevriend kon noemen met de Chinese en Indische staatsleiders die hem boven de andere prefereerden omwille van zijn Grieks-Russische afkomst. Zijn gave om grote hoeveelheden alcohol te verwerken had hem ook al enkele keren boven de concurrentie gezet. Zijn licht gezwollen gezicht met vooral op zijn neus enkele onregelmatige bulten en purperen aders verraadden dat die levensstijl zijn tol begon te eisen.
De derde persoon echter, Juergen Birkvald, was als MIT afgestudeerde binnengekomen bij de EMEA. Hij was snel in de rangen opgeklommen omwille van zijn opmerkelijke technische kennis gecombineerd met politiek inzicht. Hij was amper mid dertig en sinds vorig jaar als nieuwe CEO aangesteld. De uit Denemarken afkomstige Birkvald was bijna twee meter en torende met zijn atletische gestalte boven zijn twee collega’s. Het was Ian Summerton zelf die Juergen enkele jaren geleden had benaderd na het geven van een lezing op MIT. Juergens mentors hadden hem al een tijdje onder de aandacht gebracht, in het kader van zijn baanbrekend werk in het gebruik van supercomputers voor complexe simulatieberekeningen. Op dat moment besliste Ian echter om hem zelf niet in zijn organisatie op te nemen. Maar wel om hem van op afstand te volgen en te sturen. Ian hield ervan om zijn macht geleidelijk op te bouwen, en beetje bij beetje mensen te manipuleren. Want eens zou dit goed van pas kunnen komen. Ian keek bezorgd naar zijn beschermeling toen die zich een tweede cognac uitschonk. Hij kende Juergen als een bijna geheelonthouder, een tea-totaller. Er was iets aan de hand.
“Zo, meneer Summerton en meneer Tikhonova, zijn we er klaar voor?”
Hij haalde uit zijn bruin lederen tas een dunne tabletcomputer en nam plaats in de derde zetel rond het lage koffietafeltje met ivoor inleg. Een relikwie uit vervlogen dagen dat lords en avonturiers de gasten waren in deze club, en niet zoals vandaag de drie bestuurders van de meest invloedrijke consultants ter wereld.
“We zijn aangekomen op het point of no return.”
Het tablet lichtte op en had na enkele seconden een snelle draadloze connectie opgebouwd. Juergen gebruikte zijn zelf ontworpen beveiligingsprotocol, je kon niet voorzichtig genoeg zijn. Zijn handen gingen snel over een aantal iconen op het hoog definitie aanraakscherm en een ingewikkeld dashboard begon zich op te bouwen. Juergen ordende nog wat dynamische grafieken naar de kant zodat Ian en Vladimir een duidelijk beeld kregen van een wereldkaart met daarin een reeks veranderende kleuren, cijfers, lijnen en grafieken. Hij draaide het tablet naar hen toe.
“We zijn nu rechtstreeks verbonden met het simulatieprogramma dat op de geclusterde supercomputers van San Diego, Zürich en Peking draait. Ik heb alle variabelen die je maar kan bedenken, van seismografische modellen tot godsdienstige patronen, van klimaatverandering tot de impact van de Europese innovatieprogramma's ingevoerd. Enkel wij weten dat er een dashboard is, dit dashboard, dat alles samenbrengt en correleert.” Juergen was opgewonden. “Alle modellen zijn unaniem en zeker van de uitkomst binnen de aanvaardbare grenzen, en dat tot vijftig jaar in de toekomst.”
Hij zweeg enkele seconden terwijl Ian en Vladimir naar het steeds veranderende scherm keken. De projectie van de wereld was nu diep rood gekleurd, maar in enkele gebieden begonnen helgroene cirkels op te gloeien en uit te breiden. In de marge van het scherm werden lijn- en blokgrafieken samen met snel veranderende cijfers weergegeven.
“Het is dus mogelijk.” 
Juergen zag de opluchting in hun ogen. Rond de anders neerhangende mondhoeken van Vladimir begon zich een glimlach te vormen. De intelligente donkere ogen van Ian keken hen beiden aan. “Ik denk dat we niet meer moeten verder praten over het al dan niet doorgaan? Mij lijkt het voor de hand liggend. Hoe ver sta jij Vlad?”
Vladimirs glimlach verbreedde. “Noch Raghavani noch Yo Hong als hun nabije raadgevers, militair en burgerlijk, zullen een probleem vormen. Ik heb nog wat werk met Krashnow, want die ziet direct een kans om de Russische macht te herstellen of te vergroten zoals in de goede oude tijd. Maar dat komt ook wel in orde. Zoals steeds vertrouwen ze me volledig en zien ze ons als de ultieme neutrale en onschuldige bron van informatie.”
“Hetzelfde voor de US en Europa,” vulde Ian kort aan. Hij keek nog steeds op het dynamische scherm waar de grafieken en de kaart nu op groen stonden met hier en daar enkele verspreide vlekken in rood of oranje. Een discrete dubbele klop op de deur werd gevolgd door twee onberispelijk geklede lakeien die elk een karretje duwden met daarop enkele borden weggeborgen onder imposante zilveren koepels. Eén van hen richtte zich tot de drie aanwezigen om aan te kondigen dat zoals gewenst de lunch zou geserveerd worden rond het middaguur. Met professionele snelheid werden de borden op de kleine ronde tafel in het midden van de kamer geplaatst. Een fles champagne, een fles witte wijn en een fles rode wijn werden tevens ontkurkt. De witte wijn werd door één van de bedienden kritisch geproefd. De rode wijn werd vakkundig in een brede decanter gegoten. Na enkele keren rondgedraaid te hebben werd deze door de andere lakei goed bevonden. “Gelieve deze nog enkele minuten te laten ademen, dan zal deze voortreffelijke wijn U zeker smaken. Indien U klaar bent, dan verzoek ik U aan tafel plaats te nemen.” Je kon in hun stemmen horen dat de U met een hoofdletter werd uitgesproken.
Met één veeg op het touchscreen veranderde de mooi geordende informatie in een caleidoscoop van kleuren om dan enkele seconden later volledig uit te doven tot het scherm zwart werd.
De drie mannen namen plaats en met militaire precisie werden de warmhoudkoepels van de borden weggenomen. De oudste en meest senior lakei maakte aanstalten om uit te leggen wat er allemaal op de borden lag, maar Ian onderbrak zijn poging met een vriendelijk gebaar op zijn arm. “Het ziet er zeer goed uit, Jacques, we zullen het ons zeker laten smaken. Als we nog iets nodig hebben, dan laten we het je weten. Dank je.”
Zonder enige emotie antwoordde Jacques: “zeer goed meneer, zoals U wenst,” en met een knikje reden ze één van de opdienkarretjes naar buiten. 
Ian nam de fles champagne en vulde zoals het hoorde de lange glazen in een hoek van vijfenveertig graden.
Samen met de twee anderen keek hij naar het schilderij van Thomas Moore.

* * *

Hoofdstuk 7

Stratford raasde met de jeep weg van de haven naar het oostelijke deel van Diego Garcia. Over de met kiezels en koraal verharde weg die beide uitersten van het eiland met elkaar verbond. Een grote witte stofwolk achter zich latend die slechts langzaam in de vochtige lucht oploste. Hiermee overtrad hij de enige verkeersetiquette van het eiland, want iedereen haatte het om hoestend door zo'n stofwolk te lopen. Het irriteerde hem mateloos dat hij verschillende controleposten moest passeren die steeds opnieuw zijn pasje en gegevens verifieerden. Hij was gehaast en had hier geen geduld voor. Een spoor in het grind trekkend, parkeerde hij de jeep voor een koepelvormig gebouw, stapte snel uit en begaf zich met grote passen naar de ingang. Ook hier stonden een aantal soldaten in full battledress, hun automatische wapens in de aanslag. Stratford twijfelde geen seconde dat deze met oorlogsmunitie waren geladen, en niet met de gangbare plastic kogeltjes. Ze droegen niet alleen de modernste pantsers zodat enkel een heel ervaren scherpschutter ze zou kunnen neerleggen, maar hadden ook in hun helm geïntegreerde realiteitsverhogende communicatieapparatuur. Hun hogedefinitie camera had, nog voor Stratford goed en wel de jeep uitgestapt was, een opname gemaakt van zijn badge en zijn gezicht. Deze werden samen met metrische gegevens zoals gestalte, irisprofiel en lichaamsmassa doorgestuurd naar de console van de kapitein-van-wacht die achter het kogelvrije glas zat. De databank vergeleek de gegevens en automatisch werd de ingang ontgrendeld. De dubbele glazen deur schoof sissend open en Stratford stapte de steriele ruimte binnen. De twee wachtposten weken geen moment van zijn zijde.
De ruimte was rond en hoog en deed hem denken aan het gewelf van een kathedraal. Het harde daglicht kon ongestoord de ruimte bereiken via het transparante dak. De vlekkeloos witte muren en de slanke bogen werden enkel onderbroken door de dikke plexiglazen wand waarin zich ook de deur bevond. Het was er zo mogelijk nog helderder dan buiten. Tegenover de ingang bevond zich de liftdeur die uiterlijk leek op gelijk welke liftdeur in de wereld. Stratford wist dat de deuren niet uit inox waren gemaakt maar uit uranium en titanium nano-buisjes. Ze boden weerstand aan explosies, brand en kogels, veel kogels. Tussen de deur en de lift stond iets wat weg had van een receptietafel. De officier deed teken dat Stratford zich moest ontdoen van het dienstpistool dat ondertussen door een bodyscan was ontdekt en scherp was afgebeeld op het controlescherm. Stratford gooide het zwijgend in een plastic bakje en vond het een beetje een anachronisme dat hij hiervoor in de plaats een kartonnen kaartje kreeg. Hij schudde het hoofd, het leek wel een vestiaire in een oude opera.
Nog steeds gevolgd door zijn twee wachters stapte Stratford de kleine liftkooi binnen. Hij legde zijn badge op de kaartlezer en drukte op de enige knop op het bedieningspaneel. De twee militairen bleven naar hem staren van achter hun weerspiegelende zonneglazen terwijl de deur zachtjes sloot. Hij wachtte tevergeefs op de zachte liftmuziek of het discrete geping telkens een verdieping gepasseerd werd. Zijn maag werd lichtjes opgetild tegen zijn middenrif en een niet onaangenaam kriebelend gevoel in zijn buik was getuige van de snelheid waarmee de lift naar beneden zoefde. Naarmate hij dieper ging werd het helle licht in de lift geleidelijk gedoofd.
Enkele seconden later openden de deuren zich alweer en stapte Jonathan uit om een tussenverdieping te betreden met zicht op een grote cirkelvormige zaal die spaarzaam verlicht was. De hoofden en brillen van een veertigtal mensen werden grillig beschenen door de vele schermen waarachter ze zich bevonden. Hij had normaal geen last van claustrofobie, maar de gedachte dat hij nu tweehonderd meter onder de koraalbodem in een miljoenen jaren geleden gestolde lavamassa rondliep deed hem huiveren. Uiteindelijk waren atollen niets meer of minder dan amper boven de zeespiegel uitstekende monden van enorme vulkanen. Maar het was vooral de specifieke samenstelling van de lavamassa die de plaats uniek maakte. Het bood aan de indrukwekkende computerapparatuur die opgesteld was in het midden van de ruimte, de beste weerstand tegen stralingen of elektromagnetische pulsen. Of die nu door een menselijke aanval werden opgewekt of door een uitbundige zonne-uitbarsting. Zonder echter een blik te werpen op de drukte beneden, stapte hij één van de vergaderzalen binnen waarin een zwaar gedecoreerde man stond.
“Verdomme, wat is er hier allemaal aan de hand?” snauwde Stratford.
Kolonel Bramaud, de nieuwe opperste bevelhebber van Diego Garcia, probeerde een antwoord te geven, maar Stratford onderbrak hem nors. “Kijk Philippe, ik zal dit zeer eenvoudig voor jou maken. Vanaf nu zal ik wel voor het nodige zorgen, en ik kan je verzekeren dat ik al de hele dag bezig ben geweest om jouw stommiteit recht te zetten. Nu, kun je me vertellen wat er fout is gegaan?”
Philippe Bramaud antwoordde: “Votilio werd inhalig de laatste dagen. Toen hij eenmaal het belang van de informatie kende, probeerde hij ons te chanteren. Wanneer dat niet lukte is hij hier op een avond binnengedrongen en nog voor onze afspraak proberen te vluchten. Dat deed hij op een nogal onhandige manier en een van onze patrouilles heeft hem onderschept. Die konden niet anders. Ik kon niet anders. Het zou teveel zijn opgevallen.”
“Op die manier is het maar goed dat ze hem hebben afgeknald.” Stratford was meedogenloos. Zeker nu. Er stond teveel op het spel en zijn rol was cruciaal. En de hele zaak was al bijna verknoeid nog voor ze begonnen was. “Die patrouille, wat weet die?”
“Allemaal diezelfde ochtend op transport gezet naar verschillende plekken. Geen uitleg nodig. Daar hebben we geen last meer van. Dokter Fowler moeten we misschien wat in het oog houden. Ik werk aan een communicatie naar Oona en haar mannen. Die zouden wel eens vragen kunnen stellen.”
Jonathan gooide Votilios iPod naar Philippe. “Hier, laat ons eens kijken wat hij erop heeft gezet. Ook dat vertrouw ik niet. Is alle uitgaande verkeer trouwens geanalyseerd op verdachte boodschappen? Of dat hij iets op Twitter heeft gezet? Je weet maar nooit met dat soort nerds.”
“Neen, dat hebben we allemaal gecontroleerd. Zijn laptop werd al maanden vanop afstand geanalyseerd. Hij was misschien dan wel een software genie, maar hardware vertrouwde hij blindelings.”
Philippe sloot de iPod aan op de antiek aandoende laptop en ging enkele minuten door de bestanden. Af en toe eens onderbroken door een instemmend gegrom. Ondertussen ijsbeerde Jonathan ongeduldig door de kamer.
Eindelijk ontkoppelde Philippe de iPod. “Het ziet er goed uit. Hij deed wat we hem hadden gevraagd.”
“Geef me dat ding terug, ik weet wat ik er mee moet doen”.
Zonder nog om te kijken stapte Stratford in de lift, nam zijn wapen terug in ontvangst na afgifte van zijn bewijsje en startte de jeep. Voor hij echter vertrok nam hij zijn mobiele telefoon, scrolde door zijn contacten en drukte op een naam. Na enkele seconden werd opgenomen.

“Abacus gaat door zoals gepland.”

* * *

Hoofdstuk 8

Het begon al te schemeren toen Pieter het laatste touw goed aanspande tussen de lompe vlotter van de Grumman en de houten kade waarop Jackie en Jane tussen hun persoonlijke spullen geduldig wachtten. Ook tijdens de korte tocht waren ze bijzonder zwijgzaam geweest. Vooral Jackie had haar ongenoegen over de situatie niet onder stoelen of banken gestoken. Enkel toen Pieter met een grote boog rond het Egmont eiland vloog om zo in het kalme water van de lagune te landen hadden ze een bewonderende uitroep niet kunnen laten.
Het eiland zag er niet zo verschillend uit als de honderden atollen verspreid in de Indische Oceaan. Een halve cirkel met aan de buitenkant witte, snel aflopende zandstranden en een zee die openbreekt op koraalriffen, een goede honderd meter voor de kust. De binnenkant van de cirkel omzoomde een beschermende lagune, met ondiep maar helder blauw water. Het Egmont eiland, dat bestond uit een aaneenschakeling van drie verschillende kleinere eilanden, was enkel verschillend omdat aan de onderkant van de halve cirkel zich één groot eiland had gevormd wat het doorheen de jaren geschikt maakte voor bewoning. Hier en daar waren nog resten van een vroegere bewoning gevonden. Een vervallen kerkje, met daar rond een vijftal hutjes. Pieter had ook nog een kleine begraafplaats ontdekt met enkele zwartgeblakerde grafstenen. De eerste weken van zijn verblijf had hij geprobeerd de mensen en hun geschiedenis te achterhalen maar was al snel tot de conclusie gekomen dat dit écht een vergeten stukje van de wereld was. De enige wezens die getuigden van een vroeger leven waren een paar wilde ezels en varkens. Onschuldig, maar best vervelend als die midden in de nacht voor geen aanwijsbare reden begonnen te krijsen. En Pieter uit zijn slaap hielden.
“Laat ons opstappen. Ik denk dat jullie nu wel ongeveer moeten omvallen van de slaap. En ik van de honger.” 
Pieter nam enkele tassen en verdween in wat leek op een donkere tunnel geboord in het dichte groen van het oerwoud.
“Het is niet dat jullie hier verloren kunnen lopen, maar de weg is niet meer wat het vroeger was,” riep hij nog na. Jane kwam er al snel achter wat hij bedoelde. Nog geen vijftig meter verder struikelde ze en schaafde haar knie open aan de grote tegels die twee eeuwen geleden wellicht een mooi vlak wegdek hadden gevormd. Die tegels waren nu onregelmatig gebroken en het ruwe oppervlak was met grillige boomwortels vergroeid. 
“Verdorie,” kreunde ze luid. Jackie hielp haar overeind en riep naar Pieter: “zeg, is het nog teveel gevraagd om te helpen?” 
Toen er geen antwoord kwam voegde ze eraan toe: “lul.”
Jane strompelde, leunend op Jackie, enkele meters verder toen Pieter terug te voorschijn kwam, ditmaal met twee sterke zaklantaarns. Hij scheen met de heldere LED lampen in hun ogen.
“Zeg heb jij niets anders te doen dan ons te tergen? We zijn hier ook niet vrijwillig hoor. Weet je nog wel?”
Tot haar verwondering zei Pieter, een beetje geschrokken door Janes vermoeide en pijnlijk vertrokken gezicht: “sorry, het is inderdaad niet het moment om de flauwe plezanterik uit te hangen. Kom, geef me de koffers. We zullen direct naar Janes knie kijken. Een open wonde in dit klimaat is niet ideaal. Het is maar een klein minuutje verder stappen en we zijn aan het huis. Jackie, hier heb je nog een zaklantaarn. We willen niet dat ook jij nog valt en een arm breekt.”
Het pad eindigde abrupt in een grasveld met in het midden het koloniale huis. Het imposante silhouet werd verlicht door enkele sterke verstralers, wat voor een bijzonder contrast zorgde op de donkerrode achtergrond van de ondergaande zon. Ze hadden het huis al gezien vanuit de lucht, maar nu ze er eenmaal voor stonden waren Jane en Jackie nog meer onder de indruk. Toen ze de brede treden opstapten naar de openstaande deur, sprongen automatisch nog meer lampen aan in het gebouw. Pieter ging voorop en riep enkele keren: “boe,” en klapte luid in zijn handen. 
“Ik heb hier enkele weken geleden bijna een hartaanval gekregen toen plotseling een wild varken uit een donkere hoek kwam gesprongen,” gaf Pieter als verklaring. In tegenstelling tot de zwartgevlekte en verweerde buitenkant, was de binnenkant van het huis wit, modern en strak. Hier en daar waren oorspronkelijke elementen bewaard gebleven. De royale wenteltrap naar de bovenverdieping was gerestaureerd tot zijn oorspronkelijke grandeur, met kunstig gedraaide leuningen en spijlen die overgingen tot een brede balustrade. Aan de linkerkant van de trap was er een houten loket waar toentertijd de slaven moesten aanschuiven om hun wekelijks loon te ontvangen. Of bij gebrek daaraan, een karig rantsoen. Het harde glanzende ebbenhout dat overvloedig was gebruikt in het oorspronkelijke huis had makkelijk het vochtige klimaat kunnen weerstaan, maar niet de verschillende ongenode gasten zoals avonturiers, pleziervaarders of moderne piraten. Toen Pieter voor het eerst de ruïne binnenstapte waren de muren beklad met graffiti van bedenkelijk allooi. Hoewel er historisch enkele leuke dingen tussenzaten, zoals een gedicht van een Duitse soldaat met als datum achttien mei negentienhonderd drieënveertig, waren de literaire ontboezemingen niet origineler dan Hunter was here, June 1968. De scherpe geur van uitwerpselen en urine, vermengd met verrotte planken en vochtige kalk waren voor Pieter nu slechts een vage herinnering. Daarnaast was er een eerste deur die uitgaf op een kamer die diende als eetplaats voor de familie. En rechts van de hal een parallelle deur die uitkwam op het zondagse salon. Beide plaatsen en de gang waren smetteloos wit geschilderd. Uit gietijzeren, met dikke ronde krullen bewerkte roostertjes, kwam een aangename koele lucht, die de indruk gaf lichtjes gearomatiseerd te zijn.
Pieter liep door de gang en opende de deur naar de grote keuken. Jane zette zich met een pijnlijk vertrokken gezicht aan de verweerde eikenhouten tafel terwijl Jackie de EHBO doos aannam die Pieter haar aanreikte. Ze hurkte neer voor Jane en rolde haar broek op tot net onder de bebloede knie. Dan ging ze voorzichtig verder om de gescheurde stof die in het ondertussen geronnen bloed was vastgekoekt los te maken. Nadat Jane enkele keren het had uitgeroepen was Jackies geduld opgeraakt en scheurde ze met één snelle beweging de stof uit de wonde, die onmiddellijk terug begon te bloeden en een gil aan Jane deed ontsnappen. Gevolgd door een heel boze blik.
“Je bent een echte seut,” schimpte Jackie. “Waar waren mijn gedachten om jou mee te nemen op mijn wereldreis?”
“Wat?” repliceerde Jane, “jij mij meenemen? Luister eens zusje, het was wel omgekeerd hé.”
“Jaja, whatever,” was het enige antwoord terwijl ze vakkundig de wonde ontsmette – zodat Jane weer een hoog gilletje liet horen en uitriep dat het erg prikte en of dat spul nog niet overtijd was – en een verband aanlegde.
“Zo goed als nieuw. Eigenlijk beter want die knietjes van jou worden er ook niet jonger op.” Jackie keek voldaan naar haar werk. Ondertussen was Pieter met potten aan het rammelen en had hij het gesprek – tot zijn verbazing – met plezier aangehoord. Hij betrapte zichzelf erop dat het eigenlijk best leuk was om die twee kibbelende zussen in huis te hebben. En hoezeer hij ook op zijn privacy gesteld was, het was een van de weinige keren dat hij geen bezwaar had om wat leven in de brouwerij te krijgen.
“Gezien de afgelopen gebeurtenissen, de zware verwondingen en de doorstane ontberingen, stel ik voor dat ik een eenvoudige maar smakelijke maaltijd prepareer.” Pieter kondigde dit gemaakt overdreven aan. “Jullie mogen dan nu ophoepelen om boven een slaapplaats uit te kiezen. Ik zal jullie ondertussen een glas koele wijn uitschenken en een doosje Pringels opentrekken als amuse geuille. De gastenkamers zijn zoals steeds opgemaakt. Jullie zullen het wel merken als je in mijn kamer komt. Het is niet te missen. Het is de enige kamer die niet netjes ligt.”
De eerste deur die Jane opendeed nadat ze met een trekkend been haar bagage naar boven had gebracht was natuurlijk Pieters kamer. Ze kon niet anders dan haar zus roepen die net zoals zij met het hoofd schudde. Deels lachend met een beetje medelijden. Het was de archetype kamer van de vrijgezel. Overal lagen boeken, stapels tijdschriften naast het bed, een oude lederen eenpersoonszetel die zo uit de Remake of Friends was weggelopen. Enkele kleren lagen nonchalant, maar wel redelijk netjes geplooid, over de zetel gegooid. Op het bureau naast het bed stonden twee computerschermen met een aquarium als screensaver. Daarnaast stond een ingewikkelde zenderontvanger met flikkerende lichtjes. Aan de muur tegenover het bed hing een grote flatscreen, met links en rechts twee opmerkelijke B&W Nautilus luidsprekers. Onder het beeldscherm hing een smalle lange zwevende kast met openstaande glasdeurtjes. Deze verborg niet zo goed de audiovisuele apparatuur en bijhorende Dvd’s en Blu-Rays. De ingebouwde kleerkast stond half open, zodat de zussen een indiscrete blik konden werpen op een verzameling fel gekleurde T-shirts, broeken en hemden.
Hoofdschuddend probeerden ze de andere deuren die uitgaven op de drie gastenkamers. Zoals Pieters kamer er rommelig bijlag, zo bijna perfect waren de andere kamers. Het leek wel of ze rondliepen in een hotel en keken elkaar vragend aan om het contrast te kunnen verklaren. Ergens klopte het niet. Ze namen zich voor om Pieter uit te horen bij het eten, maar nu waren ze vooral blij hun spullen te kunnen neergooien en snel iets anders te kunnen aantrekken. Wellicht zou de keuze beperkt zijn tot de kaki gekleurde, maar droge, kleren die Oona hen had meegegeven. Hopelijk zouden ze hun eigen garderobe nog kunnen redden van het zoute water.
Jane was als eerste terug beneden, in haar armen een hoge stapel kleren. “Pieter, is er een mogelijkheid dat ik deze hier kan wassen en drogen? Alles zit samengeklit door het zout en als ik ze niet onmiddellijk was zijn ze verloren.”
Pieter keek niet op terwijl hij enkele klaargemaakte krabben, rivierkreeften, gamba's en reuzengarnalen op een met ijs bedekte schotel legde. “Ja hoor, neem deze deur hier en dan zie je de was- en droogautomaat staan. Was het maar allemaal. Je mag ook mijn kleren van de afgelopen maand doen als je dan toch bezig bent.”
Jane liep langs de ondertussen gedekte tafel en nam snel enkele Pringels uit het kommetje dat naast Pieter stond. “Hey,” riep hij, opkijkend recht in haar ogen. “Vreemd, purpergroene ogen,” dacht hij. Haar gezicht was zacht en er was bijna geen spoor van vermoeidheid meer te zien, misschien enkel de wat donkere schaduwen onder haar ogen. Onbewust, of toch niet, gleed zijn blik naar beneden.
“En bevalt het je?” vroeg Jane een beetje uitdagend. Ze was naar de deur gestapt en draaide zich om. Pieter voelde zich betrapt als een puber die voor de eerste keer naar een meisje kijkt zonder aan haar vlechten te willen trekken. Schaapachtig knikte hij, met zijn houding geen raad wetend. Binnensmonds verwenste hij zichzelf. Hij was mid veertig, gekend om zijn sarcasme en onafhankelijkheid. En zag hem nu staan. Grijnzend naar een vrouw alsof ze het enige overlevende wezen was op de aarde.
“Je mag je zuster roepen, les fruits de mer sont servis,” riep hij haar achterna.

* * *

Hoofdstuk 9

Het jarenlange kazerneleven maakte dat Stratford geen wekker meer nodig had om iedere ochtend stipt om vijf uur wakker te worden. Hij was dan ook al bijna een uur op toen hij binnenstapte in het kantoor van de logistieke ondersteuning. Beter gekend als de onderbroekentellers. De jonge korporaal sprong op van zijn stoel, salueerde en wenste Jonathan een goede morgen. 
Jonathan zette zich neer aan het bureau en deed een teken dat de korporaal terug mocht zitten. “We hebben vandaag een zending klaar te maken voor Van Dyck. Je weet dat hij een aantal schipbreukelingen heeft opgepikt maar we hebben hem jammer genoeg niet veel kunnen meegeven gisteren. Hem kennende heeft hij net genoeg eten en drank voor zichzelf, maar niet voor onverwacht bezoek.”
Hij haalde een lijst boven en legde die boven een stapel formulieren. “Het heeft prioriteit. Het vliegtuig zal klaarstaan om vijftienhonderd uur. Je hebt dus meer dan voldoende tijd om het niet te verprutsen.”
De man wou nog even tegensputteren dat hij eigenlijk om zeven uur van zijn wacht zou afgelost worden, maar een ijzige blik van Stratford maakte duidelijk dat hij hier toch maar best werk van zou maken. Tenzij hij de volgende week elke dag zee-egels wou prikken onder een brandende zon.
“Contacteer me om veertienhonderd vanmiddag zodat ik alles nog eens persoonlijk kan checken,” riep Stratford nog terwijl de deur al dichtklapte. Hij zette zijn gedemodeerde pilootzonnebril op en stapte de stoffige weg over naar de ziekenboeg. De tikkende watersproeiers die ervoor zorgden dat er voor de barakken wat frisgroen gras groeide, sprongen aan. Dat bevestigde dat het klokslag zes uur was. Stratford wist dat zelfs op dit vroege uur Fowler te vinden zou zijn in zijn kantoor. Hoe ouder ze werden hoe vroeger ze opstonden. Een verloren gelopen wild biggetje verschool zich piepend onder enkele laaggroeiende struiken toen Stratford met zijn zware laars op de grond stampte om het weg te jagen. Vlinders fladderden van bloem tot bloem en de lucht zinderde van het gebrom van insecten. De zon begon al een brandend gevoel te geven en Stratford was dan ook blij van de ene geklimatiseerde kamer naar de andere te kunnen gaan. 
Fowler stond over een kabinetskast gebogen en rommelde tussen een stapel dossiers toen Stratford binnenstapte. Hij had net het papierwerk rond Votilio afgewerkt en stond op het punt zijn bevindingen via mail naar zijn medische meerdere te sturen. Niet dat die overste er al te veel aandacht aan zou spenderen, maar volgens het proces moest dit nu eenmaal gebeuren.
“De zoveelste onopgeloste zaak,” dacht Fowler. Hij had ook geleerd zich bij sommige dingen in het leger niet te veel vragen te stellen. Hij draaide zich om toen hij Jonathan hoorde binnenstappen en keek over de rand van zijn leesbrilletje.
“Een goede morgen, heerschap. Waaraan heb ik dit hoge bezoek te danken? Hopelijk geen nieuwe lijken deze ochtend.”
“Neen, deze ochtend is zoals de vele ochtenden die we hier al hebben meegemaakt. Alles rustig zoals het hoort te zijn. Ik kom de spullen van Votilio nog eens onderzoeken. En ik moet het dossier dan nog verder in orde maken en samen met jouw verslag indienen bij Bramaud. Die heeft een volledig overzicht gevraagd en wil op de hoogte worden gebracht van alles wat we vinden.”
Jonathan schonk zichzelf een zwarte koffie uit een van de kannen die op een rolkarretje stonden en verdween in de kamer waar hij gisteren met Pieter een eerste keer door alle spullen was gegaan.
“Veel plezier, zou ik zo zeggen,” antwoordde Fowler die ondertussen weer in zijn kast was gedoken.

* * *

Hoofdstuk 10

Ian Summerton keek weg van de in stilte voorbijrazende wagens op de Palisades Parkway en richtte zijn blik op de brede vitrinekast in het ruime kantoor. Zonder twijfel was hij de enige die de geëtaleerde manuscripten en incunabelen volledig op hun waarde kon schatten. Ze zagen er niet bijzonder uit, eigenlijk waren ze oud en versleten. Een bundel oud broos papier in een afpellende schrale lederen kaft. Tijdens een grote schoonmaak zouden de uitgestalde boekjes weinig kans op overleven hebben. Als kind was hij reeds geboeid door oude boeken en kon hij uren in de bibliotheek de met bladgoud gedrukte titels op de ruggen in stilte lezen. Later was zijn blijvende interesse vooral uitgegaan naar de renaissance. Niet zozeer naar de beeldende kunsten zoals bij de meeste van zijn ijdeler collega's, maar naar het nieuwe politieke en religieuze gedachtegoed van het humanisme. Of hoe vanaf het midden van de vijftiende eeuw, na het uitdeinen van de eerste Honderdjarige Oorlog, de toenmalige westerse wereld uit de donkere middeleeuwen trad. En de mens op onderzoek ging buiten de eigen grenzen. Het waren eeuwen waar de ratio terug op het voorplan kwam, de tijd van boute ontdekkingsreizen, van nieuwe economische modellen en het begin van wetenschappelijk onderzoek. Een periode van ongekende groei en geloof in het redelijk denken om zo vanonder een godsdienstig juk te ontsnappen dat al eeuwen de vrije wil kidnapte.
Hij was dan ook bijzonder trots op zijn unieke collectie. In de glazen kast lagen dan ook ongekende werken van onschatbare waarde. Nu ja, als Bill Gates decennia geleden één van de DaVincis codices mocht hebben dan mocht hij toch ook wel enkele werken van Thomas Moore bezitten. Als een detective had hij achterhaald dat vooral de laatste werken van Moore spoorloos verdwenen waren. Uiteindelijk was hij erachter gekomen dat in een externe opslagplaats, gehuurd door de universiteit van Cambridge, er nog honderden ongeopende kisten stonden met onbestudeerde en ongecatalogeerde boeken en manuscripten. Omdat de universiteit zoals steeds met geldmoeilijkheden kampte en continu probeerde te bezuinigen waren er geen fondsen om een team te betalen. Al was het maar om de inhoud van de kisten te bestuderen en vast te leggen. Een gepensioneerde conciërge had hem, in ruil voor enkele flessen goede rode wijn, toegang verleend tot de met spinrag versierde opslagruimte in de vervallen fabrieksloods. Een kopie van een machinaal getypte inventaris was zijn enige leidraad om zijn weg te vinden tussen de soms halfvergane kisten. Eén lijn op de lijst had zijn aandacht getrokken.
Parish Church Chelsea, 1632. Drie kisten.
Hoewel een eeuw na Moores onthoofding was het meer dan aannemelijk dat zijn familie hun privé bibliotheek en geschriften in veiligheid zou gebracht hebben. Zeker nadat het familiedomein door Hendrik VIII werd geschonken aan William Paulet. Morus had met de gladde Paulet nooit een goede relatie gehad. Het feit dat Paulet één van de rechters in zijn proces was sprak reeds boekdelen. Ian vermoedde dat Morus' dochter Margaret, zonder medeweten van haar man William Roper, de meest controversiële geschriften naar de kelders van het dichtstbijzijnde kerkje hadden gebracht. Waar de kisten zonder al te veel zorg in de kelderbibliotheek verdwenen om na honderd jaar weer op te duiken. Na enkele overstromingen besloot men de kelders van het parochiekerkje leeg te maken en werden de ongeopende kisten naar een nabij gelegen bibliotheek gevoerd waar ze, door gebrek aan tijd en geld, onaangeroerd bleven staan. Toen die bibliotheek werd afgebroken om plaats te maken voor de aanleg van een nieuwe ringweg rond Londen, werden enkele containers op vrachtwagens geladen richting centrale bibliotheek Cambridge. Die bibliotheek schatte haar achterstand om de privé verzamelingen, schenkingen en opruimacties te verwerken op een kleine vijftig jaar. De stoffige kisten uit een vergeten parochiebibliotheek kon niemand warm maken en werden bijgezet in de oude fabrieksloods. In afwachting van betere tijden die er nooit zouden komen. Tot Ian ze met een koevoet openbrak en zich geduldig een weg baande doorheen de duizenden samengeklitte pagina's. Het merendeel oude verslagen van de kerk, geboortes, overlijdens, rekeningen, huwelijken en – saaie – preken. Maar op een avond kon hij de hand leggen op wat hij reeds lang zocht.
De verloren briefwisseling van Morus en zijn dochter Margaret. Geschreven toen hij zijn laatste dagen doorbracht in de Tower.
Jarenlang had hij de dikke bundels met druk beschreven vellen bestudeerd en was er uiteindelijk in geslaagd om de ogenschijnlijk verwarde teksten zo te ordenen dat er een logische volgorde was. Ian twijfelde geen moment dat zowel Morus als zijn dochter dit opzettelijk hadden gedaan om de toentertijdse religieuze en politieke leiders op een dwaalspoor te zetten, niet in het minst de steeds achterdochtige Paulet en Cromwell. Maar vooral om Margaret te beschermen. Hij had de laatste gedachten van Morus kunnen reconstrueren. En hij was de enige op deze wereld die ze kende. Tot nu.
Iveta Ferelli, zijn assistente, opende na één duidelijke klop de dubbele deur en sloot die onmiddellijk weer achter zich. Ian keek niet op uit zijn gedachten. Hij was niet eens opgeschrokken. Per slot van rekening waren zij alleen op deze etage en – buiten wat bewakingspersoneel – wellicht de enigen in dit gebouw. Het was één van zijn back-up gebouwen. Een spiegelbeeld van het hoofdkantoor in Manhattan. Onderdeel van het business continuity plan mocht er zich een ramp voordoen in New York. Op elk moment van de dag of de nacht kon dit gebouw alle functies overnemen, zonder ook maar één bit aan data of productiviteit te verliezen.
Maar Ian gaf ook de voorkeur aan dit gebouw omdat het onopvallend was, makkelijk te bereiken, goede parkeergelegenheid bood en op nog geen half uurtje rijden lag van de luchthaven van Newark. Daar was hij deze ochtend netjes op tijd geland met de corporate jet vanuit Heathrow nadat hij afscheid had genomen van Vladimir en Juergen. Dat soort luxe zou hij de komende maanden en wellicht de komende jaren niet meer hebben, maar of hij het zou missen? Neen, zeer zeker niet.
Iveta legde haar hand op zijn schouder en keek zo met hem mee naar de overkant van de Hudson. De slingerende middenberm van de Palisades Parkway en de steile oevers aan de overkant van de Hudson toonden eindelijk terug een fris lentegroen na maanden van troosteloos wintergrijs. Ze hield van het uitzicht en bleef Ian dankbaar sinds het moment dat hij haar uit het stoffige kantoor van Milaan had weggehaald om hem te volgen als zijn persoonlijke assistente. Hoewel ze het hectische van Milaan en het totaal ongecontroleerde van de Italianen zeker niet miste, had ze nu en dan toch heimwee naar het zomerse klimaat en de uitgelaten sfeer die er 's avonds heerste aan de canali. Vooral de winters konden hier verraderlijk zijn, zeker omdat haar huis enkele kilometer dieper in de Catskills gebouwd was. Wat de trip naar het kantoor, zelfs met de vierwielaandrijving van haar zware wagen, tot een waar avontuur kon maken.
Na enkele ogenblikken stilte zei ze: “ze zijn allemaal aangekomen. De vergadering kan beginnen. Zal ik ze binnenroepen?”
Ian knikte, “ja, doe dat maar. Alles is klaar.”
Iveta verdween om enkele minuten later terug te komen gevolgd door vier mannen en één vrouw. Ian begroette hen allemaal vriendelijk, wat afstandelijk, met de voornaam en nodigde hen uit om plaats te nemen aan de ronde tafel. Het onderwerp van de vergadering was nu eenmaal niet om licht over te gaan noch om misplaatst opgewekt te zijn.
“Ik heb werkelijk uitgekeken naar dit moment en ik ben er zeker van dat jullie hier ook op hebben gewacht. Nu zijn we zover,” opende hij de vergadering. Met een druk op het controlepaneel dat op de tafel lag, werd het kantoor gedimd door het sluiten van de gordijnen en het langzaam doven van de plafondspots. Twee panelen schoven geruisloos weg en op het muurbrede scherm werd een beeld geprojecteerd dat heel erg op de presentatie van Juergen leek de dag ervoor.
“Zoals jullie allemaal weten hebben we enkele jaren geleden, om precies te zijn drie jaar en zeven maanden, het project Abacus opgestart. De bedoeling was om met de hulp van de meest geavanceerde algoritmen een aantal simulaties en vergelijkingen uit te werken om zo tot een perfecte voorspelling van de toekomst in ongeveer vijftig jaar te komen. We hebben onze medewerkers en teams telkens op een klein aspect laten werken, andere teams op de interactie van een klein aantal aspecten om de onderlinge invloeden te berekenen, dan daarboven weer een team dat correlaties uitvoerde. En daarboven een team dat de correlaties correleerde. En dat tot de piramide eindigde bij één zeer kleine groep mensen. En dat is wat jullie nu zien op het scherm. De meest voor de hand liggende uitkomst als we deze variabelen met elkaar vergelijken.”
“Sinds decennia is de wereld in een stroomversnelling geraakt, met als gevolg dat we worden geconfronteerd met de ene crisis na de andere. We herinneren ons nog allemaal de financiële crisis van tweeduizend acht. De aansleep leidde tot het faillissement van de meeste Europese landen. Sindsdien zijn de beurzen meer gesloten geweest dan open om een totale ineenstorting van het systeem te vermijden. De oorzaak kan gevonden worden in de steeds toenemende drang om productie en diensten naar lagelonenlanden te verhuizen. De economie groeide niet meer, maar de winst diende ieder kwartaal te verbeteren. Dus werd er steeds meer op de kosten beknibbeld. Maar de flaw in het hele concept van de lagelonenlanden was dat de consumptie nog steeds in het oude Westen, en dan vooral Europa en Noord Amerika, gebeurde. Nadat dat oude Westen ook figuurlijk het avondland werd, verdween ook de koopkracht en exportmarkt. Ondertussen probeerden de lokale markten hun eigen afzetmarkt te worden wat leidde tot hogere loonkosten zodat uiteindelijk het begrip lagelonenland niet echt meer aan de orde was. De prijzen en levensduurte schoten in de lucht wat weer een grote kloof sloeg tussen arm en rijk in gebieden waar er historisch al grote verschillen waren. De opstanden in Bangalore en Shangai waren de eerste tekenen van een falend systeem. En de paniekreactie om een aantal industrieën terug naar West Europa en Noord Amerika te brengen liep ook af op een sisser. De hoge werkloosheid in Europa en Noord Amerika leidde dan weer tot een grote onverdraagzaamheid ten aanzien van minderheden. Minderheden die tot nog toe een unieke status genoten in een maatschappelijke samenlevingsvorm die in se tolerant en multicultureel wou zijn. Maar waar mensen honger hebben is er geen plaats voor tolerantie. Heftige rellen in de straten van Rotterdam, de voorsteden van Parijs en Bonn, een brandende Scala en Vasa. Heksenjachten tegen alles wat en wie anders was. Een vruchtbare bodem voor religieuze fanatici gesteund door de opkomst van het Christelijk terrorisme toen paus Benedictus XVI de invloed van zijn kerk wou herstellen. Blind werd de moslim bevolking uit de standscentra gedreven, de Tweede Wereldoorlog achterna. Daarnaast verscheen in de media wel iedere dag een doemscenario dat het einde van onze beschaving aankondigde. Global warming, een komeet, een pandemie, 2012 kwam en ging, aardbevingen en tsunamis, zonnewind, het omslaan van de polen ... elke dag was er wel iets dat de wereld zou doen vergaan. Het ene al catastrofaler dan het andere. Maar de wereld verging maar niet, hoewel de hardnekkige aanhangers van Nostradamus en andere profeten wel steeds opnieuw een voorspelling naar voor brachten.”
“Eind twintigste eeuw ging er na twintig jaar geen druppel olie meer te vinden zijn. En wat gebeurde er? Door het wegtrekken van de poolkappen werden nieuwe bronnen ontdekt, in de bergen van Oman zijn nieuwe olievelden aangeboord, groter dan wat er ooit in het Midden Oosten was gevonden. En in de Noordzee zijn tot nu toe ongekende gasvoorraden in kaart gebracht. Daarnaast werden zonne- en windenergie als alternatieven uitgebouwd.”
“Maar de vervuiling van de aarde ging verder. De een na de andere klimaattop werd klimaatflop genoemd. De nieuwe industriële landen wilden hun pas verworven rijkdom en positie niet verliezen. Andere landen konden CO2 certificaten kopen als een soort moderne aflaten. Het gevolg? Moderne technieken zoals waterstof motoren kwamen niet van de grond omdat geen enkel bedrijf, noch investeerder iets wou doen met een return langer dan een decennium. Dus het bleef bij een enkel pilootproject want niemand wou de infrastructuur uitbreiden. En de bestaande brandstofinfrastructuur kon niet worden omgebouwd, zogezegd te duur en niet rendabel. Natuurlijk niet, zeker niet met de steun van de meeste, eigenlijk alle, regeringen omwille van de taksen op fossiele brandstoffen. Een te belangrijke bron van inkomsten voor een inefficiënt regeringsapparaat.”
“Dames en heren, ondanks de dagelijkse kost negativisme, lijkt het er op dat technologie steeds een antwoord vindt. Maar het is een verouderd economische model dat het tegenhoudt. De huidige samenleving is tot haar limieten uitgerekt en wordt nu bedreigd door een sluipende evolutie in de mensheid. Natuurlijk zal een of andere ramp onze aarde ooit treffen met een verwoestende kracht. Maar de kans dat zoiets plaats vindt is klein, en onvoorspelbaar met de huidige modellen. Zelfs onze vergelijkingen en analyses toonden geen enkel patroon of invloed. Maar het enige dat binnen afzienbare tijd wel en onomstootbaar een invloed heeft op het bestaan van onze beschaving ...” 
Hij pauseerde eens om zijn woorden aan belang te doen inwinnen na deze toch wat lange introductie. 
“Het enige wat een bewezen negatieve invloed uitoefent, is de ontoombare aangroei van de bevolking. Een bevolking, die zelfs met de nodige ziektes, natuurrampen en lokale conflicten ondertussen is uitgegroeid tot meer dan tien miljard. Uiteraard heeft ook hier de technologie bijgedragen om de aarde steeds meer te laten opbrengen. Genetische manipulatie, inentingen via gemuteerde muggen, hyper voedzame nutriënten, eenvoudige productie van drinkbaar water. Maar technologie slaagde er niet in om de psychologische effecten van de overbevolking aan te pakken. Het is niet meer beperkt tot de grootsteden met hun woonkazernes en verpauperde buurten, dat we het ratsyndroom zien. Ratten in een kleine kooi worden agressief en vreten elkaar uiteindelijk op. Ongeacht of er voldoende eten is of niet. Alleen is de rattenkooi vandaag de aarde geworden, en niet enkel de drukbevolkte gebieden. Dus zowel sociologisch en economisch stevenen we af op een totale ondergang van onze huidige levensvorm, -norm en -kwaliteit. En zoals jullie hebben gezien op de dynamische kaart, het is een kwestie van enkele jaren. Opstanden, religieus fanatisme, meer economische crisissen zullen elkaar opvolgen in steeds sneller tempo, omdat de samenhang tussen al deze elementen duidelijker en manifester zal worden. Zoals jullie kunnen zien wordt dit een totale chaos die onze maatschappij voor honderden jaren zwaar onder druk kan zetten. De ideale voedingsbodem voor anarchie.”
Ian zweeg en nam een slok water uit het glas dat Iveta voor hem op de tafel had gezet. Hij liet zijn publiek de tijd om naar de steeds groter uitdijende rode vlakken te kijken. Na enkele ogenblikken begon hij weer.
“Maar er is een oplossing en daarvoor hebben we jullie nodig. We hebben nu de technologie, niet enkel om deze voorspellingen te maken, maar ook om op tijd in te grijpen. Wie heeft niet al de verzuchting gehoord dat er nog eens een goede oorlog zou moeten komen. Wat jullie nu zien op het scherm is een grafiek van de economische groei gekoppeld aan een periode van oorlog. Uit die grafiek kan duidelijk afgeleid worden dat na een oorlog er een periode van welvaart komt, dat er tijdens een oorlog een andere ingesteldheid heerst rond investeringen en economische groei. De renaissance kwam na de Honderdjarige Oorlog, de gouden eeuw kwam na de Dertig en Tachtig Jarige Oorlog, de industriële revolutie kwam na de laatste Nederlandse Oorlog en de periode met de hoogste welvaart kwam na de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Medische doorbraken kwamen er door het slagveld. Out of the box thinking komt er wanneer er daadwerkelijk gevaar is. Technologische vernieuwingen krijgen een adrenalinestoot wanneer er een militair voordeel uit te halen valt. Welnu, de bevolking is klaar voor grote veranderingen. Vandaag hebben we de technologie om de situatie terug te brengen tot een solide basis van waarop we terug kunnen bouwen. De huidige infrastructuur, het uitgeperste economische model, laat geen groei meer toe. Meer nog, ze verhindert dat de mensen, de bedrijven en samenlevingen zich verder ontwikkelen. We moeten tabula rasa maken. Schoon schip. Terug naar de basis. We moeten twee parameters terug tot normale proporties brengen: bevolkingsaantal en irrelevante structuren zoals verstikkende steden, vervuilende industrieën en inefficiënte communicatie. Vandaag kunnen we op een gecontroleerde manier het gevaar van de aangroeiende bevolking aanpakken. Met de juiste afspraken, de juiste technologie kunnen we net genoeg afbreken om fout gegroeide toestanden recht te trekken en met een schone lei opnieuw te beginnen. Met het correct gebruik van conventionele wapens zal de impact beperkt blijven, zal er geen contaminatie zijn en kan de economie dus onmiddellijk terug hersteld worden en weer groeien. Het gebruik van biologische, chemische of nucleaire wapens is onvoorspelbaar. En mist daardoor het doel om de infrastructuur te vernietigen die hoog nodig moet worden aangepakt. Zodat de economie een vliegende start kan krijgen. Focus zal komen op onderzoek. Productie zal terug over de continenten worden verdeeld en de economische groei zal terug op gang komen. Een globale periode van elan en welvaart als gevolg.”
De projectie op het scherm was van rood terug naar groen gegaan.

“En dat is het gevolg van een gecontroleerde oorlog.”

* * *

Hoofdstuk 11

De combinatie van familiale keukengeluiden in het vreemde huis, de geur van lakens die door het klimaat zwoel-vochtig aanvoelden en het heldere licht van de snel opkomende zon door de linnen vouwgordijnen zorgden ervoor dat Jane gelukzalig wakker werd. Hoewel ze er geen idee van had hoe laat het was. Deze laatste gedachte bezorgde haar een paniekaanval want misschien was het al na de middag en had ze het mooiste en grootste stuk van de dag gemist.
Snel stapte ze uit het bed zonder zich te realiseren dat haar knie geen pijn meer deed. Ze genoot van de warme douche, schoot enkele kleren aan en rende de brede wenteltrap naar beneden. Flarden van het geanimeerde gesprek tussen Pieter en haar zus, af en toe onderbroken door Jackies heldere lach, kwamen haar tegemoet. Jane betrapte zichzelf op een jaloerse toon toen ze de keuken binnenstapte en zei: “ik stoor toch niet?” Ze keek afkeurend naar Jackie die enkel in een hemd gekleed op het aanrecht zat, haar lange bruine benen losjes bewegend, en zei: “wat doe jij hier al juffrouw langslaper? Anders geraak je nooit uit je bed?”
Pieter was snel om te antwoorden: “hi Jane, zeker niet. Kom erbij, ik heb een Aziatisch ontbijt klaargemaakt; noedels, dimsum, roerbakken ei, kippensoep ... euh... ja dat is het zowat. En enkele broodjes. En thee.”
Terwijl Pieter het ontbijt serveerde, vervolgde Jackie onverstoorbaar. Ze stoorde zich niet echt aan haar zuster en haar soms vervelende opmerkingen. Het was niet haar fout dat haar haren net wat blonder, haar ogen net wat blauwer, haar benen net wat slanker waren. Daarom had Jane, sinds hun zeventiende, een gedragscode opgesteld om niet meer achter elkaars vriendjes aan te zitten.
“Neen zusje, maar er is wel goed nieuws. Pieter heeft deze ochtend reeds het signaal van de Port kunnen oppikken en via de GPS de positie berekend. We bestudeerden net de maritieme kaart om te bepalen hoe we het best onze boot kunnen bergen. Dat is dus geweldig nieuws, want het betekent dat we onze trip kunnen verder zetten na de nodige herstellingen die ongetwijfeld in Diego kunnen uitgevoerd worden. Of we kunnen op de motor naar de zuidelijke Seychellen varen. Daar is in gelijk welke haven de mast zeker te herstellen.”
Pieter vervolgde: “het écht goede nieuws is dat jullie jacht vannacht in een sterke stroming terecht gekomen is en deze richting is gedreven. We weten natuurlijk niet of het jacht nog zeewaardig is. Het is niet omdat de noodzender nog werkt dat het schip niet volledig volgelopen en verloren is. Maar volgens de gegevens drijft het nu een goede twintig mijl ten zuiden van Egmont. Wat dicht genoeg is om eens een kijkje te nemen met de Zodiac. Natuurlijk weet ik dat je de voorkeur geeft aan een tochtje met het vliegtuig.”
Jane keek op van haar noedels. Ze moest toegeven, voor een kluizenaar creëerde hij best lekkere gerechten. “Hoe laat is het eigenlijk?”
“Geloof het of niet zusje, het is pas acht uur 's morgens. Jaren geleden dat ik nog zo vroeg heb opgestaan.” Jackie strekte zich uit, stond recht van haar stoel en knipoogde naar Pieter: “excuseert u mij allen, ik ga me klaarmaken. En, oh ja, nog eens bedankt voor de leuke avond gisteren. Je bent blijkbaar dan toch geen moordlustige weirdo zoals ik eerst dacht.”
Jane volgde met donkere ogen haar schaars geklede zuster. Ze haatte het wanneer die zo slijmde. Pieter zette zich met de kaart tegenover Jane. “Zo, Jane, goed geslapen neem ik aan?”
“Als je er rekening mee houdt dat het weken geleden is dat ik nog in een normaal en niet op-en-neer gaand bed heb gelegen, heb ik inderdaad als een roos geslapen.”
“Je ziet er in ieder geval goed uitgerust uit. Je kunt me dus zeker helpen.”
Jane keek hem vragend aan terwijl ze de laatste restjes kippensoep uit het kommetje lepelde.
“Ik heb iemand nodig die de boot bestuurt terwijl ik een inspectieronde uitvoer rond het eiland. Normaal doe ik dat dezelfde dag van een zwaar onweer, maar gezien jullie er gisteren tussenkwamen wil ik het nu doen. Het is ook al een tijdje geleden dat ik de Zodiac heb gebruikt. Dus het is geen slecht idee om de motoren warm te draaien en te testen. Ik heb écht geen zin om Jonathan te contacteren om ons te komen halen vanop een stuurloos bootje.”
Jane knikte instemmend, niet dat ze iets anders te doen had, maar de idee om het eiland van nabij te leren kennen sprak haar wel aan. “En Jackie?” vroeg ze.
“Ik heb het haar gevraagd, maar ze wil liever hier blijven en mail beantwoorden. Blijkbaar wil ze ook haar Facebook pagina aanpassen ... en ik denk dat ze ook wel aan haar kleurtje wil werken.”
“Ik dacht dat jullie al beslist hadden om samen te gaan. Het was precies toch een leuke bedoening tussen jullie toen ik binnenkwam,” merkte Jane killer op dan bedoeld.
Pieter grinnikte en ging haar voor naar het ruime terras achteraan het huis. Jane ademde diep de warme lucht binnen. De geur van het strand mengde zich met die van dampende bladeren. De stilte van gisterenavond had nu plaats gemaakt voor een afwisselend gekraak van vallende kokosnoten, het gefluit en getjilp van vogels met op de achtergrond de branding van het koraalrif. Een dik insect zoemde luid voorbij, het leek te aarzelen om dichterbij te komen maar verdween dan snel. Met haar ogen volgde ze het insect tussen de bomen. Tot haar verrassing kon ze tussen de stammen en struiken door, de zee en het strand zien liggen. Dat zou zeker haar bestemming worden deze namiddag. 
Op dat moment duwde Pieter met een steekwagentje op dikke rubberen banden enkele gereedschapskisten en jerrycans van om de hoek van het huis en stapte richting het pad dat ze ook gisteren hadden genomen. In het daglicht was het een koud kunstje om de wortels en opstekende tegels die als boobytraps lagen te wachten, te omzeilen. Jane moest lachen met het komische beeld van Pieter die zigzaggend met het steekkarretje voor haar uit liep. Abrupt ging het weggetje over in een plankenvloer van ongeveer anderhalve meter breed die over het strand was gelegd. De vloer splitste zich na enkele meters om links naar de steiger te lopen waar de Grumman als een grote zwaan rustig dobberde. Het rechtse stuk leidde naar het overdekte botenhuis.
Jane wees naar een zwarte vliegtuigstaart die een goede tweehonderd meter in de lagune in een hoek van vijfenveertig graden uit het water stak.
“Ook een van jouw betere landingen neem ik aan?”
“Heel grappig. Ik vrees dat dit al wat jaren geleden is gebeurd, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is het overblijfsel van een Japanse vliegboot. Die dingen werden toen vooral gebruikt als verkenningsvliegtuigen. En die zal een geluk bij een ongeluk hebben gehad. Geloof me, er zijn geen skeletten te vinden in het wrak. De piloot zal zich nog mooi op tijd hebben kunnen redden. Tijdens die oorlog hadden de Japanners bijna op elk eilandje wel een paar mannetjes zitten, meestal om een luchtafweerinstallatie te bedienen. Of om als radiostation te dienen. Vergeet niet dat ze toen nog geen satellieten hadden. Als we de tijd hebben dan kunnen we er  naar toe snorkelen. Het is eigenlijk wel leuk om te zien hoe het leven zich ontwikkelde in en rond dat wrak. En zolang het niemand hindert, dan heb ik er ook geen probleem mee.”
Pieter ploeterde verder door het mulle zand en blies: “daar is het botenhuis. Het is gebouwd op een betonnen plaat die dienst deed als basis voor het luchtafweergeschut. Binnen kun je nog de metalen rails zien waarop het kanon ronddraaide.”
Jane volgde Pieter via een krakende en piepende deur naar binnen. Het duurde eventjes voor haar ogen gewend waren aan de duisternis. En haar neus aan de geur van olie, vet en brandstof. Het botenhuis bestond uit twee delen en was voornamelijk over het water gebouwd. Het eerste deel stond op de betonnen vloer met aan de kant enkele kasten en tonnen. Een gereedschapsbank besloeg aan de achterkant bijna de volledige breedte. Op houten bokken stonden twee massieve Evinrude E-tec 300 buitenboordmotoren. Een metalen takel overspande het plafond. Geoliede kettingen met ijzeren haken bengelden langzaam heen en weer. Het tweede deel van het botenhuis overkoepelde een vaargeul waarin een stoer aandoende twaalf meter lange Zodiac lag aangemeerd. Pieter ging in de weer om de twee Evinrudes los te schroeven van hun bokken waaraan hij ze enkele dagen geleden met stormbouten had vastgemaakt. Toen de laatste bout in zijn hand viel, verklaarde Pieter terwijl hij liefdevol over de glanzend witte kap wreef: “deze twee schoonheden zijn de laatste die ik wil verliezen.”
Hij monteerde zorgvuldig de haken aan beide kanten van de eerste motor en nam een lompe vuilgele afstandsbediening in de hand. Voorzichtig manoeuvreerde hij de eerste motor, vergezeld van het luide geratel van de winch, tot die in het daarvoor voorziene gat van de Zodiac klikte. Met één been op de betonnen vloer en met het andere been in de Zodiac, koppelde hij ook behendig de tweede motor aan met de nodige aansluitingen en brandstofslangen. Ondertussen had Jane de trossen losgemaakt en nam ze Pieters hand om in de Zodiac te springen. Ze plaatste zich naast hem op één van de verschillende zitjes. Hij draaide de contactsleutel in het slot en de V6 motoren gehoorzaamden gedwee met een donker gebrom. 
“Zo'n machtig geluid, daar kan geen Porsche of Ferrari tegenop,” zei Pieter tevreden. Langzaam liet hij het gas opkomen en ze gleden uit het botenhuis de lagune in. Met een boog stuurde Pieter rond het wrak van het Japanse watervliegtuig zodat Jane de verschillende koralen, wieren en vissen kon zien die als nieuwe huurders hun intrek hadden genomen. Ze knikte beamend: “ja, hier moeten we zeker eens komen snorkelen en foto's nemen. Fantastisch.”
Pieter draaide naar de noordwestelijke doorgang, de geul die de Egmont eilanden verdeelde in het bewoonbare Ile Tattamucca en het kleinere Ile Carne Pate. Nog steeds langzaam varend in het kalme lichtblauwe water tussen de twee parelwitte stranden kwamen ze dichter bij de koraalriffen op een paar honderd meter van de kust. Pieter bestudeerde de kustlijn op zoek naar aangespoeld afval of schade. Al snel kon hij concluderen dat alles er normaal uitzeg.
“Het is verontrustend dat zelfs vandaag zowel de grote containerschepen als de pleziervaart een storm aangrijpen om hun tanks te spoelen. Het zou niet de eerste keer zijn dat een dikke olieblubber het strand bezoedelt,” merkte hij op.
Jane zag de zee aan de andere kant donkerder worden en de golven openbarsten op de riffen die net onder of net boven de waterlijn lagen. Pieter nam het roer over om voorzichtig het rif over te steken. Eenmaal voorbij die barrière voelde Jane aan de deining van de boot en het plots vallen van de temperatuur, dat ze nu werkelijk de oceaan opgingen. Pieter voerde de snelheid plots hard op en ze stoven in een wolk van waterdruppels weg. Jane smakte hard op het zitje. Ze porde hem boos in de ribben. Blijkbaar kon hij het pesten niet laten. Pieter brulde tegen het zware geluid van de motoren en het smakken van de boot op de golven naar een zich stevig vasthoudende Jane: “aan deze snelheid zijn we er binnen een klein uurtje. Zeg het me als het te oncomfortabel wordt.”
Jane knikte begrijpend maar deed zelfs geen poging om tegen het gedruis in te roepen. Ze besloot van het uitzicht te genieten. Na iets meer dan een uur vertraagde Pieter en gaf hij aan Jane één van de verrekijkers: “als jij aan stuurboord kijkt, dan zoek ik aan de andere kant.” Hij tikte op het grote scherm van de GPS ontvanger: “we zijn op de plaats aangekomen waar volgens het signaal van de noodzender jullie boot zou moeten drijven. Ik ben een beetje verontrust dat we nog niets zien. Deze apparatuur is heel nauwkeurig.” Er gingen enkele minuten voorbij waar enkel het gemurmel van de motoren te horen was en het klotsen van het water tegen de romp. Toen kreeg Jane het schip in de kijker en maakte ze een vreugdesprongetje. Pieter versnelde de boot in de richting waarnaar ze wees. Voorzichtig en traag naderden ze het schip om de ronddrijvende touwen en lijnen te vermijden. Hij had er geen zin in ook nog eens het frustrerende loswrik werkje van een vastgedraaid touw rond een schroef te moeten opknappen. Na enkele rondjes vond Pieter een geschikte plaats om de Zodiac aan het gekantelde zeilschip vast te maken. 
“Ongelooflijk. Het moet een stevige boot zijn,” hij wees naar het loosgat waar een flauwe maar constante stroom water uitspoot. “De lenspomp heeft de hele nacht blijven werken. Ik denk dat het nog zal meevallen met het water in de romp.”
Pieter sprong op het schip, verloor zijn evenwicht op het glibberig geworden polyester achterdek en kwam onzacht in aanraking met het klaptafeltje aan het stuurwiel. Hij vloekte eens hartsgrondig en krabbelde recht. Hij had moeite om zijn evenwicht te behouden op de schuin hellende boot. Eenmaal op het dek viel de schuine stand best wel tegen. Pieter verdween in de kajuit waar hij zich door een wirwar van gevallen en verschoven spullen werkte om uiteindelijk te vinden wat hij zocht: het controleluik van de motor. Nieuwsgierig trok hij aan de ingewerkte ring en opende het mangat. Zoals hij al had gehoopt was de elektronica grotendeels uit het water gebleven. Het was voor hem een mysterie waarom, maar hij vond het best zo.
Hij ontgrendelde een van de zaklantaarns van het controlepaneel en probeerde zo diep mogelijk in de romp te kijken. Onmiddellijk snapte hij waarom het nog niet was gezonken. En het binnen afzienbare tijd ook niet zou doen. De Port of Call was uitgerust met geavanceerde airbags. Deze waren ontplooid nadat sensors gedetecteerd hadden dat het schip water maakte. Die airbags, gemaakt uit hetzelfde stevige rubber als de Zodiac, hadden het water uit de romp geperst en die hermetisch afgesloten. Hij begreep nu ook de grote hoeveelheid rommel in de kajuit. Sommige van de airbags waren gemonteerd in opbergbakken die hun inhoud door de cabine hadden geslingerd bij het opengaan. In stilte dankte hij Janes vader om niet beknibbeld te hebben op veiligheid. Hij kroop terug aan dek waar Jane hem hoopvol aankeek vanuit de motorboot. Pieter stak zijn duim omhoog. “Ik stel voor dat we zoveel mogelijk van de zeilen redden. Maar de mast moet worden gekapt. Dan komt de boot vanzelf weer recht en met wat geluk kun je op de motor naar ons eiland varen. En als we nog wat meer geluk hebben kunnen ze er bij Diego Garcia zelfs een nieuwe mast opzetten. Kun je die rode gereedschapskist aangeven?”
Jane kreunde toen ze de zware kist over de reling van de boot tilde. Hij stak zijn arm uit om ook haar aan boord te helpen.
“Het ziet ernaar uit dat de airbags jouw boot voldoende drijfvermogen geven. Ik denk niet dat er ergens lekken zijn, maar dat zullen we pas goed zien als ze recht ligt op het water. Je weet nooit of de mast ergens een lek heeft geslagen onder de waterlijn. Laat ons eerst proberen zoveel mogelijk zeilen te redden.”
Pieter kroop voorzichtig naar het midden van de boot en gleed langs de mast in het water. Voorzichtig om niet verward te raken in de lijnen en stangen, dook hij naar de top die een goede twee meter diep lag, om de geblokkeerde zeilaanslag los te rukken. Terugzwemmend naar de boot checkte hij of het grootzeil nergens geblokkeerd zat en klom goedkeurend neuriënd terug aan boord. Hij wenkte Jane om hem te helpen het zware zeil zigzaggend binnen te trekken wat hen met de nodige inspanning en geharrewar uiteindelijk lukte.
Pieter haalde een grote kniptang, ijzerzaag en een korte bijl uit de gereedschapskist en kroop terug naar het middendek van de boot. Hij begon de verschillende stagen door te knippen, die telkens met een ziiing in het water zwiepten. Hij gebaarde naar Jane dat ze op een veilige afstand moest blijven, een knappende stag kon lelijk aankomen. Met de bijl kapte hij zorgvuldig in op de wirwar van touwen die uit de mast kwamen, er zorg voor dragend dat hij het dek niet beschadigde en begon hij het resterende aluminium van de verwrongen mastvoet af te zagen. Met luid gekraak scheurde het laatste stuk aluminium zodat ze beiden met enkele stevige georchestreerde voetstampen de mast volledig overboord konden laten glijden.
De Port of Call rechtte zich verrassend zodat Pieter en Jane snel om zich heen moesten grijpen om niet aan de andere kant overboord gegooid te worden.
“Wow, dat ging goed,” riep Jane terwijl ze rechtkrabbelde en zich vasthield aan Pieter. “Laat ons nu hopen dat de motor start.”
Beiden liepen over de boorden naar de achtersteven, wat zonder de aanwezigheid van de stagen niet zo eenvoudig bleek te zijn, zelfs op een slechts licht deinende zee. Lopen was dan ook eerder een zijwaarts schuifelen terwijl ze zich vasthielden aan de kleine houten reling die op het dak van de kajuit was gemonteerd. Pieter klom in de kajuit en schopte enkele pannen, potten en wat andere spullen opzij die in de weg dreven.
“Starten maar,” riep hij terwijl hij zijn hoofd in de motorruimte stak. Er stond behoorlijk wat water in en de lenspomp zou toch nog wat tijd nodig hebben om al het water uit het ruim te pompen. Gelukkig kon Pieter constateren dat het motorblok, dat op zware rubber dempers was gemonteerd, betrekkelijk droog was gebleven en boven het water stond. En belangrijker, dat ook de elektriciteitskast en de batterijen er tamelijk goed bij stonden. Terwijl Pieter op de knieën half door het luik hing, startte Jane de motor die na enkele pogingen begon te sputteren om dan geleidelijk op toeren te komen. De pomp begon sneller te draaien nu ze niet enkel op de bijna uitgeputte batterijen moest functioneren. Pieter sloot het luik en klom de vier treden van de kajuittrap op om zo naast Jane te komen staan. “Kun jij alvast de coördinaten ingeven in de GPS? Het is 6°40' zuid en 71°21' oost. Dan maak ik de Zodiac met een sleeplijn vast aan het achterdek.”
Na enkele minuten stond Pieter terug aan het roer en duwde hij de grote glimmende gashendel omhoog. Langzaam zette de Port of Call zich in beweging en eenmaal op kruissnelheid schakelde Pieter de automatische piloot in. Ze reageerde nog steeds log en zwaar maar dat zou veranderen als al het water was weggewerkt. Hij zoomde in op het scherm om de geplotte koers te controleren en cross-checkte met het grote ronde oliekompas dat zachtjes wiebelend in het stuurhuis het noordwesten aanwees. Hij keek Jane aan die worstelde met haar in de wind rondvliegende en verwarde haren. Ze had het tafeltje tussen de twee stuurkolommen uitgeklapt en zag er tevreden uit. Zeker nu het schip gered was, ook al zag het er uit als een plat strijkijzer. Pieter kwam naast haar zitten. “Aan deze snelheid zal het enkele uren duren. Heb je speelkaarten mee om de tijd nuttig door te brengen?”
Jane glimlachte: “ja, maar die zullen wel ergens ronddrijven in de kajuit. Het wordt een nachtmerrie om alles droog te krijgen.” Ze pauzeerde een ogenblik: “ik realiseer me dat ik onbeleefder ben dan mijn zuster en je nog niet heb bedankt voor onze redding. En voor de gastvrijheid. Ik kan me best voorstellen dat iemand die gewend is om alleen te leven enige problemen heeft met onverwachte bezoekers.”
Pieter schudde zijn hoofd: “geen probleem. Integendeel, het was een welkome afwisseling in mijn anders saaie bestaan. Maar daar heb ik natuurlijk voor gekozen.”
Jane pikte handig in op deze laatste zin. “Ik vroeg me al af hoe je hier bent verzeild. Een gebroken hart? Ontsnappen aan een onfris verleden? Zou je de sappige details van jouw leven eens willen delen met mij?”
“Zou je me geloven dat het voor mij nog steeds een mysterie is?”
“Neen,” antwoordde Jane droogjes.
“Toch is het zo. Op een dag werd ik geroepen in het kantoor van mijn hoofdredacteur. Recente artikelen rond blijkbaar gevoelige onderwerpen hadden enkele invloedrijke figuren wat boos gemaakt. Dat was in de tijd dat je je kon afvragen wat er gebeurde met de persvrijheid. Uitgeverijen en redacties gingen over de kop omwille van de juridische gevechten elke keer er een kritisch artikel werd gepubliceerd over een politieke figuur of invloedrijke zakenman. Vlak na dat gesprek kreeg ik de opdracht om naar de Egmont eilanden te vertrekken en daar toe te zien op de uitvoering van het decennia oude pact van de Britten om de Chagos Archipel uit te roepen als een van grootste marine reservaten. Wat ken ik nu van reservaten? Honderden jonge marinebiologen zouden gevochten hebben voor deze job. Het argument was dat ze geen wetenschapper nodig hadden maar iemand die een kritisch oog in het zeil kon houden wat al die onderzoeksteams aan het uitspoken waren en of er geen illegale visvangst was.”
“Dan moet je het wel heel druk hebben gehad,” merkte Jane sarcastisch op. Ze stond op en ging naar de buitenkeuken. Ze opende een kleine koelkast en nam een fles champagne en twee glazen. Ze gaf de fles aan Pieter: “opletten als je het zaakje ontkurkt. Ze zou wel eens kunnen spuiten als een formule 1 viering. Jackie en ik wilden ze bewaren om het eerste deel van onze trip te vieren. Maar ik denk dat de redding van het jacht een betere reden is.”
Ondanks alle voorzichtigheid gulpte het schuim uit de fles op het dek. “Ah, in Griekenland is het nog steeds een gebruik om de eerste slok van een nieuwe fles uit te gieten op de grond. Kwestie van de goden te danken voor al het goede dat de aarde voortbrengt. We hebben nu Neptunus bedankt,” zei Pieter.
Hij vervolgde zijn verhaal: “geloof het of niet, maar ik was zelfs druk bezig. In het begin was er het restauratieproject, samen met de genietroepen van Diego. Voor hen was het ook eens een verfrissende afwisseling in vergelijking met het neerpoten van barakken. En dan werd Egmont plots een hit bij de onderzoeksschepen en hun bemanning. Gelukkig verdwenen die weer snel toen ze in de gaten kregen dat ik hen niet elke dag een vers ei wou serveren. Eén ding is zeker op een afgelegen legerbasis: je wordt er in de watten gelegd. Maar dan kwam de interesse in de Chagos archipel weer op een laag pitje te staan. Onderzoekers volgen ook voornamelijk het geld, weet je. Maar om terug te komen op het onderwerp. Ja, het is iets te toevallig dat ik hier terecht kwam nadat ik mijn neus stak in Ians zaakjes. Ik denk dat ik iets te dicht bij de waarheid was gekomen en hij heeft enkele van zijn contacten aangesproken om mij zo ver en zo geïsoleerd mogelijk weg te werken.”
“Waarom heb je het dan aangenomen? Ze konden je toch niet dwingen?” vroeg Jane.
“De uitdaging met onderzoeksjournalistiek is dat je dingen blootlegt. Maar het is ook een poging om mensen onafhankelijk te laten denken. Hen doen realiseren dat ze soms worden gemanipuleerd door de kerken, godsdiensten, politici, banken en kranten. Of door onbekende mensen. Dat hun vrijheid slechts een illusie kan zijn. Het is ook aantonen dat veel gebeurtenissen in de doofpot terecht komen. Blijkbaar heb ik een dergelijk doofpotje geopend. En dan bots je met de mensen of groepen die bepaalde zaakjes liever verborgen houden. Dan begint het processen te regenen en als dat niet helpt, bedreigingen of chantage.”
“En was jij te chanteren?”
Pieter schonk de glazen vol. “Ik niet. Maar als de mensen rond jou bedreigingen ontvangen dan moet je de juiste conclusies trekken. Dus mijn hoofdredacteur ontving een brief, gevolgd door een niet mis te verstaan telefoontje. Hij moest me het zwijgen opleggen of het bedrijf zou failliet gaan. Die brief kwam van de aandeelhouders. De onafhankelijke media is big business zoals een ander. En duizend mensen op straat, dat staat niet goed op iemand zijn CV. Dus mijn onderzoeksteam werd ontmanteld en ik werd vriendelijk verzocht mij bezig te houden met Chagos. Nu, ik moet toegeven dat er mij ook een worteltje werd voorgehouden. Want er gebeurden twee dingen in die tijd. Het eerste was de officiële opdracht toezicht te houden op de ontwikkeling van het maritieme reservaat. Maar het tweede was onderzoeken of de zoveelste belofte van de Britse regering om de oorspronkelijke bevolking, of toch tenminste hun achterkleinkinderen, naar Chagos en de omliggende eilanden te laten terugkeren, werd gehonoreerd. Officieus trad ik in de voetsporen van John Pilger die jaren geleden dit moderne geval van massadeportatie aan de kaak had gesteld. Maar ik heb het investigation in isolation onderschat. Ondanks alle moderne communicatiemiddelen werd ik vergeten door de redacties. In het beste geval was ik een vervelende mug die artikels stuurde rond een onderwerp dat niemand meer interesseerde. Gelukkig dat ik duizenden kilometers weg stak.”
Jane sipte aan haar glas. “Ik heb niet al te veel van die oorspronkelijke bevolking gezien. Of heb ik iets gemist?”
“Neen, in alle stilte werd die belofte weer eens gebroken. De demilitarisatie van Diego had het pad moeten effenen. Maar zoals je hoorde van Jonathan is dit onverwacht veranderd. Het is jaren geleden dat er nog zoveel activiteit op de basis was. De enkele bewoners die reeds terug waren gekeerd werden prompt van het eiland geschopt. Zelfs Jonathan weet niet wat er aan de hand is. En die nieuwe commandant houdt alles graag voor zichzelf.”
Er was een stilte waarin ze de bubbels van de champagne bewonderden.
Mijmerend zei Pieter: “ik veronderstel dat één van de positieve gevolgen van een geïsoleerd leven is dat je de dingen heel wat filosofischer benadert.”
“Neen, dat is enkel jij die ouder wordt,” plaagde ze hem.
“Dat wellicht ook. Maar serieus. Je hebt alle tijd om te denken over het leven, over jouw leven, wat je ermee hebt gedaan en wat je er nog mee kan of zal doen.”
“En wat is dan jouw filosofie? Stoïcisme? Romantisme? Liberalisme?”
“Ik denk dat ik het gewoon zou omschrijven als humanisme. In zijn puurste vorm. De absolute nadruk op vrijheid. Ooit las ik eens een essay van Reese. Het dateerde van rond negentien honderdtwintig. Het was simpelweg getiteld Humanism. Tot nog toe is het voor mij het duidelijkste boekje dat de essentie van het humanisme uitlegt. Stukken beter dan de talloze mannifesto's die achteraf zijn geschreven in één of andere geheimtaal. De stijl is natuurlijk gedateerd, maar het behandelt de juiste onderwerpen en stelt de juiste vragen. Bijvoorbeeld, hoe combineer je de individuele vrijheid met de wetten die een samenleving regelen? In mijn absolute vrijheid mag ik iemand vermoorden. Maar die persoon in zijn absolute vrijheid heeft het recht om te leven. Deze juxtaposities vormen de basis van een gebalanceerde en dynamische samenleving. Dat is wat ik de religies verwijt. Zij respecteren niet of nauwelijks de individuele vrijheid door, één, de mensen in één richting te duwen en, twee, door te stellen dat een hogere macht alles wel zal oplossen. Die elementen doden het vrije, intelligente denken. Waarom zou de wetenschap en religie sinds eeuwen als water en vuur zijn? Zelfs tot vandaag? Maar het ergste bij een religie is de drang om te bekeren. Dat is niets anders dan een verkapte vorm van dominantie.”
“Dus je gelooft niet in een God?”
“Ik geloof in de natuurkundige wetten van het behoud van energie. Onze levens, ons bestaan, zijn een onderdeel van een groter geheel. Wanneer we sterven gaat onze energie over in de omgeving. Meestal gaat dat zachtjes en de energie wordt netjes verspreid. Maar soms gebeurt dat met een shock. En dan komt de energie vrij in een uitbarsting en blijft een geheel. Misschien zelfs met een geheugen. Deze zienswijze verklaart een hele reeks zaken van reïncarnatie tot contacten met de overledenen. Zelfs tot het onverklaarbare dat mensen plots een andere taal beginnen spreken of de persoon die beweert dat hij in een vorig leven door een lans is neergestoken op het slagveld. Maar genoeg over mij. En jij, geloof jij in een god?”
“Ik ben maar een simpele tolk, Pieter. Ja, ik geloof dat er een God is die over ons waakt.”
“Vind je dat niet een beetje deterministisch? Als die god van jou beslist over wat er met jou zal gebeuren, waar is dan jouw vrije wil? Het is een beetje zoals waarzeggerij. Als dat zou bestaan, dan bestaat er geen vrije wil. Alles is mooi uitgeplot en wat je ook doet, het was zo voorzien. Dat leidt al eeuwen tot berusting en passiviteit.”
“Neen, zo zie ik dat niet. God beslist niet over mijn leven. Ik ben in controle. Jij noemt het energie, ik noem het God. Trouwens wie of wat maakte jouw energie in de eerste plaats? De oerknal? En hoe kwam die er? Of ben je een van die wetenschappers die zeggen dat dat geen deel uitmaakt van het onderzoek omdat er niets was daarvoor?”
“En waarom zou energie niet gewoon kunnen zijn? De meeste religies trekken het niet in twijfel dat hun god er gewoon is. Eigenlijk weten we niet eens wat energie is. Is het een golfbeweging of een verzameling snaren?”
Jane antwoordde: “als God energie is en energie is gelijk aan massa vermenigvuldigd met het kwadraat van de snelheid van het licht, dan is God gelijk aan mc kwadraat. Probleem opgelost. Ik blij, jij blij, Einstein blij.”
Pieter was niet onder de indruk: “dat heb ik nog ergens gelezen. Het is zeker niet zo simpel.”
Jane zuchtte: “dat was een grapje, Pieter. Zie dat je niet gevangen wordt in je eigen ernst.”
Hij ontspande zich: “je hebt absoluut gelijk, Jane. Laat ons over de lichtere dingen des levens praten. Vertel me eens iets over jouw liefdesleven.”
“Dat, mijn beste, zijn helemaal jouw zaken niet. En nu zal ik mijn vrijheid om te zonnen op het dek uitoefenen terwijl je me veilig naar jouw stulpje brengt.”
Ze zwaaide op haar benen. “Goede champagne. Ik voel het nu reeds in mijn hoofd.”

* * *

Hoofdstuk 12

De flexibele stammen van de palmbomen wiegden zachtjes de hangmat waarin Jackie was ingedommeld. Ze ontwaakte uit een diepe slaap toen haar onderbewuste het aanzwellende motorgeluid van een vliegtuig waarnam. Door haar wimpers tuurde ze naar de strakblauwe hemel toen plots rakelings boven de palmbomen een klein transportvliegtuig scheerde. Reflexmatig trok ze haar hoofd beschermend tussen de schouders. Ze stapte uit de hangmat naar het strand en begon breedarms te zwaaien naar het vliegtuig dat hoogte nam en met een wijde boog terug vanuit zee naar het eiland vloog.
Eventjes vroeg ze zich af wat eigenlijk de bedoeling was, toen ze een kleine stip uit het vliegtuig zag vallen gevolgd door een zich snel openende parachute. Het was duidelijk dat de piloot meer dan ervaren was want het gedropte pakket landde even later netjes op het brede strand, enkele tientallen meters van waar Jackie stond te zwaaien. Snel liep ze ernaar toe, haar felrode sjaal wapperend tussen de benen. Het pakket was gewikkeld in een dikke donkergroene denim stof en met stevige touwen, bijna als een net, vastgebonden. Na wat gefrunnik kreeg ze de parachute los die door de lichte bries tussen de bomen werd geblazen. Ze peuterde aan een van de losse naden en zag vanbinnen allerlei pakjes, blikjes en kledingstukken zitten. Nieuwsgierig wou ze alles openmaken, maar kon zichzelf toch bedwingen. Per slot van rekening was dit voor Pieter bestemd en dus besloot ze zich nuttig te maken en het hele zootje naar binnen te brengen. Wellicht bevatte het bederfbare etenswaren en dan was de hitte op het strand geen goede omgeving. Eventjes probeerde ze het pakket op te tillen maar gaf het al snel op. Het gewicht was toch wel net boven wat ze gewoon was op te heffen. Ze stapte door het warme zand naar de plaats waar de parachute lusteloos tussen de struiken flapte en draaide hem in een bol om zo terug naar het pakket te hollen. Daar ontvouwde ze de stof terug en rolde het pakket op de parachute. Tot haar eigen tevredenheid lukte het om met het nodige trekken en sleuren het zaakje via het strandpad tot voor het huis te slepen.
Hoewel niet eenvoudig, slaagde ze erin het pakket op de stenen trap naar boven te brengen en het door de eerste deur in de massieve ontvangstkamer te droppen. Diep in en uitademend zette ze zich op de koele vloer. In deze hitte en klamme vochtigheid was het niet evident om zwaar werk te verrichten.
“Oef,” dacht ze, “nu begrijp ik waarom iedereen in de tropen het grootste deel van de dag onder een palmboom zit. Laat me alvast Pieter en Jane eens oproepen dat we voorlopig van de hongerdood gered zijn.”
Ze ging de grote trap op en stapte Pieters kamer binnen waar alle communicatieapparatuur samen stond. Jackie had al snel de hoofdzender gevonden. Aan het digitale klokje op de zender zag ze dat het al flink in de namiddag was. Jackie tikte op het toetsenbord de frequentie die Pieter haar eerder die ochtend had gegeven. Ze duwde de zendknop in en riep in de microfoon: “hallo, Pieter? Jackie hier. Ontvang je me?”
Na enkele ogenblikken waarin vooral geruis en statische ontladingen waren te horen in de koptelefoon, hoorde ze vaag Pieters stem iets antwoorden. Jackie draaide aan de grote fijnafstemtoets en riep nog eens: “hallo Pieter, kun je me nu beter horen?”
Waarop het antwoord helder terugkwam: “hi Jackie, ik hoor je duidelijk. Alles in orde?”
“Ja hoor, geen enkel probleem. Er is zojuist een pakket gedropt en ik heb het naar binnen gebracht. Is het goed als ik het al opendoe en de spullen wegzet? Er zitten etenswaren bij die misschien best in de ijskast terecht komen. Om nog niet te spreken van de flessen wijn.”
“Lijkt me een goed idee. Doe maar. We zijn er bijna. Het goede nieuws is dat we jullie boot hebben kunnen starten, jammer dat de mast verloren is. De algemene toestand van de boot valt heel goed mee, jullie zullen heel snel weer op weg zijn. Jane is nu in de kajuit aan het uitzoeken wat er mits te drogen allemaal kan gered worden. Alles is goed doorweekt. Je zult een tijdje op een kleffe matras moeten slapen.”
“Mooi, ik kan niet wachten tot ik onze reis kan verder zetten.”
“Ja, het ziet er best naar uit dat dat mogelijk zal zijn. Tot straks,” eindigde Pieter.
Jackie drukte op de UIT-knop en het gezoem van de zender verdween langzaam. Ze draaide enkele keren rond met de bureaustoel en keek zonder een bepaald doel de kamer rond. 
De kamer had er alle tekenen van dat zelfs oorspronkelijk dit de master bedroom was geweest. Ze was opmerkelijk groter dan de slaapkamers waarin zij en haar zus hun intrek hadden genomen. Het plafond was kunstig beschilderd en hier en daar had men bij de renovatie het originele houtsnijwerk behouden. Waar vroeger ongetwijfeld een majestueuze kroonluchter met eerst kaarsen, later gas en nog veel later elektriciteit hing, had Pieter nu een moderne ventilator die met traag draaiende wieken de koele lucht over de kamer verdeelde. Aan één van de muren hing een grote, verkleurde poster met als opschrift Kuifje en Hergé aan Zee. Expositie Oostende, 7 juni – 30 september 2007. Ze stond op, liep naar de antieke ebbenhouten boekenkast en wreef met een vinger over de kaften van de talloze boeken. Hier en daar was de rij boeken onderbroken door enkele beeldjes van Kuifje. In zichzelf las ze de titels voor: “Utopia, Moriae ecomium sive stultitiae laus, A history of Western Philosophy, Songs of Experience. Mmmm, zware kost, nietwaar meneer Pieter?”
Ze nam enkele van de stripboeken die broederlijk naast de wereldliteratuur lagen. Ze herkende de volledige serie van Kuifje, maar de andere stapel met Suske en Wiske en De Rode Ridder zegden haar niets. Deze laatste ging blijkbaar over een ronddolende ridder die, in het rood gekleed, een voorkeur leek te hebben voor rondborstige nimfen en edeldames. Ze probeerde enkele tekstballonnetjes te ontcijferen maar kon weinig begrijpen van het Nederlands. Misschien was het daarom wel dat de man in de controletoren hem The Red Knight noemde. Ze kon zich al voorstellen hoe Pieter samen met een dronken Jonathan flauwe moppen verkocht over goed voorziene blondines. Het zou haar niet verwonderen dat hij ze nog steeds effectief las. Wat zou een mens hier anders moeten doen? Op een laag koffietafeltje lagen nog meer boeken ongeordend door elkaar, en ook naast de donkerbruine lederen sofa lag een stapel boeken met daarop een beduimeld zwart notieboekje. Jackie zonk weg in de zachte sofa en nam het boekje op, nauwkeurig de plaatsing in zich opnemend zodat niemand zou opmerken dat ze het had gelezen. Enkele losse knipsels vielen uit het lederen kaft wat een krachtterm aan Jackie ontlokte. Ze hoopte dat die losse papiertjes niet op een bepaalde plaats hadden gezeten, anders was ze wel degelijk gezien.
Ze sloeg de eerste pagina's om en las diagonaal het kleine, regelmatige maar niet erg leesbare handschrift. Het boekje mengde flarden van een dagboek, losse krabbels en gedachten, to-do lijstjes, website adressen, tekeningen, schetsen en hoofdstukken van wat blijkbaar een aanzet van een boek diende voor te stellen. Ze flipte door de bladzijden maar ging recht zitten toen één naam haar aandacht trok: Ian Summerton. Ze begon de tekst aandachtiger te lezen.
Jackie sprong met een gil recht en liet het notitieboekje vallen toen ze de hand rond haar nek voelde.
“Ik denk dat jij diegene was die tijdens haar tienerjaren een enorme scène zou hebben gemaakt als iemand in jouw spullen had gesnuisterd,” zei Pieter hard. Jackie kleurde gevlekt rood en stamelde enkele onsamenhangende excuses uit. Pieter nam het boekje op en legde het terug op de stapel. Ze zonk in de grond van schaamte en verwenste zichzelf toegegeven te hebben aan haar moeizucht in andermans zaken. Ze kon niet geloven dat ze Pieter en Jane niet had horen binnenkomen. Met hangende schouders volgde ze hem naar beneden waar Jane haar vragend aankeek. Jane kon heel goed de lichaamstaal van haar zuster interpreteren en vroeg achterdochtig: “Ooookay, wat heb je nu uitgespookt?”
“Het spijt me écht, ik had niet de bedoeling om mijn neus in Pieters zaken te steken en dingen te lezen die privé zijn.”
“Ben je nu helemaal gek geworden? Dat doe je toch niet als je bij iemand te gast bent,” snauwde Jane.
Pieter antwoordde in haar plaats: “ik hoop dat je nu volledig gerust bent dat ik geen psychopathische moordenaar ben. Maar ik begrijp niet goed waarom je zo verdiept aan het lezen was. Ik ben vereerd, maar zo interessant zijn mijn mislukkingen nu ook weer niet.”
“Ik zag de naam Ian Summerton staan, en toen ben ik verder gaan lezen.”
“Ken je hem?”
“Hij is een goede vriend van vader. We hebben hem de laatste jaren verschillende keren op bezoek gehad bij ons thuis. En ik moet zeggen dat het steeds heel levendige discussies waren als hij er was. Zeker de afgelopen maanden was hij bijna een vaste gast.”
“En waarover gingen die levendige gesprekken dan?”
“Vader is jaren minister binnenlandse zaken geweest van Australië. Maar heeft zich onlangs uit de politiek terug getrokken om zich te concentreren op zijn echte passie: biodiversiteit. Hij is een maritiem bioscheikundige van opleiding en geassocieerd professor aan de universiteit van Adelaide. Daarnaast heeft hij nog enkele bestuursmandaten bij biobedrijven die hij adviseert.”
“En waarom ben jij in hem geïnteresseerd?” vroeg Jane.
“Enkele jaren geleden ben ik Ian letterlijk tegen het lijf gelopen in Cambridge, Engeland. Hij had daar een lezing gegeven over een ontwikkelingsproject dat hij wou opstarten. Niet het minste project. Hij wou de helft van het geld dat nu wereldwijd naar ontwikkelingssamenwerking gaat. Zijn argument was dat die helft zichzelf zou terug betalen omdat nu die fondsen naar het management gingen van duizenden non profit organisaties. Hij had een overtuigend verhaal om die fondsen te focussen op één groots project waar de hele wereld baat bij zou hebben. Hij koppelde een duidelijke return aan de investeringen die de landen zouden maken. Niet in de zin van exclusieve ontginningscontracten of vrije toegang tot de havens. Maar een return op de knowhow die zou ontwikkeld worden.  Ik moest toen Ian interviewen en heb hem leren kennen als een bijzonder intelligent mens. Echter met een dark side. Ik weet niet waarom, maar het was een beetje verdacht dat een CEO van één van de belangrijkste consultants zijn case verdedigde in een muf leslokaal. Maar natuurlijk was er een gigantische som geld mee gemoeid. En dan ben ik dieper beginnen te graven in het doen en laten van Ian.”
“En wat heb je gevonden?” vroeg Jane.
“Dat er bij Ian niets te vinden valt als hij het niet wil. Dat was mijn grote conclusie. Op zich al alarmerend. Ik ben in mijn leven nog nooit iemand tegengekomen die zoveel invloed had. En het opvallendste was dat hij onopvallend bleef. Ian gaf zelden interviews, kwam nooit in het nieuws. Maar was er een belangrijke gebeurtenis in de wereld, dan mocht je er zeker van zijn dat hij er ook was. Zijn invloed op globale beslissingen is enorm. Soms vroeg ik me af wie de touwtjes nu echt in handen had. Geloof me, hij is meer dan een consultant of een beïnvloeder. Hij is de ultieme beslisser. De officiële instanties niet meer dan spreekbuispopjes.”
“En waarom noemde je dat boekje een verzameling mislukkingen?”
“Ten eerste omdat ik werd overgeplaatst naar dit eiland en ten tweede omdat ik niet verder heb kunnen doordringen tot Ian Summerton en zijn organisatie.”
Jane slaakte een zucht: “misschien is er wel geen organisatie en ben je gewoon als een van de velen op het pad van een niet bestaande samenzwering. Is er trouwens ooit iets gekomen van dat mega ontwikkelingsproject? Voor zover ik weet is ontwikkelingshulp nog steeds één grote ongeorganiseerde bedelpartij zonder al te veel gevolgen. Balancerend op het vermoeden van fraude want voor sommigen is het als gratis geld. Een geluk dat er vrijwilligers zijn die het goede doel, wat dat ook moge zijn, nog steeds hoog in het vaandel dragen. Want anders zou er niet veel van overblijven vrees ik. Maar het bewijst wel Ians punt. Veel goodwill maar weinig resultaten.”
Pieter had de grote gasbarbeque aangestoken. De stukken vlees sisten op de grill terwijl hij een grote icebergsla in lange snippers sneed. 
“Een geluk, Jackie, dat je het bevroren vlees zo snel in de diepvriezer hebt gestopt zoals je ons meldde.” Hij probeerde na te denken over Janes vraag. Misschien was het inderdaad slechts allemaal een hersenspinsel. Dat was ook jaren geleden de reactie geweest. Jackie keek schuldig naar Pieter want ze had het pakket met de diepvriesproducten helemaal vergeten. Ze hadden gered wat er te redden viel. Maar naast de struisvogelsteak die nu op de barbecue werd klaargemaakt hadden ze de rest moeten weggooien. Vooral het verlies van het straciatella-ijs had Pieter bijzonder ontstemd. Vakkundig legde hij het gegrilde vlees op de met sla gedresseerde borden. Pieter keek dromend naar de namiddagzon die haar afdaling was begonnen. Enkele witte slierten hoge bewolking kondigden veranderlijk weer aan voor de komende dagen. Alsof hij een interne conversatie luidop verder zette, vervolgde hij: “ik weet niet wat er van zijn project gekomen is. Hem kennende zal er wel iets uit de grond zijn gestampt. Ik heb het niet meer gevolgd. Ik hou het hier nu al drie jaar vol, terwijl de opzet slechts enkele maanden zou zijn. Niet dat ik er spijt van heb, uiteindelijk went een mens aan alles. En eigenlijk weet ik niet of ik nog zou aarden in de bewoonde wereld. Op een bepaald moment word je echt de kluizenaar die de meest afgelegen en minst bezochte bed and breakfast uitbaat. Wel eentje met het grootste zwembad ter wereld.”
“Over zwembaden gesproken, weten jullie wel dat we hier nog niet eens in de lagune hebben gezwommen?” zei Jackie suggestief.
“Geen slecht idee, laat ons eens naar het vliegtuigwrak snorkelen. Het is echt een unieke ervaring.”
Pieter had niet overdreven. Het vliegtuig was bijna vertikaal gezonken en stond op zijn twee vlotters op het rif. Verschillende koralen hadden op het ijzer een goede voedingsbodem gevonden en slingerden als stalagmieten over de steunbalken naar de vleugels. De vele gaten en nissen in het vroegere instrumentenpaneel werden bevolkt door families felgekleurde vissen. Anemonen wiegden langzaam in de stroming. De lagune was niet erg diep en dus konden ze snorkelen aan de oppervlakte van het kristalheldere water om te genieten van het kleurrijke tafereel. Bij gebrek aan natuurlijke vijanden had het leven in de atol zich vrij en onbekommerd kunnen ontwikkelen. Twee kleine kreeften ruzieden over een holletje en begonnen op hun achterpoten te boksen. Jane nam met haar onderwatercamera een foto van het grappig tafereeltje. Zelfs de flits kon de twee kemphaantjes niet doen schrikken.
De hemel was felrood gekleurd door de avondzon toen ze via het kleine laddertje terug op de steiger klommen. Buiten was aangenaam warm met een lichte bries zodat ze rillend naar boven liepen toen ze het koude huis binnenkwamen. Jane was als eerste terug beneden en ging tegenover Pieter zitten in de brede lichtgrijze sofa van de hoge woonkamer. Hij had wat knabbeltjes op het glazen salontafeltje gezet en schonk een glas uit voor haar. Ze trok haar benen onder zich en proefde met gesloten ogen. 
“Nog nooit gedronken, gekoelde rode wijn, maar voor herhaling vatbaar.”
Het was bijna middernacht toen ze gingen slapen. Pieter besloot eerst nog het pakket dat nog steeds midden de hall lag verder uit te pakken. Hij zette de blikjes en doosjes netjes in de keukenkasten. Hij opende de bruine envelop waarop zijn naam in grote letters stond geschreven. De iPod van de dode militair zat nog eens verpakt in een briefje met een boodschap van Jonathan. Het briefje was kort.
Pieter. Kun je dringend naar de inhoud van deze iPod kijken? Er is bewijs dat Votilio documenten wou stelen van de computers op Diego Garcia. De documenten zijn allen cosmic secret. Het hoogste niveau van geheimhouding. En als je de inhoud leest zal je direct begrijpen waarom. Bel me dringend. Jontahan.
Eigenlijk had hij weinig zin om mee te lopen met dit opgeklopte geheime gedoe. Hij zocht zijn mobiele telefoon om Jonathan te bellen dat hij er morgen eens naar zou kijken. Toen herinnerde hij zich dat hij het toestel op zijn bed had gegooid na de zwempartij. Met de iPod liep hij naar boven en zag op het schermpje 24 missed calls. Het was lang geleden dat hij nog zoiets had gezien op zijn telefoon. Hij drukte op de inbox toets en zag dat de boodschappen allemaal van Jonathan kwamen. Het was blijkbaar toch dringend om die iPod eens van nabij te bekijken. Na enkele ogenblikken was hij erin geslaagd om de verborgen sectoren van de harde schijf te openen en zag enkele bestandsmappen. 
Hij klikte lukraak op een icoon en begon met stijgende verbazing te lezen.

* * *

Hoofdstuk 13

Ian Summerton leek tevreden. Enkele uren nadat de briefing was afgelopen startte hij een videoconferentie met Vladimir en Ian. Het succes van hun ondernemen hing nu volledig af van een goede coördinatie. En hoewel Ian een man van de grote visie was en zich normaal niet lang kon bezighouden met details, realiseerde hij zich dat deze keer het detail doorslaggevend kon zijn voor het lukken of mislukken van hun plan. Hij was dan ook woedend geweest toen hij Stratford aan de telefoon had met het relaas van Votilio. Een stomme toevalligheid, maar eentje die een hele serie geplande gebeurtenissen in een andere richting kon duwen. Gelukkig was Stratford niet snel uit het lood te slaan en had hij zonder aarzelen zijn plan B in werking gezet. Het enige nadeel was de timing, maar uiteindelijk had hij Ian kunnen overtuigen dat hij dit zou kunnen compenseren. Eigenlijk begon Summerton zelfs de voorkeur te geven aan plan B. Het zou misschien enkele andere zaken kunnen oplossen. Zijn woede was dan ook snel verdwenen en had hij zijn gedachten weer gezet op de volgende stappen die van hem afhingen.
Die ging hij nu met Vladimir en Ian bespreken. Eerst wou hij weten hoe hun briefings waren verlopen en of daar mogelijke problemen zouden zijn. Indien er zaken naar boven kwamen, dan was er nu nog tijd om bij te sturen of om zelfs meer drastische maatregelen te treffen. De autofocus van de conference camera zoomde enkele keren in en uit op Valdimirs gezicht toen die van zijn papieren opkeek in de lens. Met een zweem van een Russisch accent begroette hij Ian. “Is Juergen weer eens laat?” constateerde hij eerder dan hij vroeg. Ian antwoordde stoïcijns: “tja, die jonge kerels.” Vladimir knikte streng. Hij had nooit begrepen waarom Ian zoveel van Juergen tolereerde. Voor hem was hij niet veel meer dan een omhooggevallen technocraat zonder enige ervaring.
Plots klonk Juergens stem uit de speakers: “ik ben er wel hoor, alleen is er iets fout met het beeld. Ik zal dit ding nog eens moeten rebooten vrees ik.”
Nog voor zowel Vladimir als Ian konden reageren dat het ook wel zou gaan zonder zijn hoofd te zien logde Juergen uit. Toen na enkele minuten nog niets gebeurde suggereerde Vladimir hem te bellen op zijn mobiele telefoon: “hem kennende kan hij best enkele uren bezig zijn met het zoeken naar een oplossing en ons daarbij volledig vergeten. Het is net een kind.”
Ian negeerde de nauwelijks verholen afkeer in zijn stem. Juergen kon zo opgaan, en zenuwachtig worden, indien iets niet werkte naar behoren. Zonder het antwoord van Ian af te wachten greep Vladimir zijn telefoon en zocht in het adresboek het nummer van Juergen. Na enkele ogenblikken duwde hij geïrriteerd het toestel terug uit: “voicemail, hij wil zelfs niet eens opnemen.”
Uiteindelijk verscheen Juergens hoofd als derde partij op de videoschermen. “Hallo jongens, ik heb het gevonden. Het was enkel de ...” Vladimir onderbrak hem met zijn zware sonore stem. “Jaja, laat ons nu maar beginnen. We hebben al voldoende tijd verloren.” Ian knikte instemmend: “welkom Juergen. En als je nu ook nog eens die GSM die je toch niet opneemt ver van de microfoon wil leggen dan hebben we ook geen last meer van het vervelend interferentiegeluid.”
Schaapachtig gaf Juergen gevolg aan de vraag van Ian die onverstoorbaar verder ging: “wel Juergen, als straf zullen we met jou beginnen.”
De nachtelijke vergadering in Brussel was volgens plan verlopen. Juergen had dezelfde presentatie gegeven als Ian, hoewel met wat meer extra effecten. De problematiek en de discussies daarna waren grimmiger en moeilijker geweest. Hij was bijna moedeloos geworden dat na jaren van moeizaam lobbyen de zorgvuldig geselecteerde groep op het punt stond af te haken nu er acties moesten worden ondernomen. Hij had dan met scherpe bewoording de opkomende verdeeldheid aangegrepen als een typisch voorbeeld van het Europese onvermogen nog iets substantieels te betekenen in de wereld. Het dreigement dat de rest hoe dan ook met het plan zou verder gaan, bracht de eensgezindheid terug. Ook hij had ze weggestuurd met duidelijke instructies hoe te reageren en hun invloed aan te wenden ten opzichte van de komende gebeurtenissen.
“Je hebt een mooi staaltje van salonchauvinisme meegemaakt,” besloot Ian, “maar uiteindelijk zie je dat de persoonlijke belangen toch steeds primeren. En jij Vladimir?”
Hoewel Vladimir de uitdaging had gehad om met vertegenwoordigers van Rusland, China en India te praten, waren de discussies kort geweest. In tegenstelling tot de Europeanen die over alles en nog wat opnieuw debatteerden, was zijn groep opmerkelijk stil en gesloten. Zijn vrees dat zowel de Indische als de Chinese vertegenwoordiging op het laatste moment zou afhaken, gezien de impact van het plan op hun landen, was voorbarig geweest. Integendeel, de Russische en Indische delegatie was op een bepaald moment in een geanimeerde discussie gewikkeld over de verdeling van het Midden-Oosten en de strijd tegen het godsdienstig fundamentalisme. Met het verminderde belang van olie waren de discussies eerder sociologisch dan economisch. De Chinese gezant had zich wat afzijdig gehouden, maar Vladimir wist dat deze laatste zijn zinnen had gezet op de al lang gewilde machtsuitbreiding naar hun westen toe, Vietnam, Tibet, Laos. En naar het oosten Singapore, Korea en Taiwan. Het was duidelijk dat zijn groep de geheime agenda's moeilijk kon verbergen. Maar dat betekende niet dat de andere landen of continenten geen, al even geheime, plannen hadden. Maar daar was rekening mee gehouden. Ook Vladimirs groep was uiteindelijk in de vroege ochtend van Delhi terug vertrokken met klare instructies de toekomstige gebeurtenissen van nabij te volgen. Als laatste gaf ook Ian zijn relaas. Zijn zorg was de houding van de Latijns-Amerikaanse gezante die, hoewel de sterke vrouw achter de schermen in Brazilië, weinig interesse had om eenheid te brengen in het continent. Wellicht zou Ian die van nabij moeten volgen, temeer omdat Latijns-Amerika een belangrijke rol speelde in zijn berekeningen. Misschien moest hij daar ook zijn plan B in werking stellen, maar hij had besloten dit niet te doen, tenminste, nu nog niet.
“Ik stel voor dat we nu allemaal wat rust nemen want de komende dagen zal er van slapen niet veel komen,” besloot Ian, “we spreken elkaar morgen. Hou vooral de boodschappen van Stratford in de gaten. Zoals jullie weten is er een en ander fout gelopen, maar hij heeft alles weer in de hand.”
De schermen werden donker toen Ian de verbindingen verbrak. 
Iveta kwam de kamer binnen, ditmaal zonder kloppen. Ze nam plaats op de stoel naast Ian en nam zijn hand. Meer dan wie ook, inclusief zijn vrouw en kinderen, had zij de druk binnen Ian tijdens de afgelopen weken zien toenemen. Zij was diegene geweest die avonden en nachten lang rapporten en presentaties had doorgenomen, mensen had gecontacteerd, achtergrond checks had uitgevoerd en dag en nacht beschikbaar was geweest voor Ian. Als enige dochter van een Italiaans en Slavisch diplomatenkoppel had ze niet enkel een aantrekkelijk uiterlijk geërfd maar ook een enorme werkcapaciteit. Ze stond op, gleed met haar hand langs zijn nek en liep naar de kleine, maar luxueuze slaapkamer.
“Ik heb jouw vrouw gebeld dat je vanavond niet naar huis komt.”

* * *

Hoofdstuk 14

“Hi Jonathan, met Pieter.”
Stratford rechtte zich en zette de telefoon op speaker.
“Ik heb net die iPod van Votilio aangesloten en de inhoud bekeken. Wat is me dat allemaal?” Zijn stem klonk zowel opgewonden als vol ongeloof.
Stratford antwoordde fluisterend, bijna samenzweerderig: “Pieter, luister, er is iets vreemds aan de hand. Ik begin nu de beveiligingsheisa te begrijpen van de laatste weken. Als die documenten echt zijn, en ik het allemaal goed begrijp, dan stevenen we af op een regelrechte catastrofe.”
“Je zegt het, hoe kunnen we nu weten of dit allemaal echt is? Misschien heeft één of andere idio...”
Stratford onderbrak hem scherp: “luister, er is iemand voor gestorven. Er is iemand voor neergeschoten. Als het een flauwe grap is, dan zou dit allemaal niet zijn gebeurd. Geloof me, dit is erg reëel.”
“Nou, ik ben in ieder geval onder de indruk dat je dit hebt gevonden. De bestanden zaten écht wel goed weggewerkt op de harde schijf van de iPod.” Even bleef het stil. “Wat moet ik nu doen, Jonathan? Hoe gaan we dit aan de wereld vertellen? Jij bent de beste persoon om dit te stoppen, nu het nog kan.”
“Man toch, ik word hier in de gaten gehouden door iedereen en je weet dat alle communicatie wordt gescreend. Waarom denk je dat Votilio deze info op zo'n omslachtige manier naar buiten wou brengen en niet gewoon als een attachment? Je hebt hier te maken met het hoogste Amerikaanse veiligheidsniveau. Daar konden ze tijdens de koude oorlog nog een punt aan zuigen. We hebben hier wel een van de betere data loss prevention systemen weet je? Neen, jij moet het naar buiten brengen. Als ik het via de militaire kanalen vestuur dan zal niemand het te weten komen want dan wordt het onderschept om zo in een doofpot te geraken. En verdwijn ik in diezelfde pot. Sorry, Pieter dat ik je hierbij betrek, maar ik heb jouw hulp nodig. Ik reken erop dat je die gegevens naar de buitenwereld krijgt.”
“Ok, ik mail het wel naar enkele van mijn contact...”
Ongeduldig onderbrak een zenuwachtige Stratford hem opnieuw: “denk je nou echt dat jouw boodschappen niet worden gecontroleerd? Via welke satelliet denk je dat jij kunt praten, chatten en mailen met die contacten? Neen, je moet een manier vinden om de gegevens persoonlijk hier vandaan te krijgen.”
Pieter aarzelde: “wel, ja, we hebben zopas de Port of Call terug binnengehaald. En op de motor kan ik zonder problemen Mauritius bereiken. Van daar kan ik wegraken.”
“Momentje Pieter, iemand klopt aan mijn deur. Ik verwacht Oona nog. Zij is de enige die ik hier kan vertrouwen. Blijf aan de lijn.”
Pieter maakte op uit de geluiden dat een deur werd geopend, gevolgd door Jonathans stem. “Kom binnen Oona, ik heb net Pieter aan de telefoon en ... wat doe je nu?”
Pieter versteef aan de andere kant toen hij twee niet te miskennen schoten hoorde. Gevolgd door gestommel waarop de verbinding werd onderbroken.
Vanaf het eerste moment dat ze elkaar ontmoetten, had Bramaud een afkeer van Stratford gehad. En hij wist dat het wederzijds was. Hij had het niet dikwijls, dat ongefundeerde gevoel bij iemand dat bijna op haat leek. Van tijd tot tijd probeerde hij een neutrale analyse te maken waarom hij zo'n hekel aan die man had. Maar nooit kon hij een oorzaak vinden. Het zou niet goed komen tussen hen en Bramaud wist dat dit in de omstandigheden niet veel goeds voorspelde.
“En, is alles naar wens verlopen?” Bramaud raapte twee hulzen op van de vloer. Jonathan lachte minzaam. Hij wist dat hij Bramaud niet kon vertrouwen en dat dit vroeg of laat tot grote problemen zou leiden. Problemen die hij zeker kon missen tijdens de meest cruciale fase van Abacus. Jammer genoeg had hij Bramaud nodig.
“Zorg jij er maar voor dat we binnen enkele uren een zoekactie naar Pieter kunnen starten. Hij neemt de Port of Call naar Mauritius. Zorg ervoor dat hij nooit aankomt.”
Bramaud keek hem vragend aan, dit klopte helemaal niet met het plan. Jonathan zuchtte. “Vertrouw me, ik weet wat ik doe. Knal dat schip eens en voor altijd uit het water. Het had moeten vergaan in de eerste plaats. Maar nu komt het ons goed uit.”
“En als die twee meisjes aan boord zijn?” wierp hij nog op.
“Hij zal ze wel achterlaten op Egmont. Indien niet ... Ze zijn totaal onbelangrijk voor onze missie. Ze waren op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Jammer voor hen maar dit soort dingen gebeuren nu eenmaal.” Jonathan draaide zich om en verliet de geluiddichte vergaderzaal waar hij ook deze middag met Bramaud had gezeten. Deze keer liep hij de spiraaltrap af naar de computerzaal. Hij keek op zijn horloge dat enkele minuten over middernacht aanduidde. Ondanks het late uur waren alle posten in de grote cirkelvormige zaal bezet en was het gedempte gepraat te horen van mensen die in hun draadloze microfoons spraken. Jonathan liep tot aan het bureau van één van de mensen die zo aan het werk waren, tikte hem op de schouder en deed teken dat hij zijn gesprek moest stoppen. De man schrok even maar toen hij Stratford herkende, drukte hij de verbinding af na enkele slotwoorden.
“Yes Sir?”
“Kun je ervoor zorgen dat alle verbindingen van en naar de Egmont eilanden worden verbroken? Elke computer, telefoon, radio en postduif moet worden afgesloten. Ik wil dat het volledig wordt geïsoleerd.”
De man riep een applicatie op en tikte vakkundig enkele commando's in op het scherm. Ogenblikken later knikte hij naar Jonathan als teken dat alle communicatiemiddelen out waren.
“Wel Pieter, ik ben eens benieuwd of je aan mijn verwachtingen voldoet.”

* * *

Hoofdstuk 15

Pieter staarde naar het gedimde schermpje van de telefoon, met moeite de afgelopen seconden verwerkend tot een betekenisvol geheel. Nerveus stond hij op van zijn bureau, in de war en besluiteloos. Eén ding werd duidelijk, Jonathan wou dat hij de gegevens zo snel mogelijk naar de buitenwereld bracht. Hij liep naar de laptop op het tafeltje naast het bed en logde aan. Hij startte het mail programma, enkele draaiende bolletjes op het scherm hielden hem in spanning. 
Connection Failed.
Pieter greep terug naar zijn GSM. Hij wou iemand bereiken voor advies en klikte nerveus op zijn adresboek om het nummer van John Freeman te vormen. 
No Signal Detected
Pieter gooide het telefoontoestel op het bed en wreef door zijn verwarde haren. Met duim en wijsvinger masseerde hij zijn neusbrug waarbij zijn bril op en neer ging. “Shit, shit, shit,” herhaalde hij, “we moeten hier zo snel mogelijk weg.”
Hij greep onder het bed de waterdichte feloranje reiszak die hij steeds klaar hield voor onverwachte omstandigheden. Een blijvende gewoonte van toen hij nog in de meest onstabiele regionen van de wereld vertoefde en steeds paraat moest zijn om gerepatrieerd te worden. Pieter liep de gang in en wierp de deur open van Janes kamer.
“Jane, wakker worden. We moeten vertrekken.” Hij knipte het licht aan en zag een verschrikte Jane rechtop springen, het dunne laken tegen haar borsten drukkend. Gestoord in haar eerste slaap en draaierig van net iets te veel wijn, keek ze boos naar Pieter. “Zeg man, wat doe jij nou? Ben je gek geworden?”
Hij was kortaf. “Sta gewoon snel op. Trek iets aan om in te zwemmen. Zorg dat je jouw papieren en een minimum aan kleren meeneemt.”
Jane liet zich zuchtend terugvallen in het diepe kussen. He lost his marbles dacht ze terwijl ze traag uit het bed kwam en slaapdronken de badkamer binnenstapte. Ze hoorde in de gang hoe hij ook haar zuster wakker maakte. Aan de luide reactie te horen was die niet zo meegaand. Na een brede geeuw sloeg ze koud water in haar gezicht in een poging haar barstende hoofdpijn letterlijk van zich af te spoelen. Ze hoorde Pieter met drie treden tegelijk de trap afstormen, roepend dat ze zich echt wel moesten haasten. Toen ze in de inkomhall samenkwamen lichtte Pieter hen in over het voorval met Stratford. 
“Oona? Maar die was net zo leuk en vriendelijk eergisteren. En behulpzaam.”
“Ik begrijp het ook niet. Ik ken haar nu al jaren. Nooit gedacht dat ze tot zoiets in staat zou zijn.”
Pieter vertelde hen verder over de documenten die hij dank zij Stratford op de iPod had gevonden. “Het is duidelijk dat die gegevens niet naar de buitenwereld mochten. De doodgeschoten man, Votilio, probeerde dat wel te doen maar is vermoord. Ook dat gebeurde tijdens de wacht van Oona.”
“Maar wat is er dan zo belangrijk?” vroeg Jane.
In het kort schetste hij de inhoud van de verborgen bestanden op de iPod.  Gedetailleerde plannen van Indische aanvallen op naburige landen. De bevolking van India was ondertussen tot voorbij de drie miljard gestegen en het land barstte letterlijk uit zijn voegen. Daarnaast werd het voortdurend geteisterd door hongersnood, epidemieën en natuurrampen. De nieuwe revolutionaire, maar ultra rechtse, garde aan het bewind had al herhaalde malen gedreigd om hun gebied te vergroten zowel naar het oosten als het westen. Als nucleaire mogendheid werden die dreigingen door de internationale gemeenschap als reëel beschouwd. De documenten bevatten aanvalsplannen op Dubai, waar de overheersend Indische bevolking zonder problemen in opstand zou komen. Maar ook tegelijk aanvallen op de grote steden van Laos, Cambodja, Vietnam om zo hun lebensraum te veroveren. Dat China dit niet zonder slag of stoot zou laten gebeuren in hun jarenlange wedijver was voor de hand liggend. Reden genoeg om tot een internationaal conflict te evolueren met gevolgen die niet waren te overzien.
“De locatie van Diego Garcia is cruciaal voor hun opzet. En ze worden gesteund door de Verenigde Staten. Vandaar de grote bedrijvigheid van de afgelopen maanden. Net zoals Diego tijdens de uitlopers van de koude oorlog in de jaren zeventig van de vorige eeuw een belangrijke rol speelde, is het ook nu weer een knooppunt in wat er zal gebeuren. Van daaruit kunnen zowel schepen als vliegtuigen hun missies op de gebieden rond India uitvoeren. Net zoals tijdens de golfoorlogen in de twintigste eeuw.”
Hij zweeg even, terwijl hij de reistassen oppikte en naar buiten liep.
“Jonathan wou dat we dit openbaar maakten. Dat is de enige manier om een wereldconflict te voorkomen.”
Met hun drieën liepen ze in looppas langs het ondertussen gekende pad naar de lagune. In andere omstandigheden zouden ze bewonderend naar de door een volle maan feeëriek verlichte baai en strand hebben gekeken. Maar nu hadden ze enkel aandacht voor de korte instructies die Pieter hen gaf.

* * *

Hoofdstuk 16

Zelfs midden in de nacht voelde het water in de lagune aangenaam warm aan. Pieter en Jane zwommen naar het gezonken vliegtuigwrak dat ze eerder die dag in ontspannender omstandigheden hadden bezocht. Afwisselend sleepten ze een metalen kabel met een zware haak met zich mee. Na enkele korte duiken konden ze de kabel vastmaken aan wat hen als de stevigste en minst aangetaste constructie leek. Daar waar het onderstel aan de romp stevig vastgeklonken was. Pieter brak door het rimpelloze oppervlak en stak zijn beide duimen omhoog. Het teken dat Jackie de elektrische lier kon starten. Ze drukte op de grote rode knop die Pieter had aangeduid midden op de afstandsbediening en de kabel begon zich op te spannen in een poging het wrak uit zijn rustplaats te breken. Een eeuw van vergroeiing met de koraalbodem liet zich niet zo maar overwinnen. Pieter had enkele pogingen met een koevoet nodig voor de twee grote vlotters van het vliegtuig zich in een wolk van opdwarrelende koraalresten losmaakten. Hij realiseerde zich dat hij nu ongeveer elke overeenkomst om de koraalriffen te beschermen flagrant overtrad. De bodem van de atol was vlak genoeg om het wrak op zijn vlotters als een gevangen potvis te slepen naar de aanlegsteiger voor het botenhuis.
Na enkele minuten kwamen de eerste delen boven de waterspiegel, aan beide kanten op veilige afstand gevolgd door Jane en Pieter. Het water gutste uit de cockpit en de romp. Hoewel Pieter verschillende keren naar het wrak had gesnorkeld, was hij verrast door de goede structurele staat van het vliegtuig. Jammer dat hij nu nooit het vliegtuig volledig zou kunnen onderzoeken, maar hij was nu van plan het te gebruiken voor belangrijker zaken. Ze trokken samen het vliegtuig zo ver mogelijk tegen de steiger tot het zo'n twee meter boven het wateroppervlak uitstak, er zorg voor dragend de Grumman niet te beschadigen. Met de hulp van Jackie en Jane gooide hij het beschermingszeil over het toestel. Vanuit de lucht zou het iedereen om de tuin leiden. Enkel een aandachtige piloot die de atol kende zou weten dat het kenmerkende vliegtuigwrak in het midden van de lagune weg was en zou misschien achterdochtig worden. Pieter rekende er echter op dat de rotatie van piloten op Diego Garcia zo groot was, dat de kans hierop wel bijzonder klein was. De meeste piloten bleven slechts enkele weken en zeker bij zonsopgang zouden ze niets opmerken of vermoeden. Gejaagd klommen Jane en Jackie aan boord van de Port of Call. Terwijl Jane de aanmeertouwen losmaakte, gaf Pieter snel aanwijzingen hoe het schip veilig uit de atol te varen langs de enige geschikte geul voor de diepgang van de zeilboot. Onder geen beding konden ze zich veroorloven dat het schip zou vastlopen. Jackie gaf reeds gas toen Jane van de achtersteven terug op de aanlegsteiger sprong.
Pieter zat op zijn knieën op de vleugel en pompte brandstof in de grote reservetank. Hij dankte het lot dat ze op Diego Garcia zo vriendelijk waren geweest om het toestel vol te tanken, maar voor de afstand die ze zouden moeten vliegen had hij ook volle reservetanks nodig. Het was niet de bedoeling ergens midden in de oceaan te landen. Het manueel vullen ging veel te langzaam naar zijn zin en zijn armen begonnen pijn te doen van het zenuwachtige op en neer bewegen van de kleine pomphendel.
Jackie was al uit het zicht verdwenen toen de tank eindelijk vol was en hij de dop terug schroefde. Hij kroop aan boord, liet de deur van het vliegtuig open en nam plaats in de pilotenzit, naast Jane. Vlug klikte hij enkele schakelaars om en zonder veel zorg te besteden aan een pre-flight controle startte hij de motoren. Ook hier had het technisch team goed werk geleverd en de motoren een snelle revisie gegeven. Het risico dat nu één van die motoren het zou begeven was teruggebracht tot de normale kansberekening. Wat nog hoog was bij zijn vliegende relikwie. Hij liet ze enkele momenten warm draaien. Het laatste wat ze nu nodig hadden was een haperende motor tijdens het opstijgen. Jammer genoeg had hij hiermee reeds hardhandig ervaring opgedaan en mocht hij van geluk spreken het er levend van af te hebben gebracht. Het gestage gebrom echode in de nachtelijke baai terwijl hij het vliegtuig manoeuvreerde naar de doorgang en vervolgens een achtervolgingskoers inzette naar Jackie. In de verte zag hij de navigatielichten en stuurde hij de vliegboot door de golven. 
Langzaam begaf Pieter zich naast de Port of Call en ontstak de grote, in de vleugel verwerkte, schijnwerpers die een hard en onromantisch licht op de deinende zee wierpen. “Blijf gewoon deze koers en snelheid aanhalen,” riep hij naar Jane. Waarop hij zich losmaakte uit de stoel en naar de nog steeds open ingang kroop. Hoewel het vliegtuig slechts weinig vaart maakte rilde Pieter in de koude bries en de opspattende druppels. Het contrast met het warme water in de beschutte baai was groot en even had hij medelijden met zichzelf.
Jackie had de gashendel helemaal opengedraaid en het zeilschip begon snelheid te maken toen ze, na nog een laatste keer de automatische piloot te hebben gecheckt, zwemvliezen aantrok en via de achtersteven het water indook om naar het naderende vliegtuig te zwemmen. Na enkele slagen keek ze op uit het water om haar positie ten opzichte van het aankomende vliegtuig te bepalen. Tot haar schrik had ze de afstand verkeerd ingeschat en begon ze wanhopig te crawlen om dichterbij te komen. Ze was nog tientallen meters van het watervliegtuig verwijderd toen het voorbij kwam. In de deuropening zag ze Pieter zwaaien met een touw en een reddingsboei, gespannen als een zeecowboy die een meermin wil vangen.
Pieter brulde in de intercom dat Jane onmiddellijk een bocht van honderd tachtig graden moest maken. Ze gehoorzaamde met een ruk aan het stuurwiel wat het anders logge gevaarte gevaarlijk slagzij deed maken. Pieter moest zich stevig vasthouden en hield zijn adem in, voorbereid op kapseizen. Maar het toestel ploegde zich scherp door de golven en naderde Jackie langs de andere kant. 
“Zorg dat we ze niet missen of kielhalen. Benader ze van bakboord dan kan ik de reddingsboei gooien. Nu is het moment om jouw man-over-boord manoeuvres toe te passen,” brulde hij in de microfoon. Bijtend op haar onderlip tuurde Jane naar buiten: “komaan zusje, waar ben je?” Plotseling zag ze een wit lichtschijnsel en ze jubelde dat Jackie het verstand had gehad om nog snel een waterdichte zaklamp mee te nemen voor ze van boord was gesprongen. Ze stuurde lichtjes bij en vertraagde zoveel mogelijk zodat Pieter Jackie aan boord kon helpen. Hij greep haar bij de riemen van haar zwemvest. Rillend kroop ze aan boord, trok haar zwemvliezen en reddingsvest uit en wikkelde zich in de wollen deken die Pieter haar aanreikte. 
“Welkom aan boord. Waarom is het toch dat ik jullie steeds moet redden uit dit water?” Hij sloot de deur en klom terug in de cockpit. “Okay, nu voor het echte werk. Over enkele uren zouden we de zuidelijke eilanden van de Malediven moeten kruisen en dan zijn we zo in de geciviliseerde wereld.”
Het vliegtuig stampte heftig over de golven zodat Jane angstig opzij keek naar Pieters gespannen gezicht dat niet veel goeds voorspelde. “Wel, dat is, als dit ding hier ooit nog eens doet wat het verondersteld wordt te doen: vliegen. Met al die extra brandstof aan boord is ze zwaarder dan ooit.” Het leek een eeuwigheid vooraleer het toestel zich traag van het wateroppervlak losmaakte en met een laatste bocht over het eiland zijn koers naar het noorden begon.
“In films zie je steeds dat je best zo laag mogelijk bij het zeeoppervlak moet vliegen om de radar te omzeilen. En omdat ik niet weet of dit feit of fictie is, neem ik geen risico. We vallen ook van minder hoog als het fout gaat. En de kans dat we een hoogspanningsmast raken is tamelijk gering in deze contreien. Daarbij denk ik niet dat we ook veel hoger geraken met deze zware kist.”
Ondanks de gespannen sfeer van de afgelopen uren kon Jane niet anders dan met Pieters opmerking lachen. “Wel, Pieter, vlieg jij maar lekker laag, ik ga eindelijk wat droge kleren aantrekken. Het is niet erg comfortabel om hier in een natte bikini te zitten.”
Ze probeerde het restant van het gordijn tussen de cockpit en de rest van het vliegtuig achter zich dicht te trekken, net op tijd om nog te horen: “je hoort mij niet klagen.” Ze stak haar hoofd door het grote gat gescheurd in het gordijn: “en niet gluren hé, oude viespeuk.” Als enig antwoord reikte Pieter naar één van de spiegels boven de cockpit en stelde die zo in dat hij recht in haar ogen kon kijken.
Het was niet dat hij geen interesse had naar wat er zich afspeelde in de kleine cabine, maar hij onderzocht bezorgd de horizon waar enkele lichtflitsen zijn aandacht hadden getrokken. Hij siste tussen zijn tanden en voor het eerst kreeg hij een beklemmend gevoel. Misschien zouden ze nu wel eens serieus in nesten raken. Onweders en vliegtuigen, laat staan zijn vliegende relikwie, vormen geen goede combinatie. De eerste regendruppels sloegen tegen de voorruitjes toen Jane terug in de copiloot stoel gleed. Zwijgend keek ze naar de donkere horizon waar nu bijna onafgebroken lange flitsen de dreigende cumulus wolken oplichtten. Pieter klikte een paar keer een schakelaartje op en neer. 
“Die ruitenwissers doen het ook al niet. Ik heb ze eigenlijk nog nooit moeten gebruiken.” Hij draaide zich om. “Jackie, kun je een stoel uitzoeken met een gordel die nog sluit? Het zou wel eens bumpy kunnen worden.” In het gedempte licht van de cabine kon hij de licht opgezwollen ader op haar voorhoofd zien terwijl ze uit het raampje keek. Pieter kreeg een onbehaaglijk gevoel. Een gevoel dat hij al eerder had ervaren, alsof de dood of het noodlot fysiek aanwezig waren in de cockpit, vlak naast zijn stoel. In middeleeuwse houtetsen zou dat gevoel afgebeeld worden door een magere Hein, gehuld in een grote cape met in de kap zijn schedel en uit een van de wijde mouwen een skelethand met een grote lange zeis. Een koude rilling liep over zijn rug. “Doe niet belachelijk,” vermande hij zichzelf. Hij ging rechtop zitten toen de eerste windvlaag het vliegtuig heftig door elkaar schudde.
“Kom maar op, ik ben er klaar voor,” zei hij halfluid op een vastberaden toon.
* * *

Hoofdstuk 17

Nachtdiensten waren geen probleem voor Johan Freeman. Zolang hij maar met rust werd gelaten. Maar als hij om drie uur 's morgens door de dienstdoende verkeersleider werd wakker geschud, dan werd hij kregelig. De man stond wat onwennig in de deur toen hij discreet klopte en zei: “Meneer Freeman, u wordt gevraagd in de controletoren.”
John Freeman draaide zich kreunend op zijn zij en stak zo langzaam beide benen uit het smalle bed in de kelder van de controletoren. “Wat nu weer,” dacht hij. Het was de laatste tijd een beetje gek geworden met nachtelijke vluchten en onaangekondigde oefeningen. Zich uitrekkend deed hij hemd en broek aan, keek in het kleine spiegeltje dat op het tablet van de gebarsten waskom stond daarbij denkend: “spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is de onnozelste op dit eiland?”
De controlezaal was verlicht in een gedempt rood waarin de computerschermen haarscherp informatie gaven over de atmosfeer, windsnelheid, luchtdruk, temperatuur, overkomende vliegtuigen, vliegroutes en radar. Jonathan stond wijdbeens aan het grote raam en keek naar de twee jachtvliegtuigen die naar het begin van de startbaan taxieden.
“Hi Jonathan, niet een beetje te laat of te vroeg om met vliegertjes te spelen?” begroette John hem. Jonathan keek hem ernstig aan. “Een beetje een vervelende opdracht John. We hebben informatie dat Pieter Van Dyck geheime informatie van onze basis heeft gestolen en die wil verkopen. Hij is op de vlucht met het schip van die twee Australische grieten. Ik ben zo vrij geweest de piloten van wacht op te trommelen. Maar als dienstdoende officier moet jij de toestemming geven tot vertrek.”
“Pieter een spion? Kom nou. Ik weet wel dat hij in zijn tijd misschien niet altijd zuiver op de graat was om aan zijn informatie te komen. Maar ik dacht toch dat hij een zekere ethiek had. Waarom zou hij zoiets doen?”
“Toch is het zo. Geloof me, ik ben al even geschrokken als jij. Maar ik heb vandaag met Bramaud samengezeten. Er zijn trouwens ook sporen dat hij iets te maken heeft met de dood van Votilio. Het forensisch onderzoek wees erop dat het wapen van Pieter afkomstig was. Een wapen dat hij nota bene nog indertijd van ons heeft gekregen.”
John krabbelde een paraaf op het toestel dat de verkeersleider hem aanreikte. “Ok, starten maar.” Waarop bijna meteen de twee vliegtuigen met een sprongetje op hun hoge landingsgestel parallel vertrokken om dan een paar seconden later te verdwijnen in het donker.
Stratford nam een koptelefoon, klapte het microfoontje voor zijn mond en maakte verbinding met de piloten. “Commandant Stratford hier. Jullie moeten op zoek gaan naar een zeiljacht, de Port of Call. Het zal niet makkelijk zijn het te vinden, maar ik heb alle redenen om aan te nemen dat het zich nu bevindt op een koers tussen de Egmont eilanden en Mauritius. Het is rond middernacht vertrokken vanuit Egmont en met een vermoedelijke snelheid van zo'n vijftien knopen is het nu ongeveer een veertig of vijftig mijl ten westen van Egmont. Jullie navigatiecomputers hebben alle informatie over de berekende locatie ontvangen. Neem contact met mij op als jullie over Egmont hebben gevlogen en rapporteer of er iemand thuis is.”
Zonder hun confirmatie af te wachten, zette Stratford de koptelefoon af en maakte een gebaar met zijn hoofd dat hij John onder vier ogen wou spreken. Ze stapten beiden het glazen kantoortje van John binnen.
“Zo, dat is nog eens een verrassing, wat is er aan de hand?” vroeg John terwijl hij twee koffiepads in het apparaat stopte en het klepje met een te harde slag toeklapte. Onder het reutelen van het toestel gaf Jonathan meer details.
De dag dat Pieter met Jane en Jackie was gekomen, had hij aan Jonathan specifiek gevraagd of de gestorven Votilio geen iPod bij zich had. Jonathan had die vraag een beetje vreemd gevonden, maar had er verder niet bij stilgestaan. Eigenlijk met moeite wetend wat een iPod was. Maar Pieter was er over blijven doordrammen tot hij, Jonathan, de iPod aan hem had gegeven met de vraag te kijken of er misschien leuke liedjes op stonden die hij wou hebben. Pieter had ongewoon zenuwachtig het toestel aangeschakeld op een computer en snel gezegd dat er enkel wat smakeloze muziek opstond. Verder niks.
“Gezien ik van die dingen toch niets ken, leek het mij voor de hand liggend. Ik heb wel meegekeken op de computer en ik zag inderdaad wel een aantal titels van liedjes, maar voor de rest niks. Maar blijkbaar was er wel degelijk iets.”
Het koffietoestel pufte stoom als teken dat de twee koffies klaar waren. John reikte een ervan aan Jonathan. “Extra zwarte arabica, zoals ik hem graag heb.”
Jonathan vervolgde zijn verhaal. Pieter had dan gevraagd om de iPod te krijgen met als argument dat die van hem stuk was en dat een koerier niet zover als Egmont ging in het bezorgen van pakjes. Jonathan had er geen bezwaar tegen en had de iPod doen verdwijnen uit het verslag waarin een gedetailleerde beschrijving stond van alle objecten gevonden op en nabij de vermoorde man. Wie zou er nu interesse hebben in één dode, honderden mijlen van de bewoonde wereld? Er was nog geen interesse in een dode binnen de bewoonde wereld. Nadat hij het verdere onderzoek met Bramauds team had besproken was het hem echter duidelijk geworden dat er meer aan de hand was. In de kamer van Votilio waren documenten gevonden en Dvd’s met informatie gedownload van de supercomputer op Diego. Specialisten hadden de logs in detail geanalyseerd en tot de conclusie gekomen dat gevoelige informatie gekopieerd was op een mobiel toestel, bijvoorbeeld een iPod.
“Ik heb geprobeerd om Pieter te bereiken vannacht, om met hem te spreken en eventueel domme dingen uit zijn hoofd te praten, maar zijn mobiel was uitgeschakeld en ook op de radio gaf hij niet thuis.”
John schudde zijn hoofd. “Ik kan het nog niet geloven.”
Jonathan beaamde: “het klinkt afgezaagd maar wellicht kennen we elkaar nooit echt.” Uit een centraal geplaatst luidsprekertje klonk duidelijk één van de piloten. “Sir, we naderen nu Egmont. Ik daal tot op vijftig voet en maak enkele rondjes.”
John en Jonathan bleven kijken naar de luidspreker waaruit nu enkel de achtergrondgeluiden van de cockpit te horen waren tot de piloot zich weer meldde. 
“Alles is verlaten. In de lagune ligt het vliegtuig aan de aanlegsteiger en ik zie een Zodiac gemeerd in het botenhuis. Geen ander vaartuig te bespeuren.”
Jonathan boog zich over de microfoon: “goed, zoals ik al had verwacht. Start dan nu maar de zoektocht naar het zeiljacht.”
De twee Super Hornets kantelden scherp naar links om hun koers richting Mauritius in te zetten. Hun boordcomputers hadden ondertussen van warmtegevoelige satellietbeelden bijkomende coördinaten doorgekregen van enkele hittebronnen die mogelijk afkomstig waren van de motor van het zeilschip. Met hun gevoelige infraroodsensors ingeschakeld zou het een koud kunstje zijn om het spoor op te pikken, zelfs vanop enkele mijlen afstand. Het weer op hun route begon langzaam te veranderen. De piloten kregen echter geen angstgevoel bij het zien van de bliksemschichten in de verte. De heftige windvlagen zorgden voor wat zwakke trillingen in hun stevige toestellen. Enkel de regen en de opzwiepende golven zouden het de snel overvliegende jachtvliegtuigen moeilijk maken om een positieve visuele identificatie van hun doel te maken. Zo langzaam mogelijk, maar nog steeds aan een snelheid van tweehonderd kilometer per uur, gierden ze over de positie waar het schip zou moeten zijn. Ze besloten links en rechts uit te wijken om zo in cirkels het gebied af te zoeken. Een uur nadat beide toestellen vanop Diego Garcia waren opgestegen, bevestigden ze aan Jonathan dat ze het jacht hadden onderschept.
“Hier Hornet one. We hebben een positieve identificatie van The Port of Call. Eigenlijk niet te missen zo zonder mast. Wat zijn onze orders?”
Jonathan vertrok geen spier van zijn gezicht.
“Vernietig het schip.”
De piloot zette één van zijn Stinger raketten op scherp, naderde het zeilschip aan de stuurboordzijde en vuurde de raket af die zich venijnig sissend van de linkervleugel van de Hornet losmaakte.
Enkele seconden later werd The Port of Call een fractie uit het water gelicht om dan in een heldere explosie te versplinteren. De Hornets deden zelfs geen moeite om nog eens over het schip te vliegen dat snel wegzonk tussen brokstukken polyester en hout.

* * *

Hoofdstuk 18

De koele ochtend droeg in de verte de geluiden van het ontwakende Manhattan terwijl Ian door de kunstig aangelegde tuin van het bedrijf naar de wachtende limo stapte. Hij gaf vriendelijk knikkend zijn tas aan de chauffeur en schoof naast Iveta die wazig voor zich uitkeek. In tegenstelling tot Ian was vroeg opstaan niet aan haar besteed. Ian was deze ochtend al in de gym aan het werk geweest toen zij eindelijk wakker werd onder een koude douche.
Ian drukte op een schakelaar en het afscheidingspaneel verdween.
“Goedemorgen Alice, hoe gaat het?”
“Het belooft een prachtige dag te worden, Ian. Dus ik ben tevreden.”
“Inderdaad, er gaat niets boven een mooie ochtend. Hoe stellen de kinderen het op school?”
“Prima, dank u. Liz, de jongste, heeft zich net ingeschreven voor muzieklessen. Ze wil viool leren. Ik hoop dat we daar geen spijt van zullen krijgen.” Ze wachtte een moment toen ze stopte om de Palisades Interstate op te rijden om dan te vervolgen. “En waarheen gaat de reis vandaag meneer?”
“Ach Alice, je weet wel. Veel te ver om goed te zijn voor een oude man als ik.” 
Ze glimlachte eens in de spiegel en sloot zelf weer het tussenschot. Ze wist dat als Ian bij Iveta was, de beleefdheden snel op waren. Maar daarom niet minder gemeend. Eén van haar sterktes, naast haar kwalificaties als prima chauffeur, was discretie en het aanvoelen wanneer die op zijn plaats was. Zoals nu. Ian zakte in het zachte lichtgrijze leder terwijl hij naar huis belde. Zijn echtgenote, Elizabeth, was wel een early riser.
“Hallo schat? Ben je al gaan lopen?”
Elizabeth was sinds vorig jaar verwoed aan het trainen voor de New York marathon en had zichzelf een Spartaans oefenprogramma opgelegd. Hij luisterde aandachtig, nu en dan instemmend meeknikkend.
“Ik ben alweer op weg naar de luchthaven. Er is een crisis met een opdracht in Chili. Ik ben dus wel een tijdje weg.” Elizabeth was het gewoon dat haar man regelmatig weken van huis was. Sinds het begin van hun huwelijk was ze gestopt vragen te stellen. En eigenlijk vond ze het best zo.
“En ik van jou. Ik bel je wel als ik ben aangekomen.”
Hij klapte de telefoon dicht en sloot de ogen om de volgende uren nog eens op een rijtje te zetten. Straks zouden ze aankomen op de luchthaven om zo goed als direct te vertrekken. De corporate jet overtrof veruit de luxe van een eerste klasse lijnvlucht en hij zou de twaalf uren goed kunnen gebruiken. Daarna zouden ze op hun bestemming aankomen. Hij zou eindelijk de vooruitgang van het project kunnen zien sinds zijn laatste bezoek, nu meer dan een jaar geleden. De limo draaide het privé gedeelte van de luchthaven op. De homeland security officer herkende de wagen met Alice en liet ze zonder meer door. Hij wist dat het soort mensen die in zulke wagens zaten niet echt gediend waren met controles. En hoewel het tegen alle procedures indruiste, liet iedereen het oogluikend toe. Alice parkeerde handig naast het vliegtuig en sprong als eerste uit de wagen om haar passagiers te helpen bij het uitstappen. Ze gaf Ian zijn tas terug. Hij knuffelde haar verrassend: “Alice, hou je goed,” waarna hij resoluut de trap opstapte waar ondertussen een stewardess aan de deur was verschenen. Wat verlegen wist Alice niet goed wat te antwoorden. Samen met het grondpersoneel laadde ze de bagage in, tekende enkele papieren af in naam van Ian en reed de limo terug weg. Ze stopte voor het schuifhekken en in de achteruitkijkspiegel zag ze de jet reeds traag taxiën terwijl de trap naar binnen schoof en de deur dichtklapte.
“Die willen hier snel weg,” dacht Alice.
Aan boord stak Ian zijn hoofd in de cockpit en schudde een hand met de piloot en de copiloot. Ook met hen wisselde hij enkele grapjes en trok zich dan terug in de cabine. Ondertussen schonk de stewardess verse dampende koffie in een elegant porseleinen kopje. 
“Welkom aan boord Ian.” Ook zij sprak hem aan met zijn voornaam. Iets waar hij op stond bij alle personeelsleden van zijn bedrijf.
“Hallo Cindy. Ik ben blij je terug te zien. Waar was je gisteren trouwens, ik heb je gemist op mijn vlucht van Heathrow.” Cindy lachte: “ik wou kost wat kost u op deze vlucht van dienst zijn. Chili spreekt me veel meer aan dan het grauwe Londen.”
Ze ontkurkte een fles champagne, schonk behendig een glas uit en bracht het balancerend op een dienblad tot bij Ian. Daarna verdween ze in de kleine keuken om het ontbijt klaar te maken voor haar gasten. Het snerpende geluid van de versnellende turbines deed Ian opkijken van één van de kranten die Cindy had klaargelegd. Nostalgisch hield hij van de schaarse gedrukte kranten met hun specifieke geur en de drukinkt die vuile vegen op zijn vingers achterliet. Iveta dacht een wat weemoedige blik te zien bij Ian toen het toestel over de Hudson vloog en zo zijn koers naar het zuiden inzette. Reeds na enkele minuten vroeg hij Iveta om een conference call op te zetten met Vladimir. 
“Goedemiddag Vladimir. Waar ben jij ergens?” 
Het beeld versprong nu en dan eens, en het geluid had moeite om te synchroniseren met het visuele.
“Ian, ik vlieg ergens boven de Congolese jungle. Nog een uurtje of twee en ik ben er. Heb je mijn laatste rapport ontvangen? Ik heb het enkele uren geleden verstuurd vanuit het vliegtuig, en dan ben ik nooit zeker of het is aangekomen.”
“Ja, ik heb het vanmorgen al gelezen. Daarom belde ik je ook voor enkele vraagjes die ik had.”
“OK, shoot,” klonk het aan de andere kant.
“Ik hoop dat Raghavani ons toch niet in de steek zal laten?” begon Ian.
“Het is niet zozeer dat ze zich zou bedenken. Het is eerder dat ze zich pas nu ernstig zorgen maakt over de rol die India zal spelen. De vuile rol.”
“We moeten ervoor zorgen dat ze begrijpt dat er geen goeden of slechten zijn in dit conflict. De focus moet liggen op twee zaken. De vernieling van de huidige infrastructuur en het uitwissen van lokale conflicten. Ik ben er zeker van dat ze blij is dat er zo een einde komt aan de Afghaanse invasies, de moordparijen in de Kashmir regio om nog te zwijgen van Pakistan. Daarmee krijgt ze ook ongehinderde toegang tot alle waterreserves in de Himalaya. Ze wordt de held van het nieuwe India. Er zijn meer dan drie miljard Indiërs waarvoor ze letterlijk een plaats moet vinden. We bieden haar de mogelijkheid om de nodige gebiedsuitbreiding te realiseren. En liefst niet alleen naar nog meer arme streken, maar ook naar die gebieden met een sterke economie en bloeiende industrie. Met de annexatie van het Midden Oosten zal India ook toegang hebben tot nieuwe olievoorraden. Iets wat tot nog toe nooit is gebeurd. Met de grote Indische bevolking in het Midden Oosten zal dit ook iets symbolisch hebben: de bevrijding van duizenden emigranten. De Verenigde Staten steunen deze acties omdat het eindelijk eens hun Midden Oosten en Israëlisch probleem oplost. China neemt de controle over Korea, Taiwan en Maleisië. Helemaal tot aan Australië.”
“Ze was ook bezorgd dat de Russen niet zouden stoppen bij de noorderlijke provincies van China. Dat zij ook wel eens op het idee zouden komen om naar het zuiden uit te breiden.”
“Zeer twijfelachtig. De Russen zijn niet gek. De geschiedenis heeft hen geleerd hoe lastig deze kleine gebieden kunnen zijn. Neen, ze zijn meer dan tevreden met Noord China. Er zit heel wat olie, gas en ertsen onder het ijs. En het smeltende ijs betekent vers water. Zolang ze die Russen maar toelaat om met hun vriendinnetjes op reis te gaan naar Sharm el Sheikh of Hurghada, zullen ze geen rare sprongen maken. We moeten er wel over waken dat India zelf haar belofte niet breekt en de vruchtbare Gobi binnenvalt. Dat zouden de Chinezen niet appreciëren.”
“En Europa?”
“Na jaren heeft Europa eindelijk een sterke president, na een reeks van grijze muizen. Hij is vastbesloten de landen te verenigen en als één te laten optreden in het conflict. Hier staat Afrika op het spel. Sinds eeuwen het koloniale speelveld van de Europese landen. Vroeger heeft China al geprobeerd om in de Afrikaanse landen binnen te dringen. Zij zullen de aanvallen op de voornaamste steden inleiden. Europa zal ter hulp snellen en vergelden, over heel Afrika uitzwermen en zo hun koloniale regimes terug opbouwen. Natuurlijk zullen ze het geen kolonies meer noemen.”
“Nu we over kolonies bezig zijn. Wat is de status met Zuid Amerika? Ik weet dat je daar enige problemen had.”
“Daar volgen we een gelijkaardig scenario. De VS valt Zuid Amerika binnen en Europa, aangevoerd door Portugal, Spanje en de UK, komt orde op zaken stellen.”
“Dat zit me niet lekker. Voor de eerste keer in de moderne geschiedenis zal Amerika tegenover Europa staan.”
“Ach, volgens onze berekeningen zal het Zuid Amerikaanse conflict het snelst over zijn. Het doel is om plaats te maken voor de miljoenen die vanuit Australië zullen vluchten eenmaal China daar is binnengevallen.”
“En ben je zeker dat de Australiërs zomaar zullen weggaan?”
“Goed punt. Ze willen geen deel worden van China. Zeker niet als de stroom van Chinese callgirls zal stoppen. Hoe dan ook, de militaire conflicten werden zo geprogrammeerd dat ze snel en heftig zijn. Een wervelwind om zoveel mogelijk infrastructuur te vernielen. Om onmiddellijk gevolgd te worden door een periode van heropbouw. Op dat moment zullen de mensen andere dingen aan hun hoofd hebben dan een lokaal conflictje. De heropbouw zal enkel slagen door samenwerking, ook met een vroegere vijand. Basis groepspsychologie. Onder druk presteert een groep beter en sneller.”
“Op naar a Brave New World,” antwoordde Vladimir.
“Helemaal niet, mijn beste Huxley. Dat boek was een reactie tegen de technologische evolutie en het potentiële gevaar voor de privacy. Enige vorm van controle, inclusief sociale controle en zelfcontrole, is het prijskaartje voor vrijheid. Vrijheid is de mogelijkheid om onafhankelijk te denken, zonder dat er iemand jou slaat, belachelijk maakt of jouw familie uitmoordt. Privacy is de mogelijkheid om dit te doen waar en wanneer je maar wilt. Hoe dan ook, ik ben verheugd dat je de literaire klassiekers kent.”
“Bedankt. Ik zal er nog eentje gebruiken. Het lijkt me dat Abacus steeds meer evolueert naar een Foundation.”
“Zelfs de Foundation is een kromme vergelijking. Onze systemen kunnen slechts tot vijftig jaar berekenen, we hebben het hier over de aarde en niet de kosmos, er is geen tweede Abacus en zover ik weet loopt er geen Muildier rond om stokken in de wielen te steken. Maar aan de andere kant zouden we wel vanuit Abacus de wereld kunnen voorzien van de nodige technologie die we kunnen ontwikkelen terwijl zij in conflict zijn.”
“Goed,” eindigde Vladimir, “dat was mijn briefing. We zien elkaar binnen enkele uren.”
“Inderdaad. Tot dan,” eindigde Ian het gesprek en verbrak de verbinding. Hij zette de zetelleuning wat comfortabeler en begon de rest van zijn documenten door te nemen. Na enkele uren vliegen boog het vliegtuig af naar het oosten. De kapitein kwam de cabine binnen en zei stil tot Ian dat de nieuwe koers was ingebracht. De transponder had hij uitgeschakeld nadat ze het luchtruim boven Miami hadden verlaten. En wellicht waren nu reeds enkele alarmen afgegaan toen ze plots verdwenen van de radarschermen. Ian knikte, strekte zich uit en stond op uit zijn zetel om aan Cindy te vragen de lunch te serveren.
Toen hij terugkwam keek hij Iveta aan. Hij vond dat het nu wel tijd was om het haar te vertellen. 
“Chili zal niet voor vandaag zijn, vrees ik. We gaan naar Midden-Afrika. Het westen van Somalië om precies te zijn.”

* * *

Hoofdstuk 19

De regen plensde nog steeds toen Abdul Massina vol verwachting zijn netten over de reling van zijn oude vissersboot trok. De vangst de afgelopen nacht was mager, maar dat had hij wel verwacht. Het was een oude wijsheid dat tijdens regen de vissen zich vooral op de bodem koest hielden en zich niet zo makkelijk lieten verschalken. Kwam daar nog bij dat hij eigenlijk niet mocht vissen in de beschermde wateren. Maar hij had een pak kinderen eten te geven. De autoriteiten hadden makkelijk praten met hun maritieme reservaten zonder oog te hebben voor de alledaagse noden van een eenvoudige visser. Een aanzwellende donder rolde over het water. Hij keek nieuwsgierig op toen die donder bleef aanhouden. Eventjes dacht hij dat een patrouilleboot hem had betrapt, maar hij wist dat de heren van de kustwacht bij dit weer liever in hun kantoor zaten. Zijn verbazing veranderde in angst toen hij het snel naderende watervliegtuig recht op zich zag afkomen. Het vliegtuig kon zich niet meer dan enkele meters boven het wateroppervlak bevinden en Abdul nam het zekere voor het onzekere.  Hij sprong overboord en dook zo diep mogelijk.
Toen hij weer boven kwam wist hij dat zijn reactie de juiste was geweest. Zijn vissersboot lag gekapseisd en een grote steekvlam schoot uit de kleine stuurcabine. Hij keek in de richting van het vliegtuig en zag en hoorde het op het water landen. Abdul zwaaide met zijn vuist en vloekte luidop. Niet alleen zag hij zijn vangst van krabben en enkele vissen verdwijnen, ook zijn enige bezit zonk snel. Dat zou dus een uurtje zwemmen worden naar de haven, een andere baan zoeken en een goede advocaat vinden.
Pieter keek verschrikt op toen hij de landing inzette en het bootje voor zich zag verschijnen op een golf. Het oude vliegtuig had er genoeg van en weigerde op te trekken. Met een luid gekraak botste de romp op het schip, sleurde de korte mast mee en vernielde het stuurhuis. Pieter had er alle moeite mee om zijn vliegtuig terug op een rechte koers te krijgen en ruw op de zee te landen. Jane was lijkbleek. Maar Pieter kon niet uitmaken of de lichtgroene zweem op haar gezicht nu kwam door de botsing of door de uren vliegen in het zware weer. Het vliegtuig schoof door tot aan de kust waar Pieter het liet vastlopen op het strand. Wat verder konden ze de onmiskenbare lichten van een resort onderscheiden.
“We zijn aangekomen op één van de zuidelijkste atollen van de Malediven,” verduidelijkte Pieter. “Ik ken hier een paar mensen die ons kunnen helpen. Tussen alle toeristen zullen we niet opvallen.”
Jane keek kritisch naar Pieter. Dan zou hij zich toch wel eerst eens mogen scheren, want zijn donker omrande ogen en zijn stoppelbaard zouden gelijk welke beambte doen besluiten hem op te pakken voor vermeend druggebruik of -bezit. Ook haar zus zag er niet al te fris uit. En ze wou er niet aan denken hoe zij er nu zelf zou uitzien. Maar als het zicht even erg was als de geur, dan kon ze zich er wel iets bij voorstellen. Ze sprongen uit het vliegtuig en stapten door het mulle zand, elk wat bagage over de schouder gegooid. Ze klommen over een lage omheining en liepen sluipend tussen de kleine villa's. Pieter leek de weg te kennen en stopte bij een poortje. De kunstig bewerkte deur kraakte open en ze stapten binnen in een kleine ommuurde tuin, gedomineerd door een overvloedige plantengroei en een zwembad. Pieter liep langs het stemmig verlichte tuinpad naar het hoofdgebouw en tikte zachtjes op de dubbele glazen deur.
Zijn discretie had geen reactie. Pieter aarzelde niet en bonkte hard, daarbij roepend: 
“Hi Alex, met Pieter. Doe open!”
Ze hoorden wat vage geluiden en gestommel aan de andere kant. Een kortgeblokte kerel probeerde zijn kalende ronde hoofd naar buiten te steken maar werd ruw door Pieter in de kamer teruggeduwd. De wanorde in de kamer was totaal. Lege flessen rolden over de grond, rieten eetmandjes stonden wanordelijk op een laag tafeltje, hun inhoud druipend over de vloer. Kledingstukken lagen her en der op de stoelen en het meubilair. De schrale geur van alcohol en sigarettenrook deed Pieter naar adem snakken. Hier was goed gefeest de afgelopen nacht.
Alex krabde met een vertrokken gezicht over zijn omvangrijke buik. “Ben je niet goed man? Mij op dit uur storen en dan nog op mijn enige vrije dag,” protesteerde hij. Pieter knipte het licht aan waarop Alex met pijnlijk dichtgeknepen ogen reageerde: “doe dat snel terug uit. Ik heb een kater, man. En knallende hoofdpijn.”
“Alex, ik maak geen grapje. Ik heb je computer nodig. Het is een noodsituatie. En doe in hemelsnaam wat kleren aan. Het is echt geen zicht.”
Alex haalde zijn schouders op en wees naar het bed waar in het halfduister een vrouwelijke figuur te ontdekken was: “zij heeft er geen probleem mee hoor en jij hebt niets wat ik niet heb. Maar het is al goed. Hij staat hierboven. Ik moet naar het toilet om te kotsen.”
Hij draaide zich om en keek naar Jane en Jackie die weifelend waren binnengekomen. “Oh Pieter, je bent niet alleen. Gelukkig. Welkom dames”
Jane en Jackie probeerden naast de naakte man te kijken die zeker geen last van gêne had. Hij lachte charmant en nodigde hen verder binnen te komen. Zijn jarenlange flirtervaring met toeristes op het exotische eiland kwam als een tweede natuur. Zijn kater verdween direct.
“Oei, en ik die dacht dat ik er slecht uitzag. Ik zal maar niet vragen wat jullie hebben uitgespookt.” Hij wees naar Pieter. “Heeft de stoute man zich niet goed gedragen?”
Hij verdween in de badkamer en kwam even later terug, gekleed in shorts en een T-shirt met als opschrift: This is Not a Beer Belly. This is the Fuel Tank of a Love Machine. Hij porde de vrouw wakker, grijnsde breed naar Jane en Jackie en volgde Pieter die al de computer had opgestart om de iPod aan te sluiten. Halverwege de houten trap riep hij nog: “niets boven een goede plons in het zwembad om er terug bovenop te komen. En nu, Pieter, wat heb je deze keer uitgespookt?”
Pieter bestudeerde aandachtig de documenten op de iPod terwijl Alex over zijn schouder meekeek. Ondertussen deed hij zijn relaas aan Alex. Als enige antwoord floot die tussen zijn tanden. “Hier ben je momenteel veilig. Zeker als ze denken dat je op weg bent naar Mauritius. Maar straks komt het toeristenverkeer naar hier op gang en zullen ze het op Diego snel doorhebben waar je bent. Jouw vliegtuig kan niet zomaar verdwijnen. Ik zal in ieder geval aan mijn vrienden van de controletoren vragen te doen of hun neus bloedt als er een vraag komt van Freeman. Een geluk dat ze niet op al te goede voet staan die twee. Hun standaard antwoord zal zijn me know nothing master John.”
Pieter herinnerde zich een voorval enkele maanden geleden toen cum manu militari John Freeman alle verkeer naar het eiland had omgeleid omdat de landingsbaan van Diego onbruikbaar was geworden na een foute landing van een bommenwerper. Al het burgerlijk vliegverkeer had toen moeten wijken voor de enkele militaire jets en dat was niet in goede aarde gevallen bij de lokale uitbaters van de hotels en de luchthaven.
“Wat ga je nu doen?” vroeg Alex.
“Ik denk dat we hiervan breaking news kunnen maken op alle internationale nieuwszenders.”
Hij logde in op zijn webmail account, foeterde op Alex dat de internetconnectie zo traag was en scrolde door zijn contacten, nu en dan een naam aanklikkend. De meeste van die contacten werkten ofwel als freelancejournalisten of waren verbonden aan een van de grote persbureaus zoals Associated Press, Reuters, Xinhua en Kyodo. Toen hij een lijstje van zo'n tiental namen had begon hij één voor één de documenten aan te hechten. Toen hij daarmee klaar was, werd het reeds langzaam licht en het resort kwam tot leven. De receptie checkte enkele vroege vertrekkers uit terwijl de butler de bagage over het kronkelende pad meetrok op piepende wieltjes. De eerste kamermeisjes kwamen aangelopen in kleurrijke lokale klederdracht, een mand met vers linnen op het hoofd balancerend. De tuinman opende de sproeiers zodat gasten konden genieten van de aangename geur van frisse planten en bloemen bij het ontbijt of de wandeling door de tuin naar het strand.
Pieter en Alex keken op toen ze lachende stemmen en geplons hoorden. Alex was de eerste om zich naar het balkon te haasten om te zien hoe Jane en Jackie het water waren ingedoken, samen met zijn nachtelijke gaste. Alex trok Pieter dichter bij hem aan en zei vettig: “nogal een stuk hé, die Brigitte.” Pieter keek naar de blonde vrouw in een veel te kleine bikini zodat weinig aan de fantasie werd overgelaten. Zonder een antwoord te verwachten op zijn eerdere vraag riep Alex naar beneden: “wacht, ik kom er ook aan!” Waarop hij de trap afriep en tegelijk zijn T-shirt uittrok. Een grote plons en het gegil van de meisjes duidden erop dat hij in zijn opzet was geslaagd. Pieter probeerde ondertussen een krachtige samenvatting te schrijven die de nodige aandacht zou trekken van zijn overwerkte oud-collega's. In telegramstijl schetste hij de inhoud van de bijvoegsels.
Aangehecht vinden jullie een aantal geheime stukken die gedetailleerd een nakende kernaanval van India op China en het Midden Oosten weergeven. De echtheid van de documenten (foto's, kaarten, troepenconcentraties, aanvalsplannen) is gecontroleerd. De info komt rechtstreeks van de internationale marinebasis Diego Garcia. Iemand die de gegevens naar buiten wou brengen is er voor gestorven. Deze informatie moet zo snel mogelijk openbaar worden gemaakt. De Indische mogendheid moet haar plannen stoppen en sancties van de internationale gemeenschap moeten worden uitgevaardigd. Mochten we nog denken dat een wereldoorlog niet mogelijk is, dan waren we allemaal fout. Aan jullie om hem te vermijden.
“Het is wel niet het meest hoogstaande proza, maar het zal er maar mee moeten doen.” Pieter drukte op send. Het klokje draaide tergend lang, maar uiteindelijk verscheen de pop-up confirmatie Boodschap verzonden.
Jonathan Stratford zag de mail verschijnen.
“Mooi zo, Pieter. Je stelt me niet teleur.” En pikte de telefoon op.

* * *

Hoofdstuk 20

De jet schokte op en neer toen het door warme luchtzakken werd opgetild tijdens de daling. Iveta schrok wakker, schoof haar blinddoekje omhoog en klapte de blindering weg van een van de grote ovale ramen van het vliegtuig. Beneden zag ze een uitgestrekte roodbruine vlakte met aan de horizon de contouren van een lage bergketen. Veel details kon ze niet uitmaken. Een waas van stof en hitte vervaagde het beeld. Cindy kwam haar met een glimlach begroeten. “We zijn er bijna, juffrouw Iveta. Wilt u misschien nog iets drinken?” Iveta was jaloers om te zien hoe Cindy blijkbaar geen hinder ondervond van het lange vliegen en er zoals steeds stralend jong uit zag. Wat norser dan ze eigenlijk bedoelde vroeg ze: “hoe lang nog?”
Cindys opgebouwde immuniteit tegen onaangename passagiers werkte. Even vriendelijk antwoordde ze: “de kapitein heeft me net gezegd een goed half uurtje. We hebben de daling ingezet maar passeren nu een zone met wat turbulentie. Het zal een beetje afhangen van de drukte op de luchthaven. Gelukkig hebben we voorrang.”
Drukte op een Afrikaanse luchthaven? Dat wou Iveta nog wel eens meemaken. Het geschommel werd nu en dan onderbroken door een harde schok die het toestel deed kraken tijdens de scherpe bochten die de gezagvoerder moest maken bij het aanvliegen naar de landingsbaan. Iveta kwam naast de slapende Ian zitten en maakte hem zachtjes wakker. Hij had de hele reis gewerkt en was pas de laatste twee uurtjes ingedommeld.
“We gaan landen,” fluisterde ze, “het is een beetje hobbelig en je weet dat ik daar niet erg van hou.” Ze had zijn hand vastgenomen en kneep erin bij elke turbulentie tot ze uiteindelijk zachtjes tot op de landingsbaan zweefden en doorreden tot één van de parkeerplaatsen. De hitte van de tarmac vulde de cabine van het vliegtuig toen Cindy de deur opentrok en het trapje naar beneden gleed. Ian stapte als eerste naar beneden en zette zijn mobiele telefoon aan, klaarblijkelijk had hij geen last van de warmte. Hij luisterde naar de berichten, meestal niet de moeite nemend om ze volledig af te spelen. Toen hij ze allemaal had doorgenomen drukte hij op een snelkiestoets.
“Hi Jonathan. Ik ben net aangekomen. Alles in orde?”
Hij bleef geruime tijd rustig horen naar wat Jonathan hem had te vertellen, nu en dan instemmend meeknikkend. “Goed werk Jonathan. Ik bel hem binnen twee uur op.”
Iveta voelde zich groggy na de lange vlucht. Maar dat gevoel verdween snel toen ze weer frisse lucht kon inademen. Zelfs al was dat “fris” bijna tweeënveertig graden Celsius. Verbaasd keek ze rond. Ze had niet verwacht een hypermoderne luchthaven aan te treffen met een drukte die kon concurreren met een grote internationale hub zoals Kennedy of Frankfurt. De onafgebroken op en af rijdende treintjes losten en laadden goederen en bagage uit en in de jets die aan kwamen vliegen of vertrokken. In de lucht zag ze de landingslichten van ten minste vijf vliegtuigen die zich achter elkaar oplijnden voor de landing. Shuttlebussen met passagiers reden van de geparkeerde toestellen naar het hoofdgebouw. Ze kon enkel gissen naar de bedrijvigheid binnen de aankomsthal want zoals gewoonlijk konden zij en Ian genieten van een VIP behandeling. Ze stapten in de koelte van een geklimatiseerde terreinwagen die voor hen klaarstond en onmiddellijk wegstoof. Ze reden door de openstaande slagbomen van de luchthaven toen de jongeman in de passagierszetel zich omdraaide. “Welkom Ian en juffrouw Iveta. Welkom in Luuq.” Hij sprak het woord langgerekt en zangerig uit. “Ik hoop dat jullie een prettige reis hebben gehad. Ik weet dat het een lange trip was, maar over een klein uurtje zijn we op onze bestemming.” Hij stak een lange slanke hand uit naar Iveta. “Ik ben blij dat we elkaar eindelijk persoonlijk kunnen ontmoeten na de vele telefoons en mails. Ik ben Cabdikarum Sucri. Noem me gewoon Karum. Mijn overgrootouders waren van Italiaanse oorsprong. Mijn overgrootvader huwde een Somalische. Ik werk voor Ian aan het Abacus ontwikkelingsproject.” Hij lachte eens. “Tenminste, we noemen het een ontwikkelingsproject.”
“Kan er mij iemand bij benadering zeggen waar Luuq ligt?” Haar poging om dezelfde zangerige intonatie aan te houden mislukte maar bracht wel een glimlach op het gezicht van Karum.
“Het was een klein vergeten dorp in een vreemde kronkel van de Webi Jubba rivier, ongeveer vijftig kilometer ten zuiden van het drielandenpunt waar Kenia, Somalië en Ethiopië samenkomen. Ongeveer want eigenlijk weet ook nu nog niemand precies waar die landen exact samenkomen. We rijden nu naar het gebied ten zuidwesten van Luuq.” Hij wees voorbij de rivier waarin het bruine water traag stroomde. “Daar zie je nog het oude Luuq, de lemen huisjes en hutjes zijn ondertussen allemaal verlaten. De meeste mensen werken nu in de luchthaven en hebben de hutten ingeruild voor modernere woningen. Je moet je voorstellen dat tot voor enkele maanden de luchthaven niet meer dan een aarden strip was, de Luuq Ganana Airstrip. Wacht...”
Enthousiast haalde hij een tablet boven en gaf het aan Iveta. “Kijk, dat zijn de satellietbeelden.” Ze nam het tablet aan en vergrootte de kaart. Ze kon duidelijk de hutjes zien die kriskras door elkaar binnen het door de rivier afgeschermde gebied lagen. De rivier was als een natuurlijke omheining, in de vorm van een hoefijzer, die de toentertijdse bevolking beschermde tegen ongewenste leeuwen of wellicht ook rondtrekkende kuddes olifanten. Op de weergave kon ze de cirkelvormige, meestal dubbele, omheiningen zien rond de hutten die extra bescherming moesten bieden aan ongenode gasten zoals slangen, schorpioenen of zelfs de occasionele krokodil die vanuit het noorden de rivier volgden om eten te zoeken tijdens het droge seizoen.
“Maar, zijn dit archiefbeelden of kijk ik hier nu live naar? De luchthaven staat er niet eens op.”
“Euh ... het is live,” gaf Karum aarzelend toe.
Gelukkig pikte Ian hierop in.
“Laat het duidelijk zijn dat wat Maps jou toont, niet altijd de realiteit is. Maar wat men jou wil doen geloven,” vervolgde Ian. “Iedereen vond het jaren geleden fantastisch om naar zijn huis te kijken op Google Maps en zijn of haar auto op de oprit te herkennen. Tot men zich realiseerde dat het voor inbrekers een ideaal werkinstrument was geworden. Niet enkel om een huis binnen te dringen, maar om hele inbraakcampagnes te organiseren in woonwijken. Zeker nadat Google erin slaagde om real-time beelden weer te geven en zo de ideale tool werd om te zien of er iemand thuis was of niet. Met daarbij de beste ontsnappingsroute of de dichtstbijzijnde autoweg naar een ander land. Ook om aanslagen te plegen op de hoofdkantoren van internationale bedrijven, energieleveranciers, communicatieknooppunten. Zeker als die dan nog eens een onderdeel waren van de nationale critical infrastructure. Het duurde dan ook niet lang of die delen moesten verdoezeld worden op de kaarten. Was het je nooit opgevallen dat als je het adres van een multinational intikte, je dikwijls een witte vlek kreeg? Alsof iemand nogal zorgeloos met een borsteltje Tip-Ex was omgesprongen op een foto. Toen dat begon op te vallen, is men wat inventiever geworden en werden hele stukken gecamoufleerd. Of werden nieuwe opnames gewoon weggelaten. Uiteraard stond daar een kleine compensatie tegenover, privacy heeft zijn prijs. Vergis je niet, er zijn honderden mensen op deze wereld die niets anders te doen hebben dan internetkaarten millimeter na millimeter op hun scherm te bekijken op zoek naar iets. Een vliegtuigwrak, een schip, een huis, een bank met een brandkast.”
Het was stil in de wagen die aan een continue snelheid van honderd veertig kilometer per uur over het nieuwe asfalt van de drie baanvakken tellende autoweg reed. Iveta zag links en rechts de weelderige plantengroei met bananenbomen, broodbomen en palmen. De middenberm was keurig aangelegd met bloeiende rode struiken, regelmatig onderbroken door een slanke verlichtingspaal. In de verte zag ze  kinderen spelen voor enkele kleine witte huizen. De bebouwing werd dichter wat haar deed vermoeden een centrum of bewoond deel te naderen. De chauffeur zei iets tegen Karum die zich terug omdraaide. “We zijn er bijna. Hier zijn de sleutelkaarten van jullie kamer. Ik zorg er wel voor dat jullie bagage terecht komt.” Het geluid van de wagen veranderde in een zacht zoemen, waarop Karum uitlegde: “hier is het niet toegelaten om op fossiele brandstoffen te rijden, dus schakelen we over op de stroom die we hebben opgewekt tijdens de rit hiernaartoe.”
De weg werd drukker toen de vegetatie langs de weg doorspekt werd met lage witte huizen. De wagen nam een afslag van de autoweg en reed langs een kunstig aangelegde boulevard naar wat leek op het centrum van een stad. Iveta keek om zich heen maar zag nergens winkels, warenhuizen, apothekers of restaurants. De wagen reed tot bij de lobby van een groot, maar slechts een vijftal verdiepingen hoog, hotel. Rond enkele bussen zochten opgewonden passagiers hun bagage. Iveta stapte uit de wagen, waarbij Karum galant de deur openhield. Nu kon ze goed schatten dat hij wellicht twee meter lang was. Een groot contrast met haar één meter zestig. Ze schoof haar zonnebril omhoog en stapte samen met Karum en Ian in de ruime en lichte lobby waar een luidruchtige groep mensen probeerde in te checken. Ze wist meteen dat Ian niet tevreden zou zijn over dit toonbeeld van gebrekkige organisatie. Ze had nu al medelijden met de manager die niet voor voldoende personeel en infrastructuur had gezorgd om de plotse toevloed van gasten te verwerken. Het hotel was als een holle cilinder gebouwd, met in het centrum een tropische tuin van waaruit de liften en een brede trap vertrokken. De incheckbalie lag rechts van de ingang en verder konden ze zien dat er rondom verschillende restaurants en bars ingeplant waren. De kamers kwamen allemaal uit op de ronde overloop die uitgaf op de centrale lobby. De chauffeur bracht hun bagage binnen en Iveta greep automatisch naar haar handtas. Ian legde zijn hand op haar arm en zei: “een fooi zal niet nodig zijn.”
Karum wees waar de liften zich bevonden. “Jullie kamers zijn op de hoogste verdieping, het vijfde. Vijfhonderd een en vijfhonderd twee. Ik stel voor dat jullie wat uitrusten en dat we elkaar hier terug zien over een uurtje of twee voor het diner? Ik heb een tafel voor ons groepje gereserveerd.”
Ian en Iveta schoven aan in de rij die zich voor de liften had gevormd. Er bleek slechts één lift van de vier te functioneren. Ze hoorden gemor in verschillende talen. Net zoals zijzelf hadden de meesten er een lange trip opzitten maar dan niet in dezelfde luxueuze omstandigheden. Een Spaans sprekende vrouw had een huilend kind op de arm en probeerde het te sussen terwijl haar man alle moeite had om hun hyperactieve zoontje onder controle te houden. Een wat ouder Japans koppel keek zuur toe. De deur van de lift ging terug open en een groepje Nederlandse mannen stapten joelend de lift binnen, een of ander carnavalsliedje zingend. “Toch een paar die gelukkig zijn,” dacht Iveta. 
Eindelijk was het hun beurt geweest en toen op het vierde de laatste personen de lift verlieten, haalde Iveta opgelucht adem. “Leuke ontwikkelingsmedewerkers. Ook een mooie omgeving. Nogal wat anders dan het boren van een waterput in een dorpje of het bouwen van een schooltje. Ik realiseerde me niet dat het zo groots was.”
De liftdeuren openden op het vijfde en ze gingen naar zijn kamer.
“Welkom in mijn Utopia,” zei Ian. 

* * *

Hoofdstuk 21

Pieter was net op tijd om Alex te zien die zich met afhangende broek uit het zwembad hees, zijn bilspleet goed zichtbaar. Hij glimlachte bij het zien van Janes verschrikte uitdrukking. Alex, onbewust van zijn ongevraagde show, zwaaide met zijn telefoon naar Pieter. “Ik heb de villa hiernaast kunnen versieren bij de manager. Je kunt daar uitrusten. Wellicht is het daar ook wat properder dan bij mij.”
Hij rechtte zijn pijnlijke schouders. Vermoeidheid teisterde zijn lichaam nu dat het adrenalinepeil op een normaal niveau terug kwam. De luide krak in zijn schouders deed Alex inkrimpen. “Dat klonk niet goed als ik het zelfs tot hier kan horen.”
“Niets wat een warme douche niet kan genezen,” verontschuldigde Pieter zich, “en daarna lekker bijslapen.”
Hij ging naar beneden om Alex te volgen en snel enkele happen van het ondertussen aangebrachte ontbijt te nemen. Te vermoeid om te eten smaakte het niet. Jane keek hem vragend en bezorgd aan.
“De boodschap is verstuurd, we kunnen nu enkel afwachten. Ik ga nu eerst een warme douche nemen en dan enkele uurtjes slapen. Deze oude karkas staat op het punt zichzelf uit te schakelen.”
Jane stond op van de tafel. “Ik ga met je mee. Het lijkt me een goed idee.”
Maar van rust was er weinig in huis gekomen. Pieter had zich pas neergelegd tussen de strakke nette lakens, was prompt in slaap gevallen en na enkele minuten weer wakker gebeld. 
Hij nam kreunend zijn mobiel op: “hallo?”
“Hallo Pieter. Met Ian Summerton. Alles goed met jou?”
Hij was onmiddellijk klaarwakker.
Het was eerder zelden dat Ian zich identificeerde aan de telefoon. Hij ging er automatisch van uit dat als hij iemand belde, ze ook wisten dat hij het was.
“Ian? Wat een, euh, aangename verrassing. Tja, alles goed. Wat je maar als goed bestempelt.”
“Je kreunt alsof je net een marathon hebt gelopen.”
“Het voelt alsof ze er eentje over mij hebben gelopen.”
Ian kwam zoals gewoonlijk snel ter zake.
“Ik heb net jouw mail gezien. Je bent er wel in geslaagd om de nodige aandacht te trekken.”
Pieter was verbaasd dat Ian zijn bericht nu al in handen had want hij stond niet op de lijst van geadresseerden. Hij kende Ian geruime tijd en wist dat hij sneller dan wie ook op de hoogte was van wat er gebeurde op wereldvlak. Maar dat het zo vlug op Ians radarscherm zou komen was uitzonderlijk. En verdacht.
“Wat denk je ervan?” vroeg Pieter behoedzaam.
“Ik denk dat we aan het begin staan van een serieuze escalatie tussen de huidige grootmachten. De afgelopen honderd jaar zijn de verhoudingen nogal stabiel geweest maar het aantal lokale schermutselingen zijn exponentieel toegenomen de laatste tijd. Het is te vergelijken met onze aardkorst. Als er voldoende druk op komt dan krijg je uitbarstingen. Eerst op de voorspelde plaatsen, daarna op de onverwachte plekken.”
“Maar het is juist de bedoeling om een escalatie te vermijden dat ik de documenten in het openbaar heb gebracht,” verdedigde Pieter zich. Hij kon Ians logica niet volgen.
“Inderdaad,” vervolgde Ian “dat zou de bedoeling moeten zijn. Ik stuur een vliegtuig om je op te pikken. Samen met de Hutton zusjes. Het zal er binnen een zes uur zijn. Zorg dat jullie klaarstaan. De komende dagen wordt het overal te gevaarlijk en ik wil dat jullie op een veilige plaats zijn. En Pieter, ik kijk ernaar uit om je terug te zien. Het is al te lang geleden.”
Ian verbrak de verbinding en keek naar Karum, die de suite was binnengekomen. 
“Ik stel voor dat jij meegaat om ze op te pikken. De piloten zijn al op de hoogte en het toestel staat volgetankt op jou te wachten. In jouw persoonlijke briefingroom staan alle gegevens, je kunt die onderweg bekijken.”
Karum wist dat als Ian begon met “ik stel voor” dat dat zijn manier van bevelen was. Vriendelijk maar geen discussie mogelijk.
“Sorry dat je niet aanwezig kunt zijn bij het diner vanavond. Maar dit is belangrijker. Ik zal je morgen dan wel debriefen.”
Karum knikte en stapte uit Ians suite terwijl deze alweer een nummer vormde op zijn mobiel. Hij had enorme bewondering voor het werkvolume dat Ian kon verzetten aan een onmenselijk hoog tempo. Hij sloot de deur stilletjes achter zich, net op tijd om Ian te horen zeggen: “hallo Jonathan?”

*
*   *

Nog verdwaasd vroeg Pieter zich af hoe Ian dit allemaal kon weten. Zeker nu nog niemand van de werkelijk geadresseerden al had gereageerd. Hij realiseerde zich wel dat Ians netwerk niet te onderschatten was. Maar dat hij wist dat Pieter met de Huttons ergens op een eiland waren beland, dat moest hij toch eens uitzoeken. Hij stapte uit het bed, besloot om Jane te laten slapen en ging terug naar de villa van Alex waar Jackie lui in een teakhouten deckchair rustte, genietend van de warme ochtendzon. Sloom groette ze hem: “al wakker?” Gevolgd door een achterdochtig: “en Jane?”
“Het was letterlijk een powernap,” antwoordde Pieter, “ik kreeg telefoon van onze gemeenschappelijke kennis, Ian Summerton. Blijkbaar is mijn mail reeds de wereld aan het rondgaan. We moeten hier alweer vertrekken binnen enkele uren. Over zes uur komen ze ons oppikken om terug naar de bewoonde wereld te gaan. Hij zei ook nog dat het hier te gevaarlijk ging worden.”
Jackie keek zuur. “Gevaarlijk, hier? Eigenlijk heb ik het best naar mijn zin. Die bewoonde wereld interesseert me op dit ogenblik niet erg. Ik heb net nog naar onze ouders enkele boodschappen gestuurd, dus die weten ook weer waar we zitten en hoeven niet ongerust te zijn. Wat kan er ons gebeuren op deze idyllische plek?”
“Heb jij ook Ian Summerton gecontacteerd?”
“Neen, waarom zou ik. Zo goed ken ik hem nu ook weer niet.”
“Ik vroeg me af hoe hij zo snel wist waar we ons bevinden. Per slot van rekening zijn we weggevlucht van Diego Garcia. En als hij het weet, waarom de mensen van de basis niet?”
Jackie sloeg haar linkerarm onder haar hoofd en schuifelde zich nog eens makkelijk op de ligbank. “Gééén idee,” geeuwde ze, niet van plan er haar hoofd over te breken. Pieter begaf zich naar de open, overdekte zitplaats, parallel met het zwembad. De witte gordijnen bewogen zachtjes in de ochtendbries. Hij nam de afstandsbediening van de televisie en zette zich neer in een van de gevlochten sofa's gevuld met kraakwitte kussens. Hij zocht CNN op maar daar zag hij nog geen balk verschijnen met Breaking News. Ook BBC World gaf enkel een herhaling van de vorige dag. Pieter liet de televisie staan op een zender dat een programma uitzond met lokale muziek. De typisch gemengde creoolse en oosterse klanken weerkaatsten op de tuinmuren van de private villa.
Jackie stak ostentatief haar vingers in haar oren.

*
*   *

Karum reed aan hoge snelheid naar de luchthaven. In de tegenovergestelde richting kwam hij een colonne hagelwitte tourbussen tegen als bewijs dat er weer enkele vliegtuigen met passagiers waren geland. Tegen vanavond zou de bevolking opgelopen zijn tot drie duizend zevenhonderd achtentwintig. Tenzij de vrouw van één van de bio-ingenieurs deze middag nog zou bevallen van hun tweede kind. Dan zou er vanavond ééntje meer zijn. Karum hield de statistieken van de stad nauwkeurig bij. Later zou dat niet meer zo belangrijk zijn, maar nu was een precieze boekhouding broodnodig om de juiste skillsets in balans te hebben. Hij draaide de luchthaven op en reed ongehinderd naar de plaats waar hij enkele uren geleden Ian en Iveta had opgepikt. Het vliegtuig stond vertrekkensklaar en hij spoedde zich met twee treden tegelijk op het smalle trapje in de cabine. Hoewel het toestel een wide body was moest hij zich toch ongeveer dubbel plooien om nergens zijn hoofd te stoten.
Karum zette zich neer in één van de ruime zetels en strekte zijn lange benen. De piloot kwam binnen na een laatste maal rond het vliegtuig te hebben gelopen voor een snelle check. Hij begroette Karum die ondertussen het transparante scherm uit het tafeltje had opengeklapt om Ians briefingdocumenten door te nemen. Hij wist uit ervaring dat als Ian een lange vlucht achter de rug had, hij zijn teams overstelpte met vragen, informatie, suggesties enzoverder. Genoeg om een klein leger een paar weken bezig te houden. De stewardess kwam hem vertellen dat hij zijn gordel diende vast te klikken. Tijdens het opstijgen kon het nogal turbulent worden, maar eenmaal op kruishoogte zou er een vlekkeloze vlucht volgen. Karum knikte vriendelijk en hoewel hij nog niet iedereen kende om hen met een persoonlijke boodschap aan te spreken, probeerde hij toch dezelfde houding aan te nemen als zijn manager en mentor, Ian.  Karum had even zijn wenkbrauwen opgetrokken toen hij in het briefingdocument de bestemming had gezien. Hij keek naar de foto's van de personen die hij moest meebrengen, visualiseerde ze en memoriseerde hun namen. Sommigen kende hij reeds. Hij keek eens rond in de cabine die plaats bood aan twaalf. Hij telde het aantal mensen dat hij moest meebrengen, elf. Het verbaasde Karum helemaal niet dat ook dit detail perfect was uitgevoerd. Ian had er een hekel aan om tijd en ruimte te verspillen. Dat deze corporate jet werd gerund als een vliegtuigmaatschappij onderstreepte nogmaals Ians efficiëntie. De whiskycola die de stewardess hem had gebracht trilde zacht toen het vliegtuig snelheid begon te halen. Zonder nog naar buiten te kijken, concentreerde Karum zich op zijn lectuur.

*
*   *

Pieter bladerde ondertussen zonder veel aandacht doorheen de roze bladzijden van de Financial Times. De krant was een week oud en weinig artikelen konden zijn interesse wekken. 
“Waar is Alex?” vroeg hij aan Jackie.
“Hij is met Brigitte weggegaan naar haar villa,” antwoordde ze. “Hij zou binnen enkele minuten terugzijn, maar dat is nu ondertussen ook al een uurtje geleden. Waarom verbaast me dat niet?”
Pieter keek op zijn horloge. Het was elf uur geworden en het geklingel van potten en pannen uit de keuken herinnerden hem eraan dat hij honger begon te krijgen. 
“Ga je mee iets eten in het restaurant?” vroeg hij uitnodigend.
“Komt de butler dan niets brengen?” wierp Jackie lui op.
“Wellicht wel, jij verwend nest,” plaagde Pieter haar. “Maar misschien is het eens goed dat je de benen strekt en terug onder de mensen komt. Kwestie van jouw sociale vaardigheden weer eens wat aan te scherpen.”
“Neen hoor, dat is helemaal niet goed voor mij. Ik lig hier opperbest. Ga jij maar. En neem mijn zuster mee. Als je van de duivel spreekt, ze komt er net aan.”
Pieter keek op en zag Jane in een witlinnen kleed door de tuin komen. Ze had haar wilde krullen opgestoken maar enkele lokken vielen ongehoorzaam langs haar gezicht. 
“In ieder geval ziet ze er stukken beter uit dan enkele uren geleden toen we hier aankwamen. Eigenlijk ziet ze er stukken beter uit dan dat ik ze tot nu toe heb gezien,“ dacht Pieter.
“Wat is dat over mij?” vroeg ze, waarop Jackie snel antwoordde: “Pieter zei net dat ik niet mee mocht lunchen want dat hij met jou een tête-à-tête wil hebben. En dus offer ik me weer eens op om hier helemaal alleen te eten.”
“Dat lijkt me een zeer goed voorstel van hem, één van de betere van de laatste tijd,” speelde Jane mee. Ze wist wel wanneer Jackie het meende of niet. “Ik heb honger gekregen en het slaapje heeft me meer dan goed gedaan. Ik vind wel, Pieter, dat jij best nog enkele uurtjes kunt gebruiken. Je ziet er uit als een ...”
Pieter verdedigde zich verongelijkt: “het is al goed. Ik voel me fitter dan ooit. En trouwens ik zal genoeg kunnen slapen op het vliegtuig want binnen enkele uren komen ze ons oppikken.”
Jane had dezelfde spontane reactie: “maar ik wil hier blijven. Wat is er gebeurd? Wie komt er ons oppikken? Wiens slecht idee was dat?”
“Kom we gaan eten,” onderbrak Pieter haar waterval, “ik vertel je alles wel aan tafel.”
Hij draaide zich nog om naar Jackie. “Mocht je van idee veranderen, je weet waar we zijn. Als je Alex nog ziet, zeg het hem ook.”
Ze stak langzaam een hand op en wuifde hen weg. 
In stilte wandelden Jane en Pieter naar het restaurant waar een reeks andere gasten zich hadden verzameld rond het buffet. Enkelen keken nieuwsgierig naar de nieuwe gasten. Het resort was klein, dus na enkele dagen kenden de gasten elkaar wel een beetje. Nieuwelingen werden dan ook altijd eerst getaxeerd door de anciens.
Het restaurant was in de vorm van een hoge hut gebouwd en stond op pijlers in de helderblauwe zee. De vloer was onderbroken door een glass bottom met zicht op de kleurrijke vissen onder de constructie. Een houten loopbrug verbond het met het strand. Pieter en Jane namen plaats aan een tafeltje voor twee waarop een kelner onmiddellijk met ijswater en een fles gekoelde witte wijn aan kwam draven. Hij begroette hen joviaal en vroeg hen wanneer ze waren aangekomen want dat hij ze nog niet eerder had gezien.
“Gisterenavond, met ons privévliegtuig,” legde Pieter uit. 
“Oh heel mooi,” antwoordde de kelner met verhoogde hoop op een flinke fooi. Hij richtte zich tot Jane terwijl hij haar glas volschonk.
“Op huwelijksreis?” Ze droegen geen trouwring maar het was een van zijn standaard zinnen.
“Ja, inderdaad. Voor mij is het al de vierde keer. Voor mijn man de eerste keer. Nog een maagd.”
“Oh heel mooi,” de kelner bleef lachen. “Idiote rijke toeristen,” dacht hij.
Hij vertrok toen Vivian, de manager van het resort, op Pieter en Jane toeliep.
“Dag Pieter, wat een niet verdeeld ongenoegen. Gelukkig is het alweer lang geleden. Kom je nog eens de boel op stelten zetten met je goede vriend Alex?” Ze keek ondertussen naar Jane en stak haar hand uit. Aanmerkelijk vriendelijker stelde ze zich voor.
“Vivian Liebeck, manager van het resort.”
“Jane Hutton, zeilster rond de wereld in moeilijkheden. Hoe kennen jullie elkaar.”
“Mijn liefste Jane,” antwoordde Vivian, “als je jaren in een uithoek van de wereld woont, zelfs al is die uithoek een grote lap zee, dan klitten de bewoners samen. Het is nog erger dan een ex-pat community. Ik ken Pieter reeds van de eerste weken dat hij op Egmont aankwam en het oude koloniale huis restaureerde. Mijn man en ik verrichtten toen diepzee onderzoek rond de atollen, samen met de kinderen. Egmont was een favoriete aanlegplaats voor rondtrekkende zeilers tot Pieter kwam.”
“Maar hij is écht op het slechte pad geraakt toen Alex hier kwam.” Ze lachte. “Het waren, neen het zijn als twee spitsbroeders. Vooral Alex zorgde heel goed voor hem. Hij was Pieters voornamelijk dronken vlieginstructeur die het smokkelen met legervliegtuigen tot een kunst verhief. De lessen hebben nog steeds niet veel opgebracht, naar wat ik hoorde. Een groot watervliegtuig bevuilt namelijk mijn strand. Natuurlijk moest elke tocht luidruchtig worden gevierd. Als je weet dat de meeste gasten een klein fortuin neertellen om naar hier te komen voor de rust.” 
Pieter verdedigde zich: “Vivian, dat is één keer gebeurd en het is twee jaar geleden. En diegene die hadden gereclameerd waren een stelletje oude vrijsters, chagrijnig omdat we ze niet hadden uitgenodigd. Je hoeft niet te overdrijven.”
“Oude vrijsters? Je bedoelt rond de dertig?” bleef Vivian verder hameren. Ze was niet van plan haar punt zomaar te laten varen. Als een deus-ex-machina was de kelner teruggekomen met een ijsschotel vol verse gamba's, kreeftjes, schelpen, mosselen en zette die behendig op het tafeltje tussen Jane en Pieter. Uiteindelijk besloot Vivian de discussie te laten varen.
“Wel, geniet van jullie lunch. Ik veronderstel dat we elkaar straks nog wel eens zullen zien.” Ze knikte vriendelijk naar Jane en ze riep de kok om samen het buffet te inspecteren. Jane begon een van de gamba's onhandig te openen waarop Pieter het overnam en het gepelde stuk aan haar gaf. Met smaak peuzelde ze de sappige gamba op en stak afwachtend haar hand uit voor de volgende. 
“Wat gaat er nu gebeuren, Pieter?” vroeg ze.
“Geloof het of niet, maar ik heb vanmorgen die Ian Summerton waarover ik heb verteld, gisteren, eergisteren, aan de lijn gehad. Die dagen beginnen nu wel erg door elkaar te lopen. Op één of andere manier was die te weten gekomen waar ik zat én heeft hij ook de documenten en bestanden van Diego ontvangen. Hij stuurt een vliegtuig naar hier om ons op te pikken en naar de bewoonde wereld te brengen. Ik vermoed dat zijn nobele vriend, jouw vader, wel enige druk heeft uitgeoefend om zijn dochters snel weg te halen.”
“Hoe dan ook, ik probeer de gebeurtenissen van de afgelopen dagen te begrijpen, maar ik moet toegeven dat het me allemaal wat teveel is geworden,“ liet Jane bedrukt horen.
“Dat kan ik best begrijpen. Het belangrijkste is dat we hier zo snel mogelijk weg geraken. De geschiedenis toont dat het nooit iemand goed doet om militaire geheimen uit een land te smokkelen. Ik wil zo snel mogelijk weg van Diego en die hele verdomde basis.”
“En Jonathan?”
Pieter tuitte zijn lippen: “ik kan het me niet voorstellen dat Oona er ook maar iets mee te maken heeft. Ik ken die nu al zo lang. We hebben samen met het oude team zoveel plezier en aangename momenten beleefd. Zowel op Diego als bij mij. Maar ja, het was nogal duidelijk aan de andere kant van de lijn.”
Pieter ontpelde de andere gamba's zodat ze die enkel met haar vork diende op te prikken. Bijna verontschuldigend als een klein meisje zei ze: “ik haat het om die dieren open te prutsen. Meestal blijft er enkel een fijngeknepen plakkerig boeltje aan mijn vingers plakken in plaats van een delicatesse.”
“Eigenlijk ben ik heel erg blij dat we jou hebben ontmoet, Pieter,” vervolgde ze onverwacht.
“Ja, het is nogal avontuurlijk geweest de laatste dagen. Ik kan me voorstellen dat jullie niet kunnen wachten om terug in Australië te zijn, thuis. Of om jullie trip rond de wereld verder te zetten. In de veronderstelling dat er nog iemand zo gek is om een boot in jullie handen te stoppen.”
“Dat bedoel ik net. Ondanks het avontuur en de hele situatie, en het feit dat ik nog steeds het gevoel heb dat ik elk moment kan omvallen van de slaap, wel... er is iets nieuws dat ik nog nooit had meegemaakt.”
“Adrenaline overproductie?”
Ze schudde haar hoofd: “ik heb je niet verteld dat als ik terug in Australië ben, ik daar trouw binnen enkele maanden. De hele reis was om nog eens te kunnen genieten van het vrijgezellenbestaan vooraleer ik die verbinding aanga.”
“Neen, dat heb je niet verteld. Wel proficiat. Dat is toch een goed idee? Ook het plan om eerst nog enkele weken de wereld rond te trekken en dan je te settelen, lijkt me lovenswaardig. Ik zou net hetzelfde doen.”
“Maar het zou niet de bedoeling mogen zijn dat je begint te twijfelen.”
“Is dat niet een beetje klassiek?”
“Dat zegt mijn moeder ook.”
“Bedankt voor het compliment.”
“Je begrijpt wel wat ik bedoel.”
Ze bleef opzij staren naar het strakblauwe water. “Het is door jou dat ik me zo voel, Pieter.”
Op dat moment kwam Jackie in een wapperende sarong aangelopen, een GSM in de hand. Buiten adem kwam ze aan hun tafeltje en schoof een stoel bij.
“Ik heb jouw telefoon opgenomen en blijkbaar arriveert het vliegtuig dat ons komt oppikken een uur vroeger dan verwacht. Ik kan bijna niet geloven dat we eindelijk wat geluk hebben en deze nachtmerrie afloopt. Mmmm, lekkere verse gamba's, daar wil ik ook wel een paar van. Het geeft toch niet dat ik hier een hapje eet? Ik denk het niet, want jullie kunnen toch niet over iets geheimzinnigs praten, hahaha.”
Ze stak haar hoofd in de lucht en wenkte naar de kelner. 
“Hey, kan je hier nog zo een schoteltje brengen? En ook een fles koele witte wijn? We hebben iets te vieren!”
Ze keek naar de in zichzelf gekeerde Pieter en Jane.
“Wat?”

* * *

Hoofdstuk 22

Oona klopte aan bij Jonathan die op zijn bureau enkele papieren en dossiers aan het ordenen was. “Heb je het al gehoord van Pieter? De basis gonst van de geruchten dat hij wou ontsnappen met geheime informatie?”
“Dat klopt Oona.
“En men zegt dat enkele Hornets hen uit het water hebben geschoten.”
Jonathan keek Oona ernstig aan.
“Denk je écht dat Pieter zo achterlijk is? Ik dacht dat je hem toch wat beter kende. Ik geloof voor geen moment dat hij zich zo snel zou laten vatten.”
“Dus volgens jou zit hij nog op het eiland, want zijn vliegtuig lag er nog en zijn Zodiac heeft geen grote actieradius.”
“Neen, hij is wel degelijk weg. En dat vliegtuig. Wel, kijk maar eens goed naar de foto's die zijn gemaakt van de verkenningstochten.”
Oona bestudeerde enkele luchtopnames die dezelfde ochtend waren genomen. “Ik zie een vliegtuig onder een camouflagenet. En dat deed Pieter steeds als er een storm dreigde. Hij legde zijn vliegtuig vast en gooide er als extra bescherming een net overheen. Ik heb het hem zelf enkele keren zien doen.”
“Dat wil hij ons doen geloven, ja.”
Hij tikte met zijn vinger op het staartstuk dat uit het net stak.
“Dat, Oona ... Dat is geen staartstuk van een Grumman. Dat is het staartstuk van het wrak dat sinds jaren in de lagune van Egmont ligt. Kijk nog eens goed op deze foto's. De eerste is enkele weken geleden gemaakt. Zoek de twaalf verschillen.”
Ze nam de foto's nog eens aan en floot zachtjes.
“Hij heeft ons goed vast. Maar hij kan nu wel al heel ver zijn.”
“Dat is waar. Gelukkig hebben we nog wat contacten hier en daar. Er is eerder vandaag een klacht binnengekomen van een arme visser die letterlijk in het water is gevlogen dank zij Pieters welgekende landingstechniek.” Jonathan liep naar de muur van zijn kantoor en duwde een rode pin op een piepklein eilandje ten zuiden van de Malediven. “Hier is hij geland en daar gaan jij en ik naartoe om hem op te pikken.”
“Maar zal hij dan ondertussen nog niet weg zijn?”
“Neen, we hebben aan de controletoren daar gezegd dat er een militaire oefening is en dat ze alle toestellen aan de grond moeten houden. Geen enkel toestel mag landen. Ik denk dat ze me niet graag zullen zien.”
“Maar waarom moet ik mee?”
“Ik heb het vermoeden dat jij de enige bent die hij nog vertrouwt. Van mij denkt hij wellicht dat ik in het complot zit om hem in te rekenen.”
“Dat zou best wel eens kunnen,” antwoordde Oona weifelend.
“Goed, dan stel ik voor om nu te vertrekken. Ik kan die landingsbaan niet eeuwig dichthouden, zoveel ontzag hebben ze daar nu ook niet voor ons.”
De snelle turboprop deed er aanmerkelijk minder lang over om de afstand tussen Diego Garcia en het zuidelijke eiland van de Malediven te overbruggen. Na de middag landde het toestel op de hobbelige startbaan van het eiland. Zonder veel plichtplegingen stapten ze beiden uit en het toestel maakte rechtsomkeer om onmiddellijk weer te vertrekken. Oona keek verbaasd maar liet het niet merken aan Jonathan. Hij zou alles wel hebben geregeld en hadden ze gewoon een ander toestel nodig om Pieter en hopelijk ook de twee Huttons mee te nemen. Ze volgde Jonathan tot in het kleine luchthavengebouw aan de voet van de controletoren en zag nog net een ranke privé jet landen. Binnenin hoorde ze hem langzaam tot bij de ingang van het gebouwtje taxiën. Nieuwsgierig om te zien of het een of andere celeb zou zijn keek ze door het vuile raampje. De ranke zwarte man die uitstapte deed haar echter aan niemand denken. Aan zijn lengte zou het haar niet verwonderen dat het een of andere basketbalspeler zou zijn. Ze verwachtte half dat er nu enkele lingeriemodellen in zijn kielzog zouden verschijnen. Maar het was enkel een stewardess en de twee piloten die mee naar buiten kwamen. De laatste piloot draaide een sleutel in een hendel aan de zijkant van het toestel waarop het trapje naar boven schoof en de deur hydraulisch dichtklapte.
Een beetje ontgoocheld zocht Oona naar Jonathan in de kleine aankomsthal. Tot haar verbazing was de passagier van de jet op Jonathan afgestapt en schudden beide heren elkaar de hand. Oona stapte wat aarzelend op hen af, maar Jonathan wenkte haar om dichterbij te komen. “Karum, mag ik je voorstellen aan Oona De la Fayette. Oona is de dokter in tropische geneeskunde die Ian had geïdentificeerd.” Karum schudde vriendelijk en tamelijk lang de hand van Oona. “Aangenaam, dokter. Mijn naam is Cabdikarum Succri. Ik pretendeer niet uw werk te kennen, maar uw naam wordt met hoogachting vernoemd door mensen die dat wel kunnen pretenderen.” Ongemakkelijk antwoordde Oona, terwijl hij nog steeds haar hand vasthield: “dank u wel. En wie bent u precies, meneer Succri?”
“Ik ben projectleider ontwikkelingshulp. We kijken ernaar uit om iemand zoals u bij het team te hebben.”
Oona stond op het punt hem te vertellen dat er wellicht een of ander misverstand was. Dat ze niet op de hoogte was van een team, geen Ian kende en vooral dat haar contract met het leger nog lang niet over was.
“U moet Karum zijn,” klonk het plots vanuit de smalle trappenhal die naar de controletoren leidde. Een kleine, gezette en kalende man in vlekkeloos wit pilotenhemd en strak gestreken zwarte broek, kwam naar beneden gelopen. Zijn kapiteinspet onder de arm.
“Inderdaad en u bent Alex De Jonghe, neem ik aan.”
“Dat is correct en dit is mijn copiloot voor vandaag, kapitein Brigitte Lafontaine. Ik stel voor dat wij het toestel opnieuw klaarmaken zodat we zo snel mogelijk en zeker op schema kunnen vertrekken. We zien jullie later aan boord.”
Alex and Brigitte stapten naar de twee piloten en de stewardess, wisselden enkele documenten, wensten elkaar nog een goede reis en een prettig verblijf. De aangekomen bemanning had duidelijk zin in vakantie. Karum begroette enkele andere mensen die in de vertrekhal waren verschenen. Hij maakte aantekeningen op zijn notebook en nu en dan keek hij op zijn horloge. Een stewardess was binnengekomen en serveerde enkele flesjes koud water. De vertrekhal was alles behalve luxueus en de enkele ventilatoren aan het plafond konden niet op tegen de tropische warmte. Oona telde vijf mensen rond Karum toen hij nog eens op zijn horloge keek. Jonathan en Oona stonden wat afzijdig van de rest van het groepje, Oona niet goed wetend waarom Jonathan hier bleef rondhangen. Uiteindelijk zei ze: “Jonathan, gaan we dan nu op zoek naar Pieter? Dat is toch de reden waarom we hier zijn?”
Jonathan keek naar de ingang van het gebouw en wees naar de drie figuren die net waren binnengestapt en onderzoekend rondkeken.
“Ja inderdaad, dat is de reden. Maar we gaan niet op zoek naar hem. Hij komt al naar ons toe.”

* * *

Hoofdstuk 23

Pieter keek vol ongeloof naar Oona en Jonathan. Hij schudde eens met zijn hoofd alsof hij enkele geesten uit zijn brein wou wegjagen. Karum was sneller dan Jonathan om op Pieter en de Huttons af te stappen. Net zoals de anderen begroette hij hen vriendelijk en richtte hij zich tot de mensen in de vertrekhal. “Welkom iedereen. De groep is volledig en ons vliegtuig staat paraat. Dus ik stel voor dat we aan boord gaan. Hoe sneller we hier kunnen vertrekken, hoe sneller we ter plaatse zijn. Jullie hoeven jullie niet te bekommeren om de bagage, die wordt aan boord gebracht.” Tot Jonathan en Oona zei hij: “jullie persoonlijke spullen volgen later omdat jullie extra licht reizen.” Zonder verdere plichtplegingen ging Karum voor. Het groepje volgde gedwee. Ondertussen probeerde iedereen aan elkaar een hand te geven. Toen Pieter naast Jonathan kwam lopen siste hij: “jij oude deugniet.” Met een zekere gereserveerdheid omhelsde hij Oona. Ook Jane en Jackie keken verdacht naar Oona die zich afvroeg wat ze eigenlijk verkeerd had gedaan.
“Het is free seating op deze bus,” riep Alex vanuit de cockpit toen hij Pieter aan boord zag klauteren. Hij verkneukelde zich in zijn verbaasde blik. Een blik dat nog verbaasder werd toen Brigitte zich omdraaide en naar hem zwaaide vanuit de copiloot stoel. Alex stuurde het toestel tot het uiterste begin van de startbaan en liet de motoren loeien. Hij loste de remmen en het vliegtuig vertrok met volle kracht vanaf de korte startbaan. Het klom steil tot kruishoogte zodat iedereen snel kon relaxen. Pieter keek af en toe niet erg gerustgesteld naar Alex, die blijkbaar zonder veel problemen en bijzonder galant met de jet omsprong.
Jonathan had zich bij Pieter gezet en zei: “wel, oude jongen. Hebben we je niet te veel opgejaagd?” 
“Ik dacht dat je van kant was gemaakt. En dan nog wel door Oona.”
“Mooi staaltje acteerwerk, vind ik zelf ook.”
“Waarom?”
“We hadden jou nodig om die documenten naar buiten te krijgen. Zonder die bijkomende druk had je nooit zo inventief gehandeld. Geef toe, zonder dat telefoontje had je wellicht besloten dat het allemaal wel niet zo'n vaart liep. En zat je nu nog rustig op je eilandje een pina colada te drinken naast Jane en Jackie. Toch?”
Pieter antwoordde niet, misschien had hij wel gelijk. “En Oona?”
“Oona was niet eens in de buurt toen jij de schoten hoorde. Die kwamen van een pistool met losse patronen. Ik heb haar ook wat moeten, euh, misleiden om haar mee te krijgen zonder veel vragen. Het was logisch dat zij met mij mee zou gaan om jou in te rekenen op het resort.”
“Maar hoe wisten jullie dat wij hier waren geland? Ons jacht was toch het eerste doel. Jullie konden toch nooit weten waar wij naartoe vlogen?”
Jonathan gaf toe: “dat was een heel mooie ontsnapping. Maar ik had niet minder verwacht van jullie. We hebben inderdaad voor de show de achtervolging van jullie jacht ingezet. Spijtig dat we het uit het water hebben moeten schieten, maar dat was de enige manier om ook op de basis de idee te geven dat de geheime informatie veilig vernietigd was. En natuurlijk hadden we wel een idee waar jullie naartoe zouden gaan. Voor de rest was het afwachten op de juiste signalen. Zoals die arme visser die je bijna doodde. Tussen haakjes, het truckje met het Japanse wrak was heel knap, dat moet ik toegeven.”
Jonathan wees naar de cockpit en vervolgde: “Alex werkt voor Ian Summerton. Hij informeerde ons dat jullie er waren. Blijkbaar viel je bij hem binnen op een nogal ongelegen uur, tijdens interessantere bezigheden met miss Brigitte.”
Karum onderbrak beleefd hun conversatie en introduceerde hen aan het gezin van vier dat achter hen had plaatsgenomen. “Dit is professor Hans Liebeck en zijn familie. Echtgenote Vivian en hun twee kinderen Gregory en Lise. Professor Liebeck en zijn vrouw hebben zich gespecialiseerd in fauna en flora in onherbergzame gebieden, zowel in als buiten het water. En Vivian kennen sommigen onder jullie wel als de manager van het resort. Lise loopt in de voetsporen van haar vader en heeft reeds faam verworven met haar onderzoek naar leven in onderwatergeisers.”
Gregory die beduidend jonger was kreeg van Karum een aai over de wilde krullen. “Deze jongeman hier moet dringend zijn middelbaar onderwijs afmaken en dan kan hij aan de slag als professioneel surfer.”
Dr. Liebeck morrelde: “ik denk het niet.”
Karum draaide zich om naar een Japans meisje dat zich tot nog toe eerder verlegen op de achtergrond had gehouden. “En dit is Yuriko Yamamoto. Miss Yamamoto doceerde westerse en oosterse filosofie. Op het resort had ze zich terug getrokken om haar levenswerk te schrijven. Een vergelijkende studie tussen de grote filosofieën. Laat ons zeggen daar waar Bertrant Russell stopt, begint miss Yamamoto.” Pieter herinnerde zich inderdaad dat hij Yuriko al eens had gezien op het resort terwijl ze lessen Tai Chi gaf aan gestresste managers. Karum richtte zich tot iedereen in de cabine.
“Wellicht zijn er slechts enkele onder jullie die de bedoeling van onze reis kennen. Laat me jullie inlichten, al was het maar de grote lijnen.” Hij stak een groot LCD scherm aan waarop een simulatie van een uit de grond springende stad begon te lopen. Het beeld zoomde in op een gedetailleerd satellietbeeld van Afrika.
“Sir Ian Summerton heeft met de Somalische, Keniaanse en Ethiopische regeringen een ambitieus ontwikkelingsprogramma opgezet in een, laat ons zeggen vergeten, hoek op de grens tussen deze drie landen. Het gebied heeft geen militaire, economische of culturele waarde. Het is de bedoeling het prototype van een nieuwe, moderne samenleving op te bouwen. Merk op dat het geen stad is. Er zijn in het verleden verschillende mislukkingen geweest op dat gebied zoals Heliopolis, Brasilia en recent in Kinsjasa. Neen, dit is een samenleving die ecologisch, sustainable en zelf voorzienend is. Deze gemeenschap is gebaseerd op bestaande technologieën die jammer genoeg door allerlei redenen, vooral economische, in andere delen van de wereld niet van de grond komen. De bedoeling van het project is louter wetenschappelijk, om uit de praktijk te leren en binnen enkele jaren de ervaring die is opgedaan toe te passen op gelijkaardige projecten in andere delen van Afrika en de rest van de wereld.”
Vivian onderbrak Karum: “waarom Afrika? En niet ergens anders? Zou Europa niet meer geschikt zijn?”
“Goede vraag. Het antwoord is simpel: plaats. Afrika is het enige continent waar er nog voldoende open ruimte is. In Europa zou het verzanden in een discussie rond subsidies, beheersraden, politieke vertegenwoordiging. Australië en Nieuw Zeeland zijn de afgelopen decennia uit hun voegen gebarsten door een volksverhuizing vanuit de Verenigde Staten en Europa. China en India kennen reeds geruime tijd de hoogste bevolkingstoename ooit. Afrika is niet het verloren continent. Het is het gevonden continent. En het staat open voor alles wat modern en nieuw is om zo een quantum leap te kunnen nemen op de andere delen van de wereld. De ruimte zorgt ook voor de nodige discretie en rust om een dergelijk project op te zetten.”
Op het scherm ontwikkelden zich gebouwen, parken, rivieren, pleinen, woongebieden en industrie. De verschillende elementen groeiden en werden organisch met elkaar verweven.
“De totale oppervlakte van het project beslaat iets meer dan tweeduizend vijfhonderd vierkante kilometer, of ongeveer de grootte van het groothertogdom Luxemburg. Momenteel werken er een goede drieduizend vijfhonderd mensen. Binnenkort worden dat er vijfduizend.” Karum moest zich inhouden het precieze aantal mensen niet te vermelden maar hij besloot dat het voor zijn huidige publiek weinig uitmaakte.
“En wie financiert deze hele zaak dan?” vroeg Pieter.
“Het project financiert zichzelf via een doorgedreven optimalisatie van de huidige ontwikkelingshulp en de Wereldbank. Heb je ooit de film Independence Day gezien? Een klassieker uit negentienhonderd zesennegentig met Will Smith? Op een gegeven moment vraagt de president van de Verenigde Staten bij het betreden van een geheim labo waar aliens onderzocht worden: “en wie betaalt dit allemaal?”. Het antwoord daarop “meneer de president, denkt u nu werkelijk dat een hamer tweehonderd dollar kost?” staat dichter bij de realiteit dan wat de regisseur of scenarioschrijver wellicht vermoedden. Daarbij, niet te vergeten is Sir Summertons persoonlijke investering.”
Pieter dacht: “die oude vos heeft dan toch zijn zin doorgedreven.”
Karum vervolgde: “de mensen die er nu zijn vormen een verzameling van technici, wetgeleerden, medische experten, bouwingenieurs, bouwspecialisten, leraars enzovoort. Ze zijn afkomstig uit diverse hoeken van de wereld, van verschillende leeftijd, religie en ras.” Hij zweeg eens maar er waren geen verdere vragen. “En daarom komen jullie ook in the picture. Ieder van jullie heeft een specifieke skill set en daarom hebben we jullie benaderd.”
Pieter reageerde cynisch: “nou, niemand heeft me benaderd. Ik zou het eerder een geciviliseerde ontvoering noemen. Hetzelfde geldt, denk ik, voor nog andere mensen aan boord.”
Karum verbeterde hem: “niet helemaal juist, Pieter. Je hebt wel degelijk een uitnodiging gekregen van Ian. Maar je bent niet onmiddellijk naar het project gegaan. Je hebt eerst enkele jaren op de Egmont eilanden vertoefd om het visverbod rond de Chagos archipel op te volgen. Door jouw werk konden de doctors Liebeck hun werk ongestoord uitvoeren. En jouw taak was trouwens cruciaal. Ik kom er straks op terug.”
Hij keek naar Jackie en Jane. “Wat jullie betreft, Sir Summerton heeft persoonlijke banden met jullie vader. De dag dat jullie wegvoeren zijn ook jullie ouders vertrokken als experten. Eigenlijk brengen we jullie terug samen. Ik moet zeggen dat we hier wel wat geluk hebben gehad met Pieter, want jullie waren beiden bijna omgekomen door die storm. Dus een geluk bij een ongeluk want we wisten dat jullie in goede handen waren. Hoewel we nu en dan wel eens schrik hadden van Pieters vliegkunsten. Laat ons zeggen dat we wat moeite hadden om jullie vader te overtuigen dat alles in orde zou komen.” Karum stopte om aan zijn whiskycola te sippen. Op dat moment kwam Alex in de cabine en informeerde: “alles goed met mijn passagiers?”
Hij duwde op de afstandsbediening van het scherm om naar CNN te schakelen. Pieter zat rechtop in zijn zetel, net zoals de anderen. De rode balk met Breaking News onderstreepte de commentaar van het opgewonden nieuwsanker. Alex duwde het geluid hoger zodat het zonder moeite voor iedereen verstaanbaar werd.
“We hebben zonet uit goede en gecontroleerde bron vernomen dat India en China plannen hebben om hun buurlanden binnen te vallen. Plannen die lekten uit maximaal beveiligde computers van beide grootmachten zijn in handen gekomen van korporaal Votilio, een computeradministrator. De korporaal heeft de ontdekking met zijn leven moeten bekopen toen hij het bewijsmateriaal naar buiten wou brengen.”
Een foto van Votilio werd op de achterkant geprojecteerd. De stem van de nieuwslezer ging verder terwijl archiefbeelden van Diego Garcia werden getoond.
“Door gebruik te maken van de Abacus supercomputer die zich op de uiterst beveiligde basis van Diego Garcia bevindt, kreeg Votilio toegang tot geheime Chinese en Indische militaire bestanden. Hij kon er een aantal plannen en simulaties vinden die in detail de naderende invasies beschrijven. Momenteel is het niet duidelijk of de twee grootmachten samenwerkten in wat de ergste militaire bedreiging is die onze moderne wereld heeft gekend.” Op het scherm werden enkele animaties getoond gebaseerd op de ontdekte simulaties. “De Indische en Chinese autoriteiten hebben al met verontwaardiging gereageerd op de wijze waarop de documenten naar buiten zijn gekomen. Computerdeskundigen echter zijn formeel over de echtheid van de bestanden. Noch China noch India geven commentaar op de vraag of ze echt zijn of niet. Hoe dan ook, de wereld reageert in shock op de plannen. In de meeste landen zijn de ambassadeurs van beide grootmachten op het matje geroepen en in sommige steden is het tot rellen gekomen waarbij Indische of Chinese bevolkingsgroepen werden geviseerd. Vooral het Midden Oosten is bijzonder scherp in zijn veroordelingen. De presidenten van de Verenigde Staten en Europa hebben tot kalmte opgeroepen tot een onafhankelijk onderzoek de echtheid heeft bevestigd.”
Alex schakelde het scherm uit en keerde terug naar de cockpit met enkele maaltijden die hij overnam van de stewardess. “Op de andere zenders gelijkaardige berichtgeving. Ik denk dat het eventjes goed is dat we naar een rustiger plekje van de wereld vliegen.”
Pieter nam een comfortabeler houding aan in de dikke lederen zetels. Een groot verschil met de versleten zitjes uit zijn Grumman. Hij was niet al te bezorgd over wat hij in de nieuwsuitzending had gezien. De hele wereld was op de hoogte gebracht van de plannen en nu werd het wel heel moeilijk die ook uit te voeren. Alle ogen waren op de twee landen gericht dus die zouden in de toekomst voorzichtiger worden. Er zou een internationale onderzoekscommissie komen, enkele hoge ambtenaren en militairen zouden worden opgeofferd. En de wereld? Die bleef draaien.
Hij vroeg zich af of hij ooit nog zijn huis op Egmont zou terugzien. Of wanneer. Hopelijk hadden tegen dan de wilde varkens van het eiland niet hun rechtmatige habitat terug ingepalmd. Pieter liet de zetel zo horizontaal mogelijk vallen, nam een extra kussen en legde dat tegen de wand van de cabine. Door zijn wimpers zag hij dat het vliegtuig naar het westen vloog, de zonsondergang achterna. Hij zag ook dat Jane naar hem keek. En voor hij wegdommelde meende hij zelfs diezelfde blik in haar ogen te zien die hij had opgemerkt tijdens de lunch in het pontonrestaurant. Net voor Jackie erbij kwam. Maar het was natuurlijk ook goed mogelijk dat hij zijn wensen voor werkelijkheid hield.
Terwijl hij de twee sneeuwwitte buitenboordmotoren nog eens extra poetste totdat hij er zijn stoppelbaardgezicht in kon spiegelen, vielen ze met een klap uit de Zodiac in het heldere water van de lagune. 
Hij schrok wakker van de landing en zette zich rechtop in de brede lederen fauteuil. Zijn stoppelbaard en verwarde haren jeukten verschrikkelijk. Zijn linkerbeen tintelde pijnlijk. Hij keek de cabine rond en zag de passagiers geanimeerd met elkaar praten. Blijkbaar was hij de enige die de volledige vlucht had geslapen en toch nog steeds vermoeid was. 
Pieter krabde zich ongegeneerd maar het jeukerige gevoel werd enkel sterker.

* * *

Hoofdstuk 24

Het groepje was bij aankomst snel in de klaarstaande wagens gedoken. Pieter had een voertuig gedeeld met Jonathan en Oona. Omdat hij de hele vlucht diep had geslapen, nu en dan eens door elkaar geschud door een medepassagier in de hoop het diepe gesnurk te doen stoppen, had hij hen nog niet verder kunnen vragen rond de ware toedracht van de afgelopen gebeurtenissen.
“Dus die hele schietpartij was pantomime. Wist jij, Oona, dat Jonathan je daarvoor heeft gebruikt? Zo dat ik zou denken dat er een of andere super geheim complot aan de hand was?”
Oona antwoordde giftig: “neen, dat stuk van het hele verhaal ken ik niet. Maar ik ben er zeker van dat Jonathan het ons allemaal piekfijn zal uitleggen.” Ze draaide zich naar hem toe en keek hem uitdagend aan. Jonathan schoof een beetje verveeld op en neer. “Het was de enige manier om ervoor te zorgen dat Pieter met de nodige sense of urgency naar de buitenwereld zou ontsnappen. Ik moest wel een hele situatie in scene zetten om geloofwaardig over te komen, vooral naar jullie dan. Mijn orders waren duidelijk: jullie op dit vliegtuig krijgen. Ik vond het op dat moment het beste om Oona te gebruiken omdat ik wist dat je dat zou verrassen. En omgekeerd moest ik Pieter als schuldige naar voor schuiven bij Oona. Zij zou nooit zomaar geloven dat Pieter een spion was. Ze zou alles doen om het zelf uit te vissen.”
“Maar hoe is jouw relatie met Ian Summerton dan? Je zegt dat je ons op dat vliegtuig moest krijgen,” vroeg Pieter.
Oona voegde eraan toe: “blijkbaar heeft hij nood aan een tropische viroloog. Nu, mij hoor je niet klagen. Hij heeft mijn contract met het leger afgekocht.”
“Ik ken Ian al enkele jaren toen hij met zijn organisatie werk uitvoerde voor de Amerikaanse zeemacht in het Verre Oosten. De marine ging nog eens door een fase van besparingen en hij analyseerde het gebruik van oude basissen. Het was op zijn aanraden dat Diego Garcia werd gebruikt om een supercomputer neer te zetten. In vredestijd zou de rekencapaciteit worden gedeeld voor humane doeleinden en zou de supercomputer een onderdeel zijn van een globaal netwerk. Misschien heb je al gehoord van het Abacus netwerk? In tijden van conflict zou die computer als stand-alone alle transacties van het leger kunnen overnemen. Vergeet niet dat Diego veiliger is dan een fort. Gelijk welke aanval van op zee of vanuit de lucht zou uren op voorhand worden ontdekt en het juiste afweer activeren. Ian had iemand nodig om Abacus te beschermen, maar ook om informatie te krijgen wat er allemaal met Abacus gebeurde. Vooral welke simulaties het leger uitvoerde.” Pieter schudde zijn hoofd. Ergens klopte het plaatje nog niet helemaal.
“Als het een Amerikaanse computer is, waarom hebben de Indiërs er dan die aanvalsplannen op gesimuleerd?”
“We zijn niet in conflict. Maar die computer kan beter hacken dan gelijk welke menselijke hacker. Hij infiltreerde in duizenden systemen, assimileerde de informatie en verwerkte die weer in zijn eigen simulaties. Zo waren we steeds een stap voor op de anderen. Mocht die computer een mens zijn, dan had ik hem wellicht 007 genoemd. Een robot spion.”
Pieter nam zich voor zo snel mogelijk met Ian te spreken. Hij voelde dat hij met zijn vroegere onderzoek wel degelijk op het juiste spoor was geweest. Maar dat er nog heel wat puzzelstukjes hun juiste plaats moesten vinden vooraleer hij het allemaal zou begrijpen. Hij wou nog enkele vragen stellen maar de wagen reed al de oprijlaan naar het hotel op. Aangekomen in de lobby had hij rondgekeken of hij Jane of Jackie nog ergens kon bespeuren. Hij had nog gezien hoe hun ouders hun dochters omhelsden en hoe een donkere gebruinde kerel Jane stevig vast nam in zijn armen. Pieter aarzelde om naar hen toe te stappen maar besloot dan toch Karum te volgen naar de lift en de familie Hutton met rust te laten. Jane en Jackie maakten geen aanstalten om Pieter te zoeken en hadden het te druk om hun avonturen te vertellen.
Hij moest zich maar geen illusies maken. 
Nog enkele dagen en ieder zou zijn eigen weg gaan. 

En alles zou terugkeren naar het normale.

* * *

Hoofdstuk 25

De omhelzing die Ian aan Pieter gaf was innig en gemeend. Het was enkele jaren geleden dat ze elkaar hadden gezien voor de eerste en laatste keer.
“Je ziet er goed uit, Pieter. Het afgezonderde leven heeft je deugd gedaan.”
“En jij ziet er moe uit, Ian. Slaap je eigenlijk nog wel?”
Ian glimlachte. “Daarvoor heb ik niet voldoende geduld. Maar ... welkom op het Abacus project. Zoals je ziet gaat het goed vooruit.”
“Daar heb ik geen moment aan getwijfeld. Zelfs vijf jaar geleden wist ik dat je zou doorzetten. Hoewel de omvang van jouw ontwikkelingsprojectje me toen niet helemaal duidelijk was. Eerlijk gezegd, het is me nog steeds niet duidelijk. Maar ik ben er zeker van dat je mijn troebele geest zal verlichten.”

*
*   *

Ian herinnerde zich net als Pieter nog levendig hun eerste ontmoeting. Pieter had een interview met hem geregeld toen hij voor de eerste keer zijn plannen tijdens een gastcollege aan de Trinity universiteit van Cambridge voorstelde. De magere opkomst had Ian niet afgeschrokken, integendeel. Hoewel de weinige professoren die er waren er wellicht nog waren gekomen omdat Ian een van de gulste geldschieters was van het college. Maar de lezing was nodig om er zich van te vergewissen dat zij hem zouden steunen als aan hen advies zou worden gevraagd. Wat zeker zou gebeuren. Het was een koude decemberavond toen Pieter na de lezing over de gladde kinderkopjes voorzichtig naar het hotel aan de Cam gleed. Voor hem probeerde Ian zijn evenwicht te houden toen hij bij Mill Lane insloeg en onhandig met zijn armen zwaaide terwijl zijn gladde Italiaanse schoenen alle grip verloren op een gemene ijsplek. Pieter had nog net zijn arm kunnen grijpen en Ian rechtop gehouden.
“Zouden we niet beter voor het haardvuur thuis blijven in plaats van ons leven te wagen?” hadden beiden geopperd vanonder hun dikke mutsen, elkaars arm vasthoudend alsof ze op het punt stonden te walsen. Ian had dan voorgesteld: “hier op de hoek is één van de oudste pubs van Cambridge, The Mill, vlak naast de Alma. We zijn dan bijna halfweg tot het hotel. En ze hebben een haardvuur. Met wat verwarmende en versterkende drank kunnen we de rest van de tocht verder zetten zonder armen of benen te breken. En als we ze dan toch breken, dan zal de drank ervoor zorgen dat het niet zoveel pijn doet.”
Ze stapten de warme pub binnen. Naast enkele lokale stamgasten was er niemand. De vakantieperiode was ingezet en de meeste studenten waren voor enkele dagen naar huis vertrokken om kerst bij familie te vieren.
“Twee Glühwein,” riep Ian. Ze liepen gebogen onder het lage plafond van de pub naar een van de kleine plaatsjes waar ze in alle privacy hun gesprek konden verder zetten.
“Dus je wilt een volledig nieuwe stad, eigenlijk een nieuwe beschaving uit de grond stampen om weg van alle obstakels te experimenteren en nieuwe technieken en technologieën toe te passen en te gebruiken?” vroeg Pieter.
“Alsjeblieft, geen stad. Dat is zo pre eenentwintigste eeuw. Steden zijn een voorbijgestreefde samenlevingsvorm. Het stamt uit de tijd dat mensen fysiek dicht bij elkaar moesten zijn voor handel, communicatie, sociale contacten, wetenschap en cultuur. We zijn nu zo geconnecteerd dat dit niet meer nodig is, dat het zelfs tegen-productief is geworden. Al eens geprobeerd in een grote stad binnen te rijden om tien uur 's morgens? Neen, sinds mensenheugenis droomt men van een ideale betere wereld. Atlantis, Utopia, Luilekkerland, Shangri-La, Oleanna. Noem maar op. De laatste eeuw zijn er verschillende experimenten geweest. Maar met weinig succes. Vooral midden vorige eeuw probeerde men de steden opnieuw uit te vinden, te verbeteren. En met beter bedoelde men gecontroleerder, uniformer. Precieze verhoudingen van vierkante meter per persoon, en zo verder. Deze stadsplannen faalden keer op keer en eindigden in onveilige buurten, criminaliteit en drugs. Ofwel probeerden enkele gedrevenen kleinschalige projecten met hernieuwbare energie, ecologische teelt, huizen van afval, eilanden van petflessen. Je kon het zo gek niet bedenken. Zo kleinschalig dat de resultaten niet meer dan labo testen waren, te anekdotisch om uit te breiden. Niet schaalbaar op wereldvlak. Ik ga uit van de creatie van een beschaving. En eigenlijk is dat niet zo vreemd. Er zijn voldoende historische bewijzen dat hele beschavingen werden opgepakt om ergens anders weer op te bouwen, van nul. Als de nood maar hoog genoeg is. Necessity is the mother of all inventions. Ik ben ervan overtuigd dat een beschaving en de aard van de beschaving het soort samenleving zal bepalen en niet omgekeerd. Kijk naar de Maya's. Hun gebouwen waren op astronomie gericht. Een samenleving is het gevolg van religieuze en economische omgevingsfactoren. Ik hou ook niet zo erg van het woord beschaving. Ik denk niet dat we zo erg beschaafd zijn in deze wereld, als ik zo rondom mij kijk. Maar dat is dan weer een andere discussie.”
“De vraag is natuurlijk welke van onze samenlevingen je als basis neemt,” wierp Pieter op, “en hoe lang het duurt vooraleer die samenleving eigenlijk net als alle andere zal evolueren. Ga je uit van het kapitalisme, socialisme, vrije economie, planeconomie, communisme?”
“Weer dat ouderwetse denken, Pieter. Natuurlijk zullen er keuzes moeten worden gemaakt, dat geef ik toe. En het zou ook utopisch zijn om te denken dat het dé ideale vorm zal zijn. Het ideale is niet bereikbaar, maar we moeten er steeds naar streven. Denken dat het ideale, het enige goede, het doel is, heeft al veel projecten als dit de das omgedaan. Wat men moet proberen te doen zijn de storende factoren die nu andere beschavingen of samenlevingen stuk maken, die moeten er uit. Maar eigenlijk is dat niet eens zo moeilijk. We moeten terug naar de basis. Vandaag is alles te ingewikkeld geworden. Ik moet preciezer zijn: veel zaken zijn vandaag onnodig ingewikkeld geworden. Er zijn veel dingen die ingewikkeld zijn, maar ook zo horen te zijn. Onze wetenschap bijvoorbeeld. Naarmate we meer en meer kennen en weten, wordt het detail zo groot dat geen enkel individu alles nog kan weten. De kennis is een collectief geworden. In samenwerking met technologie. “
Hij dronk een flinke teug van zijn glas en liet de warme wijn in zijn mond draaien. “Weet je Pieter, het grootste deel van de mensen willen met rust gelaten worden en ongehinderd hun leventje hier op aarde leven zonder al te veel kommer en kwel. Het zou al helpen indien we diegenen die steeds proberen de macht te grijpen uit een samenleving konden weren. En dan bedoel ik de traditionele politieke en religieuze leiders met hun dogma's. 
“je wilt dus een simpele atheïstische omgeving?”
“Neen, religie mag er best zijn. Moet er misschien wel zijn. Maar de concurrentie, in de vorm van een blinde bekeringsdrang tussen de religies, moet eruit. Het multi religieuze aspect is belangrijk, en de nadruk moet liggen op de evenwaardigheid van de verschillende geloven. Geloven is voor de meeste mensen een houvast. Een middel om hun eigen individuele kleinheid te koppelen aan iets groters. De hoop dat deze wereld en dit leven niet alles is. Maar dat het slechts het begin, een tussenstap of een weg naar iets anders is. Persoonlijk geloof ik dat er iets meer is. Maar dat het in de vorm van een goddelijke entiteit is, daar twijfel ik aan.”
“Waaraan twijfel je dan niet?”
“Aan wetmatigheden van onze kosmos. Voor zover we ze al kennen. Zwaartekracht. Het behoud van energie. Tijd. Ons leven is een stuk energie. Als we sterven komt die energie terug vrij en gaat op in de omgeving. De aarde, de lucht, het universum. Met deze redenering kun je verklaren waarom er mensen zijn die plots herinneringen hebben aan een vroeger leven. Is het je al opgevallen dat bij zulke verhalen of getuigenissen, het meestal gaat om zeer gewelddadige sterftes? Iemand die zich herinnert in een vorig leven als Romeins soldaat een speer in het lichaam te krijgen. Spoken gebaseerd op moordgevallen. Buiten Casper het lieve spookje dan. Het is energie die plots vrijkomt en niet langzaam kan overgaan in de omliggende elementen. Neen, het is een schok. De energie blijft als een cluster bestaan en behoudt ook een stuk van zijn geheugen. Dat is mijn geloof. Maar het is niet mijn religie. Ik ga je niet proberen te bekeren, ook niet na een tweede glas wijn.”
Ian draaide zich om en stak het lege glas in de hoogte en maakte het V-teken met zijn vingers. “Nog twee van hetzelfde graag,” riep hij.
“We kunnen noch het alles noch het niets omvatten met onze geest. Net zoals onze voorouders hun wereld niet begrepen, begrijpen wij ook niet alles. En zoals ik zei. De wereld gaat steeds sneller, en maar goed ook. Maar velen compenseren hun onmogelijkheid om nog alles te volgen met een strikte religie. Wat ze niet volgen of begrijpen geeft hen angst. Een godsdienst geeft houvast. Op zich zeer lovenswaardig, jammer dat er misbruik wordt van gemaakt. En dat in alle godsdiensten.”
“Dus denkt Ian dat hij een van de laatste humanisten is?” concludeerde Pieter.
“Of misschien weer een van de eerste?” antwoordde Ian. Hij nam een slok van het volle glas dat de waard kwam brengen. “Het humanisme is eigenlijk nooit echt doorgebroken als filosofie en het is zeker geen religie. Maar als geloof heeft het nooit veel aanhang gekend. Ik denk ook niet dat het de bedoeling was van de eerste humanisten zoals Erasmus, Morus, om een nieuwe godsdienst op te richten. Integendeel, de meeste humanisten van die tijd waren hoge ambtenaren met een sterk religieuze inborst. Kijk maar naar Thomas Moore. Hij is zelfs heilig verklaard omdat hij zich verzette tegen Hendrik VIII. Neen, het was de bedoeling van de humanisten om kritisch te zijn tegenover dogma's en opgelegde leren van welke aard ook. Het waren intellectuelen. Maar intellectuelen die op onderzoek gingen, de wereld rond zich probeerden te begrijpen, te ontrafelen. Die nooit stopten met te twijfelen en steeds als eerste zich afvroegen waarom? De basisvraag die leidt tot vooruitgang. Als kleine jongen was mijn speelgoed al onmiddellijk stuk omdat ik wou weten hoe het er van binnen uitzag. Hoe het werkte. En als ik zelf geen speelgoed meer had, dan nam ik de poppen van mijn zuster. Ik heb heel veel in de hoek gestaan.”
Even bleef Ian in gedachten verzonken en staarde naar de oude houten tafel. Pieter vroeg zich af hoeveel generaties studenten hier al dronken waren onder gekropen na punting feestjes op de rivier.
“Humanisme is een levensbeschouwing die nooit is georganiseerd en er nooit is voor gemaakt om anderen ervan te overtuigen dat zij de enige en echte is. Het is zo alomvattend dat het eigenlijk alles en niets is. Het verschil tussen een levensbeschouwing en een religie is dat de eerste jouw doen en laten met je omgeving en de medemens bepaalt. Een religie zou dat ook moeten doen, maar jammer genoeg is dat niet het geval. Enkel als een religie voor iemand ook zijn levensbeschouwing is, dan zit je goed. De keurige zakenman die iedere zondag met de familie naar de kerk gaat maar tijdens een businesstrip geen probleem heeft om zich eens te verwennen met een lapdance in een stripclub. Luister naar mijn woorden maar kijk niet naar mijn daden. Vandaar ook het fanatieke in religies. De religie is het doel op zichzelf geworden. Niet de levensbeschouwing die aan de grondslag ligt van de verschillende godsdienstige leren. Want dat is ook zoiets. Elke godsdienst wil een leidraad zijn voor de mensen, wil hen een pad tonen hoe ze hun leven moeten leiden. Fanatisme gaat zelden over dat deel van de leer. Het gaat over hun God, hun idool, en het zelf uitgeroepen pact dat ze ermee hebben. Hun energie gaat in het overtuigen van anderen, niet zozeer naar de inhoud van hun eigen leven. Bekeer of sterf.”
“Dus je bent dan toch een atheïst? Want dat is toch wat de meesten aan de humanisten verwijten. Dat ze geen God aanvaarden?”
“Een God. Als je weet dat we van het woord god, toch een van de meest gebruikte woorden in onze wereld, nog niet eens de etymologische afkomst kennen dan vraag ik me eigenlijk af hoe ik je vraag moet beantwoorden. Wat is trouwens de definitie van een god? Als het om de simpele voorstellingen gaat als een Jezus, een Boeddha, een Allah, een Brahma, een heilige Drievuldigheid, een heilige geest. Neen, daar geloof ik inderdaad niet in. Het zou mooi zijn, een echte idool wedstrijd. Geloof ik dat er iets is dat we niet kunnen, of nu nog niet kunnen, bevatten ... ja, heel zeker. Vandaag noem ik het eigenlijk niets, morgen noem ik het misschien wel God. Maar ik ben ervan overtuigd dat we allemaal onderdeel zijn van iets groter, en dat we door dat allemaal verbonden zijn met elkaar en met onze omgeving. En dat we in harmonie daarmee moeten samen leven. Dat is het eigenlijk. Ik wil een harmonische samenleving opbouwen waar de drijvende krachten streven naar balans en niet naar verval.”
“En hoe denk je die harmonische wereld op te bouwen? En waar? We stevenen zo al af op een enorme overbevolking en ruimte wordt een zeer kostbaar goed. Woodstock met zijn liefde en harmonie is wel al een hele tijd geleden.”
“Er zijn twee aspecten. Waar ga je dat bouwen en met wie ga je het vullen. En dan natuurlijk de vraag wat daarna, wat is de bedoeling eenmaal het zaakje draait. Laat me beginnen met het waar. Afrika. Buiten het kleine historische hoogtepuntje dat algemeen wordt aangenomen dat jij en ik afstammen van de eerste mensoïden die zich in centraal Afrika ontwikkelden, is Afrika als wieg van de mensen vanaf dan heel stiefmoederlijk behandeld. Er is geen enkel Westers of Oosters bedrijf dat er ook maar aan denkt om zijn productie naar Angola of naar Gambia te verhuizen. Hoewel dat daar misschien de komende jaren nog wel verandering in kan komen. Eenmaal als multinationals tot de vaststelling komen dat China en Indonesië hun loonsachterstand hebben ingehaald. Maar dat is een andere zaak. Neen, Afrika is nog zo ongerept als je ongerept kunt inbeelden in onze huidige wereld. Gezien de verregaande verwoestijning van het continent is er weinig interesse van de andere werelddelen. Natuurlijk net onder en boven de evenaar is er het oerwoud dat een niet te onderschatten rol speelt in ons klimaat en nu door de Unesco is uitgeroepen als werelderfgoed. Het is zeker een groot deel van de longen van onze aarde. Er zijn verschillende grote projecten opgestart om land terug van de woestijn te winnen, maar zoals steeds zijn deze projecten underfunded of worden vroegtijdig afgebroken want het resultaat is er niet onmiddellijk. Er zijn een aantal plaatsen in Afrika die perfect zouden dienen, mijn oog is gevallen op het drielandenpunt tussen Kenia, Somalië en Ethiopië.”
“Somalië? Dat lijkt me nu ook niet de veiligste plaats in de wereld te zijn. Is ook politieke stabiliteit geen voorwaarde?”
“Ach, het is zoals met god ... wat is politiek? Wat vandaag stabiel is wordt morgen weer omvergegooid. Herinner je nog wat ik je daarnet vertelde rond harmonie? De huidige politiek is gericht op destabilisatie, te veel de dualiteit maar van gelijke polen die elkaar wegduwen in plaats van elkaar aan te trekken en een harmonie, een éénheid te vormen. Ik kom net terug van Somalië waar ik samen met de huidige regering werk aan hun heropbouw. Ze hebben nu wel ingezien dat ze er persoonlijk niet ver mee komen als ze het land verder laten verzinken en enkel in het nieuws komen omwille van hun piraten. Neen, ook de regeringen van Ethiopië en Kenia heb ik bezocht in het kader van hun verdere ontwikkeling. En ik heb goede hoop. Goede hoop dat ik nu ook de nodige fondsen kan vrijmaken om het project op te starten. Een groot ontwikkelingsproject kun je het inderdaad noemen.”
“En de mensen? Ga je een advertentie plaatsen in The Guardian, Le Figaro, USA Today?”
Ian keek sluw naar Pieter. “Mmm, misschien nog niet eens een slecht idee. Eigenlijk zoek ik een combinatie van selectie en toeval. Beide scenario's hebben hun gevaren maar we hebben hier te maken met mensen. Als individu tamelijk voorspelbaar, als groep helemaal voorspelbaar. Natuurlijk heb ik nood aan een pak hard skills. Alle wetenschapstakken moeten worden vertegenwoordigd door een aantal specialisten. Die kun je identificeren, want die zitten aan universiteiten zoals deze. Sommigen, tamelijk veel zelfs, zijn gefrustreerd omdat ze hun ideeën niet kunnen uitvoeren, omdat ze worden uitgelachen of tegengewerkt door collega's. Of omdat ze hun dagelijks brood moeten verdienen in een poging hun kennis door te geven aan een aantal tieners of twintigers die het hen helemaal niet interesseert. De lijst is lang, maar niet onmogelijk. Zeker, zoals ik al zei, als je het onnodige eruit filtert. Daarnaast heb je de mensen nodig die bouwen en verbouwen, die onderhouden en vervangen of verbeteren.”
“Dat lijkt me toch sterk op een futuristische staat met alfa, beta en gamma mensjes. Waar heb ik dat nog gelezen?”
“Enkel als dat je uitgangspunt is, je premisse. Maar dat is het niet. Het gelijkheidsprincipe blijft onaangeroerd. Echter dat wil niet zeggen dat het een communistische of socialistische eenheidsstaat wordt. Het individu primeert, de mens primeert en niet de staatsvorm. Zie je, het is weer de levensbeschouwing die de houding van de mensen bepaalt. En die houding zullen ze al moeten hebben, zeker met diegenen die de spits zullen afbijten. Daarna zal de groepsdynamiek het kunnen overnemen.”
“Tja, we kunnen er natuurlijk nog uren over doorpraten. Maar ik heb toch mijn twijfels aan het uitgangspunt. Wat ga je introduceren als rechtspraak? Wat als er conflicten zijn? Wat is het economisch gedrag van de groep?”
“Natuurlijk, maar nu denk je statisch. Dat alles op voorhand moet zijn geregeld en perfect langs vooraf uitgestippelde kanalen zal gaan. Zo werkt het niet. Zo krijg je inderdaad conflicten die het vroegtijdig einde zal betekenen van een dergelijk project. Er is ook zoiets als een evolutie. Zolang de grote lijnen er maar zijn, en die heb ik eigenlijk zowat geschetst. Meer hoeft er niet te zijn.”
“En geen big brother die controleert of alles nog wel langs jouw grote lijnen evolueert?”
“Mijn beste Pieter. Je bent echt een kind van jouw tijd. In alles eerst de problemen zien om zo nooit tot de mogelijkheden te komen. Neen, er is geen big brother nodig. In een omgeving met een hoge individuele vrijheid vind je ook een sterk ontwikkeld gezond verstand. Common sense. Een begrip dat weinig is onderzocht en heel erg wordt onderschat.”
Hij stond op en zei: “laat ons de discussie verder zetten in de lounge van het hotel. Het is er best leuk en ze hebben er een goede rode wijn. Beter dan die brandstof die we hier net op hebben. Maar ze heeft wel gedaan wat een brandstof dient te doen, ons opwarmen.”
Ian betaalde de rekening en beiden schuifelden naar buiten, de laatste meters naar het hotel. 

*
*   *

“Ja, en ik weet nog dat we met klinkende ruzie het diner hebben verlaten maar dan broederlijk in de lounge van het hotel alle problemen van de wereld hebben opgelost,” antwoordde Pieter.
“Een mooie herinnering, dat is het zeker,” stemde Ian in, “alleen de barstende hoofdpijn de volgende dag vond ik niet zo prettig.”
Pieter ging aan de rand van het raam staan en keek over de witte daken van de nieuwe gebouwen. “Het is je dus gelukt, Ian. Proficiat, veronderstel ik. Maar het is me nog steeds niet helemaal duidelijk waarom ik hier ben bij betrokken. In ieder geval beschik ik bij mijn weten niet over een speciale of unieke skillset zoals we die toen besproken hebben. En zeg nu niet dat iedereen speciaal en uniek is, hé.”
“Wellicht niet. Je bent doordeweeks in menig opzicht. Wat geen waardeoordeel inhoudt, dat weet je,” aarzelde hij vooraleer zich te hervatten. “Herinner je nog het artikel, of eerder de artikelen die je toen hebt geschreven naar aanleiding van onze gesprekken? Je hebt er toen een erezaak van gemaakt om mijn financiële toestand door te lichten, om dieper te spitten naar het project. Hoe unfair het wel was dat miljoenen naar dit ene project gingen terwijl honderden anderen zonder fondsen kwamen te staan. Het was voor jou erop of eronder. Ik wist wel dat je niks tegen mij persoonlijk had, maar dat het jouw verhaal was. Het verhaal waar je al je hele leven op hoopte maar nog nooit was gekomen. En plotseling had je het. Een hedonistische miljonair met hooggeplaatste contacten die op zijn eentje Utopia wou naspelen. En wat was het resultaat?”
“Een driedelige documentaire die op verschillende zenders is uitgezonden,” verdedigde Pieter zich.
“Inderdaad, mijn beste. Een driedelige documentaire. Waarvan deel één en twee tijdens de nachtuitzending werd vertoond en het derde deel het nooit heeft gehaald. Maar als je lang genoeg googled, dan vind je inderdaad de drie delen nog op een website rond complottheorieën. Niet al te veel hits op jouw sectie. Zelfs YouTube heeft het niet meer in zijn archieven.”
“En het openbare onderzoek dan?” Pieter gaf zich niet zomaar gewonnen.
“Ja, als ik me niet vergis is er nooit iets van terecht gekomen. Ik geef toe dat er op een bepaald moment een parlementaire onderzoekscommissie werd opgericht door de Europese Raad, maar dat het nog niet eens tot een eerste zitting is gekomen. Op dat moment waren er verkiezingen en je weet wat er gebeurt als de parlementsleden hun jobs in het gedrang komen.”
Ian kwam naast Pieter staan. “Trek het je niet al te veel aan. Ik had voldoende invloed bij de commissies om de hele zaak vertikaal te laten klasseren. Zelfs al zou het tot een volledige hoorzitting zijn gekomen. Maar ik ben er je dankbaar voor. En dat om niet minder dan drie redenen. Ten eerste is het mijn ervaring dat hoe harder je iets naar buiten wil brengen hoe sneller het weer overwaait. Het was op een bepaald ogenblik het top artikel in de online kranten. Het haalde niet eens de voorpagina van de gedrukte kranten. En de dag erop werd er vis in verpakt. Voorbij gehold door een ramp, een corruptieschandaal in Italië, een moord op een juwelier of een nieuwe page three girl. In al die jaren heb ik één ding geleerd rond de media. Het publiek is enkel geïnteresseerd in eros en tantalos. Liefde en Verdriet. Page Three en een Tsunami. En dan natuurlijk sport niet vergeten. Brood en Spelen. Ten tweede ...”
Ian pauzeerde eens om zijn gedachten te ordenen.
“Ten tweede ben je erin geslaagd door jouw onderzoek enkele zwakke plekken te ontdekken die mij ontsnapt waren of waar ik zelfs niet eens aan had gedacht. Dus eigenlijk heb je indirect het hele project gesteund. Vooral jouw kritische blik op de financiering en enkele van de korte termijn gevolgen op de omgeving waren van grote waarde. Gezien je geen banden had met mij was er bij jou ook geen sprake van zelfcensuur. Je hield me een spiegel voor.”
“Interessant, dat doet me denken aan een hofnar. En ten derde?”
“Het belangrijkste. Het moment dat jouw onderzoek mij genoeg inzichten had bezorgd om het finale licht op groen te zetten, was het voor jou tijd om verder te gaan. We zorgden ervoor dat jouw carrière een nieuwe wending zou nemen en we zijn rechtszaken begonnen tegen jouw redacteur, de uitgever, het persagentschap. Onze advocaten kwamen in actie en stuurden jouw manager niet mis te verstane brieven zodat hij enkel nog kon capituleren. Het gaf me de kans om jou te plaatsen waar ik het wou. Transfereren naar de Indische Oceaan en de correspondent worden rond het visverbod. Dat was een oud project, ik denk van ergens begin tweeduizend tien dat ik weer had opgerakeld. Alsof dat nog iemand kon schelen. Maar ik moest iemand hebben ter plaatse die me op het juiste moment de juiste dienst kon bewijzen. En dat heb je zeker gedaan de afgelopen dagen. Je was van onschatbare waarde met het naar buiten smokkelen van die militaire dossiers.”
“Ja, ik was al onder de indruk hoe je mijn mail zo snel had gekregen.”
“Dat was simpel. We hebben nogal goede contacten met de persbureaus dus onze afdeling communicatie had het al snel opgepikt. En dan was er natuurlijk ook nog Alex, één van onze piloten die maar al te graag vrijwilliger was om samen met zijn vriendin Brigitte op het resort te wonen. Van Jonathan wist ik dat je de bestanden in handen had, maar we wisten natuurlijk niet zeker of je die dingen ook daadwerkelijk zou doorsturen. Het was eigenlijk een kwestie van wachten.”
“Wat heeft dat te maken met jouw zogezegde ontwikkelingsproject? Jou kennende zal het ene wel met het andere te maken hebben.” 
“Direct, heel weinig. Indirect, heel veel. We zullen het beter kunnen beoordelen de komende dagen en weken.”
Er werd op de deur geklopt en Iveta kwam binnen, gevolgd door Karum.
Ian stak zijn hand uit en zei verontschuldigend tot Pieter: “jammer maar zoals je ziet is er nog wat werk voor de boeg. Ik stel voor dat we elkaar morgenvroeg aan de ontbijttafel zien? Wat denk je van acht uur? Ik vermoed dat je niet echt een vroege vogel bent.”
Buiten de deur van Ians suite aarzelde Pieter, besluiteloos over wat te doen. De vermoeidheid was helemaal verdwenen. Hij zou toch niet kunnen slapen dus besloot hij nog eens langs de bar van het hotel te gaan. Indien er niemand zou zijn die hij kende, dan kon hij nog steeds naar zijn eigen kamer gaan. Hij keek op het kaartje dat hij had gekregen. Blijkbaar lag die ook op het vijfde.
“Toch nog Ians VIP.”
Pieter liep veerkrachtig de trap af die uitkwam op de bar. Druk was het er niet en de bartender keek op zijn horloge. Het herinnerde Pieter eraan dat het wellicht al flink na middernacht was. Geen wonder dat er niet al te veel mensen aanwezig waren. Pieter bestelde een lokaal gebrouwen bier dat vakkundig door de bartender met een perfecte schuimcol werd getapt.
“Ian had gelijk, je hebt nood aan verschillende vaardigheden. En een goede bartender is zeker één van die onmisbare skills,” dacht hij.
Hij genoot van zijn eerste teug en smaakte kritisch het bier.
“Niet slecht,” zei hij tot de bartender die glazen begon af te wassen nadat hij Pieter een kommetje nootjes had toegeschoven.
“Dank u, meneer.”
“Ik kom uit België en daar hebben we meer dan driehonderd zestig soorten bier.”
Meer conversatie zat er niet in. De man wou duidelijk naar huis en hoopte dat Pieter geen dronken plakker was die zijn Belgisch leven zou vertellen. Hij begon enkele kasten af te sluiten. Ook de andere gasten die zich nog in de bar bevonden waren ondertussen opgestaan en begaven zich naar hun kamers. Pieter besloot de man zijn leven niet moeilijker te maken dan nodig. Hij dronk zijn glas leeg en met een “goedenacht” draaide hij zich om. In zijn beweging botste hij tegen Jane. Hij schrok van haar betraande gezicht en blauwe plekken net onder haar oog. “Wow, Jane, wat ...”
Maar zonder omwegen sloeg ze haar armen rond zijn hals en kuste hem zacht maar vastberaden op de mond.

*
*   *

Hoofdstuk 26

Voorzichtig om Jane niet wakker te maken, schoof Pieter uit het king size bed en schakelde de televisie in de woonkamer van zijn suite aan. Jane had haar verloofde zo onomwonden mogelijk duidelijk gemaakt dat hij toch niet echt diegene was die ze zocht of met wie ze oud wou worden. Daar had ze een onverwachte prijs voor betaald. De gemanierde en gecontroleerde Brian, bijna het prototype van de ideale schoonzoon, was daarop in woede uitgebarsten en had haar een klap gegeven, waarop ze naar de kamer van haar ouders was gelopen en luid bonkend op de deur was binnengevallen. Haar vader vroeg zich af wanneer en hoe hij die kerel een klap kon terugverkopen. Niemand sloeg zijn dochters ongestraft. Na een gesprek van moeder tot dochter had Jane beloofd bij Jackie in te trekken. In een opwelling, ze zou toch niet de slaap kunnen vatten, en ze had geen zin in een verhoring door haar zus, was ze naar de bar afgezakt in de hoop haar gedachten en gevoelens te kunnen ordenen. Niet dat ze zin had om dronken te worden, maar een stevige borrel zou haar misschien op het pad van de ordening zetten. Toen ze Pieter zag staan wist ze het. Zonder aarzelen was ze op hem gestapt.
Het CNN nieuws leek op een rit met een op hol geslagen rollercoaster. Er stond zoveel informatie op het scherm dat Pieter enkele tellen nodig had om zijn weg erin te vinden. Maar de teneur was duidelijk. De internationale relaties tussen groot- en kleinmachten werden met de minuut meer gespannen. Landen trokken massaal hun diplomaten weg en diplomaten werden en masse uit landen weggestuurd. Er waren beelden van troepenconcentraties die zich de afgelopen vierentwintig uren hadden ontplooid en in enkele steden was het tot ernstige rellen gekomen tussen de Indische en Chinese bevolking. In Brussel waren verschillende manifestaties met elkaar in de clinch geraakt wat leidde tot het vernielen van het Europese Commissie gebouw. De ordetroepen hadden alle moeite gehad om de stad terug tot rust te brengen. In de meeste steden van West Europa had het leger moeten optreden, werden avondklokken ingesteld in een poging om een escalatie van het geweld in te dijken. Tot nu toe was de situatie in de VS onder controle, maar in het Midden-Oosten en dan vooral in steden zoals Abu Dhabi en Dubai, waren er onlusten uitgebroken met de Indische bevolking. Een brandende burq-el-arab was tot een symbool uitgeroepen.
Jane wreef met haar vingers door zijn borstelige haar. Ze had een van zijn hemden aangetrokken en knielde over hem in de ruime sofa. “Zou je niet liever naar mij kijken, lieverd? Het is toch alle dagen dezelfde misère.” Ze duwde haar hoofd tegen het zijne zodat haar donkerblonde krullen zijn zicht naar de televisie belette. Hij schoof haar haar opzij en gluurde naar het toestel. Meer beelden. Nu van Azië waar de militairen van Bhutan, Myanmar, Thailand en Vietnam zich verenigd hadden tegen de wurggreep van India en China. Er waren verschillende schermutselingen geweest aan de Indische en Chinese grenzen. Amerikaanse toeristen werden gefilmd toen die, duidelijk aangeslagen, werden weggevoerd met oude C130s uit hun toeristische pleisters aan de voet van de Himalaya.
“Zeg, ga je me nu al verwaarlozen? Je bent me ook een mooie.” Ze vocht om de afstandsbediening en nadat ze die had bemachtigd zette ze ongenadig het toestel uit. “Ik heb iets veel leuker om naar te kijken,” zei ze uitdagend terwijl ze de middelste knoopjes van haar hemd opende.
“Jane, er is iets dat niet klopt. Het was de bedoeling dat dit allemaal vermeden zou worden. Nu wordt het aangegrepen als de reden om te beginnen wat we eigenlijk wouden verhinderen. Er is iets fout. En ik begrijp niet wat de connectie is tussen dit Utopiaproject hier en wat er allemaal is gebeurd in Diego de afgelopen dagen. Er moet een verband zijn. En dat verband is Ian. Ik ken hem lang genoeg dat bij niets, maar dan ook niets aan het toeval overlaat. Ongeacht zijn blabla rond organische groei en gezond verstand.”
Jane nam zijn hoofd tussen haar handen en keek hem plagend aan. “Wel dan moet mijn overjarige Tintin nog eens praten met Ian. Doe het snel, kom dan terug en hou je bezig met je nieuwe vlam.”
Pieter maakte zich vlug weer meester van de afstandsbediening en met een zucht zette Jane zich naast hem. Ze vouwde haar knieën op en liet zich zijdelings vallen op Pieter, haar hoofd tegen het zijne. Ze keek ongeïnteresseerd naar de BBC nieuwsuitzending.
“Het lijkt wel of ieder klein conflict tegelijk is geëscaleerd,” merkte Pieter op. 
“Het waait wel weer over. Zo'n vaart zal het niet lopen, dat doet het nooit,” antwoordde Jane. 
Pieters mobiele telefoon zoemde. Het was Iveta. “Hi Pieter, goedemorgen. Het is kwart voor acht en ik wou je enkel zeggen dat Ian op weg is naar het restaurant. Dus het geeft niet als je ook wat vroeger zou zijn.”
Hij vloekte binnensmonds. De tijd was hij uit het oog verloren. “Natuurlijk, geen enkel probleem.”
Hij sprong op en holde naar de badkamer om snel wat kleren aan te schieten en zijn hoofd onder een straal water te stoppen om zijn verward haar onder controle te krijgen.
“Schat, ik ben weg. Ik was vergeten dat ik een ontbijtvergadering had met Ian. Het komt dus nog goed uit, nu kan ik het hem direct vragen.”
Hij greep haar stevig vast bij haar middel. “Ik ben zo snel mogelijk terug, liefste.”
“En wie zegt dat ik hier nog zal zijn?”
“Omdat er anders geen plaats is waarheen je zou kunnen?”
“Zo makkelijk kom je nu ook weer niet van mij af. Neen, ik denk dat ik terug in bed zal kruipen. Ik ben nog moe.”
Ze gaf hem een lange kus. “Blijf niet te lang weg.”
Pieter rende langs de wenteltrap naar beneden en stormde de ontbijtzaal om klokslag acht uur binnen. Hij zag Ian zitten en stapte op hem af.
“Goedemorgen Ian, klokslag acht uur.”
“Goedemorgen,” antwoordde Ian terwijl hij op zijn horloge keek. “Weet je, Pieter, een goede truc om nooit te laat te zijn is je horloge een vijftal minuten voor te laten lopen.”
“Heb ik ooit eens geprobeerd. Ik denk dat vijf jaar geleden iemand mij dat al eens probeerde aan te praten. Het enige resultaat was dat ik bij elke klok vijf minuten begon bij te tellen en dus steeds hopeloos te laat kwam.”
“Mmmm, ik zal ervan uitgaan dat ik dat niet was,” bromde Ian. “Grijp wat te eten dan kunnen we verder praten.”
Pieter keerde terug met een bord vol fruit, gerookte zalm en yoghurt. Ian knikte goedkeurend. “Een gezond ontbijt, ik ben blij dat je je goed verzorgt. Zeker nu zal je het nodig hebben om fit te zijn.”
Pieter grijnsde, niet goed wetend of Ian nu al een allusie maakte op Jane of dat het louter een onschuldige inleiding was op wat hij ging vertellen.
Ian depte zorgvuldig de laatste restjes vet weg van zijn mondhoeken en schoof zijn bord opzij, dronk een teug zwarte koffie en stak van wal.
“De wereld zal niet eindigen met een knal maar met een zucht. En de wereld was diep aan het zuchten. Wat we de afgelopen dagen hebben gezien was reeds latent aanwezig, het diende enkel een klein duwtje, een kleine oorzaak te hebben en je kon je verwachten aan een kettingreactie. De wereld zoals we die tot nu hebben gekend was meer dan goed op weg om te sterven. Niet zoals de meeste mensen denken door een klimaatverandering, niet omwille van een ziekte die plots opkomt, niet door een of andere onheilsprofeet die de botsing met een komeet of meteoor aankondigde. Maar omdat we met te veel zijn. Stop enkele ratten bij elkaar en ze leven mooi naast elkaar. Stop een hele boel ratten bij elkaar en ze eten elkaar op of sterven door stress. De wereldbevolking is te hoog, zo simpel is het. De grootmachten zijn akkoord gegaan om met hun volle besef en steun een wereldoorlog te starten. Niet enkel om de wereldbevolking terug te brengen tot een aanvaardbaar peil, maar ook om enkele politieke punten uit te klaren. Er zijn voldoende brandhaarden in onze huidige samenleving. Vele van die brandhaarden zijn honderden jaren oud, anderen zijn het gevolg van de Eerste of Tweede Wereldoorlog en de verdelingen daaruit voortvloeiend. Nog anderen zijn nieuw. Hoewel, nieuw, veel nieuws is er echt niet onder de zon. Maar bijvoorbeeld de onlusten tussen Spanje en Frankrijk rond de watervoorraden uit de Pyreneeën, en dat terwijl er ontziltingsprojecten door hun regeringen werden afgeketst omwille van te duur. Alles is een rentabiliteitsvraagstuk geworden. En uiteindelijk heeft dit alle vernieuwing gestopt en is de totale wereldeconomie beginnen krimpen. Wist je dat we vandaag tot tien procent minder welvarend zijn dan vijf jaar geleden? En die evolutie is kwadratisch. Het begint langzaam maar gaat steeds sneller. Vandaar dat het zo moeilijk te zien is en moeilijk te achterhalen waar het naartoe gaat.”
Hij wachtte eens, maar Pieter at rustig zijn gerookte zalm.
“Om die evolutie te kunnen voorzien, maar ook om de scenario's te simuleren, hadden we hulp nodig van de nieuwste generatie geclusterde supercomputers. Het resultaat was dat we een aantal oude twisthaarden dienden uit te roeien omdat die steeds maar opnieuw historisch de kop opstaken. En ten tweede, dat we dringend de bevolkingsaangroei dienden terug te brengen. Een derde aspect bleek de noodzaak om de economische dwangbuis van het pure kapitalisme wat losser te maken. De wereld heeft met andere woorden een kleine correctie nodig.”
“En wie bepaalt die zogenaamde historische twistpunten? Wie bepaalt of nu de Kosovaren of de Serviërs gelijk hebben?”
“Het is geen kwestie van gelijk te hebben en eerlijk gezegd, de disputen in de Balkan zijn van voor de Eerste Wereldoorlog. Trouwens een van de redenen waarom de Eerste Wereldoorlog er is gekomen. Neen, het gaat over de grote conflicten tussen noord en zuid, oost en west. En nog eens, zoals ik gisteren al zei, het is niet de bedoeling om tot een nieuwe orde te komen. Elke poging om tot een orde te komen is mislukt of van tijdelijke aard. Mensen willen verandering, zo wordt vooruitgang geboekt. Maar de wereld rondom ons is niet meer in verandering. Overal wordt gezocht naar status-quo. Een onderdeel van verandering is nu en dan eens de boel te resetten. Als je computer of horloge het niet meer doet, dan duw je ook op de reset toets. Daarna doet dat ding het weer. Meestal dan toch.”
“Soms gaat die dan helemaal niet meer aan.”
“Zelden, maar ja het kan gebeuren.”
“Of je bent al je gegevens kwijt.”
“Misschien niet slecht. Moet je dan alles opnieuw beginnen? Meestal niet. Je begint je gegevens, documenten, ideeën terug op te bouwen. Aangevuld met nieuwe inzichten. Want je moet het opnieuw opbouwen. En al wat je niet meer gebruikt is gewist. Alle ballast waar je toch nooit naar keek ben je ook kwijt. Als een grote zomerschoonmaak.”
“Maar er zijn dingen die je niet kwijt wil, bijvoorbeeld foto's of video opnames die je dierbaar zijn.”
“Ik hoop dat je dan een back-up hebt gemaakt. Maar we wijken af, ik denk niet dat de vergelijking super goed was. Wat ik wil zeggen is dat de wereld geleidelijk is geëvolueerd naar een explosief mengsel en het had enkel een kleine vonk nodig om te ontbranden. Maar, voor de eerste keer kunnen we de explosie in goede banen leiden. De afgelopen jaren heb ik me ingezet met het bereiken van akkoorden met de voornaamste raadgevers van onze dierbare wereldleiders. Hoewel ze dikwijls in de schaduw staan, zijn zij het die het meestal voor het zeggen hebben. Samen hebben we de staatsleiders overtuigd dat een gecontroleerde wereldoorlog de beste optie is.”
“En het ontdekken van die Indische en Chinese aanvalsplannen is de vonk.”
“Bijna juist, Pieter. Die aanvalsplannen zijn mooi in elkaar gezet om er écht uit te zien. Misschien, just maybe, zijn ze ook echt. Wie weet? Ik heb met veel interesse de reactie gezien van India. In oorlogsvoering zijn misleiding en bewust foute communicatie belangrijke elementen.”
Pieter was plotseling gestopt met eten.
“Dus die hele vertoning, dat was allemaal om wat nepdocumenten?”
“De hele vertoning was als een langzaam brandende lont. De bedoeling was om alles zo geloofwaardig over te laten komen.”
“Maar waarom hebben jullie die korporaal dan niet gewoon laten ontsnappen? Was dat niet geloofwaardig genoeg misschien?”
“Het was wel degelijk de bedoeling dat Votilio alles netjes naar buiten zou brengen. Jammer genoeg besloot hij op het laatste moment om de gegevens te verkopen op de zwarte markt zodat ze nooit openbaar zouden worden. Toen hij vluchtte heeft Jonathan een bootpatrouille op hem af gestuurd. Vergeet niet dat Diego nog steeds een hoogbeveiligde basis is. En werd zijn lichaam door Oona die nacht ontdekt. Toen werd jij ingezet. Alles kwam terug op zijn pootjes.”
“Mooi om te weten. Heb je nog van dat opwekkend nieuws? Niet iedereen krijgt te horen dat door hem binnenkort wereldoorlog drie uitbarst met miljoenen doden als gevolg.”
“Pieter. Herinner je het lied van Springsteen nog? You can't start the fire without a spark. Ook zonder jou hadden we alles in gang gezet. Misschien met een dag vertraging, maar meer ook niet. Dan hadden we de zaken laten lekken door een communicatieverantwoordelijke van Diego. Of door John Freeman. Manieren genoeg. Maar met jou wisten we dat je alles zou doen om het in het openbaar te brengen. En ik moest ook nog zorgen dat die twee meisjes veilig hier belandden nadat ze hun afspraak met vader Hutton in Kilifi misten.”
“En als ik nu weer alles naar buiten breng? Dat de hele zaak opgezet spel is? Ik voel er niet veel voor om als spark van de grootste genocide de geschiedenis in te gaan.”
“Dat kun je doen, maar daarvoor is het te laat. Ik weet niet of je naar het nieuws hebt gekeken deze ochtend, maar er gebeuren daarbuiten momenteel zoveel andere dingen dat jouw nieuws met moeite als een kanttekening aan bod komt. En er zijn al voldoende mensen die roepen dat het allemaal een complot is. Deze keer hebben ze gelijk. Hoewel ik nog steeds vind dat de definitie van een complottheorie een mislukt plan is. En dit plan kan en zal niet mislukken, Pieter. En wat betreft de geschiedenis, maak je daar maar niet te veel zorgen over. Alles zal wijzen dat jouw informatie correct was.”
“Ik had mijn bronnen moeten checken. Nog wachten. Ik heb als een idioot gereageerd.”
Ian knikte. “Ja, dat had je moeten doen. Je kent het Franse spreekwoord avec des si on mettrait Paris en bouteille. En dan zou je gemerkt hebben dat alle cross checks in dezelfde richting wezen.”
“Nu voel ik me heel wat beter,” sneerde Pieter. “Hoe zit het dan met deze plaats?”
“Een veilige haven. Een plek om alles weer op te starten mocht het fout gaan. Maar vooral om de technologie te ontwikkelen die we nu missen om de wereld een hoger supporteringsvermogen te geven.”
“Fout? Je bedoelt mocht alles uit de hand lopen? Ja, zeg ...”
“De afspraak is dat er geen biologische, chemische of atoomwapens worden gebruikt. Geen wapens die de omgeving voor lange tijd onbruikbaar zouden maken. Het sleutelwoord is controle. Conventionele wapens. Het vernietigen van de infrastructuur. Maar het kan verkeren. Hoewel heel onwaarschijnlijk, zou het toch bij iemand kunnen opkomen om een chemische aanval uit te voeren op een stad, of een dirty bomb te gebruiken. Ik denk niet zozeer aan een virus, die dingetjes zijn te onbetrouwbaar in hun mutaties. Dus mocht het fout gaan kan dit best de kern van een nieuwe beschaving worden.”
“Je bent toch nog niet alle kunstschatten naar hier aan het slepen, zoals de Mona Lisa enzo?” grapte Pieter cynisch.
“Neen, dat zijn dingen die onbelangrijk zijn. Door de eeuwen heen zijn al veel van dat soort prachtige zaken verloren gegaan. Het is belangrijker dat we de kennis van de Mona Lisa opslaan. Of het nu het origineel is of een digitale reproductie, dat zal geen mens nog interesseren. Trouwens, wie zegt dat wat in het Louvre hangt ook wel degelijk het origineel is? Ik vind het trouwens niet eens zo mooi.”
“Vandaar dat je ook alles Abacus noemt. Dit wordt een soort back-up van de wereld.”
“Zo kun je het stellen als je dat wil. Maar het is ook een leuk fait-divers dat op deze precieze plaats, we ook een pak oudheidkundige artefacten hebben gevonden die duidden op een beschaving met heel wat handel. Het toeval wil dat één van de eerste artefacten een stenen telraam was. We hebben het een bijzondere plaats gegeven aan de ingang van ons museum. Dus ik vond het wel een goede naam, vind je niet?”
“Allicht,” antwoordde Pieter afwezig. Zijn gedachten gingen naar een manier om dit alles ongedaan te maken.
Ian vervolgde: “nu je dit allemaal weet, wou ik het ook over jouw toekomst hebben, hier in Abacus. Het is niet de bedoeling dat je voor de rest van je leven op een hotelkamer leeft en op je luie krent zit.“
“Was ik ook niet van plan. Wanneer kan ik terug naar Europa? Het maakt me niet uit of the Engeland of België is.”
“Niet onmiddellijk. Sinds gisteren is Abacus volledig afgesloten. Niet hermetisch, je kunt nog steeds proberen te voet doorheen Somalië te trekken. Zou ik niet écht aanraden. Trouwens het zal niet lang duren vooraleer daarbuiten de burgerlijke luchtvaart zal worden stilgelegd en de luchthavens enkel voor militaire doeleinden open staan. Met als gevolg dat ze als eerste worden gebombardeerd. Neen, ik denk dat je beter hier integreert. Ik heb je trouwens nodig.”
“Mij nog niet genoeg gebruikt? Of ben ik de enige idioot die je zo eenvoudig kan manipuleren?”
Ian lachte, “neen, je bent niet de enige idioot. Er zijn er een hele hoop, wees gerust. We zullen hier de komende maanden geïsoleerd leven. Het is van groot belang dat de mensen op de hoogte blijven van wat er zich daarbuiten afspeelt. Maar ook, en wellicht van groter nut, wat er zich hier vanbinnen afspeelt. De meesten zijn naar hier gekomen om een bepaald onderdeel of deeltaak op zich te nemen. Zolang dat ze dat deden in het kader van ik kom hier mijn ding doen en na enkelen weken ben ik terug weg, was dat geen probleem. Maar nu ze hier maanden verblijven, zullen de meesten willen weten hoe het nu gaat met hun Abacus. Wat de anderen doen, hoe ze zich meer kunnen inzetten. Nuttiger zijn voor deze mini gemeenschap. De komende maanden zal er van buiten vooral slecht nieuws zijn. Het binnennieuws zal vooral positief en hoopvol zijn.”
“Dus ik mag de geboortes, huwelijken en de lokale pokerwedstrijden verslaan? Hoe kan ik jou daarvoor danken? Daar heb ik nu echt eens mijn hele leven op gewacht.”
Ian negeerde de cynische toon van Pieter.
“Gelukkig zal je daar een team voor hebben. We hebben hier een aantal journalisten bij elkaar gebracht. We hebben TV, Radio, wiki's, on-line kranten, blogs. Noem maar op. Maar ik heb een doorwinterde leider nodig die dat uit voornamelijk jonge kerels en meisjes bestaande groepje coacht. Iemand die erover waakt dat het dagelijkse reilen en zeilen van Abacus wordt beschreven.”
Pieter roerde nadenkend met een lepeltje in zijn koud geworden koffie.
“Je kunt ook literatuur doceren in onze middelbare school.” Pieter zag de humor niet die Ian ongetwijfeld in deze laatste opmerking had gelegd, en repliceerde: “Ik kan ook weggaan en mijn kansen wagen. Ik kan me trouwens niet voorstellen dat ik de enige ben die als een slaafje wil blijven. Er moeten toch honderden anderen zijn die nu liever bij hun familie zijn dan hier?”
“Natuurlijk kun je weggaan. Niemand zal je tegenhouden. Of je veel reisgenoten zal vinden is een andere vraag. Weet je, de meesten zijn op uitnodiging naar hier gekomen. We hebben ze niet enkel geselecteerd op hun specifieke kennis of kunde, maar ook op hun familiale gebondenheid. Het voordeel van tien miljard mensen is dat je keuze hebt. Je hebt gemerkt dat er hier heel wat families rondlopen. Ze zijn al bij hun familie. Die realiseren zich dat het hier veiliger is voor hen. En de vrijgezellen zijn meestal enige kinderen, zonder broers of zusters. En die hebben al lang door dat ze meer kans hebben om een geschikte partner te vinden binnen deze muren dan erbuiten, geloof me. Dus jouw alternatief om met een jeep door een onherbergzaam landschap te reizen, om dan aan te komen in het gebied dat volop in een oorlog verwikkeld is ... mmm ... mmmmm. Lijkt me niet erg aanlokkelijk.”
Ian zweeg enkele tellen om met zijn volgende zin meer impact te hebben.
“Trouwens. Wat ga je doen met Jane? Ze meenemen? Of haar – jullie – een kans geven? Misschien heb je nu al last van bindingsangst? Je bent vijfenveertig man, als je aan de eenzaamheid van je leven iets wil doen, dan doe je het best nu.”
“Is er nu iets dat die kerel niet weet?” dacht Pieter waarop Ian antwoordde, alsof hij gedachten kon lezen: “er is weinig dat voor mij verborgen blijft. Dat zou je nu wel mogen weten. En dat heeft niets te maken met verborgen microfoontjes of camera's. Ik heb Jane zien kijken naar jou in de lobby. Wellicht was jij de enige idioot die dat blik niet snapte. Ik heb Janes gezicht gezien toen haar verloofde haar kuste. En deze ochtend is haar vader al bij mij gekomen om te vragen of hij Brian een opdonder mocht geven. Man, trek jouw ogen eens open en laat het licht de duisternis over die hersencellen van jou verjagen.”
“Ben jij dan een nieuwe Sherlock? Elementary my dear Watson,” reageerde Pieter kregelig en verward omdat hij niks beter kon bedenken.
Ian zuchtte eens. “Je hebt mijn voorstel. Volg mijn raad en neem het aan. Al is het voorlopig, dan kun je nog beslissen wat je wilt doen.”
“En mag Janes vader die Bryan nu een opdonder verkopen?”
“Neen, dat help niets.”
“OK, ik blijf. Al was het maar zodat ik hem op het juiste moment een lesje kan leren.”
“Liefde en haat zijn geen goede raadgevers. Hou het best wat rustig, Pieter. En vooral, hij is tien jaar jonger, fitter en sterker. Ik heb niks aan jou in het ziekenhuis.”
Iveta kwam de zaal binnengelopen. Ze baande zich lenig een weg tussen de ondertussen volgelopen zitjes en tafeltjes. Bij het zien van Iveta, maakte Ian een einde aan hun gesprek.
“Vandaag wordt het een leuke dag voor jou. Je krijgt een rondleiding. Ik heb nu nog een korte vergadering met Iveta. Zij zal je dan vergezellen want ook voor haar is het de eerste keer dat ze hier is. Ik stel voor dat je precies binnen een uur in de lobby staat.”
Pieter stond op en probeerde nog steeds alle informatie van het afgelopen gesprek te vatten. 
“Ik zal er zijn.” 
Iveta voegde eraan toe: “neem Jane mee, Pieter.” Ze keek hem aan met een blik dat zei trust me on this one. Pieter haastte zich terug naar de kamer en sloop naar binnen. De gordijnen waren nog steeds dicht.
“Hi Jane, sweetie, wakker worden,” fluisterde hij zacht in Janes rechteroor.
Onbewust wikkelde ze zich nog eens in het lichte laken, draaide zich om en sliep verder. In haar droom zat ze op een stampende zeilboot. Brian stond aan het roer en liet de boot nu heftig rollen. Brian die haar zo liefdevol had vastgegrepen in de lobby. Maar dan zag ze de vuist op haar afkomen. Langzaam drong het tot haar door dat een persoon aan haar schudde. Ze opende haar ogen.
“Nog eens goedemorgen, je was wel heel diep aan het slapen.”
Ze kreunde en zette zich recht in het bed, “mmm en wie ben jij dan wel?”
“Roomservice, mevrouw. Met uw ontbijt.”
“Dat is een goed begin. Ik heb honger.”
Bij het verlaten van de zaal had Pieter nog snel fruit, sinaasappelsap, zalm, kaas, ham, broodjes en een kannetje koffie op een dienblad gegooid en dit voor het oog van een verraste kelner naar buiten gedragen.
“Mijn moeder bracht me eten als ik ziek was. Het is jaren geleden dat ik nog ontbijt aan bed heb gekregen. Je mag dat voortaan elke ochtend doen,” zei ze terwijl ze een aardbei in haar mond stak.
“De koffie moet je delen.”
Ze zette een pruillipje op: “het is mijn koffie.”
Speels duwde hij een croissant in haar mond. “Binnen een uurtje moeten we in de lobby zijn. Liefst gekleed. En ik heb nog plannen met jou.”
“Ah ja? Ik ben eens benieuwd. Maar niet te veel verrassingen, die heb ik nu wel al genoeg gehad.”
“Enkel leuke.”
*
*    *

Hoofdstuk 27

“Eindelijk,” dacht ze. 
Iveta had geduldig gewacht in de lobby samen met een andere vrouw toen Pieter en Jane, naar haar gevoel, eindelijk van de trap kwamen gelopen. Door hun jarenlange samenwerking had ze het bijna maniakale stiptheidsgevoel van Ian overgenomen. In tegenstelling tot Ian, liet ze haar ongenoegen niet blijken en begroette ze enthousiast Jane. De andere persoon stelde zich voor als Francesca Venti. Pieter schatte ze dertig jaar oud, slank met lang glanzend donker haar en een natuurlijk bruine teint. Ze kon haar Italiaanse afkomst niet verbergen. En mocht er nog twijfel zijn, dan zou haar onmiskenbare accent die direct doen verdwijnen.
“Vandaag staat er een rondrit langs de voornaamste delen van ons project op het programma. Het zal jullie een goed overzicht geven hoe Abacus is opgebouwd, hoe je je best verplaatst en, misschien wel het belangrijkste, ik zal jullie Pieters nieuwe woonst tonen. Het is nog niet volledig af, maar binnen enkele dagen zal je een house warming party kunnen houden.” Ze lachte zoals enkel Italiaanse vrouwen kunnen lachen. “Volg me maar.” Pieter en Jane volgden haar als een gids op een schooluitstapje. Ze stapten naar buiten. Het duurde enkele seconden voor hun ogen wenden aan het heldere zonlicht. De lucht was koeler, zuiverder en de verwachte hitteslag bleef uit. Het hotel was omringd door grote maar betrekkelijk lage witte gebouwen die door ruime groene zones van elkaar waren gescheiden. Jane en Iveta zetten snel hun zonnebril op en schoven op de achterbank van de robuuste wagen die klaarstond. Francesca gaf een stemcommando en het geklik van enkele relais in het instrumentenbord gaven aan dat de wagen startte. Hoewel het woord startte een anachronisme leek. Zacht zoemend reed de wagen uit de met bloeiende rode bloemen omzoomde oprijlaan van het hotel. Keurig opgelijnde palmbomen bezorgden enkele tuinlieden wat schaduw terwijl ze druk in de weer waren met het perfectioneren van het landschap. Zonder links of rechts te kijken stoof Francesca de zo goed als verlaten weg op, richting westen. Pieter had zich vastgegrepen aan de deurlijst en keek verschrikt naar haar. “Ik hoop dat ik je niet bang maak, Pieter. Mijn rijstijl heb ik nooit kunnen aanpassen na jaren toeren in het centrum van Rome. Er is zeer weinig verkeer in Abacus en trouwens al onze wagens zijn uitgerust met een anti botssysteem.”
Pieter kon zich levendig voorstellen hoe Francesca zich toeterend een weg baande rond het colloseum zonder zich al te veel te bekommeren om de wagens rond haar. Dat was ook de enige manier om enigszins vooruit te geraken in de dichtgeslibde Europese steden.
“Al onze wagens zijn elektrisch. Enkel de jeeps die jullie gisteren hebben opgepikt zijn hybrides. Je kunt een wagen online reserveren via de portaalsite van Abacus. Er worden iedere avond cursussen gegeven rond alle systemen van Abacus. Ik raad jullie aan zo snel mogelijk hierop in te schrijven. Het zal jullie leven heel wat makkelijker maken.” Francesca ratelde maar verder zonder een antwoord te verwachten op haar vragen. “We rijden nu weg van het aankomstcomplex. Ze tikte met een sierlijke vinger op het grote scherm midden het dashboard waarop een satellietkaart was weergegeven. Ze zoomde een beetje uit en de typische opbouw van Abacus werd duidelijk. Pieter zag hun wagen rijden op het navigatiescherm.
“Abacus is gebouwd op het asymmetrische of pseudo symmetrische principe. Je zult nergens één centrum vinden, maar eerder een verzameling van knooppunten. Die knooppunten kunnen gespecialiseerd zijn in één discipline, bijvoorbeeld geneeskunde, daar waar een persoonlijk contact tussen de mensen en teams belangrijk is. Ofwel zijn de knooppunten een verzameling van disciplines die ook over andere knooppunten zijn verspreid. Zo proberen we te vermijden dat er zich stadscentra gaan ontwikkelen die na verloop van tijd gemeden worden en verloederen. Trouwens een stadscentrum of zelfs een stad zijn verouderde begrippen. Met de juiste technologie werkt iedereen flexibel vanuit verschillende locaties zoals thuis. En dat op een sociaal communicatieve manier.” Ze wees uit het raampje. “De afdelingen die je daar ziet zijn de biologische researchafdelingen. Je kunt je voorstellen dat het leefbaar maken van deze omgeving een prioriteit is. Het overgrote deel van de lokale bevolking werkt aan landbouw en veeteelt projecten. Naast de laboratoria hebben we hier ook de landbouwschool zodat de plaatselijke bevolking een actieve rol speelt in het ontwikkelingsproject. ”
Ergens in de verte meende Pieter een hoge koepel te zien, maar ook die schatte hij niet meer dan vier of vijf etages hoog. Alles was netjes geordend met veel groen en keurig onderhouden perken. Hij zag een zwerm bont gekleurde vogels van de ene boom naar de andere vliegen in de hoop enkele grote vlinders te kunnen verschalken. Francesca had Pieters nieuwsgierige blik gezien en antwoordde spontaan: “onder de koepel die jullie daarnet hebben gezien, zit een geothermische koppeling. Het is de voornaamste energiebron van Abacus. Maar ieder gebouw heeft zijn eigen fotovoltaïsche drie dimensionale krachtcentrale. Elk huis en voertuig maakt deel uit van een energierooster en verbruikt enkel de hoeveelheid die het nodig heeft op dat moment. Alle surplus wordt afgegeven aan het rooster dat automatisch zoekt naar afnemers die energie nodig hebben. En we hebben ook nog een kleine kernreactor. Je kunt je voorstellen dat daar wel wat controverse rond was. Maar de reactor was nodig voor ons gevorderd onderzoek inzake kernfusie.”
“De gebouwen zijn interessant. Geen koele glas-met-beton constructies. Ze hebben iets natuurlijks. Het is alsof ze hier al eeuwen staan. De stijl doet me denken aan de huizen die je op de Griekse eilanden vindt. De witte huisjes met de azuurblauwe luikjes. Hier dan zonder luikjes en een pak groter,” zei Jane.
“Dat heb je goed gezien. De huizen, kantoren, openbare gebouwen zoals de bibliotheek of de scholen zijn met ecologische materialen gebouwd. Ze combineren natuurlijke luchtafkoeling en -bevochtiging, isolatie en duurzaamheid. Er is zoveel mogelijk materiaal gebruikt dat te vinden was in de onmiddellijke omgeving.”
“Veel zal dat wel niet geweest zijn,” merkte Pieter op.
“Je zou ervan versteld staan wat je kunt doen met kamelenmest.”
Pieter kon het beeld van stinkende binnenruimtes in vlekkeloos witte gebouwen niet van zich afschudden.
Francesca grinnikte: “jouw huis zal heel aardig meevallen.”
“Wat me opvalt, zijn het aantal voetgangers. Dat zie je bij ons niet in Australië. Daar neemt iedereen de wagen om enkele meter verder te shoppen,” merkte Jane verder op. Francesca knikte instemmend: “we hebben veel aandacht besteed aan mobiliteit. Niet gebaseerd op het traditionele concept van zoveel mogelijk wagens op of door een bepaalde bestemming te krijgen. Het hele idee is gebaseerd op voetgangers, Segways en elektrische fietsen. Als gevolg van de inplanting van Abacus hoeft niemand kilometers te rijden om op het werk te raken of om naar een shopping center te gaan. Ik denk dat we wel wat geleerd hebben uit onze overvolle centralistische stedenbouw. En voor de enkele keren dat er een wagen nodig is voor individueel gebruik, dan kan die gehuurd worden of doen mensen een beroep op het flexibele openbare snelvervoer.” Het landschap veranderde en links en rechts van de brede laan kwamen alleenstaande woningen in het zicht die kunstig in het landschap opgingen.
“De woonwijken voelen bijna natuurlijk aan. De slingerende wegen, open percelen, de integratie met het landschap. Het doet me denken aan Franse en Belgische kuststeden die begin twintigste eeuw werden aangelegd door architecten zoals Stübben.” Pieter draaide zich om. “Mijn grootouders namen me tijdens de schoolvakanties mee naar de Belgische kust. Niet dat de Noordzee zo aanlokkelijk was, maar het dorpje De Haan was een knap staaltje urbanisatie uit de jaren negentien twintig. Vandaar dat ik de geschiedenis een beetje ken. De slingerende wegen en paadjes zorgden voor een rustige en ontspannen sfeer in het dorp.”
Hij keek op het scherm in het dashboard om uit te maken waar ze zich precies bevonden. Hij zag de woonkernen en industriële zones die als ronde kralen aaneenregen. In een zich steeds verwijderend patroon waarin een kern kon gezien worden zowel als centrum of als aanhangsel. “Als je het zo uit de lucht ziet, dan lijkt het wel een beetje op een aaneenschakeling van telraambolletjes. Alleen is het driedimensioneel dan wel lineair. Dus Ian heeft de naam nog beter gevonden dan hij zelf beseft.”
Francesca parkeerde de wagen aan de kant van de weg. “We zijn er. Ik hoop dat je het zal bevallen.”
Jane antwoordde in zijn plaats: “ja, want hij is verwend wat huizen betreft. Ik hoop dat het de grandeur heeft van zijn gerestaureerde landhuis op Egmont.”
Ze volgden Francesca via een pas aangelegd pad, omzoomd met tropische planten. De geur was het opvallendst en Jane ademde met diepe teugen de zoete lucht in, hopend de verschillende aroma's te kunnen identificeren. Een mengeling van vochtige, groene planten die een zwoele aardegeur vermengde met een boeket van vanille, tropische bloemen en de soms scherpe geur van kruidnagel en lavendel.
“Het pad doet me in ieder geval aan iets denken,” riep Jane naar Pieter die achteraan liep.
“Zie maar dat je niet valt of we weten direct waar het ziekenhuis ligt.”
Francesca draaide zich om. “Het ziekenhuis? Dat ligt aan de oostkant, dicht bij de luchthaven. Jullie zijn er gisteren voorbij gereden, maar het is moeilijk te zien als je het niet weet.”
Net zoals op Egmont kwam het pad uit op een open plaats. Deze keer niet met een gerestaureerd huis maar met een witgepleisterd complex dat in een halve cirkel rond een weelderige binnentuin gebouwd was. Enkele gekleurde waterjuffers zoemden weg van de rimpelloze zwemvijver toen Francesca het ijzeren poortje ontsloot. Pieter schatte het huis toch op een ruime twintig bij dertig meter.
Jane en Iveta liepen al vol verbazing in de tuin die uitkwam op een houten terras dat half over de zwemvijver was gebouwd. Er stonden enkele ligzetels en prompt vlijden ze zich beiden neer in de zachte lichtbeige kussens.
“Hier kan ik best de rest van de dag doorbrengen,” zei Iveta. Jane antwoordde met een instemmend geluid. Pieter was ondertussen het huis binnengestapt en werd rondgeleid door Francesca. “Het is een typische gezinswoning. Je zult bijna geen gelijke huizen vinden in Abacus, elk bouwwerk is uniek. Ik moet  toegeven dat dit één van de meer geslaagde creaties is. Sommigen zijn groter, anderen dan weer wat luxueuzer. Naarmate Abacus uitbreidt, komt er ook wat meer diversificatie in de stijlen. Niet altijd ten goede, maar dat is mijn persoonlijke visie.” Ze toonde hem de verschillende delen van het huis om te eindigen bij Iveta en Jane die nog steeds genoten van de zon.
“En, bevalt het je?” vroeg Jane.
“Ik ben niet zo moeilijk. Ik ben best tevreden met dit hier. Na al die jaren zal ik er wel aan moeten wennen om terug buren te hebben.”
Jane preciseerde: “menselijke buren zal je bedoelen. Die wilde varkens op jouw eiland konden er ook wel wat van.”
“De laatste hand wordt gelegd aan de afwerking, dus je kunt er binnen enkele dagen intrekken. Als je het leuk vindt, tenminste.”
Pieter knikte instemmend. “Natuurlijk, ik ben hier meer dan tevreden mee. Trouwens we zullen hier wel niet eeuwig blijven, veronderstel ik?”
Zonder op zijn vraag te antwoorden, nam Francesca haar rol als gids terug op toen ze de wagen binnenstapten. “Dan gaan we nu wat verder rijden, voorbij de huidige grenzen van Abacus. Het zal een klein kwartiertje zijn, dus geniet ondertussen van het landschap.”
De grens was letterlijk en duidelijk aangekondigd met verkeersborden. Het viel Pieter op dat dit de eerste verkeersborden waren die hij hier had gezien. Een rood-witte slagboom versperde de brede weg. Enkele gewapende wachters deden de wagen stoppen. Francesca opende de deur en stapte af op één van de mannen die ze duidelijk kende want ze gaf hem een kus op de wang. Samen kwamen ze op de auto af en Pieter schoof het raampje open. De man keek aandachtig binnen en checkte enkele gegevens op een scherm dat op zijn linkerarm was gemonteerd.
“Goedemorgen, meneer en dames. Een prachtige dag om een uitstapje te maken. Met Francesca zijn jullie in goede handen. Veel plezier.” Hij deed teken naar één van de andere wachters en de slagboom zoefde omhoog.
“Ik ben al blij dat ik mijn pas niet hoefde te tonen, want die heb ik niet meegebracht,” zei Pieter. “En ik die dacht dat Abacus een open project was. Waarom al die gewapende wachters?”
Francesca antwoordde: “dit is eigenlijk nog heel recent. Het heeft allemaal te maken met de huidige ontwikkelingen in de wereld. De vrees zit er diep in dat gewapende bendes van de gelegenheid gebruik zullen maken om Abacus binnen te vallen.”
“Ik vermoed dat Ian alles zal doen om zijn harmonieus project zo goed mogelijk te beschermen,” vervolgde hij bitter. Maar niemand pikte erop in en dus besloot hij maar te zwijgen en naar buiten te kijken. Hoewel er nog enkele uitlopers van de uitbundige vegetatie te zien waren, verdwenen die al snel tussen de roodgrauwe kale grond.
“Zo zag de plaats waar Abacus is gebouwd er enkele jaren geleden ook uit. Dor, verlaten, onherbergzaam. Om nog niet te spreken van de raids door rebellen, clans of gewoon losgeslagen jongerenbendes. De weg loopt nog enkele kilometers door, maar verdwijnt uiteindelijk in een bultige aardeweg die dan helemaal opgaat in de omgeving. Maar zover moeten we niet rijden, want ik neem een shortcut.”
Zonder het voertuig te vertragen maakte ze een scherpe bocht en verliet ze met gierende banden de geasfalteerde baan om al hotsend een stoffige weg op te racen.
“Zo komen we er sneller,” riep ze boven het lawaai uit van de botsende wagen. “Ik kan er niet aan weerstaan om nu en dan eens écht te kunnen rijden. Maar wees gerust, we zijn er bijna.”
Het landschap werd langzaam weer groener. Na enkele kilometers sloegen ze terug een normale weg op en reden ze langs glooiende weiden. In de verte liepen dieren die Pieter niet onmiddellijk kon thuisbrengen. Ze waren veel groter maar daarom niet logger dan de koeien die Pieter kende. Iets leek hen op te schrikken en de kudde rende snel in één bepaalde richting, de jonge dieren in het binnenste van de groep.
“Een leeuw?” vroeg Pieter.
“Neen, er is een lasergeleid systeem dat de kudde beschermt tegen roofdieren.” Ze lachte: “misschien een muis?” en vervolgde: “hier zijn we aangekomen bij het grootste landbouwproject. Aan beide zijden van de weg zullen jullie zowel veeteelt als landbouw zien. De meesten van de oorspronkelijke bevolking werken hier. Zij voorzien de rest van Abacus van verse groenten, rijst, vlees, zelfs vis en oesters. Het gevolg is dat er steeds meer mensen naar hier afzakken om een bestaan op te bouwen, een vak te leren of een handel op te starten.” Francesca manoeuvreerde de wagen op een heuveltje. Het zicht over het glooiende landschap was fenomenaal. Uitgestrekte landerijen werden afgewisseld met donkere bossen en glimmende meren. Pieter nam de verrekijker over van Francesca en keek naar het zuiden waar hij vermoedde dat Abacus lag. Van een afstand kon hij goed zien dat Abacus iets hoger lag dan de omgeving, maar van enige visuele vervuiling door antennes, wolkenkrabbers of schoorstenen was geen sprake. Door het donkere groen was er sporadisch een wit gebouw te zien, maar daar hield het ook mee op. Hij concentreerde zich weer op de velden en zag verschillende groepjes mensen aan het werk.
“Een beetje koloniaal, vind je niet?” vroeg Pieter. “De autochtone bevolking mag boer spelen terwijl enkele kilometers verder, achter beschermende muren en slagbomen, de slimmeriken met kwantumfysica stoeien en oesters eten.”
“Het is nog altijd een ontwikkelingsproject,” verdedigde Francesca zich, “tien jaar geleden zouden deze mensen in armoede geleefd hebben. En neen, ze waren toen zeker niet gelukkiger.”
“Zou ik nog niet al te zeker van zijn,” bromde Pieter.
“Heb je reeds Karum ontmoet? Wel, tien jaar geleden woonde hij hier enkele kilometer vandaan, in een lemen hutje. Vraag hem maar eens wat hij van dit koloniale vindt.”
“Was jij hier dan ook al?”
“Ik was een van de eersten ter plaatse. Ik ben de hoofdarchitect van Abacus.” 
“Vervelende vlieg,” mopperde Iveta, wild om zich heen slaand.
Hun aandacht werd weggetrokken van Ivetas vliegenprobleem door een plotse commotie. Pieter richtte de verrekijker en zag enkele mensen in een voertuig springen om aan hoge snelheid weg te stuiven. Hij volgde het voertuig dat naar de plaats reed waar ze enkele ogenblikken geleden nog gegrapt hadden dat de kudde op hol was geslagen door een muis.
“Ik denk dat we best eens een kijkje moeten nemen naar wat daar is gebeurd,” zei Pieter. Francesca aarzelde. Ze had uitdrukkelijk opdracht gekregen van Ian om zich door niets te laten afleiden. Maar dit was uiteraard een uitzondering. Ze stapten allemaal in de wagen en Francesca keerde terug naar de inrit van het landbouwbedrijf. Opgewonden mensen liepen op en neer, wijzend naar een groepje dat kwam aanrennen met een draagberrie. Een arm van het lichaam dat op de berrie lag, schudde onnatuurlijk mee. Het lichaam was van een blanke man, bebloed en met zware, uitwendige verwondingen. Het was niet moeilijk om vast te stellen dat de kudde over hem was gerend. Een verpleger kwam aangelopen en liet de draagberrie op de kofferbak van de pick-up plaatsen. Hij legde behendig een infuus aan en probeerde de grootste wonden te verzorgen. Zijn vertwijfelde uitdrukking beloofde niet veel goeds. Hij schudde met zijn hoofd terwijl hij de pols van het slachtoffer nam. Na enkele minuten gaf hij zijn reanimatiepogingen op. In de verte hoorde Pieter de sirenes. De verpleger nam zijn mobiele telefoon en ging wat opzij van de drukte staan. Pieter greep de mogelijkheid om dichterbij te komen en het slachtoffer te bekijken. Hij gruwde van het vertrapte lichaam. Ook het gezicht van de man was toegetakeld door de hoeven van de runderen. Pieter sloeg de vliegen weg die werden aangetrokken door het geronnen bloed en de faeces in de stukgetrapte buikholte. Het venijnige zoemen overstelpte het geroep van de opgewonden menigte die steeds groter leek te worden. Samen met de ziekenwagen kwam ook een man ter plaatse die zonder twijfel de opzichter was. Een grote kerel, met sluik hangend rood haar en een grote rode snor. In korte broek gekleed als een victoriaanse safariganger. Een grote machete bengelde op zijn linkerheup. Aan zijn rechterkant hing een zware revolver in een vuilbruine holster. Pieter kende niet veel van wapens, maar de grootte van de revolver en de glimmende ronde kogels die hij in de trommel kon zien, waren genoeg om te concluderen dat het eerder een handkanon was dan een mussenschieter. De opzichter stapte uit en brulde iets in wat waarschijnlijk de lokale taal was. De menigte ging traag uiteen, nog steeds druk discussiërend. De man wachtte tot de dokter klaar was met zijn snelle onderzoek, ook verveeld door de zwerm vliegen. Die maakte een teken het lichaam in de ziekenwagen te leggen. De ambulanciers draaiden het lichaam op een andere berrie en schoven het in de wagen.
Pas nu kon Pieter het gezicht goed zien. 
Zijn adem stokte toen hij doorheen het bloed en verbrijzeld bot Jonathan Stratford herkende.

*
*   *

Hoofdstuk 28

De opzichter zag de verschrikte blik in Pieters ogen en stapte op hem af. Hij ademde zwaar en zijn ronde gezicht was roodpaars gezwollen. Toen hij dichterbij Pieter kwam zag deze laatste pas hoe groot de man eigenlijk was. Hij boog zich voorover zodat Pieter niet naast zijn grote onregelmatige couperose neus kon kijken. Hij had kleine bleekblauwe ogen die in een waterachtig geel vocht zwommen. De man keek strak naar Pieter. Een schrale alcoholgeur omringde hem zo doordringend, dat Pieter eraan twijfelde of hij nu een slechte aftershave had of een slechte stokerij.
“Je kent deze man?” vroeg hij met een zwaar Zuid-Afrikaans accent.
“Het is Jonathan Stratford. Officier van de Amerikaanse Marine dienstdoende op het eiland Diego Garcia in de Indische Oceaan.”
“En wie mag jij dan wel zijn?”
“Pieter Van Dyck. Net aangekomen en een rondrit aan het maken met die mensen daar.” Hij wees naar Jane, Iveta en Francesca die zich dichtbij elkaar hielden, nog steeds geschokt door het aanzicht van het verminkte lichaam.
“Ah, Francesca. Sorry, ik had je nog niet gezien.”
Zonder nog naar Pieter om te kijken stapte hij naar haar. “Geen aangename dag om mensen rond te leiden. Heb jij iets gezien?”
Francesca vertelde dat toen ze voorbij reden de kudde plots hadden zien wegrennen, duidelijk opgeschrikt door iets. Maar dat was het zo ongeveer. Pieter was ondertussen naar de afsluiting gelopen waar enkele van de grote dieren zich hadden verzameld. De rust in de kudde was hersteld en sommige dieren keerden terug naar de groene weiden. Er werd nog in kleine groepjes nagepraat en Pieter stapte op één van die groepjes af. Een medewerker gaf in de lokale taal en met veel gebaren uitleg.
“Wat zijn dat voor dieren?” vroeg Pieter.
“Wat je ziet is een Bos Primigenius. Beter gekend als de oeros. We hebben genetisch materiaal van de oeros kunnen samenbrengen met dat van enkele gedomesticeerde koeiensoorten. Het resultaat is een kolossaal maar erg vriendelijk beest. De schofthoogte van de kleinste, vrouwelijke dieren komt niet onder de twee meter. Enkele van onze grootste stieren hebben een schofthoogte van drie meter. Het warme klimaat en een gezonde voeding dragen bij tot hun ontwikkeling. De kwaliteit van het vlees overtreft de beste Argentijnse of Ierse steaks. En dan heb ik het nog niet over de melkproductie.”
De man hield van zijn werk.
“Dus de kans dat de dieren iemand aanvallen is zeer gering?”
“Zo goed als onbestaande. Het blijven natuurlijk dieren, en dan nog met een sterk ontwikkeld instinct. Het enige wat hen kan opschrikken zijn hun natuurlijke vijanden zoals roofdieren. Jammer genoeg hebben we daar nu en dan wel eens last van.”
“Ik dacht dat het gebied door een geavanceerd systeem was beveiligd?”
“Ja, inderdaad. Als het werkt tenminste. Er zijn nogal wat kinderziektes in het systeem geweest. De herkenningstechniek functioneert niet foutloos, zeker 's nachts hebben we wel wat problemen gekend. Het is pas nadat ik hier ben aangesteld dat er wat orde op zaken is gekomen.”
De man hield ook van zichzelf.
“Herkenningstechniek?” vroeg Pieter.
“Zie je die paaltjes staan? Dat zijn lasersensoren. Ze scannen continue het veld af en vergelijken hun waarnemingen met een database van vormen en temperaturen. Zoals een leeuw, een tijger, een hyena. Als zo een vorm wordt waargenomen dan gaat er een alarm af en worden beveiligingsrobots geactiveerd. Dat zijn beweeglijke robots die met heel hoge tonen de aanvallers wegjagen. Omdat we precies kunnen weten waar een roofdier of roofdieren lopen via die laserpaaltjes, kunnen we de robots perfect aansturen en de indringers achtervolgen tot ze weer op een veilige afstand zijn.”
“En omdat het systeem nog niet op punt staat, is het best mogelijk dat een leeuw of een ander roofdier de kudde opschrikte,” concludeerde Pieter.
“Dat zou me ten zeerste verwonderen. Zeker in deze tijd van het jaar bevinden de meeste roofdieren zich aan de grote poelen waar er meer dan voldoende eten is. En dat is hier zeker twintig of dertig kilometer vandaan. En de zeldzame troepen die hier nog rondhangen, die zijn zo geconditioneerd dat ze niet meer komen. De kans is heel klein dat een ziek of verstoten dier is afgedwaald, maar dat zou eventueel nog kunnen. Maar daar is door de bevolking geen melding van gemaakt.”
“Houdt het systeem bij wat het heeft gezien?”
“Ja, alles wordt opgeslagen. Het systeem leert van zichzelf. Enkel als het vormen ontdekt die het niet kan thuis brengen, dan moeten we een handje helpen.”
“Hoe reageert het op mensen?”
“Niet. Het is zo geprogrammeerd dat er op een menselijke vorm niet wordt gereageerd. Het wordt wel geregistreerd natuurlijk. Maar er is geen activatie van de robots. En maar goed ook, het is niet leuk om weg te moeten lopen van zo'n robot.”
“Kan ik die gegevens inkijken?”
De man wou net antwoorden toen de opzichter opdook. “Wel, heb jij geen werk te doen?” snauwde hij onvriendelijk naar de behulpzame man. Met een stotterend “wel, ja natuurlijk, veel werk,” verdween hij in één van de grote stallen.
“Ik denk niet dat het aan jou is om hier nog verder rond te neuzen. We hebben de ordediensten gewaarschuwd en die zullen een onderzoek instellen. Ik wil dat je nu weggaat met Francesca naar jullie hotel.”
Pieter begreep dat een discussie niet op prijs zou worden gesteld en besloot gehoorzaam in de wagen te stappen waar Jane en Iveta wat beduusd op de achterbank voor zich uit staarden. Francesca was in rad Italiaans verslag aan het uitbrengen over de telefoon. Hij draaide zich om naar Jane en Iveta. “Gaat het een beetje met jullie? Sorry dat jullie dit hebben moeten zien. Het was niet echt prettig.”
Francesca eindigde haar gesprek en Pieter vroeg haar: “wie is die onvriendelijke menselijke oeros?”
“Dat is Kik Von Wielligh,” ze had wat moeite met de uitspraak. “Hij was een van de opzichters in het Kruger Park tot hij Zuid Afrika heeft moeten ontvluchten. Eén en ander had te maken met zijn onorthodoxe optreden tegen zijn medewerkers. Blanke medewerkers voor alle duidelijkheid. Maar hij kent de streek als geen ander, spreekt de lokale dialecten en kent de stamhoofden en hun voorvaderen beter dan zijzelf. Het gerucht gaat dat hij op een bepaald moment huurling voor de Somalische regering was. Niet de meest aangename persoon, maar voor de job en de omstandigheden perfect geschikt.”
“Kunnen we nog eens teruggaan waar we de dieren hebben zien opschrikken?”
Francesca aarzelde maar gaf toe, “het zal bij benadering zijn, ik heb niet écht gekeken waar we precies reden toen het gebeurde.”
Ze keken gespannen uit het raam om een oriëntatiepunt te herkennen toen Pieter naar een kleine inham langs de weg wees. “Daar was het, ik vroeg me nog af waarom ze hier een vluchtstrook hadden gelegd.” Francesca stopte de wagen en Pieter liep snel over de weg die van de weide gescheiden was door een brede gracht. Aan het stille donkere water te zien vermoedde Pieter dat hij ook tamelijk diep zou zijn. Hij stapte achteruit om een ruime aanloop te nemen en sprong. Hij haalde het net niet en plonsde met zijn benen in het water. Jane had nog naar hem geroepen dat hij het nooit zou halen. Verveeld met de afgang kroop hij vloekend omhoog langs de modderige, steile oever. Met sompige schoenen liep hij op het malse groene gras in de richting vanwaar hij dacht voor het eerste de kudde te hebben zien opschrikken. Enkele van de grote oerossen kwamen nieuwsgierig naar hem toe. Ze hielden een veilige afstand en bekeken hun bezoeker met grote bolle ogen. Eén van hen was wat dapperder en duwde haar natte vlakke neus tegen zijn schouder. Hij had moeite om recht te blijven staan hoewel het dier duidelijk geen kwade bedoelingen had. Pieter klapte in zijn handen en het dier sprong weg. Wellicht schrok Pieter meer dan de grote koe die met haar neus een slijmerige vochtige plek op zijn hemd had gedrukt. “Toch wat lichtgeraakt, hé juffrouw?” riep hij het dier na terwijl hij met zijn vinger het slijm probeerde weg te vegen. Hij begon in concentrische cirkels te lopen en na een tijdje had hij de plaats gevonden waar wellicht de dieren waren opgeschrikt door iets of iemand. Het was het begin van een modderig spoor door het veld, waar het stukgetrapte gras was omgewoeld door het plots op een lopen zetten van de kudde. Wat verder zag hij schoensporen waar men Jonathan had gevonden. Hij gruwde van het onmiskenbare geluid van de honderden vliegen die rond een plas geronnen bloed vermengd met modder en uitwerpselen zoemden. Pieter bukte zich om de plek van nabij te kunnen bekijken, zijn hand voor zijn mond houdend om de bijna ondragelijke stank af te zwakken. Hij nam zijn mobiele telefoon en maakte enkele foto's van de grond en de omgeving. Hij werd opgeschrikt door een geluid dat hem deed denken aan een elektrische golfkar. Tot zijn verbazing was het een van de robots die hobbelend, maar ook onverwacht snel, op hem afkwam. Pieter stelde zich recht, niet goed wetend wat te doen. Net toen de robot op het punt stond hem te raken, en Pieter klaar was om opzij te springen en het op een lopen zetten, stopte het apparaat. Na enkele ogenblikken reed het ding terug achteruit om even later te verdwijnen aan de rand van de weide. Nu zag Pieter de onopvallend in de grond verwerkte minigarage waarin de robot terugkeerde. 
Op dat moment stopten twee terreinwagens naast Francesca. Een drietal in militair uniform gestoken en bewapende mannen sprongen lenig over de gracht. Ze stapten resoluut af op Pieter. “U bent op verboden gebied. Wilt u ons onmiddellijk volgen.”
Pieter vond dat de man wat te veel Hollywood films had gezien maar zijn houding was van niet die aard hij een gevatte discussie wilde voeren met hem. Hij volgde gedwee. Ondertussen was er een smalle loopplank over de sloot gelegd zodat Pieter de schande van een tweede bad werd bespaard. Hij liep, nog steeds geflankeerd, naar de vrouwen die met de onmiskenbare overste praatten. Zelfs van een afstand kon hij zien dat ze alle drie hun charmes in de schaal wierpen om de man ervan te overtuigen dat ze alles hadden gedaan om die onverantwoorde Pieter te stoppen.
“U begrijpt toch wel dat u op een plaats van misdaad bent geweest. Misschien hebt u wel belangrijke sporen onbruikbaar gemaakt,” snauwde de overste naar Pieter. Die haalde zijn schouders op. “Ik denk dat die duizend kilo wegende oerbeestjes eerder de sporen hebben stukgemaakt dan ik met mijn tachtig kilo.”
“Daar heb ik niets mee te maken, jullie moeten meteen terug naar het hotel. De grenspost is al gewaarschuwd dat ze me moeten contacteren binnen het kwartier, want dat is de tijd die jullie nodig hebben om terug te rijden.”
Hij draaide zich naar Francesca: “en jij zou toch beter moeten weten om iemand hier wat rond te laten neuzen.”
Zonder een woord te zeggen, maar met een hooghartige zwaai van haar lange zwarte haar, stapte ze in de wagen. De sfeer in de auto was gedempt tot Pieter de stilte doorbrak. “Het spijt me dat ik jullie hierin heb meegesleurd. Ik had niet over die sloot mogen springen.”
Francesca antwoordde: “ik had jullie niet naar hier moeten brengen maar wel zoals afgesproken direct terugkeren. Het is evenzeer mijn fout.”
Jane barstte uit: “het is niet over fout of niet fout, je had ook kunnen vertrappeld worden, Pieter. Of ben je nu plots een landbouwer geworden? Wat bezielt je toch? Er is nog geen uur geleden een man vertrapt door die kudde en meneer ik-zal-dit-eens-snel-oplossen gaat er doodleuk tussen wandelen. Ben je helemaal gek geworden? Ik heb geen zin om weduwe te worden nog voor ik ben getrouwd.”
Francesca draaide zich om: “oh, wat leuk. Ik wist niet dat jullie elkaar zo goed kenden. Dus jullie gaan trouwen, wanneer? Je kunt je voorstellen dat we hier niet al te veel trouwpartijtjes hebben. Vergeet de gids niet uit te nodigen.” Ze lachte met haar eigen mopje.
Ze richtte zich tot Pieter: “help me onthouden dat ik moet aanduiden dat jullie samenwonen in het huis. Vreemd dat niemand me dat heeft gezegd. Wellicht een bug in het systeem.”

*
*   *

Hoofdstuk 29

Ian kwam hen tegemoet gelopen in de lobby van het hotel.
“Ik heb het gehoord van Jonathan, vreselijk. Zoiets is hier nog nooit gebeurd, een tragisch ongeval. De Somalische politie is hier om vijf uur, ik denk dat ze jullie ook wel willen ondervragen. “
“De Somalische politie? Is er hier dan geen hoofd beveiliging of zo?” vroeg Pieter. Ian keek hem aan. “Hoofd beveiliging was Jonathan. Hij loste zijn voorganger af die enkele dagen geleden terug naar zijn geboorteland is gegaan. En het ongeval is gebeurd buiten de grenzen van Abacus. We hebben met de Somalische overheid een gentlemen's agreement dat alles wat binnen de grenzen gebeurt onze zaak is, maar daarbuiten moeten zij het onderzoek leiden. Natuurlijk zullen we ze daarbij helpen en alle samenwerking verlenen. Het laatste wat ik wil is ophef met de lokale politie. Of erger het leger.”
“Ik veronderstel dat het lichaam van Jonathan naar het ziekenhuis is gebracht om een doodsoorzaak vast te stellen?” vroeg Pieter.
“Inderdaad, ik verwacht snel resultaten. Nu, het lijkt me nogal voor de hand liggend dat hij werd gegrepen door die kudde en geen enkele kans maakte daar levend uit te komen.”
“Dat is zeker, maar daarom is het nog niet de doodsoorzaak. Een man als Jonathan laat zich niet door een aantal koeien vermoorden. Francesca, mag ik nog eens een beroep op jou doen en vragen om me naar het ziekenhuis te brengen?”
Ze keek vragend naar Ian, die knikte: “natuurlijk, als je vermoedens hebt dat er meer in het spel is, dan moet je dat zeker uitzoeken. Ik bel naar het ziekenhuis en zeg dat ze jullie moeten ontvangen.”
Iveta viel terug in haar rol als personal assistent en had de telefoon al vast om het nummer te vormen.
“Pieter,” begon Jane, “als je het niet erg vindt dan ga ik nu naar mijn ouders. Ze hebben me al een tijdje niet gezien en ik wil niet dat ze ongerust zijn. Zeker niet na dit hier.” Ze wees naar haar kaak en oogkas die purper kleurden. “Ik zie je dan later wel, ok?” Ze gaf hem een kus op de wang en fluisterde: “voorzichtig zijn, niet in twee sloten tegelijk vallen. En trek propere kleren aan, je ruikt naar koe.”
“Goed, laat ons vertrekken, we moeten terug zijn rond vijf uur,” zei hij tot Francesca. Ian die het had gehoord riep hem nog na: “om vijf uur, niet rond vijf uur.”
Het ziekenhuis was een groot, maar niet immens gebouw dat sterieler en functioneler leek dan de andere architectuur binnen het Abacus project. Het verschilde weinig van gelijk welk ander modern ziekenhuis waar ook in de wereld. Alleen was het bijna leeg. Een dokter en een verpleger stonden te wachten toen Francesca de wagen tot bij de ingang parkeerde.
“Ik zal hier op je wachten.”
“Neen, ik zal wel een taxi nemen,” was Pieters automatische reactie. Hij vond dat hij al genoeg op Francesca had gerekend. “Je zei toch dat je nog veel werk had, ik wil je daar niet van weghouden.”
“Ik vrees dat je dan lang kunt wachten. Dat hebben we hier nog niet. Ik zal je zo snel mogelijk aanleren hoe je een wagen kunt reserveren. Iets zegt me dat je daar heel veel gebruik van zal maken. Maar je kunt vragen aan dokter Kitweala of hij je naar het hotel kan brengen. Ik vermoed dat hij ook wel zal ondervraagd worden over de resultaten van zijn autopsie.”
Dr. Kitweala en de verpleger, die zich simpelweg voorstelde als Gordon, gaven Pieter een hand en begaven zich naar het kille mortuarium in de kelder van het gebouw.
“Ik vrees dat ik niet veel heb kunnen vinden. De vitale organen in de buikstreek waren helemaal vernietigd. Ook op de rug waren gapende wonden nadat hij heen en weer was geslingerd tussen de poten en hoeven van de dieren. Longen en hart waren zo goed als intact, maar een mens heeft meer nodig. Verschillende zware verwondingen aan de linkerkant van het gezicht, met zwaar schedeltrauma. Het verwondert me dat hij nog leefde toen ze hem vonden en naar de hoeve brachten.”
“Dus geen schotwonden?”
“Schotwonden? Neen. Het lichaam vertoonde de typische trauma's van iemand die in een stampede is terecht gekomen. Geloof me, ik heb er voldoende gezien.”
Pieter keek hem vragend aan en dr. Kitwaela verklaarde: “ik heb niet steeds hier gewerkt. Ik woonde enkele jaren geleden in de Serengeti en was een van de flying doctors of Africa. Van oorsprong ben ik een Masai uit Kenia. Maar heb al vroeg besloten een genezer te worden eerder dan een jager of een danser voor de toeristen. Waarom denkt u aan een kogelwonde?”
“Ik kan gewoon niet aanvaarden dat Jonathan is gestorven door een dom ongeval. Dat is zo on-Jonathan.”
Dr. Kitwaela keek hem medelijdend aan. “De Afrikaanse wildernis is iets anders dan een militaire basis. Er gebeuren hier dagelijks gelijkaardige domme ongevallen. Zelfs met de inheemse bevolking. Daarom noemen ze het ook een ongeluk.” Hij keek verder op zijn papieren. “Nu, mocht er toch kwaad opzet zijn en hij is geschoten in de buikstreek dan is er geen hoop om hier iets van terug te vinden. Daarvoor is de vernieling te groot.”
“Ook geen kruitsporen op de flarden kleren?”
Dr. Kitwaela schudde zijn hoofd. “Dat hoort niet bij mijn winkel. Dat is voor het forensisch onderzoek en dat moet worden bevolen door de inspecteur of door Ian. Trouwens, daar hebben we hier de middelen niet voor. Dat moet opgestuurd worden naar Nairobi en ik denk dat ze daar momenteel wel andere katten te geselen hebben.”
“Hoezo?” vroeg Pieter.
“Je hebt het nog niet gehoord? Kenia is sinds vandaag officieel in staat van beleg nadat Oegandese troepen Kisumu hebben ingenomen. Het is bijna ironisch dat de traditionele schurkenstaat Somalië als enige zijn neutraliteit behoudt.”
Met een zucht legde hij het dossier neer op zijn bureau. “Dat is het zo ongeveer denk ik. Jammer voor hem, nog maar net hier en dan zo moeten eindigen. Zullen we nu maar naar het hotel gaan, tenzij je nog iets wil zien of weten?”
Pieter keek naar het met een witte doek bedekte lichaam. “Neen, zien is niet nodig. Maar ik wil wel nog meer weten, nog veel meer.”
Ze verlieten het ziekenhuis aan de achterkant waar op een grote parking enkele wagens stonden. “Je ziet dat we hier niet veel zieken hebben. Eigenlijk zijn de meeste patiënten van de lokale bevolking. En slechts enkelen hebben een wagen. Nu en dan hebben we eens een safaritoerist met een slangenbeet of een schorpioenensteek. En ik mag de occasionele dehydratatie niet vergeten omwille van overmatig alcoholgebruik tijdens een safari. Zeer uitdagend werk.”
Enkele minuten voor vijf liepen dr. Kitwaela en Pieter de lobby van het hotel binnen, tegelijk met een oudere man vergezeld van twee politieagenten. De man zelf had geen uniform aan, enkel een eenvoudig donker pak met daaronder een smetteloos wit hemd. Hij droeg geen ringen, geen horloge of kettingen. Dit in tegenstelling met de politieagenten wier zwaargouden horloges en armbanden de aandacht trokken. Dr. Kitwaela begroette de man in de lokale taal en schudde hem lang de hand. Blijkbaar werd er een grap verteld want de vier mannen schoten plots in een lach. Pieter vond dat ze hem al lang genoeg hadden genegeerd en wrong zichzelf tussen het groepje. “Pieter Van Dyck. En u bent?”
De man liet de hand van de dokter los en greep kort en krachtig die van Pieter. Zijn gezicht lachte niet meer. “Mijn naam is Abdi.”
“Abdi?” Pieter verwachtte een “Bond, James Bond”-antwoord maar dat kwam er niet.
“Inderdaad. Mister Abdi. Ik ben hoofdinspecteur van politie voor het district.”
Ian kwam de lobby binnen en ging recht naar Abdi. “Welkom Mister Abdi. Hoe gaat het met de kleinkinderen? Ik heb gehoord dat ze bij de besten zijn van de klas.” Ook hier miste Ian zijn gave om steeds iets persoonlijks te brengen in zijn begroeting haar effect niet. Abdis ogen glinsterden trots. “Inderdaad, mister Ian, zowel de jongen als het meisje doen het bijzonder goed. Ze zullen het nog ver brengen.”
Ian wenkte Abdi en liet hem voorgaan in een kleine vergaderzaal. Pieter nam plaats tegenover Abdi en Ian. Abdi was een kleine magere man, met een donker doorgroefd gezicht en grijzend kort haar. Zijn handen trilden lichtjes toen hij een leesbril traag uit een zwartleder hoesje haalde en hem zorgvuldig opzette. Hij bladerde enkele minuten zonder iets te zeggen door een dossier dat een van de andere agenten voor hem neerlegde. Pieter kon niet inschatten hoe oud de man was. Het feit dat hij grootvader was, leidde niet noodzakelijk tot de conclusie dat hij een hoge leeftijd had. Hij maakte een mentale noot om het aan Ian te vragen eenmaal hij terug weg zou zijn. Abdi keek plots op vanonder zijn leesbril en deed Pieter uit zijn gedachten schrikken. De ogen van de man waren scherp en kwik. Die tegenstelling deed vermoeden dat in het oude lichaam een bijzonder jonge geest schuilde.
“Zo, meneer Van Dyck,” sprak hij in perfect Engels, en met de juiste Nederlandse uitspraak van de familienaam, “vertel eens hoe goed u het slachtoffer kende.”
“Ik kende Jonathan een jaar of drie. Hij was de commander van de Amerikaanse legerbasis op Diego Garcia, één van de voornaamste atollen van de Chagos eilandengroep. Ik woonde een honderdtal mijlen verder op een ander eiland en ontmoette Jonathan wellicht één keer per week op Diego. Soms kwam hij eens bij mij logeren, samen met een aantal anderen. Hij was een uitstekend militair, met een hekel aan papierwerk en computers. Maar in dat laatste had ik me duidelijk vergist gezien de gebeurtenissen van de afgelopen dagen.” Pieter staarde naar Ian, maar die liet net een dienster binnen met een kan thee en enkele kleine kopjes. “Mister Abdi, ik kan niet geloven dat Jonathan zomaar om het leven is gekomen.”
“En waarom denkt u dat? Wat ik van mister Ian heb gehoord is dat jullie niet op goede voet geëindigd zijn. Dat u heel erg boos was op wat hij u en enkele van uw medereizigers heeft aangedaan. U kende hem dus niet echt goed.”
“Blijkbaar niet. En ja ik was niet goed gehumeurd, maar ik zou hem daarvoor niet vermoorden, als u dat wil suggereren. Trouwens toen gisteren Ian me de big picture schetste, begreep ik het waarom.”
“Het is niet omdat we het waarom begrijpen dat we het hoe aanvaarden,” antwoordde mr. Abdi.
Er viel terug een vreemd aandoende stilte. Pieter schuifelde wat heen en weer. Hij had een hekel aan gratuite filosofische uitspraken die hem deden denken aan verouderde kungfu films.
“Waarom was u zo snel om naar de plaats van het ongeval te rennen?” vroeg Abdi plots.
“Eerst en vooral, ik was niet snel. En het was mijn eerste reactie, misschien kon ik iets vinden voor dat de kudde alle bewijsmateriaal vernielde.”
“U gelooft dus niet dat we hier in staat zijn om ons eigen onderzoek te voeren?”
Een beetje geïrriteerd antwoordde Pieter: “neen, ik geloofde dat jullie nooit op tijd op de plaats konden aankomen voor de kudde was teruggekeerd. Hebben jullie trouwens iets gevonden?”
“Meneer Van Dyck, dat kan ik u niet zeggen zolang het onderzoek loopt. Dat weet u best. Het is niet omdat u in the middle of nowhere bent dat we hier niet weten hoe een onderzoek en rechtspraak verlopen. Dus ik wil dezelfde vraag naar u kaatsen. Hebt u iets gevonden?”
“Ja, inderdaad,” zei Pieter terwijl hij zijn mobiele telefoon uit zijn broekzak viste. Hij ging door het menu en toonde de foto die hij had genomen op de weide. Mr. Abdi hield het toestel op armlengte en bekeek het schermpje.
“Ik stel voor dat je de foto downloadt naar een computer zodat je de details kunt uitvergroten.”
“Dat lijkt me een goed idee,” antwoordde Abdi. Hij riep iets naar de agenten waarop ze prompt een laptop openden. “Mijn assistent zal de foto uploaden naar onze computer.”
Pieter duwde nog eens triomfantelijk verder, op het randje van het uitdagende: “ik ben er zeker van dat uw mensen dat niet hebben gevonden, hé. Of die van jou, Ian?”
Abdi keek naar Ian die bijna onmerkbaar knikte. Abdi deed teken naar de andere politieagent die uit een kartonnen archiefdoos een plastic zakje haalde. Hij gooide het zakje voor Pieter op tafel. 
Dr. Kitwaela riep: “dus toch.”
Pieter nam het zakje en keek naar de grote koperen huls. In de weide had hij die zien liggen in een hoefspoor en snel enkele foto's gemaakt.
“Een serieus kaliber,” zei hij uiteindelijk.
“U kent iets van wapens?”
“Neen, eigenlijk niet. Maar ik weet wel of een kogel al dan niet een kogeltje is. En dat ziet er nogal een dik ding uit.”
“Dat is een punt vijfenveertig. Voor de Eerste Wereldoorlog zeer populair in deze contreien bij de Engelse kolonisatie. Ze waren zeer geliefd omdat ze bescherming boden aan de aanvallende inboorlingen. Komt het u bekend voor?”
“Neen, de enige kogels die ik heb gezien zaten in de wapens van de militairen op Diego. En dat waren zeker niet zo'n kanjers. Denkt u nu wel dat Jonathan is doodgeschoten? Moord en geen dom ongeval?”
Abdi antwoordde niet en richtte zich tot dr. Kitwaela: “waarom riep u daarnet dus toch?”
“Omdat mister Van Dyck eerder deze middag specifiek vroeg of ik sporen van een kogelwonde had gevonden. En of er kruitsporen op de kleren van het slachtoffer waren te bespeuren.”
“En?”
“Het lichaam was te getraumatiseerd om op bepaalde plaatsen, bijvoorbeeld het abdomen, met zekerheid te zeggen of er al dan niet een vuurwapen is gebruikt. Op de andere delen van het lichaam kan ik met zekerheid zeggen dat er geen kogelimpact of andere verdachte wonden zijn gevonden. Wat betreft het onderzoek naar sporen op de kledij, dat moet u beslissen mister Abdi.”
“Precies,” antwoordde Abdi die zijn dossier verder bestudeerde. De stilte bleef hangen in de vergaderzaal tot Ian die doorbrak met: “nog een kop thee, mister Abdi?” Hij knikte instemmend met een grote glimlach: “ja graag, jullie thee hier is de beste in Somalië.” En daarop onmiddellijk, “ik heb geen vragen meer. En van u, dokter Kitwaela heb ik het medisch dossier dat ik vanavond thuis zal bestuderen. Ik dank jullie.”
Hij stond op waarop Pieter protesteerde: “maar ik heb nog vragen, mister Abdi.”
Abdi glimlachte minzaam: “dat zal dan moeten wachten, mister Van Dyck. We hebben nog andere mensen te verhoren. Ik mag veronderstellen dat u hier nog wel een tijdje zal verblijven?”
“Euh, ja. Maar ...”
“Wel dat is dan geregeld,” onderbrak Ian. “Pieter, we kunnen hier vanavond nog op terugkomen maar we moeten mister Abdi nu zijn werk laten doen.”
Pieter stapte op samen met dr. Kitwaela. Aan de glazen schuifdeur gaven ze elkaar de hand. “Tot ziens, wellicht. We zullen elkaar nog tegenkomen.”
“Dat denk ik ook,” bevestigde Pieter, “voor ik het vergeet, heb je al ene Oona De la Fayette ontmoet?”
Kitwaela dacht na: “neen, ik had ze wel verwacht vandaag in het ziekenhuis, maar voor zover ik weet is ze niet komen opdagen.”
“Ok, wel nog eens bedankt voor de lift.”
Op dat moment stopte een zwarte pick-up voor de deur die dr. Kitwaela op een haar na miste. Uit de wagen sprong een bekende figuur die met brede stappen door de lobby naar de vergaderzaal stormde.
Vanuit een hoek in de lobby zag Pieter de zware revolver hangen. Nu wist hij weer waar hij die hulzen had zien glimmen.

*
*   *

Hoofdstuk 30

“Kunt u me verbinden met de kamer van Oona De la Fayette?” vroeg Pieter aan de receptie van het hotel.
“Geen probleem, meneer, laat me haar nummer eens opzoeken.”
Ze ging met haar vinger over het computerscherm, nam een telefoon en tikte discreet het nummer in zodat Pieter niet kon zien welke kamer Oona had. De receptioniste glimlachte charmant naar Pieter maar legde de telefoon weer neer. “Het spijt me, maar mevrouw De la Fayette is niet op haar kamer.”
“Kan ik een boodschap nalaten?”
“Zeker. Neemt u de telefoon rechts in de lobby en ik zal u doorverbinden.”
Pieter nam een van de kitscherige vintage telefoons die in de lobby waren opgesteld en werd prompt doorverbonden met het antwoordapparaat van Oona.
“Oona, met Pieter hier. Kan je me zo snel mogelijk bereiken? Wellicht heb je het al gehoord van Jonathan. Het is dringend.  Ik zit in kamer vijfhonderd twaalf.”
Hij haakte terug in en wandelde via de achterkant van het hotel naar de grote tuin. De zon begon langzaam aan kracht te verliezen. Enkele van de hotelgasten raapten hun badhanddoeken bij elkaar en probeerden hun kinderen ervan te overtuigen uit het zwembad te komen. Pieter zocht een rustig plaatsje op de patio. Een ijverige kelner bracht hem een menukaart en Pieter bestelde zonder aarzelen hun grootste pils van het vat. 
“Tijd om eens een oersteak te proeven,” dacht hij.
De man aan de hoeve had niet overdreven. De steak was een uitgekiende mix van het beste dat Kobe, Aberdeen en Argentijnse runderen konden bieden. Het met fijn wit vet dooraderde vlees had een volle wat wilde smaak. Pieter complimenteerde in stilte de chef voor de perfecte cuisson van het geroosterde stuk. Ondanks de omstandigheden van de afgelopen dag probeerde hij toch te genieten van het diner. Voor alle zekerheid checkte hij nog eens bij de kelner of hij geen rekening diende te vereffenen. De man schudde geduldig zijn hoofd. Met twee treden tegelijk liep Pieter naar de vijfde verdieping, in de hoop dat ondertussen Oona zijn berichtje had opgepikt. Het rode lichtje van het telefoontoestel knipperde niet. Geen boodschappen. Pieter zette zich op het strak opgemaakte bed en ontknoopte de veters van zijn zware stapschoenen. De modder was hard aangekoekt op zijn schoenen en broek. Hij liet zich languit op het bed vallen en maakte zijn geest leeg.
Het scherpe gerinkel van de telefoon maakte hem wakker. Verdwaasd dat hij in slaap was gesukkeld grabbelde hij naar de hoorn en met een schorre stem nam hij op. Een opgewekte stem aan de andere kant schetterde: “Pieter, met Oona. Ik ben net terug en heb je boodschapje gehoord. Wat is er? Mis je me nu al?”
“Oona, ik denk dat het best is dat je eens tot bij mij komt. Je hebt mijn kamernummer.”
“Goed dan, vijf-twaalf, ik kom eraan.”
Ze stapte met een brede lach de kamer binnen, maar betrok toen ze Pieters serieuze blik zag. “Wat is er aan de hand? Is er iets met Jonathan?”
“Jonathan is dood, verongelukt door een stampede van opgeschrikte oerossen enkele kilometers buiten het complex.”
Met een bleek gezicht zonk Oona in een van de zeteltjes van het salon. “Een ongeval, ik kan het niet geloven. Wanneer is het gebeurd?”
“Ergens net voor de middag. We waren een verkenningsrondrit aan het maken toen het gebeurde. Ik heb hem nog gezien toen hij stierf aan zijn verwondingen.”
“Neen, dat kan niet. Hij was hier nog maar net. Ik heb hem deze ochtend nog gezien aan het ontbijt. We hadden daar afgesproken voor we beiden naar onze afspraken gingen.” Haar ogen werden nat van opkomende tranen die ze met haar hand wegveegde, een veeg mascara bleef achter op haar wang.
“Heeft hij nog gezegd waar hij naartoe moest?”
“Ja, hij had eerst een afspraak met Ian. Een briefing rond wat zijn rol ging zijn. Ik geloof dat hij iets ging doen rond de beveiliging van Abacus. Hij wist er ook nog niet het fijne van. Die meeting moet vlak na jouw gesprek met Ian hebben plaatsgevonden. Want we hebben je nog naar boven zien lopen, we zaten buiten voor het ontbijt. We hebben nog gezwaaid naar jou. Maar je leek nogal gehaast en gestresseerd met jouw dienblad. Je hebt ons dus niet gezien.”
“Maar heeft hij gezegd wat hij daarna moest doen?”
“Neen ,want hij wist het ook niet. We hebben het dan vooral gehad over mijn opdracht.”
“Werd je niet verwacht in het ziekenhuis aan de luchthaven?”
“Ja, hoe weet jij dat? Ik had een afspraak met ene dokter Kitwaela. Die heb ik proberen bereiken, maar zonder veel succes. Toen belde iemand van het laboratorium of ik naar de medische campus wou komen om met het team van de tropische geneeskunde kennis te maken. Dat heb ik dan maar gedaan. En ja, ik ben net terug. Om zo'n nieuws te moeten horen. Ik kan het nog steeds niet geloven.”
“Kitwaela beweerde dat je nooit bent komen opdagen.”
“Dat is ook zo, maar ik heb hem minstens vier berichten nagelaten en ook nog met zijn assistent gesproken. Zijn naam ben ik vergeten.”
“Ene Gordon?” gokte Pieter.
“Ja, dat is het. Gordon. Die zou mijn boodschap doorgeven aan dokter Kitwaela.”
Pieter dacht na terwijl Oona weer enkele opkomende tranen probeerde te onderdrukken. Ze snikte zachtjes. “Hij was nog zo blij eindelijk hier aan te komen. En dan een dergelijk stom ongeval.”
“Ik denk niet dat het een ongeval was, Oona.”
“Waarom niet?”
“Kun je een geluidsdemper op een revolver plaatsen?”
“Natuurlijk. Maar dat zal weinig zin hebben.”
“Waarom?”
“Theoretisch kun je een demper op de loop plaatsen want revolvers zijn in regel oudere ontwerpen en dus subsonisch. De kogel vliegt niet sneller dan het geluid en er is bijgevolg geen doorbreken van de geluidsmuur als de kogel uit de loop komt. Maar bij revolvers ligt het echte probleem bij de trommel die een fractie van een millimeter van de loop staat. Dus het geluid komt uit de cilinder en niet uit de loop. Wellicht zullen er wel ooit modellen bestaan hebben met een soort hoes om die kleine afstand af te sluiten maar dat zal dan toch niet beschikbaar zijn op oude versies. Ik ken er in ieder geval geen.”
“Er is een typische huls gevonden dicht bij de plaats waar Jonathan door de kudde werd gegrepen.” Pieter toonde haar de foto die hij had genomen.
“Zo te zien een korte dikke huls. Antieke munitie voor een antiek wapen. Wellicht een oude Colt of een Webley van begin of midden vorige eeuw. Absoluut niet geschikt voor een geluidsdemper.”
“En die werken nog?”
“Mits goed onderhouden zie ik niet in waarom niet. De uitdaging is de munitie vinden voor die dingen. Want als je het wapen operationeel wil houden zijn het vooral betrouwbare kogels die je moet hebben. En die worden onstabiel met ouder te worden. Ik zou niet graag een leeuw op me zien afkomen en enkel een revolver hebben met munitie van bijna honderd jaar. Maar er zijn bedrijfjes die voor verzamelaars en fanaten de kogels opnieuw maken en op het internet aanbieden.”
“En de knal?”
“Enorm. Meer geluid dan efficiëntie. Die dingen zijn bijna niet te richten en de terugslag is zo groot dat je arm ervan uit de kom kan schieten.”
“Laten die kogels dan geen sporen na in het lichaam?”
“Ik ben wel geen wetsdokter of lijkschouwer, maar ik zou zeggen ja. De kogel verbrandt vlees en organen. Dus bij een nauwkeurig onderzoek zouden er sporen te vinden zijn. Maar het hangt af van de munitie. Ik kan me voorstellen dat iemand zijn eigen munitie maakt en variaties brengt op de loden kogel. Bijvoorbeeld een full metal jacket. Die zal niet versplinteren in het lichaam. Maar dat zou wel een anachronisme zijn, een Webley geladen met full metal jackets.”
“Maar er zou toch ergens een spoor van moeten te vinden zijn, ook in een...,” hij aarzelde en ging dan stiller verder, “in een vertrapt lichaam?”
“Als het een loden kogel was dan is die uiteengespat in het lichaam en in een boog van honderd tachtig graden er in stukjes weer uitgekomen. Dat geeft een niet te missen uitgangswonde en is er met negenennegentig procent zekerheid dat er ergens in het lichaam loodfragmenten te vinden zijn. Een moderne full metal bemoeilijkt de zoektocht, maar de kans dat je sporen op bot of zelfs op vleesresten vindt is zeker reëel. Ook op de kleren zullen er wellicht sporen te vinden zijn.”
“Dus een beetje van een lijkschouwer zou dat moeten vinden?”
“Geen twijfel aan.”
“En de knal moet te horen zijn.”
“Tot kilometers in de omtrek, ja.”
“Kitwaela heeft het onderzoek gedaan en beweerde niets te hebben gevonden.”
“Misschien was het dan toch een ongeluk.”
“Ik zou een tweede opinie willen hebben.”
Hij keek Oona aan die de ongestelde vraag in zijn blik aanvoelde. “Neen, Pieter, dat kun je niet verwachten van mij. Jonathan was een van mijn beste vrienden. We hebben voor straks gereserveerd in het restaurant.” Haar ogen werden weer troebel bij die gedachte.
“Juist omdat hij jouw vriend, onze vriend, was, heeft hij recht op een grondig onderzoek. Ik weet niet wat hier allemaal gaande is, maar de afgelopen dagen hebben me één ding geleerd. Je kunt weinig mensen vertrouwen.”
Ze bleef aarzelen maar knikte dan langzaam. “Ik zal het doen. Maar ik heb jouw hulp nodig om ervoor te zorgen dat ik de toestemming krijg. En toegang tot het volledige rapport van Kitwaela.”
“Komt in orde. Ik vraag het deze avond nog aan Ian. Zijn reactie zal al veel duidelijk maken.”
“Hoe bedoel je? Denk je dat hij hier iets mee te maken heeft?”
“Soms denk ik dat de vraag moet zijn of er iets is waar hij niets mee te maken heeft.”
Pieter opende de deur nadat er zachtjes was geklopt. Jane omhelsde hem tot ze Oona zag zitten. Ze glimlachte triest.
“Hi Jane, jammer dat we elkaar moeten ontmoeten in zulke omstandigheden.”
“Ik kwam je halen om te dineren, Pieter. Ik wist niet of je al had gegeten of niet.”
“Heb ik inderdaad al gedaan, maar misschien kun je Oona meenemen? Ik denk dat ze wat afleiding kan gebruiken en kunnen jullie wat bijkletsen. En ik moet Ian te pakken krijgen.”
Jane knikte, “maar wil je dan alsjeblief iets proper aantrekken? Je stinkt zo mogelijk nog erger dan enkele uren geleden.” Hij grijnsde schaapachtig, “een goede bok moet stinken, zeggen ze in België.” Maar hij verdween toch snel in de badkamer om te douchen en nette kleren aan te trekken. Wat later stapte Pieter op de gang en ging enkele kamers verder aankloppen op de deur van Ians suite. Tot zijn verwondering opende Ian zelf de deur.
“Je bent er?” klonk Pieter verbaasd.
“Ik had je eigenlijk al wat vroeger verwacht. Kom binnen en neem plaats aan de tafel.”
“Heeft onze goede inspecteur Abdi nog iets gevonden?” begon Pieter met een smalende ondertoon.
“Onderschat mister Abdi niet, Pieter. Hij is een van de intelligentste mannen die ik ken. Een trotse en eervolle man. Vergis je niet, twintig jaar geleden stond hij aan de top van de Afrikaanse Interpol. Ik heb veel met hem samengewerkt en enkele jaren geleden heeft het lot ons terug samengebracht. Hij is een van de redenen waarom we Abacus hier hebben gebouwd. Zijn geboortedorp ligt een goede dertig kilometer buiten Abacus. Hij kent alle clanhoofden, familiehoofden, warlords. Er wordt niet met hem gespot.”
“Het lot is voor jou wat te onvoorspelbaar, Ian. Daar trap ik niet in.”
“Ook goed,” glimlachte Ian. Hij zette een glas voor Pieter en vulde het met witte wijn waarna hij de fles weer in de ijsemmer plaatste.
“Wat wou je weten?”
“Wat is er nog uit de bus gekomen rond Jonathan?”
“Kik is de hoofdverdachte omwille van de gevonden huls. Verder onderzoek zal uitmaken of hij wordt aangehouden of niet. Hij is in ieder geval bijzonder ontstemd naar buiten gelopen. Maar eigenlijk heb ik hem nog nooit anders meegemaakt dan ontstemd. Daarna heeft Francesca het hele verhaal van jullie tocht gedaan, samen met Jane. En dat klopte volledig met wat jij al had verteld. En dan zijn er nog een aantal mensen ondervraagd die op dat moment buiten werkten in de buurt van de hoeve.”
“Hebben ze verklaard een schot gehoord te hebben?” onderbrak Pieter.
“Niemand heeft iets gehoord. Maar er kan best een geluidsdemper zijn gebruikt. Een schot had zeker iedereen doen opkijken. De situatie in deze omgeving van Somalië is stabiel en de mensen willen het ook zo houden. Een schot of een knal zou hen zeker opgevallen zijn. En dat bevestigt ook het verslag van de dokter die geen sporen van een schotwonde kon vinden.”
“Ik vernam van Oona dat je vanochtend nog met Jonathan hebt samen gezeten?”
“Goed dat je Oona al hebt gezien en haar hebt ingelicht. Ze staat nog op mijn agenda om vanavond persoonlijk te spreken. Om terug te komen op mijn vergadering met Jonathan. Zoals je wellicht al weet was hij naar hier gekomen om de rol van hoofd veiligheid op zich te nemen. Naarmate Abacus groeit, hebben we nood aan een uitgebreide en professionele beveiliging, zeker met wat er nu allemaal in de wereld gebeurt. Zijn voorganger was niet in staat om die stap te zetten. Ik had iemand nodig met een terdege militaire achtergrond, iemand die gewoon was het bevel te voeren en die een volledige veiligheidsstrategie kon uittekenen en implementeren. Een strategie die offensieve en defensieve elementen balanceerde. Iveta had voor hem een aantal afspraken met zijn toekomstige diensten geregeld. Die zouden hem briefen rond de huidige toestand, de lopende projecten, de discussiepunten die ze hebben en zo verder. Het was de bedoeling dat hij zelf zo snel mogelijk prioriteiten kon stellen.”
“Kan ik de lijst van namen krijgen die hij heeft gezien?”
“Daar is Abdi al van op de hoogte gebracht en hij zal morgen die mensen een voor een ondervragen. Abdi is nu bezig de laatste uren van Jonathan te reconstrueren. Dat is politiewerk, Pieter. Laat het aan hem over.”
“Je wou toch dat ik me bezighield met het vastleggen van het reilen en zeilen van Abacus? Dit lijkt me toch wel een belangrijke zaak te zijn, niet?”
Ian zuchtte diep. “Ik veronderstel van wel, je bent een koppig man, Pieter. Maar daar hou ik wel van.”
“De hamvraag: wie heeft er baat bij de dood van Jonathan?”
“Wel, toen zijn voorganger wegging waren er wel een aantal kandidaten. Ik kan je de namen geven.”
“Laat me eens raden ... Kik?”
“Ja, die was het meest uitgesproken in zijn sollicitatie en zeer ontevreden toen ik zei dat het Jonathan werd. Hij kon het maar niet vatten dat een buitenstaander, een Amerikaan dan nog wel die met moeite wist waar Kenia lag, mijn voorkeur wegdroeg”
“Dus je gelooft ook niet meer in een ongeluk?”
“Daar heb ik nooit in geloofd. Maar er moeten wel bewijzen op tafel komen.”
“Dan zal je ook geen probleem hebben om jouw toestemming te geven zodat Oona ook een schouwing kan uitvoeren op Jonathan?” haakte Pieter handig in.
“Denk je dat ze zich emotioneel kan losmaken?” wierp Ian bezorgd op.
“Ze is een gekwalificeerd arts. Natuurlijk kan ze dat. Ik zou me heel wat beter voelen met een tweede opinie.”
“Ik ook. Maar laat ze het met de nodige diplomatie doen. Kitwaela is een Masai. Al te bot overkomen, kan beledigend werken. Ook hij is een gekwalificeerd arts.”
“Als hij dan toch zo een eervolle is, waarom loog hij dan over Oona?”
“Ik volg je niet. Verklaar.”
“Wel hij beweerde dat Oona niet was komen opdagen. Maar Oona zegt dat ze hem probeerde te bereiken en verschillende boodschappen naliet. Ze heeft ook gesproken met zijn assistent, Gordon.”
“Geen idee. Zoek het uit. En ... meld dit ook aan Abdi. Begin geen parallel onderzoek. Daar hebben we geen tijd voor.”
Iveta kwam de kamer binnen. Pieter had de deur niet horen opengaan maar Ian draaide zich om. “Iveta, kun jij dezelfde namenlijst geven aan Pieter die je mister Abdi hebt bezorgd eerder vandaag?”
“En kan er mij ook iemand leren hoe ik een auto kan reserveren? Ik wil wel eens teruggaan naar de hoeve om hun beveiliging goed te bekijken.”
“Ik zal je een wagen aanwijzen, Pieter.”
Iveta tikte ondertussen op haar scherm. “Je hebt nu een van de vier privé wagens, naast die van Ian, Vladimir en Juergen.”  Ze knipoogde: “een hele eer.”
Ian haastte zich om te verduidelijken: “maar dat is voorlopig. Net zoals voor ons.”
“Nog een laatste vraagje, Ian. Naar wie gaat jouw voorkeur, nu er aan Jonathans carrière een vroegtijdig einde is gekomen?”
“Prima vraag, Pieter. Je bent de tweede die ze stelt. Ik had twee mannetjes op Diego. Ik heb gevraagd aan Philippe Bramaud om naar hier te komen. Hij landt morgenvroeg.”
*
*   *

Hoofdstuk 31

Jonathan liep door de weide. Hij keek links en rechts alsof hij iets zocht. Behoedzaam haalde hij een grote revolver uit een bruine holster die op zijn heup rustte. De koperen kogelhulzen in de trommel weerkaatsten het felle zonlicht. De oerossen graasden zonder erg verder terwijl hij tussen de poten van de dieren glipte. Hij werd gevolgd door dr. Kitwaela die met een speer en schild in felrode Masai oorlogstooi door het hoge gras sloop. Terwijl hij zich omdraaide, hield Jonathan zijn vinger voor zijn lippen alsof hij wou zeggen dat Kitwaela teveel kabaal maakte. Zijn ogen werden groter toen hij in de loop van een revolver keek. Kitwaele lachte hard, lang en brabbelde iets in een lokale taal. Maar Pieter begreep het: “hey schat, ben je wakker?”
Jane nestelde zich naast hem onder het laken en fluisterde in zijn oor: “ben je wakker?”
Hij draaide zich op zijn rug en bromde: “nu wel, ja.”
Met de ogen half open vroeg hij: “hoe ben je hier binnengeraakt?”
Jane gniffelde: “mijn onweerstaanbare vrouwelijke charmes. De receptionist had er geen probleem mee om een tweede kaartje aan te maken voor jouw kamer nadat ik hem had verteld dat ik de ware liefde in jouw leven ben. Francesca en Oona hebben dat zonder verpinken bevestigd.”
Ze sloeg haar lange been over zijn middel en steunde op haar elleboog terwijl ze naar hem keek. “Je dacht toch niet dat je zo snel van mij afraakte?” Ze kroop verder op hem en kuste hem zacht, met haar tong over zijn borst en buik naar beneden glijdend.
Van tussen zijn benen fluisterde ze: “sinds wanneer slaap jij naakt?”
“Sinds ik weet dat jij me midden in de nacht naakt komt bezoeken,” antwoordde hij.

*
*   *

Hoofdstuk 32

Toen dr. Kitwaela binnenkwam, was Oona al enkele uren bezig met het stoffelijk overschot vierkante centimeter na vierkante centimeter minutieus te onderzoeken. Er was geen teken van wrevel op zijn gezicht af te lezen. Integendeel, hij vroeg met ongeveinsde nieuwsgierigheid of ze al iets had ontdekt. Geconcentreerd schudde ze haar hoofd. “Neen, ik heb hier wat stukjes bot en enkele staaltjes weefsel genomen waar ik niet zeker van ben, maar geen grote doorbraak.”
“Dus nog niets dat wijst op een andere doodsoorzaak dan ... euh... de stormloop?”
“Tenzij deze stukjes andere sporen bevatten, neen. Weet jij waar we die kunnen laten onderzoeken?”
“Zoiets zouden we naar Nairobi sturen. Maar ik vrees dat dat nu niet mogelijk zal zijn.”
“Hier moet er toch ergens een goed uitgerust labo zijn?”
“Ons eigen klinisch labo is hiervoor niet geschikt. Er is een labo aan het scheikundig onderzoekscentrum en er is er eentje voor biomechanica. Het eerste zal ons wellicht het best kunnen helpen.”
Oona trok haar latex handschoenen uit, duwde ze in een speciaal daarvoor voorziene container en liep naar de uitgang, in haar armen een doos met de stalen: “laat ons daar dan zo snel mogelijk heen gaan.”
Dr. Kitwaela vouwde zich dubbel in de wagen naast Oona. “Waarom ze die dingen zo klein maken, Joost mag het weten.”
Oona, met haar meter zestig in schril contrast met Kitwaela, antwoordde: “en ik vind dat ze veel te groot zijn die wagens. Zo, zeg me maar hoe ik moet rijden naar dat lab.”

*
*   *

Hoofdstuk 33

De strak geasfalteerde weg eindigde abrupt. Traag slalomde Pieter rond de vele kuilen in wat een weg moest voorstellen. Links en rechts groeiden struiken waartussen kleine vogels fladderden die een manier hadden gevonden zichzelf niet te spiesen aan de grote doornen. Pieter kende het typisch droge savanne landschap enkel uit documentaires en fotoreportages van National Geographic. Enkele schrale kamelen en geiten graasden aan het dorre gras dat in vlekken op het zachtglooiende landschap groeide. Het beeld was in schril contrast met de grote gezond glanzende oerossen in de donkergroene weiden. Hij keek naar het scherm dat zijn exacte positie aanduidde. Binnen enkele ogenblikken zou hij de verstofte ruïnes van een lang verlaten nederzetting moeten zien. Volgens de aanwijzingen die hij had gekregen van Ian, zou daar dan een nog kleinere weg leiden naar het dorp van inspecteur Abdi.
De afgebrokkelde lemen muren van enkele huizen rond een vernielde toren stonden dicht bij de weg. Pieter vertraagde om de afslag naar het dorp niet te missen. Ian had gezegd dat er soms een wegwijzer stond, maar dat die af en toe verdween of dat kwajongens hem in de verkeerde richting zetten. Deze keer had hij geluk. Op een kromme paal stond in verweerde letters iets in Somali en Arabisch geschreven. Hoewel Pieter er niet veel kon uit opmaken, was het voor hem de aanduiding waar hij moest afslaan. De weg versmalde en aan de twee diepe sporen getrokken door karrenwielen kon hij opmaken dat de weg niet veel werd gebruikt door moderne vervoermiddelen. Traag zigzagde hij verder tot hij de eerste huisjes bereikte van een dorpje. Het viel op dat ondanks de klassieke bouw en structuur, de huizen ruim en goed onderhouden waren. Hier en daar zag hij zelfs de buitenunit van een airconditioning. De meeste hutten hadden een zonnepaneel of -spiegel in het dak gemonteerd. Hier geen uit golfplaten en planken opgetrokken barakjes die hij zich herinnerde van vroegere Afrikaanse reizen. Pieter reed voorzichtig verder. Ervoor zorgend dat hij geen geit of varken, die ongehinderd op de weg door het dorp liepen, onder de wielen kreeg. Enkele kinderen op weg naar school kwamen nieuwsgierig rond Pieter staan toen die uitstapte op wat het dorpsplein voorstelde. Op het plein stonden enkele kraampjes met fruit en groenten waar kleurrijk geklede vrouwen hun inkopen deden. Een man riep hard naar de kinderen die het plotseling joelend op een loopje zetten en verdwenen in het schoolgebouwtje aan de rand van het plein. De man lachte en zwaaide vriendelijk naar Pieter en zei iets onbegrijpelijks. Pieter lachte en zwaaide vriendelijk terug tot de man vanachter zijn schoolpoortje verdween en een klas zonder ramen of deuren binnenstapte. Hij hoorde de klasjes gezamenlijk iets afdreunen..
Pieter stapte naar het grootste gebouw op het plein. Een blauwe Somalische vlag hing verkleurd aan een paal. Enkele jeeps stonden netjes op een rij voor de trap geparkeerd. Ian had het gebouw beschreven als een combinatie van gemeentehuis, administratief centrum, bank, postkantoor, centrale bushalte en politiekantoor. Hij stapte langs de openstaande dubbele deur binnen in een donkere, muf ruikende gang. Enkele mensen zaten op een bankje langs de muur, verfrommelde papieren eerbiedig in de hand. Een groepje kleine kinderen speelden met keitjes op de vloer. Boven de deuren die op de gang uitkwamen hingen met de hand geschilderde plankjes met een Arabische tekst, Dat maakte hem niet veel wijzer. Een zenuwachtige man met in de arm een bundel dossiers kwam uit een van de deuren. Pieter klampte hem aan en vroeg: “inspecteur Abdi?” De man wees omhoog naar de gammele trap en verdween haastig in een andere deur. 
“Hoe de moderne administratie zelfs de pole pole teniet doet,” dacht Pieter.
De gang boven was nog donkerder en muffer dan die beneden. Het deed Pieter denken aan een vervallen schoolgang met links en rechts de klassen. Een dikke vrouw schrobde op handen en knieën de vloer.
“Mister Abdi?” vroeg Pieter haar.
Ze keek met haar bezweet gezicht op en wees naar de andere kant van de gang. In gebroken maar goed verstaanbaar Engels zei ze trots: “Mister Abdi is links. Laatste deur.”
Pieter liep naar de deur, klopte aan en stapte binnen in een berookte kamer waar enkele mannen op ouderwetse typemachines tikten. Het deed hem denken aan hoe een politiekantoor in New York tijdens de jaren negentien honderddertig er vermoedelijk had uitgezien. In de hoek van de kamer stond een computer, netjes weggeborgen onder een plastic hoes. Vlak daarnaast zag hij Abdi zitten. Hij keek uit het raam en leek de drukte op het dorpspleintje nauwkeurig te observeren. Wat Pieter deed concluderen dat hij hem ook had zien arriveren. Hij had toch de moeite mogen nemen hem halfweg tegemoet te komen.
“Mister Abdi?”
Abdi keek op en lachte. Pieter dacht: “eindelijk eens een lach naar mij, ik zal nu bij de goeden zijn.”
“Bedankt, meneer Van Dyck om me te komen ophalen in ons dorpje. Ik ben klaar, we kunnen gaan.”
Hij nam enkele dossiers, gaf ze aan Pieter en stapte gezwind naar buiten.
Op het pleintje werd Abdi door bijna iedereen gegroet en aangesproken zodat het een tijd duurde voor ze weer bij de wagen kwamen. Vooral toen Abdi door enkele jonge vrouwen werd aangesproken terwijl die giechelend naar Pieter wezen. Abdis ogen blonken nog meer toen hij hen iets toefluisterde en ze schaterlachend hun weg voortzetten, nu en dan achterom kijkend naar Pieter.
“Wat was dat? Wat heb je hen verteld?”
“Die meisjes? Oh, die waren enkel geïnteresseerd of je vrijgezel en rijk was. In omgekeerde volgorde van belangrijkheid”
“En, wat heb je geantwoord? Ze vonden het blijkbaar erg plezierig.”
“Dat je al grootvader zou kunnen zijn maar zelf nog geen kinderen hebt. En dat er dus iets aan jou moet schelen. Het is voor ons soms moeilijk om de leeftijd van een blanke juist in te schatten. Dus, het kon best zijn.”
“Zo'n vaart loopt het nu ook weer niet,” antwoordde Pieter beledigd.
Abdi zwaaide naar enkele mensen terwijl Pieter uit het dorp wegreed.
“Ian heeft me overgehaald om jou in dit onderzoek te betrekken. Normaal weiger ik dat. Maar omdat je geen politieman bent, maar slechts een journalist, heb ik er deze keer mee ingestemd. Ik kan me goed voorstellen dat Ian zo snel mogelijk duidelijkheid wil hebben. En blijkbaar heeft hij een hoge dunk van jou. Laat ons eens de lijst doornemen van de personen die Jonathan gisteren als laatste hebben gezien of gesproken en dan proberen we zijn dag te reconstrueren.” Hij bladerde door het dossier, de armen nu en dan opwippend als Pieter een kuil niet kon ontwijken. 
“Als jouw denkvermogen even goed is als jouw behendigheid om kuilen te vermijden, dan kan ik het beter alleen af. Het zal in ieder geval gezonder zijn.”
Pieter reageerde niet en reed opzettelijk in een diepe put waarbij de vering van de jeep vervaarlijk kraakte. Abdi rolde zijn ogen in ongeloof .
“Laat me jou op de hoogte brengen van wat we reeds weten. Na de ochtendvergadering met Ian, waarin deze hem informeerde over zijn nieuwe rol, verliet Jonathan het hotel. Een patrouillewagen stond klaar, met als chauffeur ene Randy Gonzales. Die bracht Jonathan naar zijn eerste afspraak, met Vladimir Tikhonova. Een van Ians rechterhanden. Volgens de verklaring van Randy ging het na een uurtje richting het hoofdkantoor van de beveiliging waar Jonathan een lunchmeeting had met zijn staf. Daarop heeft Randy een telefoontje gekregen van Jonathan dat hij hem omstreeks zes uur 's avonds terug moest oppikken aan dat hoofdkantoor. Hij zou zich voor de rest van de dag met interne zaken bezighouden. Echter, de agenten aan de receptie van het gebouw verklaarden dat ze Jonathan vlak na de lunch naar buiten hebben zien lopen en in een wagen stappen.”
“Signaal mobiele telefoon?”
“Al uitgevallen zelfs voor hij het hotel verliet. De receptionist van het hotel herinnerde zich dat Jonathan nog snel had geïnformeerd naar adapters voor zijn merk GSM. Blijkbaar was die zoek geraakt en zodoende de batterij niet opgeladen.”
Pieter schudde zijn hoofd. “Dat is nog zoiets dat niet past bij Jonathan. Hij had een hekel aan administratie, maar had een maniakale zorg om steeds zijn toestel op te laden. Zelfs op de vlucht naar hier toe vroeg hij nog aan Karum of er een stopcontact was. Toen had hij zijn lader in de hand.”
“En was er een?”
“Ja, ik denk dat Karum het zelf nog in orde heeft gebracht.”
Pieter dacht even na. “Was er een signaal toen we landden?”
Abdi keek in de papieren. “Ja, het signaal verdween om vijf uur drieëntwintig gisterenochtend.”
Abdi zweeg enkele momenten. “We hebben het toestel teruggevonden in een van zijn broekzakken. Het stond uit. We hebben er niets verdachts aan gemerkt. Alle gesprekken werden gevoerd vanuit Diego Garcia. De laatste roaming kwam vanuit de Malediven. Hij heeft het toestel niet meer gebruikt vanaf het moment dat hij hier is aangekomen. En dan is het uitgevallen.”
“Uitvallen nadat het bijna een hele nacht had opgeladen in het vliegtuig? Daar geloof ik niets van.”
“Hij kan het ook hebben uitgezet.”
“Op dat uur? Een bizar uur om een telefoon uit te zetten. Jonathan kennende zal hij op tijd zijn gaan slapen om de vergadering met Ian zeker niet te missen. Trouwens, hij had met Oona afgesproken voor het ontbijt. Een reden te meer om zich niet te verslapen en op tijd onder de wol te kruipen.”
“Had hij iets met Oona De la Fayette?”
“Neen, dat had hij niet. Dat weet ik zeker.”
“Hoe ben je daar zo zeker van? ”
“Neen, toch niet. Ik weet het, waarom dat weet ik niet. Neen, ze hadden zeker niets. Ik vermoed trouwens dat ze iets had met ene Bruno Castellini. Een kerel uit haar groep. Maar ernstig zal dat wel niet geweest zijn want ze is alleen naar hier getrokken.”
Abdi leek te schuddebollen over zijn papier tot hij plots zijn hand uitstak en riep: “hier afslaan, we gaan Kik een bezoekje brengen.”
Geschrokken stuurde Pieter de wagen van de weg en reden ze in opspattende kiezels door de savanne, hier en daar enkele bosjes losrukkend. Tot Pieters verbazing kwamen ze aan een omheining met daarachter een grote hoeve. De massieve toegangspoort werd bewaakt door drie mannen in uniform van een privé beveiligingsfirma. Toen ze Abdis hoofd door het raampje zagen verschijnen, haastten ze zich om de poort te openen. Abdi knikte vriendelijk naar hen toen Pieter de wagen versnelde en het immense erf opreed.
“Dus dit is het zielige optrekje van Kik?” vroeg Pieter.
Hij hoefde niet op een antwoord te wachten, want Kik kwam al uit het huis gestormd. Met open benen en de vuisten in de heup stond hij stil. Kik stak het niet onder stoelen of banken dat hij niet was opgezet met het onaangekondigde bezoek.
“Abdi, nog steeds geen dader gevonden?”
“Meneer Von Wielligh,” antwoordde Abdi fijntjes, “het was toch allemaal een ongeluk met uw koetjes? Tenminste, dat was gisteren nog uw verklaring, die ik hier bij mij heb. Mogen we binnenkomen? Ik wil nog een en ander met u doornemen.”
“Dat zal wel zeker?”
Hij draaide zich om en ging de twee mannen voor. Ze stapten door het huis en namen plaats op een grote overdekte patio. Het ebbenhouten meubilair was ruw en met de hand gemaakt. Het houten dek keek uit op de droge uitgestrekte savanne. In de verte zag Pieter enkele giraffes traag wandelen op zoek naar hoge bomen of struiken. Een slanke vrouw in kleurrijke lange kleren en de armen getooid met talloze armbanden, kwam heupwiegend naar de mannen en serveerde zonder vragen kopjes thee.
Kik keek Pieter aan.
“Je bent dus ook weer van de partij. Wie was je ook alweer?”
“Mijn naam is Pieter Van Dyck. Ik help mister Abdi bij het onderzoek,” snauwde hij kregelig.
“Nog meer pottenkijkers, dat hebben we net nodig. Ik heb het onlangs nog gezegd aan Ian. Dat hij moet stoppen zijn project te leiden als een consultant. We moeten entrepreneurs hebben. Het stikt daar in Abacus van de theoretici maar ik heb alle moeite van de wereld om iemand vinden die een koe kan melken.”
Abdi zette voorzichtig zijn tas neer. Het zachte tikje van het kopje op het onderbordje was genoeg om de vrouw, die zich aan de andere kant van de veranda had neergezet, te doen opstaan om thee bij te vullen. De mannen dronken zwijgend. De hitte begon goed voelbaar te worden en een lichte bries zorgde ervoor dat miniatuur wervelwinden stof, takjes en blaadjes omhoog gooiden. Pieter keek gefascineerd naar het dwarrelende schouwspel.
Kik zei plots: “het zal regenen. Het werd tijd.”
Abdi knikte instemmend: “we kunnen het goed gebruiken. Het is al een bijzonder droog seizoen geweest.”
Pieter keek naar de helblauwe lucht. Naast het briesje was er niets dat erop wees dat het weer zou veranderen. Met binnenpret veronderstelde hij dat de beide heren het zouden voelen in hun knie of andere versleten gewrichten. Abdi plaatste de doos die hij had meegebracht van het kantoor op zijn schoot. Hij trommelde er even op met zijn vingers en gaf ze dan aan Kik.
“Hier is jouw revolver. Onze analyse bevestigde jouw verklaring dat er in geen weken, wellicht maanden mee geschoten is.”
“Natuurlijk niet, Abdi. Dat ding draag ik alleen uit folklore. En een beetje als afschrikking dat er met mij niet moet gesold worden. Dacht je nu echt dat ik mijn leven zou laten afhangen van een eeuwenoud stuk ijzer? Ik dacht het niet.”
Hij zette zijn zware laars op het tafeltje en rolde zijn rechterpijp op van zijn katoenen broek. Aan zijn gespierde onderbeen was een modern pistool bevestigd dat vlot uit de speciale holster gleed. Kik klikte de lader uit de kolf en opende de schuif. Met de geopende schuif naar boven legde hij het pistool op de tafel en gaf hij de lader aan Abdi. 
“Die mag je ook controleren. Met deze heb ik gisteren nog een cobra doodgeschoten.”
Abdi deed zelfs geen moeite om te kijken.
“De kogelhuls in de nabijheid van Jonathan kan ik maar niet begrijpen. Het spoor wijst wel héél uitdrukkelijk naar jou en jouw wapen.”
Abdi haalde uit het dossier een blad met de analyse van de kogelhuls. “En jouw vingerafdruk staat hier wel zéér duidelijk op de huls.”
Kik antwoordde weinig geamuseerd: “iemand vindt me een regelrechte idioot.”
“Of iemand speelt spelletjes omdat die iemand weet dat elk spoor zal worden onderzocht,” mengde Pieter zich in het gesprek. “Als je maar genoeg valse sporen legt dan geraken de speurders vast in het web.”
“Ken je iemand die een gelijkaardig wapen heeft?” vroeg Abdi.
Kik schudde het hoofd. “Er is geen twijfel mogelijk dat het mijn huls is. Ik laat die hulzen speciaal fabriceren in Engeland en maak er hier zelf kogels van. Hulzen kun je zonder probleem importeren. Kogels hebben al eens de neiging om te verdwijnen als ze dit land binnenkomen.”
“Wie is er onlangs allemaal in jouw huis geweest en had toegang tot die kogels of hulzen?” vroeg Pieter;
“Nu vraag je me wat. Er komen hier dagelijks een pak mensen over de vloer. Dat zullen er tientallen zijn. Van mijn opzichters tot de familie van Ranja.” Hij wees naar de vrouw. “Maar dan nog, alles zit achter slot en grendel. Ik kan het jullie beter eens tonen.”
Ze stonden op en liepen naar zijn kantoor. Uit zijn broekzak haalde hij een sleutelbos, zocht even naar een bepaalde sleutel en opende de deur naar een kleine raamloze werkruimte. Links en rechts stonden kasten met verschillende geweren. Enkele fel gekleurde schilden en speren sierden de muren. Een werkbank met precisiewerktuigen stond in het midden van de kamer.
“Hier maak ik mijn eigen spullen en experimenteer ik met verschillende soorten ammunitie. Zoals Abdi weet ben ik nogal een verwoed jager op groot wild. Vooral de krokodillen zijn niet mijn beste vrienden. De robots hebben moeite om die te detecteren en dan gaat er niets boven een goede ouderwetse patrouille.”
Pieter nam enkele loden kogels met verschillende punten in de hand. “Maak je ook full metal jackets?”
“Neen, niet dat ik het niet zou kunnen, maar waarom zou ik het moeten doen? Met voldoende kracht vliegt een loden kogel ook door een krokodillenpantser en weet ik zeker dat er geen kans op overleven is. Een full metal kan dan een mooier gaatje geven, maar een beetje krokodil kan wel nog woedend op mij afkomen. En dat wil ik niet echt. Ik moet echte stopping power hebben.”
Pieter keek door het met traliewerk versterkte glas van een van de wapenkasten. “Wanneer ben je laatst op jacht geweest? En met wie?”
“Dat zal een goede week geleden zijn. Er was net een nieuwe lading aangekomen op Abacus en enkelen wilden een safari organiseren.”
“Welke munitie gebruik je dan?”
“Eigenlijk een mengeling. Punt achtendertig, punt veertig, zelfs punt negen als we vogels willen schieten.”
“Ook dezelfde munitie als van jouw revolver?”
“Neen, wel gelijkaardig. Mag ik de huls nog eens zien?”
Abdi haalde het zakje weer tevoorschijn. Kick draaide het enkele keren om en bekeek het nauwkeurig. “Wat ik al vermoedde. Het is niet de munitie voor mijn Webley.” Hij opende een lade van de werkbank en haalde er een doosje patronen uit die hij over de werkbank liet rollen. Hij pikte er eentje uit en gaf die aan Abdi. “De kraag is dunner voor de Webley. De kogels moet ik lichtjes afslijpen aan de kraag om ze zonder problemen te laten passen in de trommel. De andere kogels met de wat dikkere, onaangepaste kraag, zijn voor deze geweren. Kik haalde een andere sleutel tevoorschijn en open de wapenkast. 
“Hier, pak vast.” Hij gooide een zwaar uitziend geweer naar Pieter die naar adem snakte toen het wapen tegen zijn borst terecht kwam. “Dat is er eentje om aanstormende olifanten, nijlpaarden, neushoorns of buffels neer te leggen. Dieren zijn dood nog voor ze de grond raken.”
Abdi keek naar Pieter. “Je zou wel eens gelijk kunnen hebben. Nu hebben we niet enkel nieuwe wapens die moeten onderzocht worden, we hebben nu ook een pak nieuwe verdachten die we moeten ondervragen.” Hij richtte zich tot Kik. “kun je me een lijst geven met de personen die op jouw laatste jachtsafari aanwezig waren?”
Hij rommelde wat in een andere schuif en haalde een pak papieren boven, die slordig met een touwtje aan elkaar gebonden waren. “Even kijken, dat moet ongeveer toen geweest zijn. Hier is het. Met handtekening en al.”
Kik overhandigde een beduimelde lijst met een vijftiental namen, telkens met de handtekening ernaast. 
“Het is een waiver voor als er zich een ongeluk zou voordoen. Standaard proces. Maar ik moet het papierwerk wel in orde houden voor onze oversten, nietwaar Abdi?” Deze glimlachte instemmend: “een echte papiermolen is het geworden. Maar gezien ieder jaar een tiental schietgrage toeristen elkaar overhoop knallen moeten we ons wel indekken tegenover hun ambassades.” Ondertussen flitsten zijn ogen over de lijst, af en toe in verbazing zijn wenkbrauw optrekkend.
“Een interessant gezelschap, meneer Von Wielligh. We zullen u niet langer ophouden. Bedankt voor uw tijd en de gastvrijheid, zeg aan Ranja dat haar thee nog steeds de beste is van heel Somalië.”
“Moeten we de wapens niet in beslag nemen?” informeerde Pieter bij het naar buiten stappen.
“Neen, dat zal niet nodig zijn. Laat ons nu snel naar het hotel gaan. Die thee heeft me honger doen krijgen en ik kijk uit naar een van jullie heerlijke lunches.”
Eenmaal terug op de geasfalteerde weg haalde Pieter zijn mobiel uit zijn borstzak en controleerde het signaal. Hij knikte instemmend, scrolde door het adresboek en maakte aanstalten de telefoon te gebruiken.  Abdi keek op van de lijst die hij bestudeerde en stak vermanend zijn vinger op. “Het is niet omdat we hier in Afrika zijn, dat er hier geen veiligheidsregels zijn. Je mag niet rijden terwijl je telefoneert. Ik zal je een boete moeten geven, en het spijt me te moeten zeggen dat die niet mals zal zijn.” Hij haalde een boekje boven en likte aan een potlood. Morrelend haalde Pieter een hands-free adapter uit een andere zak en plugde het luidsprekertje in zijn oor. 
“Dag Oona, met Pieter. Waar ben je nu?”
“Hi Pieter. Ik ben met dokter Kitwaela in het labo. We hebben ons hier zo goed mogelijk proberen te behelpen om enkele weefselstalen te onderzoeken op verbranding, loodsporen of kruitsporen. Maar alle resultaten zijn negatief. We kunnen nu met een hoge zekerheid stellen dat Jonathan niet is neergeschoten en het dus wel degelijk een ongeval was.”
“Dat is alles wat ik wou weten. Maar ik ben niet akkoord met jouw conclusie.”
Hij drukte de verbinding af. “Dokter Kitwaelas rapport is bevestigd door Oona De la Fayette. Geen kogelsporen.”
Abdi knikte: “dat is ook de reden waarom we de wapens van Kik niet in beslag dienen te nemen. Die huls was enkele dagen geleden geschoten. En ik zou me al heel erg moeten vergissen mocht de dader niet op deze lijst staan.” Hij tikte zelfbewust op het stapeltje papier, nestelde zich wat beter in de zetel en dommelde weg. Pieter parkeerde de wagen aan het hotel en schudde Abdi wakker. Hij opende zijn ogen die onmiddellijk op scherp stonden. “Ha, lunch. Wat een powernap allemaal niet kan doen bij een oude man. Ik raad het jou ook aan, Pieter. Je zal je er jonger door voelen. Misschien heb je dan zelfs een kans bij onze Afrikaanse vrouwen.”
Hoewel het nog vroeg was, zaten al enkele families aan tafel. Pieter en Abdi gingen in dezelfde hoek zitten waar hij gisterenavond had plaatsgenomen. Dezelfde ober kwam langs met het menu. Abdi vroeg wie de kok van dienst was.
“Het is meneer Guido, meneer.”
“Aha, Guido Lacroix,” riep Abdi enthousiast uit. “Uitstekend jongen. Zeg hem dat mister Abdi hier is en een moord zou plegen om een van zijn befaamde gegrilde tilapias te kunnen, neen, te mogen proeven. En je mag me een glas droge witte wijn brengen.”
“Doe dat maar tweemaal, dat maakt het makkelijk voor jou,” voegde Pieter eraan toe.
“Terug naar onze case,” zei Abdi strijdlustig. “We hebben hier vijftien namen. En er zitten er enkele interessante tussen.”
“Cabdikarum Sucri, onze goede dokter Kitwaela, Vince Smith,...”
“Wie is Vince Smith?” vroeg Pieter. 
“Dat is de vriend van Francesca Venti. Ik denk dat je hem gisteren hebt gezien aan de grensovergang. Hij had toen dienst.”
“Ja, inderdaad. Een grote kerel met een zware donkere baard.”
“Precies. Dan is er nog Robert Holden. Robert was het vroegere hoofd van de beveiliging. Het was toen al geweten dat hij terug zou gaan. Het was wellicht een stukje farewell party. Smith was niet weg te slaan van Holden. Het viel nogal op dat hij Holden wou opvolgen. Ik kan het hem niet kwalijk nemen, Smith heeft hier jaren voor gewerkt en dan komt er plots iemand van een of ander verloren eiland jouw droom aan diggelen slaan.”
Pieter keek schuin mee op het lijstje. “Wie is Marsha King?”
“Marsha King is de personal assistant van Vladimir Tikhonova. Ze is hier enkele dagen voor hij arriveerde aangekomen. Wellicht om alles in orde te brengen. Hij heeft een nogal uitgebreid ego. Maar aan de andere kant is hij een van de drijvende krachten achter Abacus.”
Een luidruchtige stem riep vanuit het restaurant: “welkom, welkom, mister Abdi. Het is goed om u hier terug te mogen ontvangen. Ik heb speciaal voor u mijn tilapia-van-de-chef gemaakt.” Met een theatraal gebaar plaatste de kok zelf de twee borden voor Pieter en Abdi. Hij knipte nerveus met zijn vingers om de twee kelners die in zijn kielzog liepen sneller de wijn te laten inschenken en de andere schoteltjes met groenten, sla en sausjes op te dienen. Abdi klapte als een blij kind in zijn handen en ratelde iets tegen de kok. Die antwoordde blozend in dezelfde taal en ging achterwaarts buigend terug de keuken in. Abdi snoof aan zijn bord en genoot zichtbaar van de geurende schotel. “Ik heb steeds bewondering voor de mensen hier die de moeite doen om onze taal te leren en zulk fantastisch eten kunnen bereiden.”
“De volgende?” vroeg Pieter, de hint opzettelijk naast zich leggend.
“Dat zal Jan Von Wielligh zijn, de broer van Kik. En daaronder staat ...,“ hij proefde smakkend van de gegrilde vis, “mmmm ... een ware lekkernij.”
Abdi begon opnieuw: “daaronder staat, interessant, Randy Gonzales. De chauffeur die Jonathan als laatste heeft rondgevoerd. Dan hebben we nog Rick Steward, dat is een doctor in de kwantumfysica. Niels Pedersen is één van de nieuwe ingenieurs op de hoeve, Sia Pedersen-Stockholm is, als ik me niet vergis, zijn echtgenote. Mario Delprez werkt als ingenieur aan de waterwinning. Holger Bein leidt het onderzoek naar batterijen in het energie onderzoekscentrum. Kasper Grotto is een van de onderzoekers rond lasers. Vraag me niet meer wat precies, ik begreep er niet veel van. En kijk, onze goede kok was er ook. Die kunnen we straks direct eens op de grill leggen.”
Abdi lachte luid met zijn eigen grap: “de grill, begrijp je? Ik zou nog wel een glaasje lusten.”
Hij knipte met zijn vingers en de kelner kwam zijn glas tot aan de rand bijvullen.
“Lees jij maar verder, Pieter. Ik wil genieten van dit goede eten.”
“En drank,” dacht Pieter. Hardop las hij: “de volgende op de lijst is Doran Szapponova.”
“De kleine Doran. Een programmeur op het hoofdkantoor.”
“De voorlaatste is Emma Vandenbergh.”
“Een verpleegster. Ze kan het blijkbaar goed vinden met dokter Kitwaela.”
“De laatste is Gordon McNeal.”
“Het blijft in de medische sfeer. Hij is de assistent van Kitwaela. Ik wist niet dat die dokters zo bloedlustig waren. Ik hoop dat ik nog een tijdje uit hun handen blijf.”
Hij lachte weer met zijn eigen opmerking.
“Een mooie lijst van verdachten. Ik stel voor dat we de rest van de dag proberen hen te bereiken en met hen te praten.”
“Dat lijkt me inderdaad een goed idee, de vraag is hoe en waar we die kunnen vinden.”
“Dat zou geen probleem mogen zijn.”
Abdi haalde een smartphone uit zijn zak en na enkele ogenblikken waarin zijn bril een paar keer op en neer ging, keek hij tevreden naar het scherm. “Abacus heeft zo zijn eigen witte gids. Hier kun je iedereen vinden met hun contactgegevens. Dus, begin er maar aan.”
Hij gaf de telefoon aan Pieter en at rustig verder, nu en dan met goedkeurende geluidjes. Na een tijdje kwam Guido checken of alles in orde was. Pieter nodigde hem uit bij hen plaats te nemen.
“Heb je gehoord van het ongeval met Jonathan Stratford?” vroeg hij.
“Wie niet? Iedereen spreekt erover. Dit is als een klein dorp, zulk nieuws gaat heel snel rond.”
Hij boog zich wat voorover naar Abdi en Pieter. “Het gerucht gaat dat hij is vermoord. En ik veronderstel Abdi dat jij dit nu verder uitzoekt?”
“Dat is inderdaad zo, mijn beste Guido. Maar we moeten nog steeds uitzoeken of hij is vermoord of dat het een jammerlijk ongeval was. Daar is nog geen uitsluitsel over. In ieder geval willen we spreken met alle mensen die op deze lijst staan.”
Guido keek nieuwsgierig naar de lijst. “Die lijst herken ik. Dat is de lijst die we moeten ondertekenen als we op safari gaan met Kik. Hij noemt het zijn alibi als een van ons wordt verscheurd door een leeuw. Maar waarom die lijst?”
“Wel, we hebben een kogelhuls gevonden dicht bij de plaats waar het slachtoffer is vertrappeld. Die huls was er gelegd om ons in de richting van Kik te duwen want hij is de enige die dit soort kogels heeft. Alleen heeft hij er niets mee te maken want de huls die we hebben gevonden past niet in zijn pistool, maar wel in een van zijn geweren waarmee die dag op jacht is gegaan. De huls is van een kogel die omstreeks de tijd van de safari is gebruikt.”
“Kik is een ongelikte beer, eigenlijk een ongelikte boer, maar hij zou niemand vermoorden. Eens goed op de vuist gaan, ja.”
“Is er jou iets opgevallen tijdens die safari?”
“Het was een heel plezierige groep, dat herinner ik me nog. Op het einde zijn we allemaal samengekomen op de ranch van Kik en heb ik samen met Ranja gekookt. Wat kan die koken zeg.”
Guido keek langs Pieter en Abdi. Het was niet duidelijk of hij nog over de vraag nadacht of hij nagenoot van de kookkunst van Ranja.
“Er is me echt niets opgevallen. We hebben een fantastische dag gehad, iedereen heeft eens kunnen schieten. Zelfs met het zware kaliber, want ik herinner me nog dat Marsha een pijnlijke schouder had van de weerslag. Ze ging nogal onhandig om met het wapen, maar was wel diegene die een buffel heeft geschoten. Ze was er bijzonder trots op. Maar ook Sia en die verpleegster, ik herinner me haar naam niet meer, hebben ermee geschoten. De buffel heb ik ter plaatse gefileerd en ik ben toen weergekeerd naar Kiks huis om 's avonds het vlees te grillen. Ik wou het niet onder de vliegen hebben. We hadden natuurlijk koelboxen mee in de jeeps, maar toch.”
“Nog iets anders?” Abdi bleef doorboren.
“Kik had ook nog een aantal speren mee, daar hebben we een wedstrijd mee gehouden. Precisie en afstand.”
“Wie heeft er gewonnen?”
“Dat was niet moeilijk, dokter Kitwaela natuurlijk. Kik was niet goed gezind want hij gaat er prat op dat hij even goed een dier kan doden met een speer als met een geweer. Dat heeft die avond tot een heftige discussie geleid toen Kik een whisky te veel op had. Kitwaela is dan opgestapt. Dat is het enige incident, als je dat tenminste een incident kan noemen. Kijk, daar zijn ze al.”
Abdi en Pieter keken om en zagen Oona en Kitwaela langs het zwembad naar het terras komen. Abdi stak zijn hand op om hen te wenken.
“Als het zo blijft doorgaan, dan hoeven we niet eens op stap te gaan. Iedereen komt naar ons.”
Guido schudde de hand van Kitwaela en kuste hoofs die van Oona. Pieter moest toegeven dat Oona veranderd was. Haar anders streng achteruit gekamde haar viel nu in losse krullen over haar schouders. Met moeite maakte Guido zich los van haar en verdween weer in het restaurant. Opnieuw kwam de kelner aangelopen met de menukaart.
“Dokter Kitwaela, we hebben enkele vragen voor u. Meer specifiek rond de safari waaraan u enkele weken geleden hebt deelgenomen met Kik. Ik vernam dat de dag voor u een beetje in mineur eindigde?”
“Mineur is veel gezegd. Kik begon zich onaangenaam te gedragen en ik besloot de wijste te zijn en terug naar huis te gaan. Hij was dronken en dan komen de frustraties snel naar boven. Die volgende dag had ik trouwens een operatie op de agenda, dus het kwam me goed uit.”
“Waar was je gisteren tussen tien uur 's morgens en twee uur in de namiddag?” vroeg Pieter.
“Ik was op de luchthaven. Een patiënt werd ingevlogen en die ben ik gaan ophalen.”
“En dat heeft vier uur geduurd?”
“Het vliegtuig had onverwachte vertraging. Iets met het landingsgestel. De toren was te laat om ons te verwittigen. Soms schort er wel iets aan hun communicatie.”
“Was er iemand bij u?”
“Ja, ik was samen met de ambulancier. Jason Blond. Je kunt het hem vragen. We hebben dan maar het ziekenzaaltje van de luchthaven opgeruimd.”
“Je weet dat Oona je verschillende keren heeft proberen te bereiken?”
“Ondertussen wel, ja. Ik had mijn mobiel thuis laten liggen en heb de boodschappen pas 's avonds gehoord.”
“Een beetje vreemd voor een dokter die steeds bereikbaar moet zijn.”
“Wel, ik was niet van wacht. En trouwens we hebben ons eigen oproepsysteem mochten er zich noodgevallen voordoen.” Hij toonde aan Pieter het kleine toestel dat aan zijn broeksriem was vastgemaakt.
“Ze heeft ook Gordon gecontacteerd die jou dan de boodschap zou doorgeven. Zou hij daarvoor de beeper niet gebruiken?”
“We hebben onderling afgesproken dat de beeper enkel wordt gebruikt bij noodgevallen. Een vergeten afspraak valt niet onder die noemer.”
“Om eventjes terug te komen op het incident met Kik. Was je toen niet woedend en misschien wel uit op wraak om hem eens terug te pakken?”
“Waarom zou ik? En hoe moest ik die huls daar dan krijgen?”
“Het kon zijn dat Gordon bijvoorbeeld die huls daar heeft gelegd. We hebben met hem nog niet gesproken.”
“Gordon kan dan soms eens vreemd overkomen, maar ik sta borg voor mijn team. Ze zijn stuk voor stuk betrouwbaar.”
“Wist je dat Gordon en Emma een relatie hebben?” merkte Abdi als terloops op.
Kitwaela keek verrast op: “neen, dat wist ik niet.”
Abdi knikte: “wel dan is het nu geweten. Je ziet het maar, iedereen heeft zo zijn of haar geheimen. Maar goed, wij moeten nu dringend op stap. Eet smakelijk. De tilapia van Guido is aan te raden en de witte wijn ook.”
Hij sprong op een beende naar de lobby. “Wie stel je voor om als volgende te ondervragen?” vroeg Pieter die moeite had om hem te volgen.
“Vince Smith. Die staat bij mij hoog op de lijst van de verdachten. Weet je, misschien is het beter als ik binnenblijf,” Abdi wees naar de zwarte lucht, “we zitten straks midden in een bui. Ik stel voor dat jij Vince opzoekt, ik zal eens zien of de PA van Vladimir, Marsha King bereikbaar is.”
Een scherp afgetekende bliksem gevolgd door een krakende donderslag luidde een gordijn van regen in. Pieter zag hoe Oona en Kitwaela hun borden oppikten en naar binnen vluchtten.
“Hoe wist je het eigenlijk van Gordon en Emma?”
“Puur toeval. Enkele dagen geleden was ik in het ziekenhuis met mijn twee kleinkinderen. Ik was op het juiste moment op de juiste plaats en zag Gordon en Emma in een, ik zou zeggen niet mis te verstane houding. Een beetje geluk in mijn vak kan geen kwaad. Laat ons nu eens zien wat mevrouw King ons te vertellen heeft. Stuur me vanavond jouw rapportje door over Vince. Hier is mijn kaartje met mijn e-mail adres.”
Pïeter nam het kaartje aan. 
“En voor ik het vergeet, hier is jouw boete. Op de achterzijde staan de eenvoudige betalingsinstructies.”

*
*   *

Hoofdstuk 34

De receptionist knabbelde lusteloos aan een appel toen Pieter druipnat het gebouw binnenkwam en naar Vince Smith vroeg. De man wees naar de trappenhal en mompelde: “tweede verdiep, de derde deur aan jouw linkerkant. Ik meld het hem even dat je eraan komt. Hij verwacht je al.”
Door de brede daglichtstraat zag Pieter de donkere lucht waaruit het laatste halfuur onophoudelijk de regen plensde. Met zijn vingers kamde hij door zijn plakkende natte haar, klopte aan de deur en stapte binnen. Vince Smith was een man. Breed, hoekig, gespierd, getaand. Alles was donker aan hem. Zijn ogen, zijn kort getrimde baard, zijn vierkant gezicht. Hij stond op vanachter zijn bureau en gaf Pieter een stevige handdruk. Die probeerde zijn gezicht niet te vertrekken toen zijn middenhandsbeentjes kraakten. 
“Ik heb al gehoord van uw ronde met Abdi. Dus ik kan maar direct verklaren dat ik Jonathan niet heb vermoord. Zelfs niet nadat hij mijn verdiende plaats had ingepikt. En neen, ik zal Bramaud niet vermoorden die nu op zijn beurt met mijn promotie wegloopt. Waar is Abdi trouwens?”
“Die ondervraagt momenteel Marsha King. Hij had geen zin om door de regen te lopen.”
“Die oude deugniet. Ik kan me voorstellen dat hij aan mevrouw King de voorkeur geeft. Zowel Ian als Vladimir hebben een goede smaak als het gaat om hun personal assistants. Het feit dat hij me niet ondervraagt is al een goed teken. Het wil zeggen dat hij me niet verdenkt.”
“Oh neen? Ben je daar zeker van? En wat als ik jou nu eens zou verdenken?” Pieter voelde zich als een broekje na Vinces opgeluchte reactie.
Niet onder de indruk antwoordde Smith onverstoord: “ik ken Abdi nu al lang genoeg. Volgens mij heeft hij reeds een shortlist van mogelijke daders en een theorie die hij nu uittest.”
“Heb jij al een theorie?” bruuskeerde Pieter.
“Ik heb een aantal vermoedens. Wat er gisteren is gebeurd staat niet geïsoleerd. De afgelopen weken zijn er een aantal situaties geweest die kunnen geïnterpreteerd worden als de aanloop tot de dood van Stratford.”
“Welke situaties waren dat dan?” Pieter voelde dat zijn trip naar Vince misschien toch nog iets aan het licht kon brengen.
“Eerst en vooral hebben we geconstateerd dat er een enorm informatielek was. Tijdens de installatie en opstart van onze computersystemen zijn er een aantal bots binnengedrongen die op onregelmatige tijdstippen informatie naar de buitenwereld doorstuurden. We hebben die bots verwijderd en enkele uren later waren er alweer nieuwe geïnstalleerd. Als we één lek dichtten dan waren er elders al twee andere. En ze werden steeds moeilijker te vinden. Nu nog steeds. Alles wijst erop dat we zowel met interne als met externe hackers te maken hebben. En die twee werken samen, wat een beveiligingsnachtmerrie is. Je kunt hier spreken van military grade hackers. Het hoogste en beste niveau. De special forces van het cyber slagveld.” Pieter besloot tussen te komen voor Vince te lyrisch werd over zijn vijand.
“Over welke informatie gaat het en wie zou er interesse in kunnen hebben? Laat ons wel wezen, dit is enkel een uit de voegen gebarsten ontwikkelingsproject.”
“Daar zeg je het, uit de voegen gebarsten. Hier worden in alle rust en ver van alle inmenging projecten ontwikkeld die redelijk wat waard zijn. En het gaat verder dan wat nieuwe irrigatiesystemen of ethische genetica. Hier worden baanbrekende applicaties rond lasers onderzocht, in het bijzonder deep sensors. Je bent er al in aanraking mee gekomen in de weide met die robot. Er zijn doorbraken in alternatieve energiebronnen. Nieuwe transportsystemen en aandrijvingen. Heel veel wat er hier wordt uitgetest heeft een enorme commerciële waarde, om nog niet te spreken van de militaire waarde. Vooral dat laatste met de toestand daarbuiten is bijzonder aantrekkelijk voor iemand die er munt uit wil slaan.”
“En denkt men dat Stratfords voorganger er iets mee te maken had?”
“Het vermoeden was er. Maar dat is natuurlijk niet de officiële versie. Daarom hebben Ian en Vladimir besloten om hem terug te sturen. We hebben nooit iets kunnen bewijzen, maar het was wel opmerkelijk dat hij zonder veel protest op het vliegtuig stapte en nu heel royaal in Brazilië woont. Ian wou dan een van zijn mannetjes hebben om de zaak terdege uit te zoeken. Vandaar Jonathan.”
“Wat heeft Vladimir ermee te maken?”
“Ian vertrouwt aan Vladimir alles wat met veiligheid te maken heeft. Om een of andere reden denkt Ian dat Vladimir met zijn Russische achtergrond een beter gevoel heeft daarvoor.”
“Weten jullie ook welke informatie is gestolen?”
“Niet alles, maar toch hebben we hier en daar wat zaken kunnen opvissen. Het ging in dat geval vooral om tekeningen, plannen en software code van onze beveiligingsrobots. We hebben hier te maken met een georganiseerde groep. Het feit dat Jonathan hier kwam om hoofd veiligheid te worden was een streep door hun rekening. En ik denk dat hij daarom moest verdwijnen. En dat moest snel gebeuren, heel snel. Voor hij alle systemen kende en wellicht meer op zijn hoede zou zijn.”
“Ian zou hem toch geïnformeerd hebben en hem wijzen op de gevaren?”
Vince stak zijn handen in de lucht, bijna wanhopig.
“Dat zou je inderdaad veronderstellen. Maar ik denk niet dat Ian de draagwijdte door had. Soms is hij een beetje naïef.”
Pieter keek bedenkelijk naar Vince: “naïef? Ik misschien, maar Ian zeker niet.”
“We hebben allemaal onze blinde vlekken, Pieter. Ook Ian. En die van hem is vertrouwen. Soms denk ik dat hij zo gewoon is dat de mensen doen wat hij van hen verwacht dat er geen haar op zijn hoofd aan denkt dat ze wel eens een verborgen agenda kunnen hebben om hem te manipuleren. Toen Jonathan hier gisteren kwam voor een briefing was hij in ieder geval niet bewust van wat er zich allemaal afspeelde achter de schermen. Wij hebben hem hier volledig op de hoogte gebracht. Hij heeft dan ook onmiddellijk zijn agenda van die dag omgegooid.” Hij wierp een netjes ingebonden boekje op de tafel voor Pieter. “Dat was de presentatie die we hem gisteren hebben gegeven. De status van wat we tot nu toe hadden gevonden, de volgende stappen, de nodige middelen. Je mag het hebben. Het is geen geheim. En ik wil niet dat het een geheim is. We hebben te doen met iemand of een groep die voor niets wijkt.”
“Om terug te komen op Jonathan. Na de briefing is hij weggeroepen. Hoe is dat precies gegaan?”
“Inderdaad. Vlak na de briefing, net voor we een korte rondgang gingen starten doorheen de departementen, kreeg ik telefoon voor hem. Hij had blijkbaar zijn mobiel niet opgeladen.”
“En wie was het die hem belde?”
“Iveta, de PA van Ian. Ze zei dat Ian nog iets vergeten had en ze Jonathan wou spreken. Daarop is hij snel weggegaan. We dachten allemaal dat hij terug naar het hotel was geroepen. Dat was niet het geval.” Vince stond op: “als laatste wil ik je nog iets tonen. Het zou een deel van de rondgang voor Jonathan zijn geweest.”
Ze gingen terug door de gang waar Vince stopte voor een liftdeur. Hij haalde zijn badge door de lezer en tikte een acht cijferige code in. De lift ging enkele verdiepingen lager. Het duurde een tijdje zodat Pieter vermoedde dat het gebouw dieper onder de grond zat dan erboven. Vince zag de vragende blik in Pieters ogen. “Van dit gebouw zie je letterlijk de top van de ijsberg. In dat opzicht is het uniek. Hier, in een betonnen kelder, hebben we de voornaamste systemen gedupliceerd mocht er daarboven iets fout gaan.” Ze stapten uit in een hel verlichte gang die uitkeek op een met glazen schotten verdeelde open space. “De man die cubicles en open space heeft uitgevonden moet een socialistische idioot geweest zijn,” dacht Pieter. Vince liep hem voor naar een hoek waar enkele van de door Pieter ondertussen goed gekende robots stonden. Sommigen waren volledig ontmanteld en met draden aan allerlei meetapparatuur gekoppeld. Het deed Pieter denken aan een garage voor hightech speelgoed. Pieter herkende een van de mannen die er rondliepen. Het was de man die op de hoeve als systeembeheerder werkte en op niet mis te verstane manier door Kik was weggestuurd.
“Vince, die man daar, die was gisteren op de hoeve.”
“Dat is Paul. Die controleert en herstelt, wanneer nodig, de robots ter plaatse. Als ze helemaal niet meer functioneren dan zorgt hij ervoor dat ze naar hier komen. Ik denk dat hij ze liever ziet dan zijn eigen kinderen. De koeien vallen ertussen.”
Hij riep Paul die wantrouwig naar hen toe stapte.
“Paul, kun je aan Pieter vertellen wat je hebt gevonden in de robots?”
De man was zenuwachtig en stotterde een beetje. “Wel, er is geknoeid met de robots. Geen wonder dat er zoveel stuk gaan.”
“Wat bedoel je met geknoei?” probeerde Pieter de man te helpen om zijn gedachten te ordenen.
“Wel, op sommigen is er terug oude software geplaatst. En daardoor zijn ze minder stabiel dan met de versie tien punt drie punt vijf.”
“En wat bedoel je precies met stabiel?
“Wel, we hebben heel veel onderzoek verricht naar hoe we het best roofdieren kunnen afschrikken zonder daarbij ook het vee de stuipen op het lijf te jagen. Uiteindelijk hebben we heel hoge tonen gebruikt die de roofdieren zeer onaangenaam vinden, maar niet kunnen gehoord worden door de mensen of het vee. Vergelijk het een beetje met een hondenfluitje. Of ultrasoon om mollen te verdrijven. Hoewel dat laatste bij me thuis nooit goed heeft gewerkt. Ik denk dat die mollen al even ongevoelig waren...”
Vince onderbrak de man: “bij de les blijven, Paul. De software?”
“Wel, op sommigen hebben we gemerkt dat ze draaiden op versie zes punt één. Dat is de versie van bijna een jaar geleden. Dat betekent dat iemand het automatische upload- en synchronisatiesysteem is binnengedrongen. Want de diagnose zegt wel dat het de nieuwste versie is. Het is omdat één van de robots schade had opgelopen dat we het gemerkt hebben. Iemand breekt binnen in het systeem en kan zijn sporen heel goed wissen.”
“En wat is het verschil tussen de twee versies, naast stabiliteit?”
“Wel,” begon Paul. Pieter werd nerveus van de man die elke zin leek te beginnen met wel. “De artificiële intelligentie om vormen te herkennen via de lasersensoren is veel geringer. Die oude versie maakte bijvoorbeeld nog geen verschil tussen een zebra en een roofdier.”
“En mens en roofdier?” vroeg Pieter.
“De eerste stappen. Maar met nog heel veel valse positieven en valse negatieven. Met andere woorden, dat het systeem denkt dat het een mens is, maar eigenlijk het niet is. Of omgekeerd. Dat de robot denkt dat het een roofdier is, maar een mens is.”
“Er bestaat natuurlijke een uitgebreide functielijst met de verschillen tussen beide versies software. Kan ik die eens inkijken?”
Paul zat verveeld met die vraag: “wel, niet zo onmiddellijk. We documenteren eigenlijk niet zo veel. Alles zit in mijn hoofd. Ik kan zelf wel iets maken.”
“Ja graag. En de robots die in de buurt van Jonathan waren gisteren, welke versie hadden die?”
“Wel, dat zijn diegene die hier nu staan. Ik heb snel een nieuwe diagnose software geschreven en heb de robots die in aanmerking kwamen allemaal laten overkomen naar hier. Allemaal oude software.”
“Dus de robot die gisteren naar mij toekwam die had de oude software?”
“Ja, dat moet wel.”
“Maar die stopte mooi toen ik rechtop stond en hij mij als mens herkende.”
“Wel, je stond er vlakbij en dan zal de AI wel goed hebben gewerkt. Maar mocht je neergezeten hebben dan had hij jou wel degelijk als een bedreiging gezien. Met alle gevolgen van dien.”
“Ik begrijp nog steeds niet waarom iemand interesse zou tonen in deze defensieve dingen,” vroeg Pieter zich af.
Vince nam de vraag op zich: “het is de bedoeling dat eenmaal ze op punt staan, de robots ook worden ingezet in andere omstandigheden. Bijvoorbeeld aan de grensovergangen. En het is een kleine stap om ze offensief in te zetten, in plaats van enkel defensief. Dus je kunt je voorstellen dat bepaalde mensen interesse hebben en er ook veel geld voor over hebben. Een leger van robots is niet langer science fiction.”
Paul hervatte zijn betoog: “wel, nu zijn we ze allemaal opnieuw aan het programmeren en hebben we een geavanceerde beveiliging ingebouwd zodat ze niet meer te hacken zijn.”
“Toch niet de komende dagen,” kon Pieter niet nalaten op te merken, “dan zal er wel weer iemand die beveiliging doorbreken.”
Paul keek beteuterd omdat Pieter niet méér vertrouwen toonde in zijn recentste veranderingen en was net op het punt in detail de wijzigingen uit te leggen, toen Vince hem het zwijgen oplegde. “Paul, zorg jij voor die specificatievergelijking. Zie dat Pieter en ik ze hebben tegen vanavond.”
Paul stotterde nog meer. Het speeksel dat als witte druppeltjes op zijn lippen was verschenen spatte rond en op Pieter. “Wel, wel, ja inderdaad. Ik begin er direct aan.”
Vince begeleidde Pieter tot aan de uitgang. De onweersbui was even snel weer verdwenen als ze was gekomen en Pieter zag groepjes mensen met hun Segways tussen de gebouwen snorren.
“Hoe is Jonathan hier eigenlijk vertrokken? Hij had aan zijn chauffeur gezegd dat hij hem niet meer nodig had,” vroeg Pieter zich af.
Vince richtte zich tot de receptionist en vroeg het uurrooster van de dag ervoor. De man draaide het scherm naar Vince. “Het was Rob Dango die hier zat. Ik probeer hem te bereiken.”
Pieter was ondertussen naar buiten gelopen en keek naar boven waar een pracht van een regenboog Abacus scheen te omspannen. De regen had de straten donker gemaakt maar de zon begon al in alle kracht te schijnen. Over de plassen hing een mist van verdampend water. De planten en bloemen schenen in geur te zijn toegenomen. Hij snoof de zware lucht intens in. Vince kwam naast hem staan nadat hij met Rob had gesproken.
“Volgens Rob stapte Jonathan gehaast in een klaarstaande wagen aan de overkant van de straat. Het was een standaard wagen zonder bijzondere kenmerken.”
Pieter wees naar een van de camera's die het domein bestreken. “Dat is uitstekend nieuws. Er moeten opnames zijn en zo kunnen we via de registratie zien wie de wagen heeft gereserveerd.” Hij was opgewonden dat de stukjes van de puzzel in elkaar vielen en hij kon niet wachten om Abdi de loef af te steken.
Vince prikte door zijn roes: “het was juist op hetzelfde moment dat het hele videosysteem werd heropgestart na een onvoorzien onderhoud. Er zijn geen beelden.”

*
*   *

Hoofdstuk 35

Pieter had net zijn rapport doorgestuurd naar Abdi toen er een boodschap op zijn telefoon verscheen.
Vanavond diner bij ouders. Ik pik je op om acht uur. Mis je. Kussen. Jane.
Het maakte hem niet bepaald blij. Eigenlijk had hij dit moment zo lang mogelijk willen uitstellen of zelfs helemaal vermijden. Maar hij wist dat met Jane het snel zou gaan. Dit was natuurlijk wel heel snel. Hij moest toegeven dat ze een vrouw was die van actie hield en er geen gras liet over groeien. Maar leuk, dat was wat anders. Eventjes wou hij nog een smoes verzinnen dat hij met de zaak volop bezig was en zijn hoofd er niet naar stond. Enkele minuten voor acht ijsbeerde hij door de lobby van het hotel. Hij keek jaloers op naar een luidruchtig groepje in de bar dat blijkbaar iets te vieren had. Een van de mannen keek hem verwilderd aan, stapte uit het gezelschap en wankelde naar Pieter. Zijn ogen stonden troebel en hij probeerde Pieter bij de arm vast te grijpen. Deze trok zich terug en besloot de aangeschoten man te negeren.
“Jij weet niet wie ik ben, hé. Maar ik weet wel wie jij bent. Jij vuile achterbakse oude Casanova. Je weet het niet hé,” wauwelde de man. Pieter probeerde zich te herinneren waar hij hem al eerder had gezien. Met het woord Casanova te horen wist hij het weer. De dronken man was Brian, de kersverse ex van Jane.
“Ja, ik weet wie je bent. Je bent een domme bruut die vrouwen afklopt. Niet bijzonder eervol. En zoals je er nu bijloopt maak je het enkel nog erger.”
“Jij hebt Jane van me afgepakt,” brulde de man. Enkele mensen in de lobby keken verschrikt op en haastten zich dan weg. “Daar gaat solidariteit als waarde in Abacus,” dacht Pieter.
“Ga maar je roes ergens uitslapen,” zei Pieter en draaide zich om naar buiten te stappen. Brian was niet van plan zijn prooi te laten ontsnappen. Een vrouw uit het groepje kwam naast Brian staan en hitste hem op. “Laat jij die zomaar lopen? Hij heeft verdomme jouw vrouw afgepakt.”
Brian greep Pieter bij de schouder in een onverwacht sterke greep. De man was groter en zwaarder dan Pieter, maar de laatste was nuchter en dus sneller. Pieter maakte zich weer los, hij was bijna aan de ingang van het hotel en zag een wagen de parking oprijden, wellicht was het Jane. Een plotse duw van de dronken Brian bracht hem bijna uit zijn evenwicht.
“Slap oud mannetje,” riep Brian.
“Voor de laatste keer, laat me met rust en ga je roes uitslapen.”
“Als jij Jane met rust laat zodat ze terug bij mij kan komen.”
“Ik denk niet dat je daar nog veel kans zult hebben.”
Brian haalde breed uit met zijn vuist maar miste Pieter volkomen.
“Je bent echt zielig, Brian. Een vrouw kan je wel slaan maar een man durf je enkel aan als je dronken bent.”
De vrouw keek Brian aan. “Waar heeft hij het over? Wie heb je geslagen?”
“Laat me met rust,” hakkelde Brian en probeerde nog eens Pieter te raken. Die kreeg een pijnlijke duw in de schouder. Triomfantelijk blokkeerde Brian nu de weg naar de uitgang. De vrouw die hem eerder had gesteund, probeerde zichtbaar haar gedachten te ordenen in de nevel van alcohol.
“Heb jij dan Jane geslagen?” riep ze vanuit een zetel in de lobby.
“Laat me met rust,” herhaalde Brian boos. Hij zwaaide wat heen en weer op zijn benen en sloeg voor een derde keer naar Pieter. Deze laatste dook onder de zwierende arm van Brian. Pieter besloot na deze laatste poging er een einde aan te maken en gaf Brian een vuistslag in het gezicht. Het was niet eens zo hard, maar de slag had wel het beoogde effect. Met een pijnlijk vertrokken gezicht zonk hij op zijn knieën. Bloed kronkelde uit zijn neus en mondhoek. Enkele van zijn dronken vrienden kwamen de lobby binnengelopen vanuit de bar. In enkele seconden zat zijn gezicht onder het bloed wat het erger deed lijken dan wat het was. Zonder verder nog om te kijken ging Pieter naar buiten, net op tijd om in de wagen van Jane te stappen.
Jane keek nieuwsgierig naar wat er zich afspeelde in de lobby. “Heb ik iets gemist? Wat is er gebeurd?”
“Niks speciaal, schat, een goede opwarming voor de rest van de avond.”
Ze keek hem bedenkelijk aan, maar besloot toen te vertellen hoe haar dag was geweest. Iveta had Jane geïntroduceerd aan het team van vertalers maar kort na de middag was Jane weggerend uit verveling. “Ik heb nog nooit zo lang en zo veel bij elkaar gegeeuwd. De ellenlange uiteenzettingen en beschouwingen rond het politieke karakter van Abacus waren zo saai dat ik er letterlijk ben bij in slaap gevallen. Gelukkig kon ik Iveta bereiken en samen hebben we een leukere baan voor mij gezocht. Ik geef Engels in de eerste graad van de middelbare school. Dat was tenminste leuk en afwisselend. Heel aangename klassen en dankbare leerlingen. Wist je dat ze van heinde en verre naar hier komen om onderwijs te volgen? Sommige leerlingen zijn twee uur onderweg om hier te geraken. En weet je wie er in mijn klas zit?”
“Euh, Jackie?”
“Haha, heel plezant, neen de kleinkinderen van inspecteur Abdi. En hoe was jouw dag? Oh, kijk we zijn er al. Het zal misschien nog wat chaotisch verlopen, mijn ouders zijn vandaag verhuisd. Maar ik heb met mijn moeder gewinkeld dus het diner zou in orde moeten komen.”
Pieter greep zijn ultieme kans: “misschien is het dan beter om eens later af te spreken? Ik wil de chaos niet nog groter maken. Wellicht hebben die mensen nu wel andere dingen aan hun hoofd dan mij te zien.”
“Maar neen, malloot. Natuurlijk willen ze jou zien en spreken. Trouwens dit is niet te vergelijken met de dag dat ik mijn eerste vriendje mee naar huis bracht.”
“Neen? Waarom voelt het dan zo aan?” vroeg Pieter zich stil af.
Jackie gooide wild de deur open en sprong zowat op Pieter.
“Rustig zusje,” zei Jane dreigend, “zoek je eigen speeltje.”
“Speeltje?” fluisterde Pieter terwijl hij achter Jane liep.
“Heb je liever dat ik je opa noem?” siste ze terug.
De ontmoeting met de ouders van Jane en Jackie verliep zoals Pieter had gevreesd. De moeder was vriendelijk, de vader afstandelijk. “Ongeacht de leeftijd van de dochter, de vader blijft de waakhond,” dacht Pieter. Gelukkig zorgde het geklets en gekibbel tussen Jane en Jackie voor voldoende animatie aan tafel. Na het diner nam iedereen plaats op de patio om na te genieten van de warme buitenlucht. Jane vlijde zich bij Pieter. “Ik kan nog steeds niet geloven wat we de afgelopen week allemaal hebben meegemaakt. Het is net of ik in een stroomversnelling zit. En we mogen ons tussen de gelukkigste mensen van de wereld prijzen. Als je ziet wat er in de buitenwereld allemaal aan de hand is.”
Jack Hutton vulde bedachtzaam aan: “en dit is nog maar het begin. Vandaag op het nieuws gezien dat het geweld overal escaleert. Het ziet er niet goed uit. Helemaal niet goed. Ik vraag me af wat ze zullen doen met Abacus als het werkelijk uit de hand loopt.”
“Misschien zal het nog allemaal meevallen,” probeerde mevrouw Hutton de stemming weer op te krikken, “er zijn nog crisissen geweest in de wereld. Iemand koffie?”
Jane kroop nog wat dichter bij Pieter: “een geluk dat ik jou ben tegengekomen. Anders was ik hier niet. Wie weet wat er dan van mij was gebeurd.”
“Je zou ook wel op jouw pootjes terecht gekomen zijn, daar heb je mij echt niet voor nodig,” relativeerde Pieter.
“Daar ben ik nog niet zo zeker van.”
Jackie stak haar vinger in haar mond en deed of ze moest kotsen. “Is het bijna gedaan? Je maakt me ziek met dat soort idiote gesprekken. Ik ga die koffie halen.”
Jack zuchtte: “de Indische en Chinese relaties zijn gesprongen. Ze geven nu elkaar de schuld dat die vermeende aanvalsplannen aan het licht zijn gekomen. De UN Veiligheidsraad is in ruzie uit elkaar gegaan. Stel je dat voor. Uit Delhi en Peking zijn de meeste ambassadeurs teruggeroepen en iedereen wordt sterk aangeraden die landen te verlaten. Deze middag toonden ze nog satellietbeelden van troepenconcentraties aan de grenzen,” parafraseerde Jack, “hoe dan ook, ik ben blij dat ik hier bij jullie ben. Ook met jou, Pieter. En ik wou je nog eens bedanken voor de goede zorgen die je aan mijn dochters hebt verleend.”
“De zeer goede persoonlijke zorgen voor Jane,” gooide Jackie als olie op het vuur terwijl ze terug kwam met een dienblad met kopjes en een kan koffie.
“Hoe dan ook,” vervolgde Jack die de opmerking opzettelijk negeerde, “ik ben blij dat jullie elkaar hebben gevonden en ik hoop nog veel van jou te kunnen zien Je bent hier steeds welkom.”
“Dank je,” was het enige dat Pieter kon uitbrengen, maar blijkbaar werd er niet meer verwacht. Hij vond dat hij het er nog goed van af had gebracht. Toen Jane en Pieter uiteindelijk naar de wagen liepen, werden ze plots opgeschrikt door een luid gekrijs. Een onvriendelijk uitziende baboon met ontblote gele slagtanden was door hen gestoord en liep krijsend en snuivend weg. Jane had het uitgegild en trilde, lachend om haar eigen reactie om daarna zachtjes te beginnen snikken.
“Ik ben ongerust Pieter. Over alles, de wereld rondom ons, misschien is dit hier zo snel voorbij en moeten we terugkeren naar Australië. Het is allemaal een beetje te veel. En dan de hele zaak rond Jonathan. Ach, ik ben ook moe van deze hele dag. Ik ben niet meer gewoon te werken, dat zal het wel zijn.”
Ze lachte door enkele tranen. “Kom, een goede nacht zal me deugd doen. En waag het niet om me wakker te houden want ik moet morgen om acht uur op school zijn. En het is al middernacht.”
Maar na enkele uren naar het plafond te staren, liet Pieter zich weer voorzichtig uit het bed glijden. Hij sloop naar de kleine leefkamer om zijn e-mails door te nemen. Met voldoening zag hij dat Paul zoals beloofd de specificatievergelijking had doorgestuurd. Hij opende het document dat aan de mail was gehecht. Pieter slikte eens toen hij de pagina telling zag verschijnen onderaan het bestand.
“Net geen honderd pagina's, bedankt Paul.”
Hij besloot door te zetten en probeerde alles zo goed als hij kon te begrijpen.  Na enkele bladzijden fronste hij zijn voorhoofd en mompelde: “dat is het, nu wordt het duidelijk.”
Hij opende zijn mail programma en begon driftig op het toetsenbord te tikken.
*
*   *

Hoofdstuk 36

Ian knoopte zijn badjas dicht en opende de deur. Pieter had ongeduldig aangebeld en op de deur geklopt.
“Wat kom jij hier doen?” vroeg Ian met een slecht humeur. Hij was die nacht pas rond twee uur gaan slapen en had daarnet gezien dat het vijf uur was. Zelfs voor hem was dat aan de limiet van het fatsoenlijke.
“Ook een goedemorgen, Ian, ik denk dat ik weet hoe Jonathan in de stampede is terecht gekomen. Of beter, hoe de stampede is tot stand gekomen. In ieder geval staat nu vast dat hij niet is omgekomen door een kogel.”
“Vertel me iets wat ik nog niet weet. Jij bent de man van de kogel-theorie. Gisteravond heeft Abdi me nog ingelicht rond het finale rapport van Oona en Kitwaela. Dus toch een ongeluk.”
“Neen, de moord is gewoon slimmer uitgevoerd.”
“Ik luister, je hebt mijn interesse. Maar nog niet mijn enthousiasme.”
“Sommige beveiligingsrobots werden gesaboteerd door oude software te herinstalleren maar die te laten voordoen als de nieuwste versie. De gewone dagelijkse scans pikten dit niet op. Enkel wanneer er een voor reparatie werd weggehaald kon worden uitgemaakt of ermee geknoeid was.”
“Je zal me wel uitleggen waarom er zich daar iemand mee zou bezighouden?”
“Dat vroeg ik me ook af. Tot gisteravond Jane als een gek gilde toen ze werd opgeschrikt door een gestoorde krijsende baboon. De kudde was door iets opgeschrikt. Eerst dachten we natuurlijk aan een schot, gezien de kogelhuls. Maar dan werd duidelijk dat, één, niemand iets gehoord had terwijl een schot van een dergelijke kogel uit zo'n kaliber tot hier zou gehoord worden. En, twee, uit analyse van de huls zou blijken dat die eigenlijk al een week daarvoor was afgevuurd. Wellicht tijdens het safari partijtje van Kik. Dus de kudde was niet opgeschrikt van een schot. De dieren zijn ook mensen gewend. Toen ik de weide inliep kwamen ze vriendelijk snuivend naar mij. Ik heb zelfs nog boe geroepen en in de handen geklapt. Weinig reactie. En toen las ik de verschillen tussen de software versies. Ik merkte op dat ze, voor ze ultrasoon gebruikten om roofdieren weg te jagen, experimenteerden met geluiden. De nieuwste versie ondersteunt enkel ultrasoon. De oerossen hebben een ongewoon sterk ontwikkeld instinct, dus welk geluid zou hen op de vlucht doen slaan? Inderdaad, het geluid van hun natuurlijke vijanden. De leeuw of een poema. Ik gok op het laatste want het gebrul van een leeuw is ook weer van ver te horen.”
“Dat is mooi,” reageerde Ian die geduldig had geluisterd, “maar het verklaart nog niet hoe Jonathan onder de poten van die dieren is terecht gekomen. kun je wat concreter worden?”
“Wel, ik denk dat ik een stuk kan verklaren. Hij moet ernaar toe gedragen zijn en daar neergelegd. De robots interpreteerden hem als een dier en werden geactiveerd. In plaats van ultrasone geluiden te produceren, begonnen ze te brullen als een roofdier. Met de stampede als gevolg.”
“Welk stuk kun je dan niet verklaren?”
“Waarom Jonathan uit het beveiligingscentrum wegging en naar de weide ging kijken. Maar daarin kun jij me helpen.”
“Hoe dan?”
“Volgens mijn inlichtingen werd hij gebeld door Iveta, je had hem blijkbaar iets vergeten te zeggen. Daarop is hij naar buiten gegaan waar een wagen hem stond op te wachten, toevallig toen het camerasysteem heropstartte na onderhoudswerken.”
“Iveta? Maar neen, die is hier de hele tijd bij mij geweest.”
“De hele tijd, zonder onderbrekingen?”
“Natuurlijk met enkele onderbrekingen. Maar geen enkele was zo lang dat ze eventjes op en neer kon rijden naar de weide. Trouwens, Pieter, je zou beter moeten weten. Ik vergeet niets tijdens mijn briefings.”
“We zullen Iveta vandaag ondervragen.”
“Natuurlijk. Dat moet een vergissing zijn. Ik zal ze onmiddellijk oproepen. Trouwens er zijn nog heel wat hiaten in jouw theorie. Die huls, om maar eentje te noemen. Als al die moeite werd gedaan om het als een ongeluk te laten lijken, dan laat de dader toch geen roodgloeiend spoor achter om het toch als moord te laten lijken? Ik weet iets van reversed psychology, maar reversed reverse psychology gaat toch een beetje te ver.”
“Daar heb ik ook een theorie over, maar die moet ik nog eens toetsen met Abdi.”
Ian keek op terwijl hij de hoorn aan zijn oor hield. “Betrek ook Bramaud in het hele verhaal. Hij is nu de nieuwe directeur beveiliging. Hallo Iveta, kun je naar mijn kamer komen alsjeblieft? Het is dringend.”
Ian draaide zich naar Pieter: “vreemd, dat was haar voicemail. Ze neemt niet op. Dat is ook de eerste keer sinds ik ze ken.”
“Ik denk dat we vandaag nog meer vreemde dingen zullen meemaken, Ian.”
“Je weet dat ik niet van onverwachte vreemde dingen hou, dus graag tot een minimum beperken, Pieter. Ik laat het je weten wanneer Iveta hier is.”
Pieter hoorde geluiden uit de slaapkamer. Een vrouw kwam naar buiten en ging naast Ian staan. “Pieter, mag ik je Lena voorstellen. Mijn echtgenote. Ik heb haar en de kinderen eindelijk kunnen overtuigen hiernaartoe te komen. En geen moment te vroeg.”
Pieter schudde de hand van Lena die vriendelijk zei: “al veel over u gehoord, meneer Van Dyck. Ik ben vereerd u te kunnen ontmoeten. Mijn excuses dat ik jullie stoorde, maar ik hoorde lawaai en wou zien of alles in orde was met Ian.”
“Neeneen, ik was net van plan om weer weg te gaan. We zullen elkaar vast en zeker nog dikwijls zien.”
Hij stapte uit de kamer en twijfelde wat hij nu zou doen. Zijn horloge lag nog in de suite maar hij schatte dat het ondertussen zes uur was. Nog te vroeg om Abdi te contacteren om verslag uit te brengen. De nachtwaker keek slaperig op toen Pieter voorbij kwam en de frisse tuin instapte. In de opkomende zon glinsterde het gladde wateroppervlak van het zwembad, hier en daar onderbroken door een rimpeling als een insect op het water botste. Pieter legde zich languit op een van de rustbanken. 
De kreet die vanuit een van de kamerbalkons klonk, deed hem denken aan de krijsende baboon. Hij keek op en zag twee mensen opgewonden naar iets wijzen in het zwembad. Pieter stond op en probeerde tegen de glinstering in een detail te zien in het water. Hij boog zich voorover en zag tussen het flikkerende licht het lichaam op de bodem liggen.
*
*   *

Hoofdstuk 37

Het was al na de middag toen dr. Kitwaela het vergaderzaaltje binnenstapte om verslag uit te brengen aan de aanwezigen. De kamer zat goed vol. Aan het hoofd van de tafel zal Ian, geflankeerd door Iveta en Marsha. Kitwaela zag inspecteur Abdi, Pieter, Vince Smith. Enkele mensen kende hij niet. De ogen van Marsha waren omwald en haar anders natuurlijk bruine huid was bleek en vaal. Iedereen keek vol verwachtingen naar hem. Hij besloot met de deur in huis te vallen.
“Vladimir was stomdronken. Wat vreemd is. Hij is gestruikeld, heeft zijn hoofd gestoten en is in het water gesukkeld en verdronken.”
“Alweer een verdacht ongeluk,” merkte Pieter op, “niet echt utopisch deze plaats hier. Waarom zei je vreemd? Weten we het tijdstip van overlijden?” Hij verviel in zijn slechte gewoonte verschillende vragen na elkaar te stellen en dan niet meer te weten wat de eerste vraag was.
“Vreemd? Euh ...,” dr. Kitwaela keek naar Ian die nauwelijks merkbaar zijn hoofd schudde. Enkel Pieter had het gezien. Kitwaele ging verder: “niet vreemd bedoel ik, als je de hoeveelheid alcohol in zijn bloed zag. En rond het tijdstip, volgens mijn metingen moet het rond vier of vijf uur deze ochtend zijn gebeurd. Eigenlijk niet lang voor jij hem vond. Toen je hem uit het water haalde was hij reeds een goed uur dood. Er was niets meer dat je kon doen.”
Met moeite hadden Pieter en enkel vroege gasten het zware lichaam van Vladimir uit het water gehaald. Ze hadden elkaar afgewisseld in de verwoede pogingen hem te reanimeren, maar tevergeefs.
“Zijn er verbanden met de moord op Jonathan?” vroeg een van de mannen die Kitwaela niet kende. Hij keek vragend naar mr. Abdi. Die knikte.
“Op het eerste gezicht niet. Of we hebben hier te maken met iemand die een meester is om moord te verdoezelen. Op het lichaam van Jonathan waren ook geen sporen van geweld gevonden. Was het niet omwille van die kogelhuls dan waren we het er nu allemaal over eens dat hij jammerlijk door die kudde is vertrappeld. En u bent?”
“Mijn excuses, de naam is Bramaud. Philippe Bramaud. Ik ben het nieuwe hoofd beveiliging en zal binnen de grenzen van Abacus het onderzoek persoonlijk leiden,” antwoordde Bramaud met overdreven nadruk op persoonlijk. Abdi keek streng naar hem waarop hij gehaast aanvulde: “in nauwe samenwerking met de officiële instanties, in het bijzonder inspecteur Abdi.”
Pieter had Ian nog nooit nerveus gezien, maar het getrommel van zijn vingers op de tafel getuigden van zijn innerlijke toestand. Hij schoot uit: “wat is er hier toch aan de hand? Tien jaar lang was het enige noemenswaardige feit een baboon die de pet van een bouwvakker had gepikt en nu, nu dat we goed van start kunnen gaan, hebben we het ene ongeluk na het andere.”
Hij zweeg maar niemand wou er iets aan toevoegen. Ian ging verder: “gisterenavond heb ik nog een overleg gehad met Vladimir en Juergen. We hebben de toestand van Abacus in detail besproken. Vooral het rapport van Vince rond de informatiediefstal hebben we doorgelicht. Bottom line is dat er informatie lekt van Abacus naar de buitenwereld. Het is als een tunnel. De tunnel wordt van hieruit geopend en tegelijk aan de andere kant. Telkens wordt een andere techniek gebruikt. Maar het is met hulp van binnenin. Vladimir had vermoedens, hij had een theorie opgebouwd net zoals jij vanmorgen Pieter, maar hij ging terugkomen naar ons met harde bewijzen en wou nog niets zeggen.”
“Nogal erg toevallig, niet?” onderbrak Abdi, “wie was er allemaal in die meeting gisteren?”
“Die was besloten. Vladimir, Juergen, Iveta en Marsha. En ikzelf.”
Abdi richtte zich tot Vince: “kunt u ons zeggen wat er in uw rapport stond?”
Vince antwoordde wat ongemakkelijk, “dat weet u toch, inspecteur? U hebt het rapport samen met Ian gekregen.”
“Ik weet het, maar de anderen hier rond de tafel niet. Ik denk dat het nuttig is dat iedereen op de hoogte is.”
Vince schraapte zijn keel, hij hield er niet van om in een grote groep te spreken. “Onze forensische experten toonden aan dat er van verschillende computers werd ingebroken op de cruciale systemen. De aard van de inbraken leidde tot de conclusie dat, één, de persoon, of personen, in kwestie een heel gesofistikeerde kennis hadden in hacking technieken via onconventionele kanalen en twee, dat sommige inbraken werden uitgevoerd van computers die behoorden tot, wel, euh, tot die van u, Ian.”
Er ging een geroezemoes door de zaal.
“Maar ook die van Vladimir en van Juergen.”
Abdi vervolgde: “en weet u misschien wat de theorie van Vladimir was?”
“Neen, deze ochtend zou ik met hem een vergadering hebben. Marscha heeft die nog in mijn agenda geplaatst. Het enige wat hij mij nog vertelde is dat enkele hackers voor hem een soort specifieke stealth peilers hadden geschreven. Deze zouden zich aan de informatie die de bots doorsturen hechten en ons zo kunnen leiden tot de identiteit van de ontvanger. Een soort traceerder als je wil. Maar de details ken ik er niet van. Dan zou iemand in zijn computer moeten kijken.”
Marscha maakte een aantekening en zei: “ik zal ervoor zorgen dat Vladimirs computer tot bij jou geraakt, Vince.”
Bramaud onderbrak haar: “neen, stuur hem naar mij. Ik leid het onderzoek.”
Ian zwaaide ongeduldig met zijn hand: “zorg dat die computer onderzocht wordt. Philippe, Vince heeft een aantal deskundigen. Gebruik ze. We zijn een team, geen cavalier seul.”
Ian keek naar Pieter, aarzelde om iets te zeggen maar stond dan op, “ik denk dat jullie allemaal weten wat te doen. Ik wil jullie hier allemaal terugzien vanavond om acht uur. Deze kamer is van nu af de war room. Tot we dit hebben uitgespit.”
Pieter ging voor Ian naar buiten en leunde naar hem: “goed dat je niet naar mijn theorie hebt gevraagd.”
Ian fluisterde terug: “maar iemand in die zaal is nu wel erg ongerust. En jij moet extra oppassen want jij bent nu mijn aas, mijn lokeend.”
“Waarom heb ik nu toch een déjà vue?” vroeg Pieter zich af.
Zijn telefoon rinkelde, het was Francesca.
“Pieter, ik heb goed nieuws. Het huis is klaar. Je kunt er wat mij betreft direct in.”
“Mooi, dat is inderdaad goed nieuws. Die kamer begon me te vervelen. Ik zal natuurlijk alle actie van het hotel moeten missen.”
“Vince heeft me er iets van verteld. Vladimir was een goede kerel. Het is vreemd dat hij dronken was, zeker enkele dagen voor zijn transplantatie. Hij was zo trots op zichzelf.”
“Hoe bedoel je?”
“Weet je dat niet? Toen ik samen met hem een huis zocht heeft hij me een en ander verteld. Zijn lever was er helemaal aan, als een echte Rus kapotgezopen in zijn jonge jaren. Hij zou hier een experimentele transplantatie ondergaan. Drinken en vet eten waren helemaal uit den boze.”
Verbaasd vroeg Pieter: “wie wist dat allemaal?”
“Ik denk niet veel mensen. Zijn naaste medewerkers. Ian, Marscha, enkele van de dokters van team Kitwaela. Hij zat er wat verveeld mee dat hij het aan mij vertelde en ik moest zeker mijn mond houden. Ik heb nu eenmaal de gave dat mensen mij allerlei zaken toevertrouwen.” Ze klonk tevreden met zichzelf. Nu begreep Pieter de reactie van dr. Kitwaela, maar nog niet die van Ian. Het was wel duidelijk dat Ian, en niet Bramaud of Vince, het onderzoek in handen had genomen. Op zijn eigen sluwe manier.
Abdi tikte op zijn schouder: “ik denk dat wij eens ons onderzoek moeten verder zetten, denk je ook niet?”

*
*   *

Hoofdstuk 38

Iveta zat zenuwachtig voor de twee mannen. Ze aarzelde voor ze haar antwoord formuleerde: “ik was bij Marsha.”
Pieter keek verbaasd. “Jullie beginnen wel vroeg te werken. Het was misschien iets na half zes toen Ian je probeerde te bellen.”
Iveta schuifelde op haar stoel. “Ik was de hele nacht bij haar. We zijn bij elkaar. We zijn een stel.”
Pieters mond stond een beetje open wat hem een dwaas uitzicht gaf.
Geïrriteerd door zijn reactie snauwde ze: “wel, nog nooit een lesbische gezien misschien? Of moet ik het voor jou tekenen?”
“Sorry, Iveta. Ik zag dat gewoon niet aankomen,” stamelde Pieter onhandig.
Abdi redde de situatie door weer een vraag te stellen: “dus jij hebt Vince gebeld op zijn mobiel. Dan heb jij met Jonathan gesproken en even later werd hij opgepikt door een wagen. Wat heb je met hem besproken?”
Ze schudde haar hoofd: “ik heb helemaal niet met hem gesproken. Ik herinner me wel dat ik mijn mobiel een tijdje heb laten liggen op het kantoor van Vladimir. Ik was er samen met Ian en Marsha in een vergadering. Ik weet dat ik toen nog ben teruggelopen om het ding te gaan halen.”
Abdi stak zijn hand uit: “mag ik het eens zien?”
Ze haakte de smartphone los van haar riem, tikte de code in op het aanraakscherm en gaf het toestel aan Abdi. Die zette zijn leesbril op en begon door het menu te gaan. Na een tijdje gaf hij het haar terug.
“Dus iemand anders moet Vince hebben gebeld,” concludeerde Abdi.
“Dat moet wel.”
“En aan wie denk je?”
Ze haalde haar schouders op: “wat wil je dat ik zeg, Marsha zeker? Zij is de enige die mijn code kent. We hebben ons werk zo geregeld dat we elkaars back-up zijn.”
“Dus de PA's van Ian en Vladimir. Hoe lang kennen jullie elkaar al?” kwam Pieter tussenbeide.
“Enkele jaren. We hebben elkaar voor het eerst ontmoet op een galabal in Milaan. Marsha was toen al de PA van Vladimir. Zij heeft me in contact gebracht met Ian en zo ben ik zijn assistente geworden.”
Abdi vervolgde: “ik heb eigenlijk nooit begrepen waarom iemand de assistent wil worden van een bedrijfsleider. Zeker niet iemand zoals jij, met jouw palmares. Een doctorandus computerwetenschappen van de polytechnische universiteiten van Milaan en Praag.”
Ze reageerde heftig: “meneer Abdi, de assistent van een bedrijfsleider is niet iemand die koffie zet. Het is zijn vertrouweling, zijn eigen consultant. Het is iemand die ervoor zorgt dat binnen het bedrijf alles op rolletjes loopt. Ik neem beslissingen voor hem zodat hij zich kan concentreren op wat er belangrijk is voor het bedrijf en zijn aandeelhouders. Trouwens, Marsha heeft dezelde diploma's als ik. In bedrijven is de stap naar PA een stap in de richting van het hoger management.”
“Dat hebt u mooi gezegd, Iveta,” paaide Abdi, “ik heb geen vragen meer. Trouwens daar is ze al, Marsha. Bedankt voor uw medewerking, we zullen je niet meer lastig vallen.”
Ze stond op maar Pieter stopte haar. “Dus je weet dat Ian je nog gebeld heeft deze ochtend, zo rond vijf uur dertig?”
“Ja, ik had een missed call deze ochtend. Ik heb hem dan later terug gecontacteerd.”
Iveta liep Marsha tegemoet en drukte haar hand in een bemoedigend gebaar.
“Ik dacht dat je gisteren Marsha had ondervraagd terwijl ik naar Vince ging?” vroeg Pieter aan Abdi.
“Neen, maar ik heb wel een interessant gesprek gehad met Juergen.”
Marsha kwam aan hun tafeltje zitten. Een donkere zonnebril verborg de gezwollen ogen in haar bleke gezicht. Ze schoof haar bril omhoog in haar zwarte lange haar en knipperde tegen het licht.
“Alles goed, Marsha?” vroeg Pieter bezorgd. Ze zag er écht beroerd uit. 
“Barstende hoofdpijn,” kloeg ze terwijl ze gulzig uit een van de flesjes water dronk die op het tafeltje stonden, “en tot overmaat van ramp vind ik Vladimirs computer niet.”
“Neen, echt waar? Hoogst interessant. Heb jij met Jonathan gesproken die bewuste middag en daarvoor de telefoon van Iveta gebruikt?” begon Abdi.
Ze keek hem verbaasd aan. “Neen, dat heb ik niet gedaan. Ik heb de afgelopen weken Ivetas telefoon niet meer gebruikt.”
“Iveta beweerde nochtans dat ze haar mobiel vergeten was. Dat na een meeting met jullie, die toevallig rond dat tijdstip bezig was. De timing kan dus kloppen.”
“Iveta haar mobiel vergeten? Haha, that will be the day. Neen, ze is hyper zorgvuldig. Vergeet niet dat in dat toestel ongeveer alle vertrouwelijke informatie van Ians bedrijf zitten. Ze ging met dat ding slapen want ze wou steeds bereikbaar zijn voor Ian. Ze had zelfs een speciale ringtone voor hem mocht hij 's nachts bellen. Andere nummers zouden geen signaal geven, enkel het zijne wel. En ze veranderde iedere dag de code.”
“Hoelang kennen jullie elkaar al?” vroeg Pieter.
“Al enkele jaren. We hebben elkaar ontmoet op een feestje in Milaan waar alle grote consultants hun jaarlijkse bijeenkomst hadden. Ze was werkelijk prachtig in haar lange zwarte avondkleed met een duizelingwekkende naakte rug. De hele who's who was er en stond naar haar te kijken. Voor mij was het liefde op het eerste zicht. Weet je, ik heb haar nog aan Ian voorgesteld.”
Pieter stelde opnieuw een vraag: “als de hele who's who er was, waren er toen nog mensen aanwezig die nu ook hier zijn?”
Zonder te moeten nadenken repliceerde Marsha: “Juergen natuurlijk. Die had toen pas zijn promotie op zak. Hij was de jongste van alle CEO's maar volgens mij wel de brilliantste. Hoewel Vladimir er steeds moeite mee had dat Ian er zo hoog mee opliep. Hij vond er maar niets aan.”
Marsha blies haar kaken vol en liet de lucht sputterend ontsnappen: “ik voel me écht niet goed. Ik had nooit gedacht dat de dood van Vladimir me zo zou aangrijpen.”
“Waarom denk je dat Vladimir zoveel heeft gedronken enkele dagen voor zijn transplantatie?”
Abdi keek verrast op wat bij Pieter een goed gevoel teweegbracht. “Eén-nul voor Pieter,” dacht hij zelf.
“Vladimir was een sterk karakter. Ik kan het bijna niet geloven. Moest je weten wat hij daarvoor allemaal heeft gelaten. Het is me een raadsel wat er is gebeurd opdat hij weer zou drinken. En dan nog zoveel.”
“Heb jij veel gedronken gisteren?” vroeg Pieter, “het is duidelijk dat je een kater hebt.”
“Het voelt als een kater, maar neen, ik heb niet noemenswaardig veel gedronken.” 
Ze was oprecht in de war. “Ik zal iets verkeerd hebben gegeten.”
“Was Iveta bij jou vannacht?”
“Ja, inderdaad, tot we vanochtend werden wakker gebeld met het nieuws van Vladimir.”
“Heb je de telefoon van Iveta gehoord zo rond vijf uur dertig, kwart voor zes?”
“Neen, ik ben van niets wakker geworden deze nacht. Iveta heeft blijkbaar vijf minuten aan mij moeten schudden.”
Abdi gebaarde dat het gesprek ten einde was en Marsha stond op. Ze zette de zonnebril terug voor haar ogen. “Ik wou dat ik de rest van de dag vrij kon nemen en daar onder die bomen kon zitten. Maar ik moet die verduivelde computer proberen te vinden. Geen idee waar hij die zou hebben gelegd. Mag ik die flesjes water?”
Ze stond op van het tafeltje en Pieter riep haar na: “vette vis, eet veel vette zalm. Dan ben je het snelst van die kater af!”
Abdi rekte zich uit: “Pieter, ik denk dat je hier eens naar moet kijken.”
Uit zijn aktetas haalde hij een dunne computer en zei: “de laptop van Vladimir.”
*
*   *

Hoofdstuk 39

Bramaud kwam woest afgestapt. “Wat is hier aan de hand? Waarom ondervragen jullie mensen zonder mijn toestemming?”
Zonder op te kijken van zijn papieren antwoordde Abdi droog: “zolang jij een verdachte bent in deze zaak, zal je geen toegang krijgen tot de zaak.”
“Dat is niet wat ik met Ian heb afgesproken. Je hebt hem zelf gehoord.”
“Ian had in het hele onderzoek niets meer te zeggen vanaf het ogenblik dat we hebben aangetoond dat Jonathan niet door een ongeluk is omgekomen, maar wel degelijk is vermoord. Pieter heeft dat gisteren onomstotelijk bewezen. Dat maakt het overlijden van Vladimir automatisch verdacht. En ik ben diegene die beslist wie er verdacht is en wie niet.”
“Ik neem het op met Ian, dit is ongehoord,” brieste hij en liep weer weg.
Pieter keek naar de computer die Abdi had boven gehaald.
“Zal ik misschien niet vragen hoe je aan dat ding komt?”
“Geen nood, ik heb het niet gestolen. Vladimir heeft het me gisterenavond zelf gegeven, samen met zijn paswoorden. Hij noemde het zijn verzekering mocht hem iets overkomen. Ik heb hem nog bescherming aangeboden maar dat heeft hij weggewuifd met de woorden dat wie er ook achterzat nu ook weer niet zo snel handelde.”
“Daarin heeft hij zich dus vergist.”
“Vince en mijn teams hebben vannacht niet stilgezeten. Ik kan je verzekeren dat jij niet de enige was die vorige nacht niet veel heeft geslapen. Ah, daar is mijn volgende getuige al, ik denk dat je hem ook kent.”
Pieter keek om en zag tot zijn schrik een boos kijkende Brian afkomen.
“Ohoh,” was het enige dat Pieter kon uitbrengen. 
Abdi vond de situatie heel plezierig. “Ja, hij heeft klacht ingediend tegen jou wegens slagen en verwondingen. Ik heb hem gezegd dat in onze matriarchale cultuur een man die zijn of een vrouw slaat wordt gecastreerd, dus dat hij zich beter koest houdt. Ik denk dat hij het heeft gesnapt. Hij is hier om mijn theorie te weerleggen of te ondersteunen. Ik ben eens benieuwd.”
De sfeer aan het tafeltje kon men niet onder de noemer “aangenaam” catalogeren. Maar de getuigenis van Brian was duidelijk. Na de rake klap van Pieter was zijn neus danig aan het bloeden dat sommige van de omstanders hem hadden verzorgd. Eén iemand had hem zelfs bloedstelpende watten gegeven. Daarna was hij toch maar teruggekeerd in de bar. De sfeer was er nog steeds uitgelaten en de drank vloeide rijkelijk. En ja, hij herkende Vladimir als een van de party-gangers. “Maar,” voegde hij eraan toe, “voor een Rus dronk hij vreemd genoeg fruitsap en spuitwater.”
Een van de twee vrouwen, de blonde van de twee, was diegene die hem had verzorgd. In het gezelschap gedroeg ze zich bijzonder flirterig en keek erop toe dat de anderen steeds volle glazen hadden. Ze had zelfs geprobeerd de kelner een fooi gegeven om ervoor te zorgen dat iedereen meer dan genoeg drank had. Zo rond middernacht was de bar onherroepelijk dichtgegaan, maar enkelen konden de bartender overtuigen enkele flessen wodka en whisky uit de bar mee te geven. De vier gingen met de flessen naar de hoogste verdieping. Hij had ze daarna niet meer gezien, tot hij deze ochtend wakker werd en aan het ontbijt het nieuws hoorde.
Hij wreef over zijn pijnlijke neus.
Toen hij weer weg was, vroeg Pieter: “dus we hebben een getuige dat Vladimir de hele avond nuchter was, dat Iveta een flirterige bui had en dat Marsha zich wel degelijk een flinke kater heeft gedronken. En dat de jonge Juergen zich ook eens heeft laten gaan. Lijkt me een leuk feestje, maar het verklaart helemaal niet waarom Vladimir klaarblijkelijk dronken in het zwembad is gesukkeld.”
Abdi knikte langzaam: “dat is inderdaad vreemd, nietwaar.”
Hij boog zich naar Pieter: “daarom heeft hij mijn theorietje bevestigd. Maar eerst wil ik dat je nog eenmaal iets voor mij doet.”
Pieter knikte hoopvol. 
“Verhuizen naar je nieuwe woonst. En zorg dat je hier om acht uur bent.”

*
*   *

Hoofdstuk 40

Verhuis was een groot woord om wat kleren in een reiszak te gooien en naar het nieuwe huis te rijden. Tot zijn verrassing was Jane al spullen in de kasten aan het stoppen. Hij herkende haar reistassen van toen hij ze voor het eerst had gezien, druipnat op de zinkende zeilboot.
“Wat doe jij hier? Heb je na een dag werken al vrij gekregen? Ik zou ook leraar moeten worden.”
“De stress in het onderwijs is niet te onderschatten. Neen, blijkbaar is het vandaag woensdag en is er een vrije namiddag. Dus heb ik maar besloten om onze eerder schrale voorraad kleren en voedsel aan te vullen. Vreemd toch hoe snel je alle besef van dagen verliest eenmaal dat je hier bent, vind je niet?”
Hij kruiste zijn armen over haar buik en kuste haar in haar nek. Hij prutste de bovenste knopjes van haar lichtblauwe blouse los. “En wat eten we vanavond schat?”
Ze maakte zich los uit zijn omhelzing en tikte op zijn vingers. “Je mag eens een ander shirt aantrekken, hier doe dit hemd aan. Ik hoop dat het past. Mijn moeder vond het ook mooi.”
“Alles voor schoonmama. We zijn nu als een tweeling met onze blauwe hemdjes,” bromde hij terwijl hij tegen zijn zin het hemd aantrok. In één adem ging ze verder, eindelijk met een antwoord op zijn vraag: “heb ik je trouwens ooit verteld dat ik niet kan koken? Ik vrees dat de keuken jouw domein wordt. Weet je nog die avond op Egmont?”
“Hoe kan ik die vergeten. Met jouw kapotte knie. Eigenlijk heb ik jou nog nooit ongehavend gezien. Ben jij eigenlijk wel knap onder al die blauwe plekken en korsten opgedroogd bloed?”
“Veel te knap voor jou, dat is zeker,” lachte ze en holde door de gang parallel met de binnentuin. Vanuit een kamer riep ze: “weet je wie ik vandaag nog gezien heb? Brigitte, herinner je haar nog? Die met die grote jeweetwelwat waar je je ogen niet kon van afhouden. We zijn volgende week bij hen uitgenodigd voor een avondje doorzakken.”
“Mooi,” riep Pieter vanuit de keuken, “ik kijk er alweer naar uit. Letterlijk en figuurlijk. Ik hoop dat ze een privé zwembad hebben.”
Pieter zette het televisietoestel aan. De situatie in de wereld begon dramatisch te worden. Hij zag beelden van stromen mensen die uit de grote steden wegtrokken. Chicago, New York, Los Angeles, Parijs, Rome, Moskou, Sydney. De beurzen hadden hun activiteiten gestaakt. In parlementen rond de wereld was de sfeer te snijden en gingen volksvertegenwoordigers met ministers op de vuist. Pieter ging snel door de zenders. Een andere reportage toonde hoe verschillende militaire installaties werden bemand. Amerikaanse troepen werden bijna non-stop aangevoerd naar Oost Europa, maar ook naar Tibet, Laos, Mexico. Ian zou wel eens gelijk kunnen hebben. De beschaafde wereld stond op de rand van haar afgrond.
“Schat, waar ben je?” riep hij naar Jane.
Na enkele seconden riep hij nog eens, zonder reactie. Hij stond op om haar te zoeken in de slaapkamer. Benieuwd naar wat ze nu voor hem in petto zou hebben.
De stem die hij hoorde klonk bekend, maar hij kon ze niet direct plaatsen.
“Kom erbij Pieter. We zullen dit niet langer laten duren dan nodig.”
Pieter keek niet naar de jonge, blonde kerel maar naar de dreigende vuurmond van de geluidsdemper op het pistool. Het pistool was zonder trillen gericht op het middenrif van Jane die bleek tegen de rand van het bed aangedrukt stond.
“Je bent een lastpost geweest de laatste dagen, meneer Van Dyck. Gelukkig komt daar nu een einde aan. Het is jammer dat je in jouw avonturen een onschuldige Jane meesleurt. Ik vind het echt een verspilling, maar het is nu eenmaal zo.”
“Dus jij bent diegene die achter de moord op Jonathan en Vladimir zit.”
“Dat zou te eenvoudig zijn, Pieter. Het ligt iets ingewikkelder. Ik werk niet alleen. Zoals Ian het eerder zei: we zijn een team. En ik mag zeggen dat ik een sterk team heb. Nog niemand is door de mand gevallen, zelfs niet de laatste dagen. Ik ben trots op hun snelle improvisaties. En dat is nu iets wat jullie niet kunnen. Jullie zitten vast in starre processen die moeten gevolgd worden.”
“En hoeveel bracht het je allemaal op?”
“Hahaha, Pieter, dat is een bedrag dat jij je niet eens kan voorstellen. Genoeg om veilig en zeer comfortabel te leven. Misschien zal ik wel jouw mooie huis op Egmont betrekken. Als ik de verhalen van Bramaud mag geloven is het een klein paradijs op aarde. En binnenkort weet de wereld niet eens meer dat er een Egmont eiland bestaat. Die oude Ian zal op zijn neus kijken en mij nu wel serieus nemen. Hij zal me niet langer enkel beschouwen als zijn computer whizzkid. Zijn digitale Harry Potter.”
“En wie zit hier nog allemaal achter?”
“Pieter, Pieter, genoeg gepraat. Ik heb voldoende slechte films gezien waarin getracht wordt om tijd te winnen. Daar trap ik niet in.”
Hij richtte het pistool op Jane en schoot enkele keren op haar. Het giftige gedempte geluid was amper te horen maar de kogelinslagen klonken als mokerslagen in Pieters oren. Janes lichaam werd door de weerslag van de kogels opgetild en ze zonk neer tegen het bed. Haar ogen smekend kijkend naar Pieter. Snel groeiende vlekken bloed bezoedelden haar nieuwe blouse. Pieter brulde en stormde naar Juergen die rustig mikte en schoot. Het laatste wat hij zou voelen waren de doffe klappen op zijn borst.

*
*   *

Hoofdstuk 41

“Zo Juergen, dat is een gedrag dat ik toch niet kan goedkeuren,” klonk het ernstig. Juergen draaide zich vol ongeloof om en keek in de koude ogen van Ian. Naast hem stond Vince. De laatste had zijn wapen op Juergen gericht.
“Probeer niks uit te halen. Er staan buiten nog enkele scherpschutters. Eén beweging die hen niet aanstaat en je volgt jouw twee slachtoffers in de vergetelheid. Moesten die trouwens écht dood? Ik kan me voorstellen dat Pieter dicht tot bij de waarheid was gekomen, maar ook Abdi en ik hadden méér dan sterke vermoedens.”
“Wie zegt dat jullie dan niet aan de beurt kwamen?” snauwde Juergen, “jullie tijd komt ook nog wel. Niemand interesseert het wat hier is gebeurd.”
“Ik ben altijd geïnteresseerd in een goed verhaal.” Abdi was binnengekomen met enkele van zijn agenten die Juergen ontwapenden en in de boeien sloegen. “Breng hem weg naar het hoofdkantoor. We hebben in Somalië aangename verblijfplaatsen.”
Ian keek naar de lichamen van Jane en Pieter. “Eigenlijk best een aardig stel.” Hij boog zich over Pieter en tikte zacht op zijn wang. Een onduidelijke kreun kwam uit zijn mond en Pieter sloeg zijn ogen in verbazing open, alsof hij iets helemaal anders had verwacht.
“Wat in hemelsnaam?” Hij greep naar zijn pijnlijke borst. Zijn ademhaling ging piepend, het leek alsof iemand een plaat van een ton op hem had gelegd en er nu een dansje op deed. “Jane? Jane?” Hij kroop langs het bed en nam haar in zijn armen. Ook Jane kwam met een pijnlijke blik weer bij. Toen ze het gezicht van Pieter zag, glimlachte ze. “Hallo daar, wat vond je van mijn verrassing?” Ze probeerde rechtop te gaan zitten maar greep naar haar buik. “Man, het is precies of ik duizend sit-ups heb gedaan.” Ze keek naar Ian: “dàt heb je me niet verteld.”
Pieter keek wat dom rond en begreep er niet veel van. Ian keek schuldig naar haar en zei: “liefste Jane, die polymeer pantsers staan nog niet helemaal op punt. Ze zien er al goed uit, maar het polymiserende oppervlak moet nog beter aangepast worden aan de energie van de inslag zodat, euh, bijwerkingen kunnen vermeden worden. Het bloedeffect is wel heel geslaagd.”
“En wat is een polymeer pantser?” vroeg Pieter.
“Een geavanceerd kogelvrij vest. Een traditioneel vest konden we jullie niet aantrekken. Valt nogal op en dan zou Juergen wellicht op jullie hoofden hebben gemikt. Ironisch genoeg is dat één van de projecten waar Vladimir over waakte. Dus Juergen was niet eens op de hoogte van dat project. Die was in zijn honger enkel geïnteresseerd in offensieve technieken, niet defensieve. Zoals je merkt ziet het eruit als een gewoon hemd of blouse. Maar als er een plotse energievrijgave is, zoals de impact van een kogel, dan polymiseert de stof op en rond de inslag tot een ultra hard pantser. Als de energie van de impact weer verdwijnt, gaat ook het pantser weer weg na verloop van tijd.”
“En jij wist hiervan?” vroeg Pieter aan Jane. 
“Ja, mister Abdi had me vanmorgen benaderd. Hij legde me het plan uit en ik heb geen moment getwijfeld.”
“Zijn jullie gek? Dat je mij als lokeend gebruikt, daar kan ik nog inkomen. Dat ben ik ondertussen al gewoon. Maar betrek haar er toch niet in.”
“Zeg,” kwam Jane tussenbeide, “ik kan ook wel mijn mannetje staan hoor. Jij moet niet steeds met alle actie weglopen.”
“En wat als Juergen nu op onze hoofden had gemikt? Wat dan?”
Abdi wees naar buiten. “In de struiken zaten onze beste scherpschutters. Bij het minste teken dat hij het wapen zou hoger gericht hebben hadden ze hem neergelegd. En wees gerust, hij zou op slag dood zijn geweest. Maar we hadden zijn spontane verklaring nodig. Vreemd toch dat moordenaars altijd weer hun daden willen uitleggen aan hun slachtoffers. Zelfs al denken ze het niet te doen.”
“Wel, de volgende keer, maar gelukkig zal er geen volgende keer zijn, zou ik het wel op prijs stellen dat jullie me inlichten over zulke snode plannetjes.”
Ian klopte hem op de schouder en zei: “maar Pieter, je reageert altijd zoveel beter als je het niet op voorhand weet! Kom, ik wil niet te laat zijn voor mijn eigen war-room vergadering.”

*
*   *

Hoofdstuk 42

Om klokslag acht uur kwam Ian met Iveta de vergaderzaal binnengelopen. Hij leek tevreden en zei als introductie: “ik zie dat iedereen aanwezig is. Juergen laat zich excuseren, hij had een dringende afspraak.”
“De laatste dagen zaten vol verrassingen en commotie. Tien jaar hebben we ongestoord kunnen werken aan project Abacus. Nu dat we Abacus ten volle konden benutten, werden we geplaagd door ongevallen en zelfs regelrechte moord. Meer dan tien jaar heb ik aan deze plek gewerkt. De eerste zeven jaar in het grootste geheim, de laatste jaren meer in het openbaar. In de veronderstelling dat de mensen die samen met mij dit hebben opgebouwd het ook zouden doen met dezelfde ingesteldheid. Een veilige haven waar los van alle politieke, militaire, godsdienstige krachten aan vooruitstrevende technologieën en innovatie kon gewerkt worden. Om dan langzaam te groeien tot een samenleving die model kon staan voor een nieuwe wereld. Een beschaving waar nu ook daadwerkelijk de nacht over gevallen is. In dit wereldconflict is Abacus helemaal neutraal, en zullen we geleidelijk vergeten worden door de buitenwereld. Ook de komende jaren zullen we ongestoord kunnen verder werken, innoveren, uitvinden. Alle projecten binnen Abacus zijn de opstartfase voorbij en zijn volledig actief. Dat wil zeggen dat we vanaf nu niet meer afhankelijk zijn van de buitenwereld om aan onze behoeften te voldoen.“
Hij stopte eens en realiseerde zich dat dit niet de tijd noch het publiek was om over de toekomst uit te weiden.
“Het is dan ook jammer dat de laatste dagen duidelijk is geworden dat niet iedereen dezelfde droom of visie deelt. Maar dat ook dit ontwikkelingsproject werd misbruikt om geld en macht te vergaren. Tot mijn eigen ergernis heb ik moeten ervaren dat de menselijke eigenschappen, hebzucht en machtswellust, ons project hebben vergiftigd. En dat tot aan de top en tot in de wortels van deze organisatie. Gelukkig hebben we tijdig kunnen ingrijpen en dank zij het werk van enkele doordouwers, zijn we erin geslaagd de schuldigen, de rotte appels, te identificeren.”
Ian keek naar Abdi. “Onze inspecteur Abdi zal een overzicht geven van zijn bevindingen over de afgelopen dagen.”
Een beetje theatraal stond Abdi recht. Het deed Pieter denken aan een slotscène uit een verhaal van Agatha Christie, waarin Poirot de karakters van het boek samenroept in de statige ontvangstkamer van het oude herenhuis om de dader te ontmaskeren.
“Sinds enkele maanden wisten we, dankzij het werk van Vince Smith en zijn team, dat er op onregelmatige tijdstippen geheime informatie werd gelekt naar de buitenwereld. De technieken die werden toegepast waren gesofistikeerd, erg gesofistikeerd. Het vermoeden was dat hier wel degelijk een groep erg begaafde computerdeskundigen aan het werk was. Toen we Ian op de hoogte brachten, besloot die enkel met Vladimir te spreken. Het was toen al Ians idee om aan ieder van zijn naaste medewerkers een specifieke verantwoordelijkheid te geven. Hij gaf aan Vladimir alles wat met veiligheid en aan Juergen alles wat met onderzoek en innovatie te maken had. Naarmate meer mensen in Abacus arriveerden en aan hun projecten werkten, begon ook de intensiteit van de diefstallen te verhogen. Vladimir contacteerde daarop enkele van zijn vrienden die op hun beurt sensors plaatsten op verschillende laptops, tablets, computers, mainframes en zo verder. En dan was het enkel geduldig afwachten tot iemand zou bijten. Jonathan was een vervelende zaak. Ian had laten uitschemeren dat die een computerfreak was die snel komaf zou maken met de diefstalpraktijken. Ian had ook vermeld dat er sporen waren gevonden dat de supercomputer op Diego gebruikt was om binnen te dringen in de systemen van Abacus. En dat het forensisch onderzoek van Jonathan een aantal interessante sporen had opgeleverd. Het was op de vooravond dat er een grote coup werd voorbereid om enkele ultra geheime ontwikkelingen te verkopen aan de buitenwereld. De timing dat Jonathan kwam was dus zeer ongelegen. De dag na zijn aankomst werd hij door Ian en door het team Vince gebrieft tot hij plotseling een telefoon kreeg van Iveta met het bericht dat er nog iets vergeten was.”
Iveta probeerde te protesteren, maar Abdi ging ongestoord verder.
“De wagen die Jonathan kwam ophalen werd bestuurd door Juergen. Juergen, als computerdeskundige en met alle privileges op het systeem van Abacus, had daarvoor in de buurt alle videobewaking uitgeschakeld onder de mom van een dringend onderhoud. Hij voerde Jonathan naar buiten zogezegd om het robotsysteem te inspecteren. Hij liet namelijk een stuk van de waarheid uitschemeren. De robots maakten deel uit van het netwerk en via hen werd toegang geforceerd naar geheime bestanden. De software code op de robots werd naar een oude versie teruggebracht om beveiligingslekken terug te activeren. Bij hacken wordt meestal gedacht aan een mannetje achter een computer. Niet aan een rondrijdende robot op een weide. Jonathan, niets vermoedend, vond inderdaad dat dat een hoge prioriteit had. Zeker toen Juergen hem informeerde dat er iemand met de software aan het knoeien was. Ze gingen naar de weiden waar Juergen hem met een klap bewusteloos sloeg en hem naar de grazende kudde sleepte. De robots, die hij met de oude software had opgeladen, traden in actie en interpreteerden de liggende figuur, wellicht langzaam terug bijkomend, als een roofdier. Het geluid dat de robot maakte van een roofdier deed de kudde opschrikken en Jonathan kon zich niet meer redden. Het leek perfect op een ongeluk en het zou wellicht ook zonder verder onderzoek als een ongeluk worden geklasseerd ware het niet dat er ook een kogelhuls werd gevonden door de speurders. Daardoor werd er verder gezocht en konden we deze onregelmatigheden ontdekken. Toen tijdens de vergadering met Ian, waarop ook Juergen, Iveta en Marsha aanwezig waren, Vladimir vertelde wat zijn sensors aan informatie hadden opgeleverd en zijn vermoedens die hij daarop had gebouwd, als ook gisteren Ian over Pieters theorie vertelde, werden de daders onzeker. Met een grote transactie in het vooruitzicht, zou ik ook zenuwachtig worden. En zoals altijd, onder druk begonnen ze fouten te maken. Met Vladimir bijvoorbeeld. Een zeer beperkt aantal mensen wist van Vladimirs nakende operatie en zijn vaste wil geen druppel alcohol aan te raken. Gisterenavond werd er door sommigen zeer veel moeite gedaan om de indruk te scheppen dat Vladimir vlot aan het feesten was. En omdat de meeste bezoekers van de bar hun opmerkzaamheidvermogen al troebel was, lukte dat nog ook. Tot dat één persoon op een eerder hardhandige wijze weer nuchter werd geslagen en aan ons verklaarde dat Vladimir die avond géén alcohol had gedronken. De kelner en bartender hebben dit trouwens bevestigd. Zijn assistente, Marsha, was niet zo dronken, maar een mooie hoeveelheid slaapmiddel deed de rest. En dat kwam goed uit, want Iveta diende Vladimir te verleiden. Wat voor haar een koud kunstje was. Toen ze de slapende Marsha verliet en ze uitgestoeid was met Vladimir, lokte ze hem mee voor een ochtendlijk partijtje naaktzwemmen. Een frêle dame als Iveta zou nooit een kerel als Vladimir kunnen vloeren, dus stond Juergen klaar om hem vanuit de tuin een klap te geven en hem in het zwembad te verdrinken.”
Iveta sprong op en riep verontwaardigd: “maar neen, het onderzoek van. Kitwaela toonde duidelijk dat Vladimir dronken was. Kijk maar naar de analyse van het bloedstaal.”
Abdi was niet uit zijn lood te slaan: “je hebt gelijk, Iveta. Alleen, het bloedstaal kwam niet van Vladimir, maar van Brian. Toen Pieter zich omdraaide kwam jij uit de groep om Brian te helpen, en heb je ook de gelegenheid genomen om stalen van zijn bloed te nemen. Vooral een bloedneus levert wel genoeg op, neen? Het was eigenlijk wel slim, want, toevallig, hebben Brian en Vladimir dezelfde bloedgroep. Alleen is Brians lever in een betere conditie en een volledig bloedonderzoek bracht dat aan het licht. Natuurlijk was het werk van dokter De la Fayette doorslaggevend. In haar rapport staan trouwens ook enkele onverklaarbare wonden. Het lijkt erop dat onze goede dokter Kitwaela toch niet zo nauwkeurig is.”
Kitwaela stond op en verontwaardigd protesteerde hij: “hoe durf jij te twijfelen aan mijn oordeel als dokter? En achter mij om ...”
Abdi keek streng naar Kitwaela: “ik twijfel niet aan uw kunde als dokter, maar wel aan uw integriteit als mens. Ook voor een Masai kan geld een onweerstaanbare drijfveer zijn. Zeker als je ambitie hebt. Het is een verspilling van talent dat je werd omgekocht om Vladimir te laten sterven bij de leveroperatie. Vladimir moest hoe dan ook verdwijnen maar omdat hij tijdens die vergadering openlijk beweerde dicht bij een ontmaskering van de daders te zijn, werd zijn dood plots dringend. Je bent zeer nauw aan doodslag ontsnapt, jongeman, ik hoop dat iemand als dokter De la Fayette jou kan begeleiden op het juiste pad. En dan is er nog het mysterie waarom Jonathans telefoon niet werkte. Jonathan was een beetje zoals jullie, de drang om steeds online te zijn, de homo connecticus. Jonathan was een computer genie. Maar hij speelde de rol van een totale PC-moron. En weet je, intelligente mensen hebben één zwak punt. Als ze spreken met iemand die ze zelf dom vinden, dan worden ze arrogant. Mijn favoriete detective programma is Colombo. De hele serie is zopas gerestaureerd en op geheugenchip uitgebracht. Ik kan het iedereen aanraden. Om terug op Jonathans telefoon te komen. We hadden getuigenissen dat Jonathans toestel tijdens de vlucht werd opgeladen. Dus waarom was zijn batterij leeg en zijn adapter spoorloos? Ik moet zeggen dat dat kleine detail me lang heeft beziggehouden. Ik verdacht allerlei mensen, tot ik met Alex, de piloot sprak. Die vertelde me dat hij als enige controle heeft over de circuits binnen het vliegtuig en dat hij uit gewoonte enkel op vraag van het boordpersoneel stopcontacten aanschakelde. Blijkbaar had hij ooit in het verleden een brand kunnen vermijden nadat iemand paperclips in de stopcontacten had gestopt. Hij had die bewuste vlucht geen vraag gekregen. Na weinig aandringen had de stewardess van dienst toegegeven dat ze voor enkele duizenden euro's de lader van Karum had overgenomen en in een niet geactiveerd contact had gestopt.”
Abdi haalde diep adem: “wat mensen al niet doen voor een beetje geld.” 
Hij ging verder: “sommige mensen geven snel de waarheid prijs, de stewardess was zo'n persoon. Hoe meer de rand van een plan uitbreidt, hoe minder controle men heeft. Het was dan ook niet moeilijk te achterhalen wie het haar had gevraagd.”
Abdi keek naar Iveta, die steeds bozer met haar ogen knipperde. “Is het nu gedaan met die beschuldigingen? Alles wat je nu hebt gezegd zijn mooie theorieën. Zo kan ik er ook wel enkele uit mijn mouw schudden.”
Abdi keek geïnteresseerd: “daar ben ik me volledig van bewust, Iveta. Maar hoe verklaar je dan deze beelden die enkele uren geleden werden opgenomen nabij het nieuwe huis van Pieter?”
Hij drukte op een afstandsbediening en beelden van een bewakingscamera werden op het scherm aan de achterkant van de zaal geprojecteerd. Een wagen kwam aangereden en stopte aan de straat voor het huis van Pieter. Een politievoertuig met zwaaiende lichten kwam aangereden en de wagen vertrok met hoge snelheid. Abdi stopte het beeld en zoomde in. Het gezicht van een verschrikte Iveta was duidelijk te zien.
“Voor de gelegenheid hadden we een aantal extra onafhankelijke camera's geplaatst om er zeker van te zijn dat we de chauffeur duidelijk konden identificeren.”
“Ik was daar om Pieter te halen,” probeerde ze nog.
“Ik ben er zeker van dat jij er was om Juergen te halen. Kijk maar naar deze beelden.” Abdi prutste wat met de afstandsbediening en zei: “het volgende kan wat choqueren, maar het feit dat Jane en Pieter hier zijn zal het wellicht verzachten.” Op het projectiescherm kwam Juergen tevoorschijn die zonder aarzelen eerst Jane en dan Pieter neerschoot. De beelden eindigden met Juergen die in een politiewagen werd geduwd en wegreed. Op het scherm verscheen een collage van diverse camerahoeken van Juergen die op Jane en Pieter schoot.
Ian stond op. “Nu weten jullie waarom Juergen niet aanwezig is en wat zijn afspraak was: de lokale gevangenis. Toen hij die van binnen zag, heeft hij dan ook een volledige bekentenis afgelegd aan team Abdi. Dus wat inspecteur Abdi hier vertelt is geconfirmeerd en bekend door Juergen. Het is opmerkelijk wat er als een stormvloed uit hem kwam. Desondanks hebben sommige mensen nog steeds de neiging die feiten te negeren.”
Iveta barstte uit: “het is niet omdat ik jouw assistent ben dat ik jouw functie niet kan doen. Ik ben steeds de tweede geweest hoewel je het aan mij de danken hebt dat je zo succesvol bent. Wie zorgde voor alle voorbereidingen? Voor alle verslagen? Alle presentaties? En ik bleef maar een PA. Ik, met een graad in computerwetenschappen. Juergen zag het tenminste dat Abacus maar een beperkt leven had. Dat de oorlog hierbuiten snel zou eindigen. En dat slechts enkelen voldoende middelen zouden hebben om nog het verschil te maken. Noch jij, Ian, noch Vladimir zagen de mogelijkheden op lange termijn. Jullie zien enkel dit onooglijk stukje Abacus. En jullie naïeve idee dat dit het Utopia is. Ian, get a life, Morus zijn hoofd is ervoor afgehakt en het jouwe zal er ook voor gehakt worden!”
Enkele agenten kwamen de zaal binnen en boeiden Iveta. Marsha keek met tranen in de ogen naar haar. Iveta riep nog naar haar: “wat dacht je, dat ik écht op jou viel?”
Oona, die naast Marsha zat, sloeg haar arm rond haar en trok haar wat dichter om haar te troosten. Abdi keek naar Ian en zei: “daar heb je het hele verhaal. Wil je er nog iets aan toevoegen?”
Ian dacht gespeeld enkele ogenblikken na. “Ja, ik heb een nieuwe assistente nodig. Marsha, wil jij die functie opnemen?” 
Die opmerking ontlaadde de gespannen sfeer in de zaal.
Ian stond terug recht. “Zoals ik al zei, het zijn een aantal interessante dagen geweest, maar ik denk dat we de schuldigen hebben kunnen ontmaskeren. We kunnen met een propere lei terug beginnen. In ieder geval binnen onze eigen muren. Een internationaal team onder leiding van Abdi zoekt nu de medeplichtigen daarbuiten. Maar nu die geen interne hulp meer hebben, zal het voor hen al heel wat moeilijker worden om nog op onze systemen te geraken. Maar een gewaarschuwd man is er twee waard. Tot dan zijn we weer veilig en zal onder Philippe en Vince een efficiënte beveiliging worden uitgewerkt. Om alles samen te vatten: het was een lange dag. Het is dan ook met plezier dat ik kan aankondigen dat de dagelijkse war room calls na één dag niet meer nodig zijn.”
Iedereen lachte wat onzeker. Kleine groepjes begonnen zich te vormen in de lobby en geleidelijk ging iedereen naar buiten. Pieter en Jane maakten aanstalten in de wagen te stappen. Abdi kwam naar hen toe en schudde Pieters hand uitdrukkelijk lang. Pieter werd een beetje ongemakkelijk toen Abdi uiteindelijk zei: “meesterlijk, Pieter. Meesterlijk. Ik was er zelf nooit opgekomen om die huls daar te gooien. “
Pieter antwoordde even serieus: “het was de enige manier om een onderzoek te starten.”
Abdi knikte: “en je had gelijk, Pieter. Soms moeten we Vrouwe Fortuna een beetje helpen. Hou je goed.”
Jane keek naar hem toen ze naar huis reden. “Wat was dat met Abdi? Ik wil het wel weten voor er weer iemand me probeert neer te knallen in mijn eigen slaapkamer.”
Pieter antwoordde: “herinner je die heuvel nog die we met Francesca de eerste dag hebben bezocht? Daar lagen een pak hulzen. Ik heb toen ik klein was ooit nog een verzameling gehad van hulzen en kogels. Ik kon er niet aan weerstaan enkele op te pikken. Op impuls, ik weet het. Maar toen ik het lichaam zag van Jonathan wist ik dat er meer aan de hand was. Ik heb toen enkele van die hulzen daar neergegooid. Enkele foto's genomen, in de hoop dat Abdis mannen er tenminste eentje zouden terugvinden. Wat ze dus ook hebben gedaan. Ik vermoed zelfs dat ze alle hulzen hebben teruggevonden.”
Hij masseerde met duim en wijsvinger haar nek: “soms heeft een onderzoek een klein duwtje nodig.”

*
* * *

Epiloog

De dikke beige kussens op het teakhouten tuinmeubilair omvatten het lichaam van Pieter ondersteunend en knus. De geur van het brandende houtskool vermengde zich langzaam met de tropische vegetatie. Hij wou zijn plaats niet verlaten maar de barbecue was meedogenloos met het eten. Pieter zwaaide het bord met de geroosterde jumbogarnalen heen en weer onder zijn neus.
“Dàt is het, dàt is het leven. Hier kan ik nu echt van genieten.” Hij nam een van de geroosterde schaaldieren en begon die open te peuteren. “Ik kan echt de simpele dingen van het leven appreciëren.”
Jane installeerde zich tegenover hem en opende haar hand. Ze keek omhoog naar de pikzwarte hemel doorprikt met sterren en probeerde de hemellichamen te herkennen.
“Ik denk dat er nu weinigen zijn zoals wij die nu op hun werkweek terugkijken,” zei ze. Pieter bleef de garnalen pellen en zette het bord tussen hen. Hij voelde zich veilig want hij wist dat Abdi de komende dagen nog enkele mannetjes op uitkijk had staan. Niet veel mensen werden 's middags doorgeschoten om 's avonds garnaal te eten.
“Heel wat mensen hebben nu andere dingen aan hun hoofd, zoals overleven. En nu wil ik de komende tien jaar van een welverdiende rust genieten.”
“Het is maar wat je als rust beschouwt.”
“Dat is een makkelijke: stilte, kalmte, niet beschoten worden... alleen met jou zijn. “
“Dat laatste zou wel eens kunnen tegenvallen,” antwoordde Jane bijna terloops, “ik ben zwanger.”

EINDE

Een interview met de schrijver:



“De eeuwige vraag,” zoals dokter Fowler het stelt: “Waarom?”
Eigenlijk wil ik een aantal boodschappen meegeven. Een is de vraag hoever mensen en technologie zouden gaan om een zogezegde betere wereld te creëren. Om het bestaande te vernietigen en om van daaruit iets nieuws op te bouwen. Zonder die vervelende historische bagage. Hoe rekbaar is een maatschappij en zijn we vandaag, of binnen afzienbare tijd, aangekomen aan het einde van de elasticiteit? Dit is sinds jaren een heel romantisch thema in de literatuur, maar in De Abacus Vergelijking neemt het wel heel extreme vormen aan. Verder gaat het over één van de sluipende problemen waar te weinig aandacht wordt aan besteed. Wellicht omdat het zo sluipend en traag is. Hoewel. En dat is de overbevolking. Of beter, hoe lang kan de aarde, met behulp van technologie, nog de groei verwerken? Er is meer dan genoeg plaats, maar is er meer nodig dan plaats alleen. De andere boodschap is die van manipulatie. Het is verbazend hoe we iedere dag gemanipuleerd worden door de anderen, zonder het ons te realiseren. In het boek is de hoofdrolspeler, Pieter Van Dyck, ondanks zijn kritische en onafhankelijke instelling niets meer dan een schaakstuk in iemand anders zijn groter plan. Maar er is geen enkele manier dat hij eraan kan ontsnappen. Niet in dit boek tenminste. Misschien wel in het vervolg.

Nu al benieuwd wanneer dat zal komen.
Ik vrees dat het eind 2012 zal worden. Maar dat het er komt, dat is zeker.

Technologie speelt een belangrijke rol in jouw boek. Kunnen we spreken van een technothriller?
Ik geef het toe. Ik ben een technologie en gadget persoon. Mijn hele professionele leven spendeer ik tussen technologie, van lasers tot life sciences en computers. Ik heb het geluk gehad te kunnen werken in de hoofdkantoren van multinationals, Europese en Amerikaanse. Dus ik ervaar iedere dag hoe technologie onze levens bepaalt. Van hypes tot ontgoochelingen. Maar het boek zou ik geen technothriller noemen, daarvoor dient de technologie als protagonist opgevoerd te worden. Dat is niet het geval in De Abacus Vergelijking. De protagonisten zijn echte mensen. Het verhaal evolueert rond hun levens, hun gevoelens en interacties. Ik ben er wel van overtuigd dat technologie een steeds belangrijker rol zal spelen in het verdere verloop van onze beschaving. Cruciaal hierbij is de drang naar vernieuwing. En daar knelt het schoentje met de huidige economische modellen van onze Westerse wereld. Regeringsleiders doen veel te weinig om die innovatie te versnellen. Dat zou één van hun belangrijkste rollen moeten zijn.

De omgeving is heel internationaal. Van de Indische Oceaan tot Afrika tot New York. Waarom niet dichter bij huis?
Jaren geleden las ik op een site gewijd aan “hoe een boek schrijven” het advies dat een auteur zich zou moeten houden aan zijn onmiddellijke omgeving; zijn stad, zijn land, zijn provincie. Dat is natuurlijk larie. De dagen van de Heimat literatuur  zijn over. Vandaag is de wereld het dorp. Technologie heeft ons verlost van de vier muren. We kunnen praktisch gaan waar we willen. In persoon of virtueel. Moderne mensen reizen en gaan rond de wereld. Kijk maar eens op Facebook. Zelfs als er een economische crisis is.

Er zitten toch enkele serieuze filosofische discussies in het boek. Ben je niet bang dat dit de lezer zal afschrikken?
Ik hoop het niet en ik denk het niet. Ik hou niet zo erg van de recht toe recht uit moordverhalen of thrillers. De lezer is geen idioot. De lezer wil meedenken met de personages of met de schrijver. Ik wou toch enkele elementen in het verhaal brengen die de lezer zou doen nadenken terwijl die toch ondergedompeld wordt in een wervelend avontuur. Maar het is een ernstig boek. Ik heb geen schrik om er onderwerpen zoals religie, humanisme en economie in te vermengen. Niet zomaar, het zijn steeds drijfveren van de personages. Maar het algemene beeld is er een van positivisme. In de huidige literatuur is er een tekort aan optimisme. Wanneer ik zie welke romans vandaag gelauwerd worden, zoals in België bijvoorbeeld de jeugdliteratuur, wel … dan vind ik dat bijzonder triest. De onderwerpen zijn steevast verkrachtingen, zelfmoord, drugs, prostitutie. De stijl is ruw en rauw, alsof dat de enige manier is om een onderwerp aan te snijden. Sorry, de tijd van Boon dat je ze een geweten moest schoppen ligt toch ook al een tijd achter ons. Ik zeg niet dat dit onderwerpen zijn die moeten vermeden worden, integendeel, maar de boodschap is steeds negatief terwijl de huidige omgeving, jong en oud, meer nood heeft aan een positieve levensvisie.

Ben je erin geslaagd om het verhaal te vertellen zoals je het wou?
Ik denk dat iedere schrijver het gevoel heeft dat zijn verhaal nooit volledig af is. Wanneer ik mijn eigen teksten lees, dan is er steeds wel iets dat ik anders zou formuleren of verwoorden. Een creatief werk is wellicht nooit af. Dat is ook het leuke aan elektronisch uitgeven. Een boek kan veranderen, het wordt een evoluerende creatie. Ik hou daar wel van. De lezer kan participeren in het verhaal door suggesties in te zenden. De lezer wordt zo een deel van het verhaal.

Zijn er leuke dingen gebeurd tijdens het schrijven?
Wel, ja inderdaad. Wanneer ik met mensen sprak over het boek was het opmerkelijk dat ik over het algemeen de volgende drie vragen kreeg. De volgorde is belangrijk. De eerste vraag was: “komt er seks in voor?”. De tweede vraag: “hoe dik is het?” Zoals vroeger in de klas als de leraar vroeg om een opstel te schrijven. En enkel op de derde plaats kwam de vraag naar de inhoud van het werk. Dat vond ik zo amusant dat ik er aan getwijfeld heb om enkel nog pornografische scènes te beschrijven. Uiteindelijk heb ik het maar niet gedaan. Just kidding.

Hoe jammer!
